Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

moerdijk

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

BENOORDEN DE MOERDIJK

Benoorden de Moerdijk
Daar kan men niet bewonderen,
Daar trapt men de dichter, daar hoont men de held.
Benoorden de Moerdijk
Daar zitten de tobbers, al welgesteld,
In tuin en kantoor zich af te zonderen,
En tellen geld.

Benoorden de Moerdijk
Daar wonen de sufste rijken,
Ze noemen zich vrij, of roemen zich vroom.
Benoorden de Moerdijk
Daar moet het fel schokken, eer uit hun droom
Wat koppen zich heffen, voorzichtig, en kijken
De kat uit de boom.

Benoorden den Moerdijk
Daar vreest men zich te branden
Aan koud water. Geestdrift is duur.
Benoorden de Moerdijk
Daar vinden de vossen de druiven te zuur
Al hunkeren zij en watertanden
Met geel gegluur.

Benoorden dn Moerdijk
Is de hemel der neutralisten,
Der vechters voor vrede, der werkers voor rust.
Benoorden de Moerdijk
Daar drinken ze Curaçao, met lust,
En schutten met dappere pacifisten
Landsgrens en kust.

Benoorden de Moerdijk
Zijn er duizend Nederlanders.
Al de anderen zijn anders
Benoorden de Moerdijk.

De Noodhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

stil

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Stil is de nacht.

Stil is de nacht en lieflijk blinkt de maan;
Vermoeidheid rust met zorg en vrees en smarte, -
Maar liefde waakt in 't rustloos kloppend harte,
Zij, zij-alleen kan niet ter ruste gaan!

En waar legt Gij het lieflijk hoofd ter rust?
Melieve, waar spreidt u de slaap haar bloemen?
Wat legerkoets kan zich gelukkig roemen,
Dat zij u draagt en op haar sponde sust?

Waar is u thans het dons ten deel gevallen,
Waar gij uw leên tot sluimren nedervlijt? -
O zij het zacht, gelijk gij waardig zijt,
Zacht als gij-zelv', die zachter zijt dan allen.

En slaap gerust! - geruster dan ik 't mag,
Sinds mij uw beeld geen rust vergunt te smaken,
Sinds 't mij bij nacht zo menig uur doet waken,
En dromen doet de ganse langen dag.

Dat dromen ook is dierbaar aan de geest.
In dromen slechts bestaat al 't zoet van 't leven,
Maar die zijn 't zoetst die ons de slaap kan geven,
Als 't hart gelooft, dat wakend hoopt maar vreest.

O droom gij zoet! en word niet wreed bedrogen,
Ontvlie 't geluk u nimmer met de rust! -
Droom zoet en schoon van liefde en levenslust!
En laat die droom profetisch wezen mogen!

Gedichten I (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

groete

Een gedicht van Lucas de Heere

De Inghelicke groete.

Ave Maria.

ZIJT gegroet ô Maghed Marie,
Vol van gratiën zonder getal,
De Heer is met u t'allen tije,
Gezegend zij dy boven al
Dat vrouwelijk heet, en hier beneven
Is gezegend heilig en rein
De vrucht dijns lichaams hoog verheven
Jesus Christus: dit is certein.

Psalmen Davids na d'Ebreeusche waerheit  (1565)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

ALS ONZE ZIEL NIET ZONG

Als onze ziél niet zong,
En vreugdedansen sprong,
Zouden dan wel de vógels zingen,
De bronnen uit de rotsen springen,
En had de storm een tong?

Als onze hoop haar schat
Niet rustloos zocht, en bad,
Zou dan de boom zijn bloei en twijgen
Zó innig hemelwaarts doen stijgen,
Dat hij het blauw omvat?

Neen, als de ziel zeer diep
In duister lag en sliep,
Terwijl geen prins, getooid met bloemen,
Een wekker, die wij engel noemen,
De schone slaapster riep,

Dan zou het ritslend bruin,
De bron, verstikt in puin,
Verdord en snikkend nederzijgen,
Dan zou de wind, de vogel, zwijgen
In die verdoemde tuin.

Opvluchten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

blij

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

Ik ben heel blij

Ik ben heel blij
Doch 'k weet niet waarom,
't Hart van mij,
Klopt bom, bom, bom.
O! alles blinkt,
En trilt en beeft,
En mijn ziele zingt,
En droomt en zweeft.
O! ik ben zo blij,
Van blijdschap dronken.
Doch wie heeft mij
Deze vreugd geschonken?
Uit welke bron,
Uit welke stroom,
Uit welke zon,
Uit welke droom?

De Beweging (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Gestild verlangen

Wat ik verlang? Niet meer de wilde weelde,
De woede, die naar donkre daden drijft,
Slechts dat mijn ziel, die zoveel goed verspeelde,
Na zoveel kwaad in vroomheid vreedzaam blijft.

Wat ik verlang? Ik heb zoveel gewonnen
In overmoed, dat ik verloor in smart:
Geve mij God, gezuiverd en bezonnen
Een smekende ziel en een zingend hart.

Mijn weekwerk eindigt: milde Sabbathvrede
Voert mijn onrust tot een geruste zin.
Met genoten van mijn Volk treed ik in,

Waar bij 't stijgen van onze Sabbathbeden
Een vrome knaap juicht met huivrende stem
Als eens de Priesters van Jeruzalem.

-------------------------------------------
Het Joodsche lied. Tweeede boek (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

het wonder

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

HET WONDER

Alle begeerten zijn nu zoet vervloeid
Tot één trouw peinzen naar de zachter uren
Waarin uw daden zijn als bleke vuren,
Uw troost een kroon is die droef-geurend bloeit.

Mij wondt de wereld die mijn angst verfoeit,
Mij schrijnt haar luidheid die 'k niet kan verduren.
Ik zoek haar niet: ik wil alleen de pure
En zoele droom van u die niet vermoeit.

Dat waarde droeg weleer is lang vervlogen,
Geen boos en goed weet meer mijn mededogen
En haat verbleekte stil, een oude prent.

Zo heeft mijn vrezen zich tot u gewend,
Naar 't vreemd begrijpen dier aandachtige ogen,
't Spreken dier stem die enkel liefde kent.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

botten

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Slapende  botten

Ten halve afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
     gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
     zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
     de aangename tijd
van volle uitspreekbaarheid.

     Zo slaapt de botte in ‘t hout,
verdonkerd en verdoken;
     geen blomme en is er ooit,
geen blad eruit gebroken;
     maar blad en blomme en al
het ligt erin, en beidt
     de dag, de dageraad...
de barensveerdigheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:00 Reageer op dit bericht

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1809

EEN OVERBLUFTE BLUFFER.

Jan prees altijd zichzelv', en, wat een ander kon,
Jan zei steeds onbedekt, dat hij 't nog verre won.
Maar Piet zei: ,,Hoor, o , grote Jan!
Ik weet slechts éne zaak te noemen,
Die jij kunt, maar geen ander kan:
Jou roemen."

Graan en groen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

vlag

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Hollands vlag

Hollands vlag, je bent mijn glorie,
Hollands vlag, je bent mijn lust,
'k Roep van louter vreugd victorie,
Als ik je zie aan vreemde kust,
'k Roep van louter vreugd victorie,
Als ik je zie aan vreemde kust;
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal,
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal.

Zijn er reiner, blijder kleuren,
Of je vaart in Noord of Zuid?
Heel de lucht schijnt op te fleuren,
Strijkt ze er op haar frisheid uit,
Heel de lucht schijnt op te fleuren,
Strijkt ze-er op haar frisheid uit,
En je Hollands hart wordt wee,
Wappert met haar dundoek mee,
En je Hollands hart wordt wee,
Wappert met haar dundoek mee.

Als je haar in vreemde baaien,
Mijlen ver van 't eigen strand,
Zwierig van de mast ziet waaien,
Als een groet van 't Vaderland,
Zwierig van de mast ziet waaien,
Als een groet van 't Vaderland,
Voel je een vreemd verheugenis,
Voel je eerst recht, hoe mooi zij is,
Voel je een vreemd verheugenis,
Voel je eerst recht, hoe mooi zij is.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:13 Reageer op dit bericht

overdenking

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

OVERDENKING

Gij zijt zo lief, gij hebt zoveel gegeven
Aan rijke warmte en loutere innigheid:
Mijn leed hebt gij met broze troost omweven,
Mijn luide angst een bed van rust bereid.

Mij, eenzame, hebt gij uw eenzaam leven,
De teerheid uwer kranke ziel gewijd:
Gij draaldet niet, gij wilder pijnlijk sneven
Om één kort uur van stille tweezaamheid.

O kind, hoe zacht zijn nu de grijze dagen,
Hoe zoet van vrede en rijpe droom vervuld,
Hoe licht is 't nu verlangens last te dragen,

Nu steeds het zeker weten ons omhult
Dat ge eens, als antwoord op mijn huivrend vragen,
Naast mij 't nabij geluk beschreien zult.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Abraham van Collem 1855-1933

Als gij met uw zingend hart...

Als gij met uw zingend hart, ziet naar
De mensen, naar de Zonnen, naar de Aarde,
Naar verschijnselen in het heelal,
Kunt gij alle werelden en mensen
Met uw zingend hart veranderen,
En de zonne maken tot de Aarde,
En de mensheid maken tot een Zon.

Nieuwe liederen der gemeenschap (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:12 Reageer op dit bericht

harp

Een gedicht van Giza Ritschl

Neem Uw harp en speel voor mij

Neem Uw harp en speel voor mij,
Laat trillen de tonen, luid en blij,
Want in mij brandt der liefde felste gloed,
Toe speel, speel voor mij luid en zacht en zoet,
En dan weer hartstochtelijk, wild en vol vuur,
Zodat ik lachen en schreien moet, en o, dat op dit uur
Ook in hem de liefde ontbranden moet,
Ontbranden zoals mijner liefde felste gloed.
Daarom speel...speel, luid en blij,
Toe speel, speel, speel voor mij!

Nieuwe liederen(1909)

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

de baan

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

De baan des braven.

Psalm I.

WEL zalig is de man die niet de baan des bozen
Betreedt, hij, die niet volgt de raad van goddelozen,
Noch in de stoel van spotters zit.
Maar vreugde vindt des herten in de wet des Heeren,
En dag en nacht, daarin de wijsheid zoekt te leren,
Terwijl zijn geest aandachtig bidt.

Gelijk de kloeke boom, geplant aan waterbeken,
Zijn vruchten schenkt op tijd, wiens blad, als zegeteken
Niet afvalt, niet verdort;
Die alles wat hij doet, het zal doen welgelukken,
Niet zo der bozen werk, de wind zal weg het rukken,
Als kaf dat weggedreven wordt.

En des in Gods gericht bestaan geen goddelozen,
De braven sluiten uit hun midden steeds de bozen.
De Heer, Hij kent de baan, de Heer!
De baan, die door de brave zalig wordt bewandeld,
Terwijl de zondaar tot zijn zelfverderven handelt
En eindlijk stort ten afgrond neer!

De psalmen in gezangen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:06 Reageer op dit bericht

storm

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

DE LAATSTE STORM

Buldrend speelt de zee met 't oude vaartuig.
Kalm, manhaftig kampt de grijze zeeman
met de storm. Maar splijtend te allen kante
vreeslijk kraken de oude broze wanden.

Bleek en bevend staart alom de manschap
naar het krakend wantwerk en de zeeman.

"Sloepen af en vrouwen eerst!" gebiedt hij.
Wiegend wagglen sloepen in de storrem,
angstig ijlt de manschap in de sloepen.
Eenzaam staat op 't vaartuig de oude zeeman.

"Vol!" zucht hij, "vaarwel, matrozen, red u."

Door de storm verdwijnen zijne sloepen.

Buldrend speelt de zee met 't splijtend vaartuig.
Kalm, manhaftig bidt de grijze zeeman
de armen rond een mast. Zo lange reisden
schip en zeeman samen door de stormen;
grijs is 't hoofd geworden van de zeeman,
krakend en versleten 't machtig vaartuig...

O de wind, de zee, de laatste storrem!
Schuimend, bruisend, stijgen wilde baren
onder zijne voeten. Krakend, berstend,

in de diepe kolken draait het vaartuig...
Samen duiklen schip en man verzwolgen.
Machtig stormt de zeewe, groots en eenzaam.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:18 Reageer op dit bericht

Bethlehem

Een gedicht Gentil Antheunis 1840-1907

Betlehem

Kerstlied.

Aan mijne zuster Mathilde.

Rorate, coeli, desuper, et nubes pluant Justum!

Dauw, hemelen, van boven en dat de wolken
regenen de Gerechte!


Adventlied.

koor.

Voor ons, met kwaad en leed belaân,
Voor ons, die in het slijk vergaan,
Is Hij geboren
In ene stal,
De God, de meester van 't heelal,
Van ene Maged uitverkoren.
Dáarom verenigt hart en stem
In Betlehem.

kinderen.

O kindje lief, o kindekijn!
Komt gij hier ook ons broerke zijn?
Ons moeder heeft ons reeds geleerd
Dat men uw heil'ge naam vereert;
Dat boven de heem'len uw glorie zweeft
En de engel voor uw aanschijn beeft.
Maar neen! ge lacht zo gul en blij,
Gij hebt een moeder, zo als wij.
Niet waar, ge wilt ons broerke zijn,
O kindje lief, o kindekijn?

engelen.

O kindren, juich nu blij en luid,
En steek nu beide uw handjes uit;
De Goedheid dauwt van boven.
Des kindes bescherming is na;
Een kind brengt den kinde genâ.
Halleluja!

vrouwen.

O God verlosser! maar neen, maar neen!
Wij horen uw klagen en uw geween;
Gij zijt een kind, hebt kou en dorst,
Een vrouwe laaft u aan haar borst.
'k Ben vrouw en moeder zo als zij;
Verlos ons van de slavernij,
En als uw moeder u laaft en kust,
En als uw moeder in slaap u sust,
Vergeet niet dat wij moeders zijn,
O kindje lief, o kindekijn.

engelen.

O vrouwen, moeders, wees getroost,
En vrees voor u noch voor uw kroost,
De Liefde dauwt van boven.
Der vrouwen ontslaving is na!
Een vrouw brengt de vrouwen genâ,
Halleluja!

mannen.

O God! maar neen! gij zijt ook mens;
Aanhoor ons klacht, vervul ons wens.
Hieronder, in dit tranendal,
Ge ziet, 't is duister overal.
De mens is met verstand begaafd,
En toch hij twijfelt en werkt en slaaft.
Wij trachten naar vrijheid, naar rust en licht.
Gij komt tot ons als mens, als wicht;
O kind, aanhoor eens vaders beê;
O mens, geef aan de mensen vreê.

engelen.

O Mannen! hef het hoofd nu vrij,
En schudt het juk der slavernij,
De Vrijheid dauwt van boven.
Der mensen verlossing is na;
Een mens brengt de mensen genâ,
Halleluja!

slotkoor.

Halleluja!
In excelsis gloria!
De Heiland is geboren
Van ene Maged uitverkoren.
Voor kindren rijst bescherming op;
Een vrouw verplet de slangenkop;
Het licht straalt door het duister,
De liefde breekt band en kluister.
Wij hebben 't gehoord; 't is Godes stem:
‘De Heiland is geboren,
Van ene maged uitverkoren
In Betlehem!’

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

wanneer

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Wanneer ik tot U kom

Wanneer ik tot u kom, dan lacht gij zacht,
En somtijds klaagt gij, maar als zij, die spreken
Van vroeg're smarten, die als dromen weken
En waar men in de droom om weent en lacht.

Maar als 'k alleen ben hoor ik dag en nacht
Uw snikken en ik zie uw tranen leken,
En voel uw hart wild slaan, alsof 't wil breken,
Maar kan niet, dàn verneem 'k uw luide klacht.

En dat zijt gij, dat weet ik, en ik wil
Niet leven voor uw schijnbaar zelf, dat lacht,
Maar voor de ziel der ziel, die in u lijdt, -

En als gij schijnbaar kalm en blijde zijt,
Zal 'k uw gedachten horen schreien zacht,
Of gij van verre staat en schreit - heel stil.

Van de liefde die vriendschap heet  (XIX)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

1700

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Anno 1700 en Zo Veel.

Ze zaten vol en vetjes,
Heel puntigjes en netjes:
Twee rococo-portretjes,
Een Prinsman en een Kees,
Met blanke chemisetjes,
Met Brusselse manchetjes,
Gepoederde toupetjes,
Met stijve girouetjes
En stijve préjugés.

Hun geestje was aan 't dwalen:
Bij honderd idealen
En duizend weelde-stralen,
Ging 't zonnetje reeds dalen,
Der oude fermiteit;
Ze staken hun metalen
Door vader opgeleid,
Niet meer in koffiebalen,
Maar veilden integralen:
Ze lieten de Oost verschalen
En strooiden in hun palen
't Zaad der lamzaligheid.

Ze zijn ad patres heden,
De rokjes zijn versneden,
Het goudleer ligt vertreden,
Maar 't geestje dwaalt nog om,
Nog zoekt hij te overreden,
En relt van zuivre zeden,
In 't oude heiligdom;
Maar wie zich wijdt aan 't heden -
Hij zoek' zich in 't verleden
Een spiegel voor zijn schreden:
Doe wel en zie niet om.

1860

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

winteravondkou

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

In winteravondkou

IN winteravondkou, in het groot open
van het blauwvloeiende beloopen
roestrandig staal,
spichtig, onzichtig nu de nieuwe maan
als een fijn edel veertje, als een losse haal
en dun getogen.

Rondom vochtig staan
de zwarte sparren, lorken gril verwezen,
verzameld onderhout, somber en nors,
maar onder de donkerte der schors
is helder al het jonge sap gerezen.

Onder de nevels in de vert'
het bronzen roepen van een hert.

Gemengde Verzen III

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

levensloon

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Levensloon

Ik neem het rijke levensloon
Van elke blije dag,
Als Gij mij reikt het gulden schoon
Van uwe mond en lach.

De dag verglijdt in stille glans
Bij mijn verholen droom,
Mijn ogen zien ten verre trans,
Of reeds de avond koom’.

Ik keer, als groot de zonne poost
En dag en werk zich sloot,
Waar Gij mij geeft zo wond’re troost,
Lijk van de vrome dood.

Ik keer,  waar ik U immer vond
Ten wijde avondtijd,
Ik geef mijn mond aan uwe mond,
Waar Gij mij immer beidt.

Ik leef mijn rijzend levensjaar
Van wat uw liefde bood:
Want liefde , zo bezonken-klaar,
Is  ’t rijpste levensbrood.

Nagelaten verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten