Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Bethlehem

Een gedicht Gentil Antheunis 1840-1907

Betlehem

Kerstlied.

Aan mijne zuster Mathilde.

Rorate, coeli, desuper, et nubes pluant Justum!

Dauw, hemelen, van boven en dat de wolken
regenen de Gerechte!


Adventlied.

koor.

Voor ons, met kwaad en leed belaân,
Voor ons, die in het slijk vergaan,
Is Hij geboren
In ene stal,
De God, de meester van 't heelal,
Van ene Maged uitverkoren.
Dáarom verenigt hart en stem
In Betlehem.

kinderen.

O kindje lief, o kindekijn!
Komt gij hier ook ons broerke zijn?
Ons moeder heeft ons reeds geleerd
Dat men uw heil'ge naam vereert;
Dat boven de heem'len uw glorie zweeft
En de engel voor uw aanschijn beeft.
Maar neen! ge lacht zo gul en blij,
Gij hebt een moeder, zo als wij.
Niet waar, ge wilt ons broerke zijn,
O kindje lief, o kindekijn?

engelen.

O kindren, juich nu blij en luid,
En steek nu beide uw handjes uit;
De Goedheid dauwt van boven.
Des kindes bescherming is na;
Een kind brengt den kinde genâ.
Halleluja!

vrouwen.

O God verlosser! maar neen, maar neen!
Wij horen uw klagen en uw geween;
Gij zijt een kind, hebt kou en dorst,
Een vrouwe laaft u aan haar borst.
'k Ben vrouw en moeder zo als zij;
Verlos ons van de slavernij,
En als uw moeder u laaft en kust,
En als uw moeder in slaap u sust,
Vergeet niet dat wij moeders zijn,
O kindje lief, o kindekijn.

engelen.

O vrouwen, moeders, wees getroost,
En vrees voor u noch voor uw kroost,
De Liefde dauwt van boven.
Der vrouwen ontslaving is na!
Een vrouw brengt de vrouwen genâ,
Halleluja!

mannen.

O God! maar neen! gij zijt ook mens;
Aanhoor ons klacht, vervul ons wens.
Hieronder, in dit tranendal,
Ge ziet, 't is duister overal.
De mens is met verstand begaafd,
En toch hij twijfelt en werkt en slaaft.
Wij trachten naar vrijheid, naar rust en licht.
Gij komt tot ons als mens, als wicht;
O kind, aanhoor eens vaders beê;
O mens, geef aan de mensen vreê.

engelen.

O Mannen! hef het hoofd nu vrij,
En schudt het juk der slavernij,
De Vrijheid dauwt van boven.
Der mensen verlossing is na;
Een mens brengt de mensen genâ,
Halleluja!

slotkoor.

Halleluja!
In excelsis gloria!
De Heiland is geboren
Van ene Maged uitverkoren.
Voor kindren rijst bescherming op;
Een vrouw verplet de slangenkop;
Het licht straalt door het duister,
De liefde breekt band en kluister.
Wij hebben 't gehoord; 't is Godes stem:
‘De Heiland is geboren,
Van ene maged uitverkoren
In Betlehem!’

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

wanneer

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Wanneer ik tot U kom

Wanneer ik tot u kom, dan lacht gij zacht,
En somtijds klaagt gij, maar als zij, die spreken
Van vroeg're smarten, die als dromen weken
En waar men in de droom om weent en lacht.

Maar als 'k alleen ben hoor ik dag en nacht
Uw snikken en ik zie uw tranen leken,
En voel uw hart wild slaan, alsof 't wil breken,
Maar kan niet, dàn verneem 'k uw luide klacht.

En dat zijt gij, dat weet ik, en ik wil
Niet leven voor uw schijnbaar zelf, dat lacht,
Maar voor de ziel der ziel, die in u lijdt, -

En als gij schijnbaar kalm en blijde zijt,
Zal 'k uw gedachten horen schreien zacht,
Of gij van verre staat en schreit - heel stil.

Van de liefde die vriendschap heet  (XIX)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

1700

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Anno 1700 en Zo Veel.

Ze zaten vol en vetjes,
Heel puntigjes en netjes:
Twee rococo-portretjes,
Een Prinsman en een Kees,
Met blanke chemisetjes,
Met Brusselse manchetjes,
Gepoederde toupetjes,
Met stijve girouetjes
En stijve préjugés.

Hun geestje was aan 't dwalen:
Bij honderd idealen
En duizend weelde-stralen,
Ging 't zonnetje reeds dalen,
Der oude fermiteit;
Ze staken hun metalen
Door vader opgeleid,
Niet meer in koffiebalen,
Maar veilden integralen:
Ze lieten de Oost verschalen
En strooiden in hun palen
't Zaad der lamzaligheid.

Ze zijn ad patres heden,
De rokjes zijn versneden,
Het goudleer ligt vertreden,
Maar 't geestje dwaalt nog om,
Nog zoekt hij te overreden,
En relt van zuivre zeden,
In 't oude heiligdom;
Maar wie zich wijdt aan 't heden -
Hij zoek' zich in 't verleden
Een spiegel voor zijn schreden:
Doe wel en zie niet om.

1860

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

winteravondkou

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

In winteravondkou

IN winteravondkou, in het groot open
van het blauwvloeiende beloopen
roestrandig staal,
spichtig, onzichtig nu de nieuwe maan
als een fijn edel veertje, als een losse haal
en dun getogen.

Rondom vochtig staan
de zwarte sparren, lorken gril verwezen,
verzameld onderhout, somber en nors,
maar onder de donkerte der schors
is helder al het jonge sap gerezen.

Onder de nevels in de vert'
het bronzen roepen van een hert.

Gemengde Verzen III

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

levensloon

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Levensloon

Ik neem het rijke levensloon
Van elke blije dag,
Als Gij mij reikt het gulden schoon
Van uwe mond en lach.

De dag verglijdt in stille glans
Bij mijn verholen droom,
Mijn ogen zien ten verre trans,
Of reeds de avond koom’.

Ik keer, als groot de zonne poost
En dag en werk zich sloot,
Waar Gij mij geeft zo wond’re troost,
Lijk van de vrome dood.

Ik keer,  waar ik U immer vond
Ten wijde avondtijd,
Ik geef mijn mond aan uwe mond,
Waar Gij mij immer beidt.

Ik leef mijn rijzend levensjaar
Van wat uw liefde bood:
Want liefde , zo bezonken-klaar,
Is  ’t rijpste levensbrood.

Nagelaten verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

zwart en blauw

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
Zwart en blauw

(Naar Th. Moore)

Het gloeiend gitzwart oog
Schiete al zijn dolken rond,
Gevoelloos voor wie 't wond'
Of doodlijk treffen moog:
Het blauwe kwetst geen hart,
Of 't lenigt graag de smart,
En wie 't een dolk moog wezen,
't Schept wellust in 't genezen.

Het zwarte zegge ons dit:
‘Heb eerbied voor mijn gloed!
Zo gij mij hulde doet,
Licht dat gij mij verbidt!’

Maar 't blauwe fluistert zacht,
Daar 't vriendlijk lonkt en lacht:
‘Ik wil u toebehoren,
Mits liefde u 't hart doe gloren!’

Nu, zeg mij eens oprecht:
Voelt, liefste, uw boezem niet
Wat mij de blauwheid zegt,
Die m' in uw ogen ziet?
Of zijt gij de eenge vrouw
Met ogen zacht en blauw,
Die minnaars zou ontvlieden,
En liefde weerstand bieden?

schrijver

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

laatste wens

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Laatste Wens

Wanneer ge mij begraven zult,
Als laatst vaarwel en laatste huld,
Zal rouw noch traan mij troosten;
Wel eenzaam mag mijn grafsteê zijn,
Maar 'k wou in licht en zonneschijn
Geplaatst zijn, 't oog naar 't Oosten.

En bij de dicht begraasde zoom
Men plante een schaduwrijke boom,
En bloemen, bont van kleuren;
Ik heb de bloemen steeds bemind;
En in de zoele avondwind
Hoe zoet zijn bloemengeuren!

En in der bomen kruin, hoe zacht,
Geheimvol klinkt de liefdeklacht,
De zang der nachtegalen!
Zij zullen daar de vriend, die rust,
Zo menig lied, dat streelt en sust,
Uit lente en jeugd herhalen.

Verhoor dees laatste bede toch!
'k Heb vrienden, jeugd, gezondheid nog,
Maar mag daarop men roemen?
Daarom bespreek ik nu op tijd
Een graf, door licht en zon verblijd,
Door vogelzang en bloemen.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

bespiegeling

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

AVOND-BESPIEGELING IN EEN BOS

Gij blijft opnieuw hun kroost ter kalme rustplaats strekken,
En ras, ras zal uw loof ook hun gebeente dekken.

Oneindige! mijn hart smelt weg in stil geween.
't Verandert al wat is, behalve Gij alleen!
Waar werelden ontstaan, en werelden verzinken,
Waar zonnen doven, en weer nieuwe zonnen blinken,
Blijft gij dezelfde, staag der Eedlen lof en vreugd,
De schrik der Bozen, en de toevlucht van de Deugd.
Het vroegste Voorgeslacht mocht op uw macht vertrouwen,
En 't laatste Nakroost zal nog op uw goedheid bouwen,
Verwoesting ware in 't rond, zo lang de Tijd gebiedt,
De worm ontzinkt de worm, maar uwe Liefde niet!
Ik zie, ik zie alree de grote morgen dagen,
Die moeite en kwelling uit de Schepping weg zal vagen,
De dood geeft zijnen roof, het graf zijn schatten weer,
En in het groot Heelal woont gene ellende meer.

God! zou bij dit verschiet mijn hart van vreugd niet zwellen?
Zou ik mijn noodlot hier niet juichend tegensnellen?
Ja, of ik rozen oogste, of onder doornen kwijn,
't Is groot een schepsel Gods, maar groter mens te zijn!
O Deugd! o Godsdienst! gij doet al mijn moed herleven;
Met u kan ik gerust naar mijn bestemming streven;
Met u treed ik zo kalm mijn jongste rustplaats toe,
Als ik dit woud verlaat, en naar mijn leger spoê.


1793

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

zucht

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Zucht ten hemel.

Neen, Hemel! niet om eer of staat,
of aardse nietigheden,
En wat voor heil en voorspoed geldt,
bestormen u mijn beden.
Neen, heb ik vaadrenerf en goed
voor 't Vaderland geofferd,
Ik vraag niet, wat die 't heeft verkocht
in zijn trezoren koffert.
Ik vraag niet, wat verraad of list
de braafheid mocht ontstelen,
Of duizend snoden zonder ziel
met luttel braven delen.
Ik vraag aan hem geen lof of roem,
die niet in 't hart kan lezen,
Maar wat hij in zich-zelv' gevoelt
ook andren waant te wezen.

Ik vraag de stem dier wareld niet,
die, in de lust verdarteld,
Met tranen eens vermoorden lacht,
die in de doodstuip spartelt.
Ik vraag geen vroeger kracht terug,
in drukkend wee vervlogen,
Noch staar verlopen uren na,
die niet meer keren mogen.
De scherpte en 't doorzicht van de geest, -
zijn opgelegde schatten, -
De vlugheid van het werkzaam brein,
dat niets placht af te matten: -
Ja zelfs die trooster (moet het zijn)
in 't doorgestane lijden,
Die zangdrift, die mij alles was,
en duizend mij benijdden!
Ik sta haar aan uw opeis af,
met wat ik heb bezeten!
Maar, daar Gij alles wederneemt,
ô Leer het mij vergeten!

1810.

Winterbloemen  (1811)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

meeuwen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Meeuwen.

Witte zon op zee en zeilen.
't Water ruist en meeuwen keilen.
Gevleugeld schuim,
de baar onttrokken,
vliegen ze in 't ruim,
en vlokken.
Een tuimelvlucht!
Als zwaluwen zere, en zonder
gerucht,
van boven naar onder,
van onder naar boven tot tegen de lucht;
dan, zakkende,
zwakkende,
zwenk op zwenk,
in een wenk
in 't zicht, in een wenk in 't water -
een spatte licht op 't grauw geklater!
Hooghangend, hel,
nu lijken 't wel
papierkens in de lucht gedreven,
al snippersnel
vol wikkelspel,
en blinkeblankend leven.
Maar tegen tij, al verder nog,
vervliegen ze en vervluggen.
Daar zijn ze, neen! Daar zijn ze toch!
Zijn 't meeuwen dat of muggen?
'k En weet 't niet meer, 'k en ziet 't niet meer,
maar als ik, bots, mij ommekeer,
'k zie nog gedurig iets als muggenmeeuwen
sneeuwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:55 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Dit is de dag, die God ons schenkt

Dit is de dag, die God ons schenkt,
    waaraan thans ieder christen denkt;
    hem viere, wat in 't groot heelal
    door Jezus is en wezen zal.

Men had Hem eeuwen lang verwacht;
en toen Gods tijdperk was volbracht,
    toen zond Hij van zijn hoge troon
    het heil der wereld ons, zijn Zoon.

O Gij ons heil, ons hoogste goed,
Gij werd een mens van vlees en bloed,
    werd onze broeder, en door U
    zijn wij Gods eigen kind'ren nu.

Als ik dit wonder vatten wil,
dan wordt mijn geest van eerbied stil,
    aanbidt het, maar doorgrondt het niet,
    dat zo de liefde Gods geschiedt.

U, die voor ons geboren zijt,
    U zij ons hart, ons lied gewijd.
    Wij voegen juichend onze stem
    bij 't englenheir van Bethlehem.

Geloofd die komt in 's Heren naam!
    Wij christ'nen zeeg'nen U te zaam,
    U, vredevorst, der vaadren wens,
    U zaligmaker, God en mens!

Roem, hemel, die geboortedag,
    de schoonste, die de wereld zag;
    juich, aarde, nu ge uw koning ziet,
    zing Hem een nooit gezongen lied.

Dit is de dag, die God ons schenkt,
    waaraan eens heel de wereld denkt;
    hem viere, wat in 't groot heelal
    door Jezus is en wezen zal.

Vertaling van: Dies ist der Tag, den Gott gemacht (C.F. Gellert, 1757)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

handen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

UW HANDEN

Uw koele handen aan mijn voorhoofd, alle
Gedachten die nooit moe van waken branden
Bij dag en nacht, zijn kalm in slaap gevallen.

Vanwaar de tover toch dier trouwe handen?
1k weet dat wind, wen hij de aromen woelt
Uit bloem en voor der vochte zomerlanden

En zo doorgeurd, 't ontblote voorhoofd koelt,    
Met minder leniging die klamheid kust,
Dan nu mijn gloed van Uw omvangen voelt.

Ja zelfs als 't helder water bruisend gutst,
Dat zorg en stof verstromen in zijn stralen,
Droomt ongestild gepeins toch naar Uw rust...

Uw palmen strelend langs mijn slapen dalen,   
Uw vingers strenglen zich en ongestoord
Voel ik hun lief gebed een wens herhalen,

Die in mijn diepen vrede wordt verhoord.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

mummie

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

PRINCESSENMUMMIE.

Dat zwart skelet, van windselen ontdaan,
Waaraan het uitgedroogde vlees nog kleeft,
Die groezelige hoop, waarvoor men beeft, -
Bedenkend het meedogenloos vergaan
Van al wat ademt onder 't licht der maan, -
Die mummie heeft verlangd, geliefd, geleefd
Het volle leven; wat maar 't leven geeft
Heeft zij genoten in haar aards bestaan.

Zij was een schoonheid in haar gloriedagen,
Want waarom anders in haar tombe lagen
Het spiegeltje, de kam, het verfpalet?

Nu moet zij eeuwig in het duister wonen,
De trotse dochter van de Pharaonen ... .
Of is haar ziel als ster bij Ré gezet?

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

weetje

Een gedicht van Bernard van Meurs

Weetje.

'k Heb er dukkels - weetje -
Op gelet
Wâ veur stopwoord - weetje -
Ieder hêt.
Ielk herhaolt dat - weetje
Ien 't gesprek
Duzend keren, - weetje -
O zo gek!

Maor 't gekste - weetje -
Van 't geval:
Daorvan merkt ie - weetje -
Niemendal;
Lacht hum iemand - weetje -
Daormee uut,
Weet ie zelf nie, - weetje -
Wâ 't beduudt.

Vaoder zaolger - weetje -
Zei altied
Weetje, en eiges - weetje -
Wist ie 't niet.
En ie leerde - weetje -
Dâ niet af
Veur ze 'm droegen - weetje -
Naor 'et graf.

Jao, nog sterker! - weetje -
Ome Jan
Sprak er vaoder - weetje -
Dukkels van:
‘Laot 'et (zei ie) - weetje -
't Steet zo gek!’
En hie zelf had - weetje -
Dit gebrek!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:25 Reageer op dit bericht

water

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

‘t Viel water nu genoeg, of nooit!

‘t Viel water nu genoeg, of nooit!
De wolkenschepen dragen
hun lijnwaad al ten toppen uit,
die hier gewinterd lagen,
de al te lange regentijd:
vandage gaan zij varen
en vluchten voor de westerwind,
die rotelt in de blâren.
‘t Is nat alom: de zoden zijn
doordronken; al de paden
zijn modder, moze en vuiligheid
geworden; overladen
is ‘t loof, dat op de bomen zit
en weent; de daken leken,
het stroomt alhier, aldaar, het schuimt,
het schommelt in, de beken,
die spoeiende, om ontlast te zijn,
door dik en dunne varen,
door weg en aweg, roekeloos,
alsof het mensen waren,
die dronken zijn! Toch helder wordt
de locht, de vogels piepen,
en groeten blij de aanschouwbaarheid
der brede hemelstriepen,
die... Tenden is ‘t, en moegebrield,
‘t is alles uitgedropen:
laat vrij, - nu zijn de wolken weg! -
vandage ons daglicht hopen!

31/7/1895

Rijmsnoer

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

zoon

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687
Aan mijn zoon, op zijn uurwerk

Zoon, die, door Gods beleid, de kloeke vinder zijt
van dezer gangen onbewegelijk bewegen:
hoe 's werelds slingeren u gaan moog', mee of tegen,
heb haar eenparigheid voor ogen te allen tijd.
Hebt gij het zwakke werk in 't schudden van de baren
tot ongevoel gebracht van alles wat het lijdt:
gedenk wat u betaamt in alle wedervaren,
die door des Heren Geest vol rede-krachten zijt.
Stel vondst en vinder, geest en raderen te zamen:
't Waar' jammer dat het werk de meester zou beschamen.

Londen, 19 augustus 1671

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

sint nicolaas

Een gedicht van J.P. Haasbroek

SINT NICOLAAS.

Sint Nicolaas, o Bisschop, die onsterfelijk,
Uw kromstaf nog na eeuwen zwaait,
En 't zaad der weldaân onverderfelijk,
Als in uw heilig leven, zaait.

Ik prijs u dat gij, nimmermeer des gevens,
Des weldoens en des zeegnens moe,
De vreugde blijft des kinderlevens,
En breng daarvoor mijn dank u toe.

Maar vind ik u altijd dezelfde weder,
Gij zijt dezelfde niet geheel.
Waar strooidet ge eens uw gave neder?
Zij viel de armen meest ten deel.

En nu verrijkt gij met uw schat de rijken,
Als droeg gij water in de zee:
Men ziet u niet in de arme wijken;
Gegoeden deelt ge uw goedren mee.

't Satijnen schoentje vloeit van gaven over,
Die ge uit uw korfje stromen laat,
Daar 't houten klompje, grof en pover,
Door u vergeten, ledig staat.

Kon u aldus op eens het graf veranderen?
Of rooft een ander Sint uw naam?
Zo vragen rijk en arm elkanderen,
En ik, die haast mij uwer schaam.

Zijt gij nog steeds dezelfde? hoor mijn bede!
Trekt ge op uw feest al zeegnend om,
Deel van uw geest de rijken mede!
Dan hebben wij u gans weerom.

Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Een stem van de overzijde.

Als 't leven over-leven wordt,
Al is het kort,
't Schijnt lang te duren;
Hoe pijlsnel vroeger tijd verdween,
De laatste zijn de slependste uren;
Zij kruipen heen.

Maar troost de Heer, die ik aanschouw,
U in uw rouw,
Steunt Hij uw voeten,
Zo zult ge uw weg gemoedigd gaan,
Totdat wij ons bij Hem ontmoeten, -
Treed rustig aan!

Gedichten II (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

arme

Een gedicht van Marie Metz-Koning
De arme.

Wend naar mij toe uw moe en droef gezicht
Gerimpeld in de dagelijkse zorgen;
Verstrakt in nijpende angst om brood voor morgen;
Verkrompen in een klein-gekozen plicht.

Wend naar me toe uw ogen zonder licht,
Kleurloos en dof in kasse' als opgeborgen;
Verschuwd in blikken die zich werend worgen
In vrees voor àl wat in de toekomst ligt.

Reik mij uw eêlte, kromgetrokken handen,
Verbruind, vervuild in arbeid zonder lust;
Verwrongen in gebeden zonder rust
Bij altaars waar gekochte lichten branden,
En laat mijn blik van wetend mede-lijden
De tempel van uw mensenziel doorwijden.

Onze Eeuw, jaargang 23 (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

vogelaar

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931DE VOGELAAR

DE VOGELAAR

Van de appels 't bloesemsnoer,         
En langs de groene vloer
Der velden knoop en klit,
Goudgeel, zacht paars, en wit,

De mazen van de zon,
De draad, die 't lommer spon,         
Dit is het blinkend net,
Dit is het blinkend net,        
Hier heimlijk uitgezet.

Gij, die vervolgt en jaagt,
Loerend wat vlucht belaagt,
0 heilig-groot gevaar,
Gij zijt de vogelaar.

Maar meester, wie ben ik?
De bruine leeuwerik,
Die moe en vleugellam
Naar lente wederkwam,

En schichtig door het Licht
Van een hel aangezicht,
Verward in strik en band,
U tuimelt in de hand?

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten