Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

stem

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Een stem van de overzijde.

Als 't leven over-leven wordt,
Al is het kort,
't Schijnt lang te duren;
Hoe pijlsnel vroeger tijd verdween,
De laatste zijn de slependste uren;
Zij kruipen heen.

Maar troost de Heer, die ik aanschouw,
U in uw rouw,
Steunt Hij uw voeten,
Zo zult ge uw weg gemoedigd gaan,
Totdat wij ons bij Hem ontmoeten, -
Treed rustig aan!

Gedichten II (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

arme

Een gedicht van Marie Metz-Koning
De arme.

Wend naar mij toe uw moe en droef gezicht
Gerimpeld in de dagelijkse zorgen;
Verstrakt in nijpende angst om brood voor morgen;
Verkrompen in een klein-gekozen plicht.

Wend naar me toe uw ogen zonder licht,
Kleurloos en dof in kasse' als opgeborgen;
Verschuwd in blikken die zich werend worgen
In vrees voor àl wat in de toekomst ligt.

Reik mij uw eêlte, kromgetrokken handen,
Verbruind, vervuild in arbeid zonder lust;
Verwrongen in gebeden zonder rust
Bij altaars waar gekochte lichten branden,
En laat mijn blik van wetend mede-lijden
De tempel van uw mensenziel doorwijden.

Onze Eeuw, jaargang 23 (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

vogelaar

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931DE VOGELAAR

DE VOGELAAR

Van de appels 't bloesemsnoer,         
En langs de groene vloer
Der velden knoop en klit,
Goudgeel, zacht paars, en wit,

De mazen van de zon,
De draad, die 't lommer spon,         
Dit is het blinkend net,
Dit is het blinkend net,        
Hier heimlijk uitgezet.

Gij, die vervolgt en jaagt,
Loerend wat vlucht belaagt,
0 heilig-groot gevaar,
Gij zijt de vogelaar.

Maar meester, wie ben ik?
De bruine leeuwerik,
Die moe en vleugellam
Naar lente wederkwam,

En schichtig door het Licht
Van een hel aangezicht,
Verward in strik en band,
U tuimelt in de hand?

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

verjaardag

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

VOOR MIJNE 63ste VERJAARDAG 2 dec. 1924

Geen klacht om 't vlieden van de snelle jaren,
Noch zelfs om 't naadren van de zwarte dood.
Zó min als, stralend goud door gouden blaêren,
De zon treurt, daar zij zinkt in 't gloeiend rood.

Slechts Éne weet, daar andren op mij staren,
Meelijdend, met mijn eenzaamheid en nood,
Slechts Éne weet wat heuchnis ik mocht garen,
Wat gouden oogst dit gouden jaar mij bood.

't Verga me als hem, die op de zwarte zee
De ganse nacht gekampt heeft met de golven,
Dan wetend 't eindlijk naderen van 't land,

Bij 't eerste licht, dat over 't zee-vlak glee
De schuimpracht ziet, waaronder hij bedolven
Dra vredig aanspoelt aan 't gewenste strand.

Nacht van 30 november op 1 dec. 1924

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

dochterke

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Mijn kleen, kleen dochterke.

Gelijk een daske zijt ge dik,
Gelijk een kwartelke van kwik,
Gelijk een moorke soms zo zwart,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn hart!

Maar nu gewassen je daar zit,
Daar is geen engelke zo wit,
Daar is geen lammeke zo zoet,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn bloed!

Ik hef je op de okselkes omhoog,
Ik zie een sterreke in elk oog,
En voor mijn armoe word ik blind,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn kind!

------------------------
uit: Gedichten (1907)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

najaar

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

NAJAAR

Ons lokt tersluiks een zomerdroom
Terug naar 's hemels regiment,
Wij zoeken weer Gods blauwe stroom
Wiens bedding grens noch bodem kent.

Wij waren 't ook zo lang gewoon
     Met elke luide leeuwerik
Te ontstijgen naar dit eeuwig schoon     
Ons aard-gebonden ogenblik.

Wij zagen hoe de donkre grond,
     Uit zwaarte, lichte wondren schiep,
     Of hij van 't duister opwaarts stond     
En met zijn bloei den hemel riep.
     En met zijn bloei den hemel riep.

Niets boog zich neer, de zuivre zon
     Schonk elk verlangen wiek en lied,
     Ook onze ziel sprong als de bron,
     Die uit zijn schacht ten hoge schiet.

Voorbij, vergeefse erinnering —
De nieuwe vorst verzet de wet —
Wij knielen saam in schemering
     Diep neder aan zijn lemen bed,

Aanvaardend hoe 't mild licht niet meer    
Ons strijdbaar wensen wakker straalt,
Maar voor de huldging van zijn heer
Langs mistentrap ter aarde daalt.

Schatplichtig wordt ons lichaam, warm
Dampt uit het land een geur van wijn -     
Mocht nu een blank-omvangende arm
Lijfs lome lust tot peluw zijn!

En rondom ruist en ploft de val
Van wat door maanden luistrijk leeft
     Slechts daarvoor dat het eindlijk al
     Zijn pracht het zand te spijzen geeft.

En wij ? — dekke' ons de dorre blaân     
Al naar ons líjf tot rusten rijpt,
Of is 't alleen om 't eedler gráan
Dat oogster dood de zeisen slijpt?

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:24 Reageer op dit bericht

onuitwisbaar

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Onuitwisbaar.

Och, Ouders! denk, hoe vreeslijk het moet wezen,
Dat zich uw kind uw Nagedachtnis schaam';
En dat, om wat Gij deed, uw kroost na deze
Als merk van onrecht, schande of schuld - moet vrezen
Zich luid te horen noemen met Uw Naam.

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

rat

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort

De rat is ook een dienaar van de Boze

De rat is ook een dienaar van de Boze,
Tehuis in oorden van bederf en stank,
Daar woekeren ziektekiemen zonder pozen,
Daar heerst de duisternis, Satan zij dank.

In de onderwereld ener grote stad,
Daar huist en jaagt en tiert de boze rat,
De drager hij der giftige bacillen,
Die steeds van afgrijzen de mens doen rillen.

Ik haat de rat, maar ik bemin de muis,
Het vale diertje, dat zo fijn kan piepen,
Dat vrijelijk omzwerft in mijn gastvrij huis.

Het rent en sluipt in kelder en op zolder,
Geen val, waarin de kleine rovers liepen,
Geen kater met zijn grouwelijke kolder.

Rijmproeven (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

Adèle

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Adèle.

In 't land, waar zilverbeekjens vloeien,
En gras en kruid in weelde bloeien;
Waar 't veld met eeuw'ge lente pronkt,
En liefde uit rozenstruiken lonkt;
Daar dwale, zonder vrees of schrik,
Uw kinderblik.

In 't land waar, in 't gewelf der blâren,
De vogelkens hun stemmen paren,
En gene wind het zanggebed
Van 't vliegend morgenkoor belet;
Daar streel' dit zoete morgenkoor
Uw kinderoor.

In 't lieve land van melk en honing,
Daar zwaai' uw wieg, die smalle woning;
Daar stille aan milde moederborst
Uw nood zijn aangezette dorst;
Die bronne nodigt te aller stond
Uw kindermond.

In 't land der leeljen en violen
Moog' dra uw eerste stapje dolen;
Het gras der weì, de bloem der heì
Zij u tot wieg en wiegensprei,
En streel de bloem, nog zonder kreuk,
Uw kinderreuk.

Maar neen in 't dierbaar land der Belgen,
Moogt gij de melk der moeder zwelgen,
Die zaligheid in u geniet.
Slaap zachtjens, liefling, bij haar lied;
Slaap, myn Adèle, dierbaar kind,
Zo teer bemind!

schrijver

Geschreven door Dora om 20:49 Reageer op dit bericht

vriesdag

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Vriesdag.

Staalblauw de hemel boven 't marmerwit
Der straten, blank van d'eerste vlokkenval.
En zonverguld, in fel-licht luchtkristal,
De starre bomen, hard en zwart als git.

In doodgevrozen rozen heb ik al
Mijn zomerdromen zacht een graf gespit,
Waarbij ik trouw de handen vouw en bid
Voor de arme zieltjes, die God redden zal.

O dromendoder Leven, steen en staal!
In 't koude goudlicht van uw winterzon,
Klinkt trots mijn tred nu, wijs en flink mijn taal.

Maar 't ruisgeluid van boom en lentebron
En de oude sprook van roze en nachtegaal,
'k Zou sterker zijn zo 'k die vergeten kon.

De Gids (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

schoolprijs

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

De schoolprijs.

‘Waar is moeder, waar is vader,
Dat ik mijne prijs hun toon'?’
Sprak de lieve kleine Willem,
En zijn handje droeg een kroon,

En een boek met zijden lintjes.
Willem danste waar hij stond:
'Daar komt moeder! daar is vader!’
Riep de meid met volle mond.

De overwinnaar vloog zijn moeder
Reeds in de armen, gans verrukt;
Nooit had hij een warmer kusje
Op haar lieve wang gedrukt.

Nu sloot vader ook zijn zoontje
Aan 't vernoegde hart, en dan:
‘Bravo! sprak hij onder 't kussen;
Jongen, daar hebt ge ere van.’

Willem zag om vaders lippen
Een volzoete lach ontstaan,
En in de ogen zijner moeder
Zag het kind een vreugdetraan.

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

dame

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

DE „EERSTE DAME"

Ik ben de bloemtak die het huis versiert.
Van een zeer oude stam ben ik gerukt.
Mijn heer vereert mij als zijn eerst bezit.

Soms uit de kennel van de concubinen
Wringt een hoogzwangere zich en werpt haar dracht
Voor 't hemelrecht van mijn gebonden voeten.

Haar blik kruipt op naar mijn emaillen gelaat
En tracht door 't scherpe split der donkere ogen
Binnen te dringen tot mijn heersershart.

Ik ben de huismacht, gunst van heer en goden
Moet door mij stromen en de bloesems drijven,
Die ik genadig ritslend reegnen laat.

Ik denk: het is vandaag een goede dag.
De wind is stil, de boze geesten slapen.
Mijn bloed is helderrood en warm en rustig.

Ik werp haar rustig een rood mutsje toe.

Ruischende bamboe (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

tuinen

Een gedicht van Frederik Schmidt-Degener

Tuinen

Tuinen, schemering van weelde,
duister weg, mijn koninkrijk.
Uw gestalten, marmerbeelden,
nemen nachtelijk de wijk.

Heug'nis die op 't verst bedacht zijt,
weet gij nog van 't ijl foreest,
van der voog'len schrille zachtheid -
lente-uchtends teder feest?

Doof dan heug'nis in berusting,
lustverzadigd, droombevolkt:
liefde die te keur, te kust ging,
peinst om schoonheid weggewolkt.

Grauwe tuin in donkre vrede:
't Is vaarwel, zwart paradijs.
Toekomst, zonnedag, verleden
nog eens halfbewust doorschreden,
Heerlijk niets, mijn levensreis.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:15 Reageer op dit bericht

krater

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Mijn ziel was éens gelijk aan de' opgesprongen krater

Mijn ziel was éens gelijk aan de' opgesprongen krater,
Die steden zet in gloed met nooit-vermoede brand,
Dan terugkeert tot de rust, maar voeden blijft voor later,
Diep, het inwendig vuur onder geteisterd land.

Waar éens de vlammenbrand deed daavren 't zwaar gevaarte,
Gapen met brede wond de bergwand in zijn flank
Ligt thans het rustig meer, dat spiegelt in zijn klaarte
De eeuw'ge loop der zon, der wolken vluchtig blank.

Maar ónder blijft het vuur en de aard, na eeuwen zwijgen,
De oude verwoestingsmacht op 't onverwachtste toont -
Zo blijft, naar buite' in rust, in mij, inwendig dreigen
Het nooit bedwongen vuur, dat in mijn diepten woont....

schrijver

Geschreven door Dora om 22:16 Reageer op dit bericht

sluimeren

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

DICHTEN: SLUIMEREN.

Zoals een kind dat zich ontkleedt,
Het glimlacht naar 't vergulde raam,
Het vouwt zijn helder lijfgoed saam
En zoekt zijn sponde, slaap-gereed,

Zo is mijn dichter, ook hij legt
De last of van den langen dag,
Tot hij, getooid slechts met zijn lach,     
Stil luistert naar wat sluimer zegt,

De sluimer, een bewogen boom,
Die tot een schoner waken wekt,
Onder wiens lover, zon-gevlekt,
Dromen wordt zingen, zang een droom.

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

november

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

DE ZEVENTIENDE NOVEMBER (1863)

Wijze: Wilhelmus.

„Wilhelmus van Nassouen!"
Zo klinke 't oude Lied,
Want, God van ons betrouwen!
Uw trouw veroudert niet.
Nu half een eeuw herboren
En bloeiende in Uw hand,
Doen wij de Jubel horen:
„Oranje en Nederland!"

Wij lagen diep gezonken,
De voetveeg eens Tirans,
In slavenboei geklonken,
Verneêrd, onteerd, en — Frans!
Maar Hij die 't lijden lenigt,
Verbrak de beulenband:
Gij reest, verjongd, herenigd,
Oranje en Nederland!

En sedert vijftig jaren
Heeft menig storm gewoed:
Wat Volken in gevaren!
Wat tronen omgewroet!
De springgetijden kwamen,
Maar onze rots hield stand:
Onscheidbaar wiest gij samen,
Oranje en Nederland!

Ons bruist de dank door de aadren,
U, bron van heil en troost!
U, God van onze vaadren
En Vader van ons kroost!
Behoed ons, o Almachte!
En juiche 't langs ons strand
In 't duizendste geslachte:
„Oranje en Nederland!"

schrijver

Geschreven door Dora om 19:18 Reageer op dit bericht

kwatrijnen

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Kwatrijnen

Die na mij komen, lezen mijn kwatrijnen.
Zij zullen sidderen, als zij verstaan,
Met welk een marteling van hartenpijnen
Ik zingend door het Leven ben gegaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

geknakt

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Werd de Liefde eens geknakt

Werd de Liefde eens geknakt in haar tedere knop,
Tot haar blaren verwelkten en vielen,
Geen genegenheids-zon wekt haar leven weer op,
Want maar eens bloeit de lente der zielen.

Is de Hope misleid, dan ontvlucht zij het hart,
En keert weer door beloften noch giften;
Maar de Erinnring blijft achter en leeft van de smart,
En broedt voort op de puinhoop der driften.

Men verhaalt, dat de zwaluw haar nestje ontwijkt,
Als de stormwind de gevel doet kraken;
Maar de nachtuil keert in tot het huis dat bezwijkt,
Waar ze bouwt in een klove der daken.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

de kabouters

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

DE KABOUTERS.

't Lag 'ne man te slapen,
't hoofd op zijne vracht,
t'midden van een kerkhof
binst 'nen zomernacht;
door de donkere tronken
't lijzig windje zong,
en op de oude kerke
d'heldere mane schong.

Twaalve sloeg de klokke,
't ronkte en 't zong in 't rond,
en . . . . een aardig dingen
sprong van uit de grond.
Licht gelijk een pluimke,
rood van top tot teen,
't wipte als op een vere
't danste op zijn een been.

Nog een, nog een, 't krielt er,
lijk een mierennest,
wippende op de graven,
springende om ter best ;
't oud portaal gaat open,
licht stroomt uit de kerk,
de orgel speelt, ze dansen
houp! van zerk op zerk.

Duizelig wendt de walze,
wervelend woedt de drom,
en de slaper zag ze
dringend winken: kom!
Maar daar kraait een hane:
't dwerlend heir verdwijnt,
en ter Oosterkimme
't morgenrood verschijnt.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

dreupel

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Een dreupel poësij

Aan Gustaf Verriest


Hoe blij is de arme vogel toen
hij, lange lang geboeid,
weerom zijn vlerk mag opendoen
en in de hemel roeit!
En hoe is 't arme viske blij,
dat, in mijn net gepakt,
half dood gesperteld, los van mij,
weerom in 't water smakt!
Het gouden vliegsk' hoe blijde ruist
het, werk- en worstelensmoe,
wanneer ik zijn gevang, mijn vuist,
ontluikend opendoe!
Zo blij en is mijn ziele niet,
maar zeven maal zo blij,
wanneer ik, moe en mat, geniet
een dreupel poësij. -
In 't vrij bewind des vogels en
in 't koele ruim daarvan,
en 'k weet niet waar ik nog al ben
wanneer ik dichten kan:
't gedacht springt als de vis, die zeer
in 't waterkrystalijn
blank blinkt en weerom blinkt, aleer
'k hem wel gewaar kan zijn;
bepereld als het vliegske, licht
en schitterend in de zon,
zo vliegt en lacht het los gedicht
met zijne Dichter ton:
neen, blij en is mijn ziel toen niet,
maar is iets meer als blij,
wanneer zij, God zij dank, geniet
een dreupelke poësij!

Gedichten, gezangen en gebeden en Kleengedichtjes (1858-1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten