Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

bespiegeling

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

AVOND-BESPIEGELING IN EEN BOS

Gij blijft opnieuw hun kroost ter kalme rustplaats strekken,
En ras, ras zal uw loof ook hun gebeente dekken.

Oneindige! mijn hart smelt weg in stil geween.
't Verandert al wat is, behalve Gij alleen!
Waar werelden ontstaan, en werelden verzinken,
Waar zonnen doven, en weer nieuwe zonnen blinken,
Blijft gij dezelfde, staag der Eedlen lof en vreugd,
De schrik der Bozen, en de toevlucht van de Deugd.
Het vroegste Voorgeslacht mocht op uw macht vertrouwen,
En 't laatste Nakroost zal nog op uw goedheid bouwen,
Verwoesting ware in 't rond, zo lang de Tijd gebiedt,
De worm ontzinkt de worm, maar uwe Liefde niet!
Ik zie, ik zie alree de grote morgen dagen,
Die moeite en kwelling uit de Schepping weg zal vagen,
De dood geeft zijnen roof, het graf zijn schatten weer,
En in het groot Heelal woont gene ellende meer.

God! zou bij dit verschiet mijn hart van vreugd niet zwellen?
Zou ik mijn noodlot hier niet juichend tegensnellen?
Ja, of ik rozen oogste, of onder doornen kwijn,
't Is groot een schepsel Gods, maar groter mens te zijn!
O Deugd! o Godsdienst! gij doet al mijn moed herleven;
Met u kan ik gerust naar mijn bestemming streven;
Met u treed ik zo kalm mijn jongste rustplaats toe,
Als ik dit woud verlaat, en naar mijn leger spoê.


1793

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zucht

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Zucht ten hemel.

Neen, Hemel! niet om eer of staat,
of aardse nietigheden,
En wat voor heil en voorspoed geldt,
bestormen u mijn beden.
Neen, heb ik vaadrenerf en goed
voor 't Vaderland geofferd,
Ik vraag niet, wat die 't heeft verkocht
in zijn trezoren koffert.
Ik vraag niet, wat verraad of list
de braafheid mocht ontstelen,
Of duizend snoden zonder ziel
met luttel braven delen.
Ik vraag aan hem geen lof of roem,
die niet in 't hart kan lezen,
Maar wat hij in zich-zelv' gevoelt
ook andren waant te wezen.

Ik vraag de stem dier wareld niet,
die, in de lust verdarteld,
Met tranen eens vermoorden lacht,
die in de doodstuip spartelt.
Ik vraag geen vroeger kracht terug,
in drukkend wee vervlogen,
Noch staar verlopen uren na,
die niet meer keren mogen.
De scherpte en 't doorzicht van de geest, -
zijn opgelegde schatten, -
De vlugheid van het werkzaam brein,
dat niets placht af te matten: -
Ja zelfs die trooster (moet het zijn)
in 't doorgestane lijden,
Die zangdrift, die mij alles was,
en duizend mij benijdden!
Ik sta haar aan uw opeis af,
met wat ik heb bezeten!
Maar, daar Gij alles wederneemt,
ô Leer het mij vergeten!

1810.

Winterbloemen  (1811)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

meeuwen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Meeuwen.

Witte zon op zee en zeilen.
't Water ruist en meeuwen keilen.
Gevleugeld schuim,
de baar onttrokken,
vliegen ze in 't ruim,
en vlokken.
Een tuimelvlucht!
Als zwaluwen zere, en zonder
gerucht,
van boven naar onder,
van onder naar boven tot tegen de lucht;
dan, zakkende,
zwakkende,
zwenk op zwenk,
in een wenk
in 't zicht, in een wenk in 't water -
een spatte licht op 't grauw geklater!
Hooghangend, hel,
nu lijken 't wel
papierkens in de lucht gedreven,
al snippersnel
vol wikkelspel,
en blinkeblankend leven.
Maar tegen tij, al verder nog,
vervliegen ze en vervluggen.
Daar zijn ze, neen! Daar zijn ze toch!
Zijn 't meeuwen dat of muggen?
'k En weet 't niet meer, 'k en ziet 't niet meer,
maar als ik, bots, mij ommekeer,
'k zie nog gedurig iets als muggenmeeuwen
sneeuwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:55 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Dit is de dag, die God ons schenkt

Dit is de dag, die God ons schenkt,
    waaraan thans ieder christen denkt;
    hem viere, wat in 't groot heelal
    door Jezus is en wezen zal.

Men had Hem eeuwen lang verwacht;
en toen Gods tijdperk was volbracht,
    toen zond Hij van zijn hoge troon
    het heil der wereld ons, zijn Zoon.

O Gij ons heil, ons hoogste goed,
Gij werd een mens van vlees en bloed,
    werd onze broeder, en door U
    zijn wij Gods eigen kind'ren nu.

Als ik dit wonder vatten wil,
dan wordt mijn geest van eerbied stil,
    aanbidt het, maar doorgrondt het niet,
    dat zo de liefde Gods geschiedt.

U, die voor ons geboren zijt,
    U zij ons hart, ons lied gewijd.
    Wij voegen juichend onze stem
    bij 't englenheir van Bethlehem.

Geloofd die komt in 's Heren naam!
    Wij christ'nen zeeg'nen U te zaam,
    U, vredevorst, der vaadren wens,
    U zaligmaker, God en mens!

Roem, hemel, die geboortedag,
    de schoonste, die de wereld zag;
    juich, aarde, nu ge uw koning ziet,
    zing Hem een nooit gezongen lied.

Dit is de dag, die God ons schenkt,
    waaraan eens heel de wereld denkt;
    hem viere, wat in 't groot heelal
    door Jezus is en wezen zal.

Vertaling van: Dies ist der Tag, den Gott gemacht (C.F. Gellert, 1757)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

handen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

UW HANDEN

Uw koele handen aan mijn voorhoofd, alle
Gedachten die nooit moe van waken branden
Bij dag en nacht, zijn kalm in slaap gevallen.

Vanwaar de tover toch dier trouwe handen?
1k weet dat wind, wen hij de aromen woelt
Uit bloem en voor der vochte zomerlanden

En zo doorgeurd, 't ontblote voorhoofd koelt,    
Met minder leniging die klamheid kust,
Dan nu mijn gloed van Uw omvangen voelt.

Ja zelfs als 't helder water bruisend gutst,
Dat zorg en stof verstromen in zijn stralen,
Droomt ongestild gepeins toch naar Uw rust...

Uw palmen strelend langs mijn slapen dalen,   
Uw vingers strenglen zich en ongestoord
Voel ik hun lief gebed een wens herhalen,

Die in mijn diepen vrede wordt verhoord.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

mummie

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

PRINCESSENMUMMIE.

Dat zwart skelet, van windselen ontdaan,
Waaraan het uitgedroogde vlees nog kleeft,
Die groezelige hoop, waarvoor men beeft, -
Bedenkend het meedogenloos vergaan
Van al wat ademt onder 't licht der maan, -
Die mummie heeft verlangd, geliefd, geleefd
Het volle leven; wat maar 't leven geeft
Heeft zij genoten in haar aards bestaan.

Zij was een schoonheid in haar gloriedagen,
Want waarom anders in haar tombe lagen
Het spiegeltje, de kam, het verfpalet?

Nu moet zij eeuwig in het duister wonen,
De trotse dochter van de Pharaonen ... .
Of is haar ziel als ster bij Ré gezet?

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

weetje

Een gedicht van Bernard van Meurs

Weetje.

'k Heb er dukkels - weetje -
Op gelet
Wâ veur stopwoord - weetje -
Ieder hêt.
Ielk herhaolt dat - weetje
Ien 't gesprek
Duzend keren, - weetje -
O zo gek!

Maor 't gekste - weetje -
Van 't geval:
Daorvan merkt ie - weetje -
Niemendal;
Lacht hum iemand - weetje -
Daormee uut,
Weet ie zelf nie, - weetje -
Wâ 't beduudt.

Vaoder zaolger - weetje -
Zei altied
Weetje, en eiges - weetje -
Wist ie 't niet.
En ie leerde - weetje -
Dâ niet af
Veur ze 'm droegen - weetje -
Naor 'et graf.

Jao, nog sterker! - weetje -
Ome Jan
Sprak er vaoder - weetje -
Dukkels van:
‘Laot 'et (zei ie) - weetje -
't Steet zo gek!’
En hie zelf had - weetje -
Dit gebrek!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:25 Reageer op dit bericht

water

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

‘t Viel water nu genoeg, of nooit!

‘t Viel water nu genoeg, of nooit!
De wolkenschepen dragen
hun lijnwaad al ten toppen uit,
die hier gewinterd lagen,
de al te lange regentijd:
vandage gaan zij varen
en vluchten voor de westerwind,
die rotelt in de blâren.
‘t Is nat alom: de zoden zijn
doordronken; al de paden
zijn modder, moze en vuiligheid
geworden; overladen
is ‘t loof, dat op de bomen zit
en weent; de daken leken,
het stroomt alhier, aldaar, het schuimt,
het schommelt in, de beken,
die spoeiende, om ontlast te zijn,
door dik en dunne varen,
door weg en aweg, roekeloos,
alsof het mensen waren,
die dronken zijn! Toch helder wordt
de locht, de vogels piepen,
en groeten blij de aanschouwbaarheid
der brede hemelstriepen,
die... Tenden is ‘t, en moegebrield,
‘t is alles uitgedropen:
laat vrij, - nu zijn de wolken weg! -
vandage ons daglicht hopen!

31/7/1895

Rijmsnoer

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

zoon

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687
Aan mijn zoon, op zijn uurwerk

Zoon, die, door Gods beleid, de kloeke vinder zijt
van dezer gangen onbewegelijk bewegen:
hoe 's werelds slingeren u gaan moog', mee of tegen,
heb haar eenparigheid voor ogen te allen tijd.
Hebt gij het zwakke werk in 't schudden van de baren
tot ongevoel gebracht van alles wat het lijdt:
gedenk wat u betaamt in alle wedervaren,
die door des Heren Geest vol rede-krachten zijt.
Stel vondst en vinder, geest en raderen te zamen:
't Waar' jammer dat het werk de meester zou beschamen.

Londen, 19 augustus 1671

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

sint nicolaas

Een gedicht van J.P. Haasbroek

SINT NICOLAAS.

Sint Nicolaas, o Bisschop, die onsterfelijk,
Uw kromstaf nog na eeuwen zwaait,
En 't zaad der weldaân onverderfelijk,
Als in uw heilig leven, zaait.

Ik prijs u dat gij, nimmermeer des gevens,
Des weldoens en des zeegnens moe,
De vreugde blijft des kinderlevens,
En breng daarvoor mijn dank u toe.

Maar vind ik u altijd dezelfde weder,
Gij zijt dezelfde niet geheel.
Waar strooidet ge eens uw gave neder?
Zij viel de armen meest ten deel.

En nu verrijkt gij met uw schat de rijken,
Als droeg gij water in de zee:
Men ziet u niet in de arme wijken;
Gegoeden deelt ge uw goedren mee.

't Satijnen schoentje vloeit van gaven over,
Die ge uit uw korfje stromen laat,
Daar 't houten klompje, grof en pover,
Door u vergeten, ledig staat.

Kon u aldus op eens het graf veranderen?
Of rooft een ander Sint uw naam?
Zo vragen rijk en arm elkanderen,
En ik, die haast mij uwer schaam.

Zijt gij nog steeds dezelfde? hoor mijn bede!
Trekt ge op uw feest al zeegnend om,
Deel van uw geest de rijken mede!
Dan hebben wij u gans weerom.

Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Een stem van de overzijde.

Als 't leven over-leven wordt,
Al is het kort,
't Schijnt lang te duren;
Hoe pijlsnel vroeger tijd verdween,
De laatste zijn de slependste uren;
Zij kruipen heen.

Maar troost de Heer, die ik aanschouw,
U in uw rouw,
Steunt Hij uw voeten,
Zo zult ge uw weg gemoedigd gaan,
Totdat wij ons bij Hem ontmoeten, -
Treed rustig aan!

Gedichten II (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

arme

Een gedicht van Marie Metz-Koning
De arme.

Wend naar mij toe uw moe en droef gezicht
Gerimpeld in de dagelijkse zorgen;
Verstrakt in nijpende angst om brood voor morgen;
Verkrompen in een klein-gekozen plicht.

Wend naar me toe uw ogen zonder licht,
Kleurloos en dof in kasse' als opgeborgen;
Verschuwd in blikken die zich werend worgen
In vrees voor àl wat in de toekomst ligt.

Reik mij uw eêlte, kromgetrokken handen,
Verbruind, vervuild in arbeid zonder lust;
Verwrongen in gebeden zonder rust
Bij altaars waar gekochte lichten branden,
En laat mijn blik van wetend mede-lijden
De tempel van uw mensenziel doorwijden.

Onze Eeuw, jaargang 23 (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

vogelaar

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931DE VOGELAAR

DE VOGELAAR

Van de appels 't bloesemsnoer,         
En langs de groene vloer
Der velden knoop en klit,
Goudgeel, zacht paars, en wit,

De mazen van de zon,
De draad, die 't lommer spon,         
Dit is het blinkend net,
Dit is het blinkend net,        
Hier heimlijk uitgezet.

Gij, die vervolgt en jaagt,
Loerend wat vlucht belaagt,
0 heilig-groot gevaar,
Gij zijt de vogelaar.

Maar meester, wie ben ik?
De bruine leeuwerik,
Die moe en vleugellam
Naar lente wederkwam,

En schichtig door het Licht
Van een hel aangezicht,
Verward in strik en band,
U tuimelt in de hand?

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

verjaardag

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

VOOR MIJNE 63ste VERJAARDAG 2 dec. 1924

Geen klacht om 't vlieden van de snelle jaren,
Noch zelfs om 't naadren van de zwarte dood.
Zó min als, stralend goud door gouden blaêren,
De zon treurt, daar zij zinkt in 't gloeiend rood.

Slechts Éne weet, daar andren op mij staren,
Meelijdend, met mijn eenzaamheid en nood,
Slechts Éne weet wat heuchnis ik mocht garen,
Wat gouden oogst dit gouden jaar mij bood.

't Verga me als hem, die op de zwarte zee
De ganse nacht gekampt heeft met de golven,
Dan wetend 't eindlijk naderen van 't land,

Bij 't eerste licht, dat over 't zee-vlak glee
De schuimpracht ziet, waaronder hij bedolven
Dra vredig aanspoelt aan 't gewenste strand.

Nacht van 30 november op 1 dec. 1924

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

dochterke

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Mijn kleen, kleen dochterke.

Gelijk een daske zijt ge dik,
Gelijk een kwartelke van kwik,
Gelijk een moorke soms zo zwart,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn hart!

Maar nu gewassen je daar zit,
Daar is geen engelke zo wit,
Daar is geen lammeke zo zoet,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn bloed!

Ik hef je op de okselkes omhoog,
Ik zie een sterreke in elk oog,
En voor mijn armoe word ik blind,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn kind!

------------------------
uit: Gedichten (1907)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

najaar

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

NAJAAR

Ons lokt tersluiks een zomerdroom
Terug naar 's hemels regiment,
Wij zoeken weer Gods blauwe stroom
Wiens bedding grens noch bodem kent.

Wij waren 't ook zo lang gewoon
     Met elke luide leeuwerik
Te ontstijgen naar dit eeuwig schoon     
Ons aard-gebonden ogenblik.

Wij zagen hoe de donkre grond,
     Uit zwaarte, lichte wondren schiep,
     Of hij van 't duister opwaarts stond     
En met zijn bloei den hemel riep.
     En met zijn bloei den hemel riep.

Niets boog zich neer, de zuivre zon
     Schonk elk verlangen wiek en lied,
     Ook onze ziel sprong als de bron,
     Die uit zijn schacht ten hoge schiet.

Voorbij, vergeefse erinnering —
De nieuwe vorst verzet de wet —
Wij knielen saam in schemering
     Diep neder aan zijn lemen bed,

Aanvaardend hoe 't mild licht niet meer    
Ons strijdbaar wensen wakker straalt,
Maar voor de huldging van zijn heer
Langs mistentrap ter aarde daalt.

Schatplichtig wordt ons lichaam, warm
Dampt uit het land een geur van wijn -     
Mocht nu een blank-omvangende arm
Lijfs lome lust tot peluw zijn!

En rondom ruist en ploft de val
Van wat door maanden luistrijk leeft
     Slechts daarvoor dat het eindlijk al
     Zijn pracht het zand te spijzen geeft.

En wij ? — dekke' ons de dorre blaân     
Al naar ons líjf tot rusten rijpt,
Of is 't alleen om 't eedler gráan
Dat oogster dood de zeisen slijpt?

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:24 Reageer op dit bericht

onuitwisbaar

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Onuitwisbaar.

Och, Ouders! denk, hoe vreeslijk het moet wezen,
Dat zich uw kind uw Nagedachtnis schaam';
En dat, om wat Gij deed, uw kroost na deze
Als merk van onrecht, schande of schuld - moet vrezen
Zich luid te horen noemen met Uw Naam.

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

rat

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort

De rat is ook een dienaar van de Boze

De rat is ook een dienaar van de Boze,
Tehuis in oorden van bederf en stank,
Daar woekeren ziektekiemen zonder pozen,
Daar heerst de duisternis, Satan zij dank.

In de onderwereld ener grote stad,
Daar huist en jaagt en tiert de boze rat,
De drager hij der giftige bacillen,
Die steeds van afgrijzen de mens doen rillen.

Ik haat de rat, maar ik bemin de muis,
Het vale diertje, dat zo fijn kan piepen,
Dat vrijelijk omzwerft in mijn gastvrij huis.

Het rent en sluipt in kelder en op zolder,
Geen val, waarin de kleine rovers liepen,
Geen kater met zijn grouwelijke kolder.

Rijmproeven (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

Adèle

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Adèle.

In 't land, waar zilverbeekjens vloeien,
En gras en kruid in weelde bloeien;
Waar 't veld met eeuw'ge lente pronkt,
En liefde uit rozenstruiken lonkt;
Daar dwale, zonder vrees of schrik,
Uw kinderblik.

In 't land waar, in 't gewelf der blâren,
De vogelkens hun stemmen paren,
En gene wind het zanggebed
Van 't vliegend morgenkoor belet;
Daar streel' dit zoete morgenkoor
Uw kinderoor.

In 't lieve land van melk en honing,
Daar zwaai' uw wieg, die smalle woning;
Daar stille aan milde moederborst
Uw nood zijn aangezette dorst;
Die bronne nodigt te aller stond
Uw kindermond.

In 't land der leeljen en violen
Moog' dra uw eerste stapje dolen;
Het gras der weì, de bloem der heì
Zij u tot wieg en wiegensprei,
En streel de bloem, nog zonder kreuk,
Uw kinderreuk.

Maar neen in 't dierbaar land der Belgen,
Moogt gij de melk der moeder zwelgen,
Die zaligheid in u geniet.
Slaap zachtjens, liefling, bij haar lied;
Slaap, myn Adèle, dierbaar kind,
Zo teer bemind!

schrijver

Geschreven door Dora om 20:49 Reageer op dit bericht

vriesdag

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Vriesdag.

Staalblauw de hemel boven 't marmerwit
Der straten, blank van d'eerste vlokkenval.
En zonverguld, in fel-licht luchtkristal,
De starre bomen, hard en zwart als git.

In doodgevrozen rozen heb ik al
Mijn zomerdromen zacht een graf gespit,
Waarbij ik trouw de handen vouw en bid
Voor de arme zieltjes, die God redden zal.

O dromendoder Leven, steen en staal!
In 't koude goudlicht van uw winterzon,
Klinkt trots mijn tred nu, wijs en flink mijn taal.

Maar 't ruisgeluid van boom en lentebron
En de oude sprook van roze en nachtegaal,
'k Zou sterker zijn zo 'k die vergeten kon.

De Gids (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten