Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1809

EEN OVERBLUFTE BLUFFER.

Jan prees altijd zichzelv', en, wat een ander kon,
Jan zei steeds onbedekt, dat hij 't nog verre won.
Maar Piet zei: ,,Hoor, o , grote Jan!
Ik weet slechts éne zaak te noemen,
Die jij kunt, maar geen ander kan:
Jou roemen."

Graan en groen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

vlag

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Hollands vlag

Hollands vlag, je bent mijn glorie,
Hollands vlag, je bent mijn lust,
'k Roep van louter vreugd victorie,
Als ik je zie aan vreemde kust,
'k Roep van louter vreugd victorie,
Als ik je zie aan vreemde kust;
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal,
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal.

Zijn er reiner, blijder kleuren,
Of je vaart in Noord of Zuid?
Heel de lucht schijnt op te fleuren,
Strijkt ze er op haar frisheid uit,
Heel de lucht schijnt op te fleuren,
Strijkt ze-er op haar frisheid uit,
En je Hollands hart wordt wee,
Wappert met haar dundoek mee,
En je Hollands hart wordt wee,
Wappert met haar dundoek mee.

Als je haar in vreemde baaien,
Mijlen ver van 't eigen strand,
Zwierig van de mast ziet waaien,
Als een groet van 't Vaderland,
Zwierig van de mast ziet waaien,
Als een groet van 't Vaderland,
Voel je een vreemd verheugenis,
Voel je eerst recht, hoe mooi zij is,
Voel je een vreemd verheugenis,
Voel je eerst recht, hoe mooi zij is.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:13 Reageer op dit bericht

overdenking

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

OVERDENKING

Gij zijt zo lief, gij hebt zoveel gegeven
Aan rijke warmte en loutere innigheid:
Mijn leed hebt gij met broze troost omweven,
Mijn luide angst een bed van rust bereid.

Mij, eenzame, hebt gij uw eenzaam leven,
De teerheid uwer kranke ziel gewijd:
Gij draaldet niet, gij wilder pijnlijk sneven
Om één kort uur van stille tweezaamheid.

O kind, hoe zacht zijn nu de grijze dagen,
Hoe zoet van vrede en rijpe droom vervuld,
Hoe licht is 't nu verlangens last te dragen,

Nu steeds het zeker weten ons omhult
Dat ge eens, als antwoord op mijn huivrend vragen,
Naast mij 't nabij geluk beschreien zult.

Gedichten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Abraham van Collem 1855-1933

Als gij met uw zingend hart...

Als gij met uw zingend hart, ziet naar
De mensen, naar de Zonnen, naar de Aarde,
Naar verschijnselen in het heelal,
Kunt gij alle werelden en mensen
Met uw zingend hart veranderen,
En de zonne maken tot de Aarde,
En de mensheid maken tot een Zon.

Nieuwe liederen der gemeenschap (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:12 Reageer op dit bericht

harp

Een gedicht van Giza Ritschl

Neem Uw harp en speel voor mij

Neem Uw harp en speel voor mij,
Laat trillen de tonen, luid en blij,
Want in mij brandt der liefde felste gloed,
Toe speel, speel voor mij luid en zacht en zoet,
En dan weer hartstochtelijk, wild en vol vuur,
Zodat ik lachen en schreien moet, en o, dat op dit uur
Ook in hem de liefde ontbranden moet,
Ontbranden zoals mijner liefde felste gloed.
Daarom speel...speel, luid en blij,
Toe speel, speel, speel voor mij!

Nieuwe liederen(1909)

Geschreven door Dora om 19:19 Reageer op dit bericht

de baan

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

De baan des braven.

Psalm I.

WEL zalig is de man die niet de baan des bozen
Betreedt, hij, die niet volgt de raad van goddelozen,
Noch in de stoel van spotters zit.
Maar vreugde vindt des herten in de wet des Heeren,
En dag en nacht, daarin de wijsheid zoekt te leren,
Terwijl zijn geest aandachtig bidt.

Gelijk de kloeke boom, geplant aan waterbeken,
Zijn vruchten schenkt op tijd, wiens blad, als zegeteken
Niet afvalt, niet verdort;
Die alles wat hij doet, het zal doen welgelukken,
Niet zo der bozen werk, de wind zal weg het rukken,
Als kaf dat weggedreven wordt.

En des in Gods gericht bestaan geen goddelozen,
De braven sluiten uit hun midden steeds de bozen.
De Heer, Hij kent de baan, de Heer!
De baan, die door de brave zalig wordt bewandeld,
Terwijl de zondaar tot zijn zelfverderven handelt
En eindlijk stort ten afgrond neer!

De psalmen in gezangen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:06 Reageer op dit bericht

storm

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

DE LAATSTE STORM

Buldrend speelt de zee met 't oude vaartuig.
Kalm, manhaftig kampt de grijze zeeman
met de storm. Maar splijtend te allen kante
vreeslijk kraken de oude broze wanden.

Bleek en bevend staart alom de manschap
naar het krakend wantwerk en de zeeman.

"Sloepen af en vrouwen eerst!" gebiedt hij.
Wiegend wagglen sloepen in de storrem,
angstig ijlt de manschap in de sloepen.
Eenzaam staat op 't vaartuig de oude zeeman.

"Vol!" zucht hij, "vaarwel, matrozen, red u."

Door de storm verdwijnen zijne sloepen.

Buldrend speelt de zee met 't splijtend vaartuig.
Kalm, manhaftig bidt de grijze zeeman
de armen rond een mast. Zo lange reisden
schip en zeeman samen door de stormen;
grijs is 't hoofd geworden van de zeeman,
krakend en versleten 't machtig vaartuig...

O de wind, de zee, de laatste storrem!
Schuimend, bruisend, stijgen wilde baren
onder zijne voeten. Krakend, berstend,

in de diepe kolken draait het vaartuig...
Samen duiklen schip en man verzwolgen.
Machtig stormt de zeewe, groots en eenzaam.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:18 Reageer op dit bericht

Bethlehem

Een gedicht Gentil Antheunis 1840-1907

Betlehem

Kerstlied.

Aan mijne zuster Mathilde.

Rorate, coeli, desuper, et nubes pluant Justum!

Dauw, hemelen, van boven en dat de wolken
regenen de Gerechte!


Adventlied.

koor.

Voor ons, met kwaad en leed belaân,
Voor ons, die in het slijk vergaan,
Is Hij geboren
In ene stal,
De God, de meester van 't heelal,
Van ene Maged uitverkoren.
Dáarom verenigt hart en stem
In Betlehem.

kinderen.

O kindje lief, o kindekijn!
Komt gij hier ook ons broerke zijn?
Ons moeder heeft ons reeds geleerd
Dat men uw heil'ge naam vereert;
Dat boven de heem'len uw glorie zweeft
En de engel voor uw aanschijn beeft.
Maar neen! ge lacht zo gul en blij,
Gij hebt een moeder, zo als wij.
Niet waar, ge wilt ons broerke zijn,
O kindje lief, o kindekijn?

engelen.

O kindren, juich nu blij en luid,
En steek nu beide uw handjes uit;
De Goedheid dauwt van boven.
Des kindes bescherming is na;
Een kind brengt den kinde genâ.
Halleluja!

vrouwen.

O God verlosser! maar neen, maar neen!
Wij horen uw klagen en uw geween;
Gij zijt een kind, hebt kou en dorst,
Een vrouwe laaft u aan haar borst.
'k Ben vrouw en moeder zo als zij;
Verlos ons van de slavernij,
En als uw moeder u laaft en kust,
En als uw moeder in slaap u sust,
Vergeet niet dat wij moeders zijn,
O kindje lief, o kindekijn.

engelen.

O vrouwen, moeders, wees getroost,
En vrees voor u noch voor uw kroost,
De Liefde dauwt van boven.
Der vrouwen ontslaving is na!
Een vrouw brengt de vrouwen genâ,
Halleluja!

mannen.

O God! maar neen! gij zijt ook mens;
Aanhoor ons klacht, vervul ons wens.
Hieronder, in dit tranendal,
Ge ziet, 't is duister overal.
De mens is met verstand begaafd,
En toch hij twijfelt en werkt en slaaft.
Wij trachten naar vrijheid, naar rust en licht.
Gij komt tot ons als mens, als wicht;
O kind, aanhoor eens vaders beê;
O mens, geef aan de mensen vreê.

engelen.

O Mannen! hef het hoofd nu vrij,
En schudt het juk der slavernij,
De Vrijheid dauwt van boven.
Der mensen verlossing is na;
Een mens brengt de mensen genâ,
Halleluja!

slotkoor.

Halleluja!
In excelsis gloria!
De Heiland is geboren
Van ene Maged uitverkoren.
Voor kindren rijst bescherming op;
Een vrouw verplet de slangenkop;
Het licht straalt door het duister,
De liefde breekt band en kluister.
Wij hebben 't gehoord; 't is Godes stem:
‘De Heiland is geboren,
Van ene maged uitverkoren
In Betlehem!’

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

wanneer

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Wanneer ik tot U kom

Wanneer ik tot u kom, dan lacht gij zacht,
En somtijds klaagt gij, maar als zij, die spreken
Van vroeg're smarten, die als dromen weken
En waar men in de droom om weent en lacht.

Maar als 'k alleen ben hoor ik dag en nacht
Uw snikken en ik zie uw tranen leken,
En voel uw hart wild slaan, alsof 't wil breken,
Maar kan niet, dàn verneem 'k uw luide klacht.

En dat zijt gij, dat weet ik, en ik wil
Niet leven voor uw schijnbaar zelf, dat lacht,
Maar voor de ziel der ziel, die in u lijdt, -

En als gij schijnbaar kalm en blijde zijt,
Zal 'k uw gedachten horen schreien zacht,
Of gij van verre staat en schreit - heel stil.

Van de liefde die vriendschap heet  (XIX)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

1700

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Anno 1700 en Zo Veel.

Ze zaten vol en vetjes,
Heel puntigjes en netjes:
Twee rococo-portretjes,
Een Prinsman en een Kees,
Met blanke chemisetjes,
Met Brusselse manchetjes,
Gepoederde toupetjes,
Met stijve girouetjes
En stijve préjugés.

Hun geestje was aan 't dwalen:
Bij honderd idealen
En duizend weelde-stralen,
Ging 't zonnetje reeds dalen,
Der oude fermiteit;
Ze staken hun metalen
Door vader opgeleid,
Niet meer in koffiebalen,
Maar veilden integralen:
Ze lieten de Oost verschalen
En strooiden in hun palen
't Zaad der lamzaligheid.

Ze zijn ad patres heden,
De rokjes zijn versneden,
Het goudleer ligt vertreden,
Maar 't geestje dwaalt nog om,
Nog zoekt hij te overreden,
En relt van zuivre zeden,
In 't oude heiligdom;
Maar wie zich wijdt aan 't heden -
Hij zoek' zich in 't verleden
Een spiegel voor zijn schreden:
Doe wel en zie niet om.

1860

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

winteravondkou

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

In winteravondkou

IN winteravondkou, in het groot open
van het blauwvloeiende beloopen
roestrandig staal,
spichtig, onzichtig nu de nieuwe maan
als een fijn edel veertje, als een losse haal
en dun getogen.

Rondom vochtig staan
de zwarte sparren, lorken gril verwezen,
verzameld onderhout, somber en nors,
maar onder de donkerte der schors
is helder al het jonge sap gerezen.

Onder de nevels in de vert'
het bronzen roepen van een hert.

Gemengde Verzen III

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

levensloon

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Levensloon

Ik neem het rijke levensloon
Van elke blije dag,
Als Gij mij reikt het gulden schoon
Van uwe mond en lach.

De dag verglijdt in stille glans
Bij mijn verholen droom,
Mijn ogen zien ten verre trans,
Of reeds de avond koom’.

Ik keer, als groot de zonne poost
En dag en werk zich sloot,
Waar Gij mij geeft zo wond’re troost,
Lijk van de vrome dood.

Ik keer,  waar ik U immer vond
Ten wijde avondtijd,
Ik geef mijn mond aan uwe mond,
Waar Gij mij immer beidt.

Ik leef mijn rijzend levensjaar
Van wat uw liefde bood:
Want liefde , zo bezonken-klaar,
Is  ’t rijpste levensbrood.

Nagelaten verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

zwart en blauw

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
Zwart en blauw

(Naar Th. Moore)

Het gloeiend gitzwart oog
Schiete al zijn dolken rond,
Gevoelloos voor wie 't wond'
Of doodlijk treffen moog:
Het blauwe kwetst geen hart,
Of 't lenigt graag de smart,
En wie 't een dolk moog wezen,
't Schept wellust in 't genezen.

Het zwarte zegge ons dit:
‘Heb eerbied voor mijn gloed!
Zo gij mij hulde doet,
Licht dat gij mij verbidt!’

Maar 't blauwe fluistert zacht,
Daar 't vriendlijk lonkt en lacht:
‘Ik wil u toebehoren,
Mits liefde u 't hart doe gloren!’

Nu, zeg mij eens oprecht:
Voelt, liefste, uw boezem niet
Wat mij de blauwheid zegt,
Die m' in uw ogen ziet?
Of zijt gij de eenge vrouw
Met ogen zacht en blauw,
Die minnaars zou ontvlieden,
En liefde weerstand bieden?

schrijver

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

laatste wens

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Laatste Wens

Wanneer ge mij begraven zult,
Als laatst vaarwel en laatste huld,
Zal rouw noch traan mij troosten;
Wel eenzaam mag mijn grafsteê zijn,
Maar 'k wou in licht en zonneschijn
Geplaatst zijn, 't oog naar 't Oosten.

En bij de dicht begraasde zoom
Men plante een schaduwrijke boom,
En bloemen, bont van kleuren;
Ik heb de bloemen steeds bemind;
En in de zoele avondwind
Hoe zoet zijn bloemengeuren!

En in der bomen kruin, hoe zacht,
Geheimvol klinkt de liefdeklacht,
De zang der nachtegalen!
Zij zullen daar de vriend, die rust,
Zo menig lied, dat streelt en sust,
Uit lente en jeugd herhalen.

Verhoor dees laatste bede toch!
'k Heb vrienden, jeugd, gezondheid nog,
Maar mag daarop men roemen?
Daarom bespreek ik nu op tijd
Een graf, door licht en zon verblijd,
Door vogelzang en bloemen.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:42 Reageer op dit bericht

bespiegeling

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

AVOND-BESPIEGELING IN EEN BOS

Gij blijft opnieuw hun kroost ter kalme rustplaats strekken,
En ras, ras zal uw loof ook hun gebeente dekken.

Oneindige! mijn hart smelt weg in stil geween.
't Verandert al wat is, behalve Gij alleen!
Waar werelden ontstaan, en werelden verzinken,
Waar zonnen doven, en weer nieuwe zonnen blinken,
Blijft gij dezelfde, staag der Eedlen lof en vreugd,
De schrik der Bozen, en de toevlucht van de Deugd.
Het vroegste Voorgeslacht mocht op uw macht vertrouwen,
En 't laatste Nakroost zal nog op uw goedheid bouwen,
Verwoesting ware in 't rond, zo lang de Tijd gebiedt,
De worm ontzinkt de worm, maar uwe Liefde niet!
Ik zie, ik zie alree de grote morgen dagen,
Die moeite en kwelling uit de Schepping weg zal vagen,
De dood geeft zijnen roof, het graf zijn schatten weer,
En in het groot Heelal woont gene ellende meer.

God! zou bij dit verschiet mijn hart van vreugd niet zwellen?
Zou ik mijn noodlot hier niet juichend tegensnellen?
Ja, of ik rozen oogste, of onder doornen kwijn,
't Is groot een schepsel Gods, maar groter mens te zijn!
O Deugd! o Godsdienst! gij doet al mijn moed herleven;
Met u kan ik gerust naar mijn bestemming streven;
Met u treed ik zo kalm mijn jongste rustplaats toe,
Als ik dit woud verlaat, en naar mijn leger spoê.


1793

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

zucht

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Zucht ten hemel.

Neen, Hemel! niet om eer of staat,
of aardse nietigheden,
En wat voor heil en voorspoed geldt,
bestormen u mijn beden.
Neen, heb ik vaadrenerf en goed
voor 't Vaderland geofferd,
Ik vraag niet, wat die 't heeft verkocht
in zijn trezoren koffert.
Ik vraag niet, wat verraad of list
de braafheid mocht ontstelen,
Of duizend snoden zonder ziel
met luttel braven delen.
Ik vraag aan hem geen lof of roem,
die niet in 't hart kan lezen,
Maar wat hij in zich-zelv' gevoelt
ook andren waant te wezen.

Ik vraag de stem dier wareld niet,
die, in de lust verdarteld,
Met tranen eens vermoorden lacht,
die in de doodstuip spartelt.
Ik vraag geen vroeger kracht terug,
in drukkend wee vervlogen,
Noch staar verlopen uren na,
die niet meer keren mogen.
De scherpte en 't doorzicht van de geest, -
zijn opgelegde schatten, -
De vlugheid van het werkzaam brein,
dat niets placht af te matten: -
Ja zelfs die trooster (moet het zijn)
in 't doorgestane lijden,
Die zangdrift, die mij alles was,
en duizend mij benijdden!
Ik sta haar aan uw opeis af,
met wat ik heb bezeten!
Maar, daar Gij alles wederneemt,
ô Leer het mij vergeten!

1810.

Winterbloemen  (1811)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

meeuwen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Meeuwen.

Witte zon op zee en zeilen.
't Water ruist en meeuwen keilen.
Gevleugeld schuim,
de baar onttrokken,
vliegen ze in 't ruim,
en vlokken.
Een tuimelvlucht!
Als zwaluwen zere, en zonder
gerucht,
van boven naar onder,
van onder naar boven tot tegen de lucht;
dan, zakkende,
zwakkende,
zwenk op zwenk,
in een wenk
in 't zicht, in een wenk in 't water -
een spatte licht op 't grauw geklater!
Hooghangend, hel,
nu lijken 't wel
papierkens in de lucht gedreven,
al snippersnel
vol wikkelspel,
en blinkeblankend leven.
Maar tegen tij, al verder nog,
vervliegen ze en vervluggen.
Daar zijn ze, neen! Daar zijn ze toch!
Zijn 't meeuwen dat of muggen?
'k En weet 't niet meer, 'k en ziet 't niet meer,
maar als ik, bots, mij ommekeer,
'k zie nog gedurig iets als muggenmeeuwen
sneeuwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:55 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Dit is de dag, die God ons schenkt

Dit is de dag, die God ons schenkt,
    waaraan thans ieder christen denkt;
    hem viere, wat in 't groot heelal
    door Jezus is en wezen zal.

Men had Hem eeuwen lang verwacht;
en toen Gods tijdperk was volbracht,
    toen zond Hij van zijn hoge troon
    het heil der wereld ons, zijn Zoon.

O Gij ons heil, ons hoogste goed,
Gij werd een mens van vlees en bloed,
    werd onze broeder, en door U
    zijn wij Gods eigen kind'ren nu.

Als ik dit wonder vatten wil,
dan wordt mijn geest van eerbied stil,
    aanbidt het, maar doorgrondt het niet,
    dat zo de liefde Gods geschiedt.

U, die voor ons geboren zijt,
    U zij ons hart, ons lied gewijd.
    Wij voegen juichend onze stem
    bij 't englenheir van Bethlehem.

Geloofd die komt in 's Heren naam!
    Wij christ'nen zeeg'nen U te zaam,
    U, vredevorst, der vaadren wens,
    U zaligmaker, God en mens!

Roem, hemel, die geboortedag,
    de schoonste, die de wereld zag;
    juich, aarde, nu ge uw koning ziet,
    zing Hem een nooit gezongen lied.

Dit is de dag, die God ons schenkt,
    waaraan eens heel de wereld denkt;
    hem viere, wat in 't groot heelal
    door Jezus is en wezen zal.

Vertaling van: Dies ist der Tag, den Gott gemacht (C.F. Gellert, 1757)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

handen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

UW HANDEN

Uw koele handen aan mijn voorhoofd, alle
Gedachten die nooit moe van waken branden
Bij dag en nacht, zijn kalm in slaap gevallen.

Vanwaar de tover toch dier trouwe handen?
1k weet dat wind, wen hij de aromen woelt
Uit bloem en voor der vochte zomerlanden

En zo doorgeurd, 't ontblote voorhoofd koelt,    
Met minder leniging die klamheid kust,
Dan nu mijn gloed van Uw omvangen voelt.

Ja zelfs als 't helder water bruisend gutst,
Dat zorg en stof verstromen in zijn stralen,
Droomt ongestild gepeins toch naar Uw rust...

Uw palmen strelend langs mijn slapen dalen,   
Uw vingers strenglen zich en ongestoord
Voel ik hun lief gebed een wens herhalen,

Die in mijn diepen vrede wordt verhoord.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

mummie

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

PRINCESSENMUMMIE.

Dat zwart skelet, van windselen ontdaan,
Waaraan het uitgedroogde vlees nog kleeft,
Die groezelige hoop, waarvoor men beeft, -
Bedenkend het meedogenloos vergaan
Van al wat ademt onder 't licht der maan, -
Die mummie heeft verlangd, geliefd, geleefd
Het volle leven; wat maar 't leven geeft
Heeft zij genoten in haar aards bestaan.

Zij was een schoonheid in haar gloriedagen,
Want waarom anders in haar tombe lagen
Het spiegeltje, de kam, het verfpalet?

Nu moet zij eeuwig in het duister wonen,
De trotse dochter van de Pharaonen ... .
Of is haar ziel als ster bij Ré gezet?

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten