Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

zingen

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Wij zingen, wij, de poëten...

Wij zingen, wij de poëten,
van weia, weiala, dideldidom...
't Volk vindt de zang... versleten
en de poëten... dom.

Wij zingen roerende sagen
van weia, weiala, dideldidom...
maar 't leed van alle dagen,
daar geven wij wat om!

Wij zingen van dwergen en elven,
van weia, weiala, dideldidom...
van sombre spookgewelven,
waar nimmer straaltje glom...

Wij zingen van reuzen en draken,
van weia, weiala, dideldidom...
die schuchtere maagdekens schaken
en voeren om en om...

Wij zingen van kabblende beken,
van weia, weiala, dideldidom...
van bloemekens die spreken
in 't woudlijk heiligdom...

Wij zingen en wij zwoegen,
van weia, weiala, dideldidom...
de volke ten genoege, .—
en 't volk loopt naar de kroegen
en vindt de poëten.... dom.

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

dromen

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Dromen en denken

Dromen is denken zonder verstand,
Denken is dromen met open ogen:
Beide zijn vodden uit ener hand,
Waar men op vertrouwt, men is bedrogen.


4 februari 1665

schrijver

Geschreven door Dora om 13:35 Reageer op dit bericht

wandeling

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Heilloze wandeling

Nu ik wandel door de straten
van deze verdoemde stad,
met altijd diezelfde gelaten
voel ik mij zo verlaten
als een vrouw die de liefste vergat.

Zij blijft maar blindelings lopen
langs grachten, kaden en plein,
zonder uitzicht en zonder hopen,
de hunkerende ogen open
en brandend van de oude pijn.

Grauw zijn de huizen-blokken
- kooien van steen en cement -
waar de sterflijken samenhokken,
bederf de adem doet stokken
en elk geheim wordt gekend.

De loden hemel daarboven,
boven misère en sleur,
die ons de dromen ontroven,
geen hart om aan te geloven,
geen zon, geen warmte, geen kleur.

Heilloos, verdwaald en vergeten,
op geluk niet voorbereid,
moet ik mijzelve wel weten
een offer der dood'lijke vete
tussen droom en werkelijkheid.

De Gemeenschap (1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

vaak

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Ik heb zo vaak…

Ik heb zo vaak, wanneer de schemer hing
Over de grachten en de hoge bomen,
Dicht aan het raam gedrukt zitten te dromen,
Waarlangs het lichten aarzlend nederging.

De kleuren en de lijnen van elk ding
Verdwenen in het wazig-witte dromen,
Dat, uit het stille water opgekomen,
Voor ’t vochte raam ’t lantarenlicht opving.

Als ’t koude glas drukte ik mijn hete wangen
Mijn ogen zochten door de mist te turen,
Speurend wie nog zo laat de laan inliep.

En in mijn oren zong mijn oud verlangen
De wijze die in al mijn droeve uren
Niet wilde zwijgen, maar uw namen riep.


23.11.1911

Nalezing I (1907 - 1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:15 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vrouw van de zon

'Ik zag een vrouw, die schreed
alsof zij nooit zou sterven.'

A. Roland Holst


Vrij en eeuwig,
tijdeloos ontheven,
in een hoog en onaanrandbaar zweven,
schrijdt gij,
koninklijk geheven,
langs de blauwe muren van het licht

o! de sneeuwstorm van uw gouden mantel
o! de zon, het diamanten vlamsel,
dat de heemlen uitstroomt uwer haren
langs de wolkenloze bergen van de dag

o! de nacht -
waar uw fonkelende gouden tocht
in de hoge, sidderende loop der herten
eenzaam eindigt,
in de diepste verten.

Verzamelde gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 13:25 Reageer op dit bericht

franciscus van assisi

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

FRANCISCUS VAN ASSISI.

Met milde geestdrift in het peinzend oog,
En de armen zeeg'nend uitgestrekt, de mond
Omspeeld van teed're weemoed, door het blond
Van baard en knevel zacht omvloeid, rijst hoog

Een man, omvonkeld door de stralenboog
Van maanlicht-mystisch gloeien, zie, de wond
Van Christus bloedt in zijne zij, de grond
Doet bloemen spruiten, waar hij zich bewoog.

Hij liet de armen al zijn schatten over,
Zijn lijf en leven gaf hij aan zijn Heer,
En trok de liefde predikend door 't land.

Want alles had hij lief,de mensen, 't lover,
De vogels, bloemen, alles klein en teer,
't Heelal omsnoerend in een liefdeband.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:26 Reageer op dit bericht

napoleon

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

Uitboezeming, bij de val van Napoleon.

Voorgelezen in ene vergadering van Vrijmetselaren, te Amsterdam.

Triomf! hij viel, die de aard deed beven,
De vrijheid trapte met de voet,
Die, door geweld en list verheven,
Zijn zetel vestte in mensenbloed!
't Verachtlijk Hoofd der volkverzwelgers,
(Zijn trotse slaven) maar, weleer,
Het troetelkind der troonverdelgers
En vorstenmoorders, plofte neer!

Van uit zijn hoogte viel hij neder,
Maar niet verpletterd door zijn val.
Zweer, Volkren! dat zijn trots niet weder
Met nieuwe kracht verrijzen zal!
Weer, weer de tweedracht uit uw vanen! -
Verdelg het monster, schoon het kermt:
Het nijlgedrocht weent valse tranen.
Wee uwer! - zo gij u ontfermt.

Zijn wanhoopskreet dringt door de wolken;
Die kreet vervangt zijn zegelied.
Hij vleit om Vrede; maar, o Volken,
Mistrouw de Vrede, die hij biedt.
Op, Franken, op! herneem uw waarde!
Wis uit de teeknen uwer schand'!
Ja, wapen u; maar zuiver de aarde,
Verlos u van de dwingeland!

Die taak is de uwe! - Of, wilt ge, als slaven,
Zijn woeste trots en euvelmoed,
Met siddrende onderwerping staven?
De wreedaard redden met uw bloed?....
Uw voortgezweepte duizendtallen
Opnieuw, voor 's vreemdelings belang,
Op 't heer der wrekers aan doen vallen?
Strijd dan - maar vind uw ondergang!

Reeds tweemaal heeft hij u verraden;
Verliet u, reddloos, in 't gevaar:
De lauwer uwer heldendaden,
Vlocht hij zich, vluchtend, in het haar.
Hij eist, ten derde maal, uw telgen.
Welaan! - Verschijn in 't strijdperk weer;
Maar om zijn aanhang te verdelgen.
Op, Franken! vel de dwingland neer!

Gij kende uw plicht, Vrijmetselaren!
In 't onderjukte Nederland,
Bleef gij getrouw; bij uwe altaren,
Bood ge aan zijn invloed wederstand.
Juich, Eedlen! juich! - Juich, mensenvrinden!
Wees trots op uw getande rand;
Maar laat geen Volkshaat u verblinden;
Ontheilig nooit de broederband!

Thans roept u 't heiligst recht ten strijde.
Te wapen! - 't Geldt der Volkren eer.
Gord, Broeders, 't slagzwaard aan uw zijde,
Trek op, en keer verwinnend weer!
Maar laat geen wrok uw hart bewonen;
De woestheid zwijg', waar de eer gebiedt!
Vergeet bij 't strijden, weduw-zonen!
De kindren uwer moeder niet.


December 1813.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:12 1 reactie Reageer op dit bericht

maanschijn

Een gedicht van Pol de Mont

De maanschijn hangt

De maanschijn hangt, als een brug
op zuilen van kristal,
over een vale heide
onder de eindloze hemelhal.

Naakt en bloot de wijde heide...,
als een kerkhof naakt en bloot...
Is dat de slaap des Winters?
Is dat de slaap der Dood?

Als weefden onzichtbare handen,
handen, uit het schimmenrijk,
een koele witte wade
om een onzichtbaar lijk,

zó ligt, in het bleke maanlicht,
een rag van draden gespreid,
waar duizend tranen op blinken,
door onzichtbare ogen geschreid...

En als was het de stilte, of de maanschijn,
of de nacht, die tot tonen werd,
zweeft wijd, door de ragfijne luchten,
lijze een lied - vol vlijmende smert...

De Gids (1892)

Illustratie: '... waar duizend tranen op blinken'

schrijver

Geschreven door Dora om 15:00 Reageer op dit bericht

langs

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier,
De klepper vong de wind en joeg de vogel op,
Er gonsde een ver gerucht van tramp'len en geklop,
De garvenbindster zong op 't zoeven van de maaier.

Maar, de open lippen strak in zijn verdoolde kop,
sliep aan de lauwe berm een schuwe armoedzaaier.
De zomernoen was heet, de hemel trilde laaier
En groener rankten zich de bellen van de hop.

Toen zwol een luwe wind over de brakke sloot,
Hij deunde door het riet en wuifde op de pluimen;
Een grauwvink aan de wal zat veer en vlek te ruimen,

't Was of het zonnerad goudener stralen spoot.
De slaper had zijn droom naar eigen lust en luimen,
Van honig en roô-wijn, ham en driekoon'ge-brood.

schrijver



 
Geschreven door Dora om 21:11 Reageer op dit bericht

in memoriam

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

In memoriam

Gouden geruchten gaan uit uw ogen;
'k hoor het breken van uw hart
en uw polsslag diep-bewogen
door de smart;

de avond huivert wijl het kil is;
aan uw wimper beeft een traan;
Och, hoe de avond zwijgt en stil is
en vol maan.

Verzen uit de oorlogstijd (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:54 Reageer op dit bericht

duizendtallen

Een gedicht van Antony Winkler Prins 1817-1908

Duizendtallen oceanen

Duizendtallen oceanen
Zijn in ’t eindloos wereldmeer
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts een droppel en niets meer.

Honderdduizend eksterogen
Doen de zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En het smachten van mijn hart.

Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger der hijëen,
Kunnen samen nooit zo schreeuwen,
Als ik huil om u alleen!

Sentimentele Poëzij

Illustratie: het leger der hijëen

schrijver

Geschreven door Dora om 19:40 Reageer op dit bericht

voetbal- hymne

Een gedicht van Charivarius 1870-1946

Voetbal-hymne

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult,
Die dagelijks 't gedaas der krant verslinden,
In hartstocht, die geen smaak voor 't hogere duldt,
Dat mensen beesten maakt, en zienden blinden -

Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult,
Terwijl het aan 't afzichtlijk schouwspel smult,
Als daar een horde woestaards en ontzinden
In 't schunnig schop-werk vuile vreugde vinden ...

Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt,
De pees zich opbolt als een boos gezwel,
Wijl 't oog van een onheil'gen vuurgloed fonkelt ...

Ja, duizendwerf vervloekt zij 't voetbalspel,
Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld ...
Voort! vuige voetbalbende - vaar ter hel!

Ruize-rijmen (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

nachtlied

Een gedicht van Fernanr Toussaint van Boelaere

Nachtlied

Geen enkel ver gerucht
en komt tot mij gedreven;
De bomen van de dreven
en lozen zelfs geen zucht.

Geen late muggenvlucht
zie 'k vóór mijn ogen zweven;
De nacht heeft saamgeweven
zo innig, aarde en lucht.

Mijn hart dat 'k waande dood
Door 's werelds drukte omgeven
Voel 'k nu geweldig gaan!

Geneuchte wondergroot:
Zijn hart te horen slaan
Wen dood is alle leven.

De gouden oogst(1944)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:29 1 reactie Reageer op dit bericht

wereld-warsheid

Een gedicht van J.A. Alberdingk Tijm 1820-1889

WERELD-WARSHEID

Sterk, sterk mij, Heer, in 't hopen op de hemel:
Hier is de helste glans een nevlige avondschemel ;
De stoutste poëzie een zinloos, dwaas, geremel;
De reinste liefde een wufte gloed:
0, maak mij los van de aard; maar geef mij moed en krachten
't Verlangde scheidingsuur in ootmoed af te wachten
En Uwe wil te doen in voor- en tegenspoed!

1842.

Viooltjens en grover gebloemte in ouderlijken gaard gekweekt (1844)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:25 Reageer op dit bericht

de maan

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

De maan

O! maan! gij die de schone schepping
Met zacht en kwijnend licht bestraalt,
En in dit stille heldre beekje,
Uw hemels beeld naar 't leven maalt.

Gij, die in 't loof verscholen hutten
Mij ginds in halve schaduw toont,
Als vreedzaame oorden, waar nog de onschuld
Bij stille vergenoeging woont.

Gij, die alom op berg en dalen,
Nu doodlijke eenzaamheid ontmoet,
Verlatene akkers, stille weiden
Met rustig slapend vee, begroet;

Die 't matte loof van bos en velden
Met koele dauw verkwikken ziet,
En door uw glans in ieder dropje,
Een schitrend diamantje biedt.

Die, na een dag vol moeite en zorgen,
Een schone zachte avond geeft,
En elk gevoelig mens, met vreugde,
Zijn God doet danken, dat hij leeft.

Die 't kwijnend oog, door lijdens tranen
Verdonkerd, heldrer glanzen doet;
In 't matte hart, vermoeid van klachten,
Een stille blijde hoope voedt.

Ook mij, mij geeft gij zachte kalmte,
Na onrust, woeling en verdriet;
Door u is 't dat mijn oog, zo smachtend,
Al hopend naar mijn vader ziet.

Mijn vader die, met wijze goedheid,
Mijn wislend lot op aarde schikt,
En, schoon mij dikwijls distels steken,
Door menig bloempje mij verkwikt.

Die, als Hij mij mijn liefste wensen
Ontzegt, toch mijn geluk bereidt,
En door de tranen van dit leven,
Mij rijp maakt voor de zaligheid.

Ach! laat dit troostgevoel ook vloeien
In mijner vrienden lijdend hart!
O! schone maan! waar ge ook moogt glanzen
Verzacht alom de wrede smart!

Verkwik de jongling mijner liefde,
Die thans u ziet, en zucht om mij!
Breng hem mijn tedere avondgroete,
Maar zeg niet wat ik om hem lij'.

Gezangen der liefde (1794)

schrijver


 
Geschreven door Dora om 16:04 Reageer op dit bericht

stoppel-veld

Een gedicht van Arnold Sauwen 1857-1938

Stoppel-veld

De velden liggen stoppelbloot,
geplunderd en geschoren;
geborgen in der schuren schoot
ligt dorsensklaar het koren.

En wat geen schuur, hoe breed en hoog,
kon bergen in haar wanden,
staat veilig daar, gebermd en droog,
in mijten op de landen.

Geen halm meer wiegt; 't ligt alles kaal.
En blank en blauw van veder,
strijkt, zwenkend in een zonnestraal,
een vlucht van duiven neder.

Op koorn- en tarweland ligt daar,
teloor gevallen, tussen
de stoppels, meenge graanvolle aar
tot voer voor duif en mussen.

Arm volk, dat van geen zaaien weet,
ga, oogst nu langs de voren.
Van wat Gods zonne rijpen deed
Geen korrel ga verloren!

schrijver

Geschreven door Dora om 12:00 1 reactie Reageer op dit bericht

zoeken

Zomaar een gedicht over vreugde en verdriet

Zoeken

 

Je zoekt een gedicht

Maar vandaag kan je niets passends vinden

Hierover moet je je natuurlijk niet opwinden

Want iedereen heeft z’n eigen gedachte

Soms kan je die niet gebruiken

En dan moet je even in je eigen dichtershoekje duiken

Alles moet leuk en makkelijk zijn

Maar zo kan het niet altijd zijn

Het leven wordt afgewisseld met vreugde en verdriet

Vreugde mag iedereen in meedelen

Maar heb je verdriet

Dan wil je dat niemand het ziet

Zo zijn er vele dichters ontstaan

Om toch zo over hun moeilijke levensweg te gaan

De stilte van een moment

Dat geeft even ruimte aan het end

Het end van vreugde of verdriet

Een ander moment komt er weer aan

En dan kun je gewoon weer verder gaan!

Vol van afwisselingen is het leven

Soms komen de golven heel even

Erg omhoog maar kijk altijd naar de regenboog

Eerst waren er tranen uit het heelal

Daarna mag je weer de schone kleuren aanschouwen

Om zo weer verder aan je levensweg te bouwen!



Plaatjes bloemen

 

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

kannetje

Een gedicht van M.A. de Wijs Mouton

Het gebarsten kannetje

't Was herrie in de huishoudkast
De borden ze rammelden razend;
Het glaswerk rinkelde van ergernis,
De boterpot klapte verbazend,
Wat dolle intriges, wat lijden en last
Was er in de huishoudkast!

De broodtrommel die wist 't wel,
Die had 't al aan zien komen,
Maar geen die van zijn ernstig woord
Notitie had genomen.
De honingpot preekte 't verstandigst van al
Berusting in 't ongeval.

De olie met de azijn getrouwd,
Stond preutsig en schuintjes te gluren
Naar het voorwerp van haar ergernis,
En kletste met haar buren.
En 't zuurstel werd beurtelings rood en bleek
Terwijl 't nog zuurder dan anders keek.

De oorzaak van de narigheid
Stond stil en nadenkend te staren
En dacht hoe die kwaadwilligheid
Het beste te bedaren.
Ze kende haar luitjes van A tot Z
En had een heimelijke pret.

't Was een gebarsten kannetje,
Hier pas op dit plekje verschenen
Toen d' oude en deftige melkkan
Van 't wereldtoneel was verdwenen.
Ze had, al deed ze haar arbeid nog puik,
Een barst en een scheur in haar kleine buik.

En bij dat lawaai en die kibbelpartij
Stond ze stil bij zich zelve te denken,
Hoe toch die hele huishoudkast
Zo'n aandacht haar kon schenken.
Ze wilde gebarsten en levensmoe
Het liefst naar haar graf en asbak toe.

De kaasstolp vond dat ze blijven moest,
Had meelij met de vreemdeling gekregen.
Maar 't broodmes, minister van oorlog hield vol
En stemde onherroepelijk tegen.
De vorken en lepels als leden der raad
Waren innerlijk woedend en dol obstinaat.

Toen kreeg je de strijd in de huishoudkast;
Een fles viel op glazen en borden,
De stukken sprongen links en rechts,
Een wilde vernielende horde.
't Azijnstel kapot en 't zuurstel in twee,
Hun scherven die slierden het zoutvat nog mee.

Het kannetje daar bleef ongedeerd,
Het kon wel een stootje verdragen;
Als je eenmaal een barst hebt, dan weet je van strijd,
En ben je gehard tegen slagen.
Ze trok zich van 't kibbelend zaakje niets an,
Ze was maar een kleine, gebarsten kan.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:08 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Het dromende kind

De vogels doen hun nachtgroet horen;
Op zilvren wolkjes slaapt de maan.
Ook moeders lust, de jongstgeboren,
Is in zijn wieg ter rust gegaan.

Al dromend vouwt het vriendlijk wichtje
De kleine, reine handjes saam;
Een glimlach speelt op 't aangezichtje,
Zijn lipjes fluistren Jezus naam.

Waar droomt hij van? Van 't zalig Eden
Der Onschuld, dat voor ons verdween.
Gods Englen dalen naar beneden
En blikken door het venster heen.

De dichtwerken (1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:26 Reageer op dit bericht

ziet niet om

Een gedicht van C.P. Tiele 1830-1902

Zie niet om

Zie niet om, maar zie vooruit!
Door geen enkle grens gestuit
Moet gij immer verder streven,
Vóór u in het blauw verschiet
Liggen vrijheid, heil en leven,
Maar in 't grauw verleden niet.

Zie vooruit, en zie niet om!
Vele mensen, dwaas en dom,
Ontevreden met het heden,
't Heden vol van last en druk,
Zoeken in het verst verleden
De eeuw van vrijheid en geluk.

Zie niet om, maar zie vooruit!
Slechts de toekomst is uw buit;
Al wat achter is vergeten!
Voorwaarts! nimmer strijdens moe;
Grijp slechts aan met stout vermeten!
Al wat vóór is hoort u toe.

Gedichten (1863)

Geschreven door Dora om 13:26 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten