Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

beginsels

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Beginsels.

Gramschap is een schrikbre ontvlamming die onblusbaar om zich woedt:
Droefheid is ene overstelpende en niet af te keren vloed:
Nijd, een alverstikkend onkruid, dat én vreugd én deugd versmoort:
En begeerlijkheid, een hartworm, die het ingewand doorboort.
Maar dat vuur is uit een vonkje tot zo fel een brand ontgloeid:
Maar die stroom uit kleine druppen tot die zeekolk saamgevloeid:
Maar dat ondier is geboren uit het stof der ledigheid:
En dat onkruid, van één zaadje over d' akker uitgebreid.
Sterfling! blus dit eerste vonkje, eer het tot een vuurgloed wordt:
Droog dees eerste druppel water, eer hij u op 't harte stort;
Zij het eerste kleine zaadje, eer het wortelt, uitgerooid:
Zuiver 't hart van ieder stofje, door de ledigheid gestrooid:
En die onbetembre driften, die geen macht kan wederstaan,
In haar oorsprong reeds vernietigd, doen uw boezem nimmer aan.



1805.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Het kind

"Het schoonst geluk, dat gij mij ooit kunt geven
Zal wezen als eenmaal een nieuw gelaat,
Uit u en mij geboren bloeien gaat,
Maar toch het meest heeft van uw stralend leven;

En, zoals naar het gouden pracht-sieraad
Een kleiner wordt in fijner goud gedreven,
Zal 't flonkrend blond zijn voorhoofd-blank omgeven
Als 't graan, dat in de zon te gloeien staat."

Toen kuste ik om dat schone woord mijn lief,
Die om mijn hals de strelende armen hief
En 'k sprak: "ja! dat zal groot en heerlijk wezen,

Als ik u zien zal in hetzelfde kind,
Waarin gij mij opnieuw geboren vindt:
Twee-eenheid in één enig beeld te lezen."

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:24 2 reacties Reageer op dit bericht

knapen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

BADENDE KNAPEN.

Mild zaait de zon, door 't klaterloof der popels,
Haar gouden spranken op het stromend water,
Waar, slank en blond, twee vlugge knapen zwemmen,
Als zwanen blank en fier als jonge goden.
Op hals en armen beeft der blaadren schaduw
En vonklend vloeit, van beider brede schouders,
In 't golvenblauw een regen van juwelen.

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:34 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

't Was niet het op en neerslaan uwer ogen

't Was niet het op- en neerslaan uwer ogen,
't Was niet het heldre lachen van uw mond -
Ik weet niet, weet niet wat mijn lippen bond,
Toen gij daar zat, het tere hoofd gebogen,

Dat hoofdje, als een bloem, zacht bewogen
Op iedre adem van de ziel: ik vond,
Ik vónd geen woorden in die éne stond,
Dat ooit mijn ogen u aanschouwen mogen.

Was 't de gedachte, dat een enkel woord
Een blos kon lokken op die bleke trekken
En om die mond een nauw-verbeten spot?

Hoe zouden woorden, waar het hart niet hoort,
Een wederklank op zúlke wensen wekken?
Ik zweeg, en zag u aan, en wist mijn lot....

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:28 Reageer op dit bericht

prinses

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Voor de verre prinses

Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tussenbeide.
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis - dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door grote dromen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedre nacht.

Serenade

schrijver

Geschreven door Dora om 13:04 Reageer op dit bericht

ontwaken

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Ontwaken bij regen

't Is regen, - 't regent aan mijn ruit —
De regen wist mijn dromen uit
En draagt mij in de droom van 't leven;
Een beeld gaat om — een beeld beklijft,
Beeld van een lied - dat blijft, dat blijft:
Het zacht en zegenend geluid
Van droppelende regen.

't Is regen, - 't regent aan mijn huis -
Ik luister, sprakeloos en kuis,
Naar 't lied van 't ledig leven,
Dat dromend van de hemel leekt
En dromend weder leven kweekt
Dat mild en murmelend geruis
Van droppelende regen.

't Is regen, - 't regent aan mijn geest -
De regen wist wat is geweest
En laat maar een gerucht van leven:
Een zucht, een zweem van wat muziek,
De donzen vlucht van een wiek
Voorbij, voorbij mijn stille geest
0 — zo te mogen sterven!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:41 Reageer op dit bericht

veer

Een gedicht ten gunste voor de dichter des vaderlands zoals ik het
bekeek



Veer

 

Hij heeft geschreven

Maar is niet gebleven

Hoewel, hij ontvangt een gouden veer

Dat is toch ook niet mis

Een jong mens als een dichter des vaderlands

Kreeg zomaar die fantastische kans

Hoewel het misschien ook wel eens zwaar kon zijn

Want je moet het wel kunnen beschrijven

Waarom je dan ook zo lang mocht blijven

Maar nu geeft het leven een wending

Talenten zijn er om te benutten

Het leven moet men ook kunnen stutten

Zodat men met twee benen op deze aarde blijft staan

En niet als een verwaande door het leven wilde gaan

Toch is het een eer geweest

En voor een dichter was het misschien

wel een bijzonder dichtersfeest!

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

januari

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Januari

Op d' eerste dag van 't nieuwe jaar
Zijn thuis de kindren vroeg al klaar
En huppelen de kamer binnen;
Daar wensen zij dan, blij te moe,
Aan de Ouders heil en zegen toe
In 't nieuwe jaar, dat zij beginnen;
Ze springen bij Papa op schoot,
Ze zoenen Ma de wangen rood,
En door heel 't huis klinkt telkens weer:
Fe-li-ci-teer! 'k Fe-li-ci-teer!

En 't is ook even druk op straat;
De brievenman weet zich geen raad
Met al de kaarten en de wensen,
Die hij moet brengen bij de mensen;
Oud, jong, rijk, arm is op de been,
Men kan door al 't gedrang niet heen;
Ja, ja, nieuwjaarsdag is een feest,
Als nog dit jaar niet is geweest,
Maar Pa en Ma zijn toch recht blij,
Is al die pret voor goed voorbij.

Bij helder weer een wandeling
Is deze maand een kostlijk ding;
Dan, als het ijs kan houën,
Ziet men de mensen schaatsenrijën,
De jongens sneeuwmans bouwen,
De meisjes baantje-glijën,
En nog veel anders, dat men niet
In 't hartje van de zomer ziet.

Heel enkle kindren gaan nu wel
Eens mee naar 't mooi komediespel;
Doch dit gebeurt maar voor een keer -
Eens, tweemaal 's winters - en niet meer.

De twaalf maanden van het jaar (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:52 Reageer op dit bericht

eilanden

Een gedicht over eenzame eilanden schrijver onbekend bij mij

Eenzame eilanden


Ik zie eilanden
doelloos drijvend
losgeslagen
dobberende ikken
in eenzaamheid

als wrakhout
wanhopig
op zoek naar
het schip
dat breuk liep
op rotsen
van onwetendheid

ik zie bruggen
soms wankel
soms stevig
geslagen
tussen
tijdelijke wij's

als handen
hoopvol
vasthoudend aan
de liefde
die grenzen
vervagen zal

ik zie stormen
golven bevelen
pijlers
verzakken
en ons
weggeslagen

als twijfels
knagend
aan het hart
dat breekt
door
onbekende ziel

Geschreven door Dora om 18:29 Reageer op dit bericht

de poëet

Een gedicht van Jacob Oosterwijk Bruyn

De poëet

Joost las: `Poëten leven lang.'
Hij greep de lier en stemde een zang. -
Veel boeken heeft hij vol geschreven,
En 't doel bereikt, waarmee hij zong:
Hij bleef tot hoge jaren leven;
Maar al zijn verzen stierven jong.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

roos

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

DE DAG GAAT OPEN ALS EEN GOUDEN ROOS

De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks éen geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos.

En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga 'k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkre wand stil peinzend poos.

Ik heb 't gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar.
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik 't geluk gevonden.

Verzamelde lyriek, Amsterdam.(1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:49 Reageer op dit bericht

nieuwjaar

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

't Nieuwjaar! Och! 't Is altijd 't oude

't Nieuwjaar! Och! 't is altijd 't oude:
zitten beven van de koude;
dan, deur slijk en moze gaan;
later, in de zonne braên;
als het zwijn zit in de kuipe,
't keerske brandt al in de puipe;
en, van zo de winter fluit,
't keerske is dood, en 't jaar is uit!


1885





---------------------------------
moze: modder
puipe: open nis in muur tussen woning en stallingen

Jaarkrans (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:46 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

DE DAG GAAT OPEN ALS EEN GOUDEN ROOS

De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks éen geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos.

En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga 'k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkre wand stil peinzend poos.

Ik heb 't gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar.
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik 't geluk gevonden.

Verzamelde lyriek, Amsterdam.(1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:30 Reageer op dit bericht

Een gedicht van J.J.Goeverneur 1809-1898

December

Het haasje maakt zijn laatste buiteling,
En 't arme ding
Moet duur nu voor de kool betalen,
Die 't deze zomer bij de boer van 't veld kwam halen,
En waarvoor 't boertje niets ontving; -
Voldaan is nu de rekening.

December brengt naar oude wijs
Ons regen, sneeuw of vorst en ijs.
De lucht, somtijds als as zo grauw,
Is soms van 't allerzuiverst blauw,
Waarin bij nacht de lieve maan
En duizend gouden sterren staan. -
Als men die helder tintlen ziet,
Dan dient men braaf te stoken,
Dan moet de schoorsteen roken;
Want warm is het dàn buiten niet.

December brengt, wat bovenal
U, vrindjes, wel bevallen zal,
December brengt de brave Sant,
Van ouds bekend door 't hele land;
Want Sint Niclaas, goed-heilig man,
Trekt nu zijn beste tabberd an,
Rijdt hoog te paard door land en stad
En gooit door elke schoorsteen wat.
Hoe arm en klein een huisje ook zij,
Hij gaat het zeker niet voorbij,
Maar maakt de kindertjes er blij.
Kreeg een van u eens wat heel veel,
Gun dan 't arm buurkind ook een deel!

En is de kortste dag geweest
En 't lief en kostlijk Kerstmisfeest,
Dan heeft het Jaar zijn werk gedaan
En wil voor altijd rusten gaan.

Twaalf heeft de klok
En 't jaar is uit;
Door groten wordt
Tot goed besluit
Nog eens geschonken
En braaf geklonken;
Maar alle kindren liggen lang
In zoete rust,
En weten niet en voelen niet,
Dat nog zo laat
De Moeder aan hun bedje staat
En stil hen kust
Met in 't nieuwjaar háar eerste wens:
Kind, word een braaf en deugdzaam mens!

De twaalf maanden van het jaar (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:07 Reageer op dit bericht

Een einde jaarsblik


Tussen

 

Tussen kerst en einde van het jaar

Liggen ook donkere dagen

Het licht heeft geen behagen

Om eens over ons land te stralen

Men wacht op het einde

Maar na die ene dag

Gaat alles gewoon weer op weg

Om door de woestijn van het leven

Zich op nieuwe paden te begeven

Een jaar duurt maar heel even

Ook al denk je dat een leven lang duurt

Soms is het zo voorbij

En velen staan nog wachtend in de rij

Met denkbeelden dat het wel goed zal komen

Maar het water wil overal buiten de oevers stromen

Soms is het leven voor mensen een kwelling op zich

Voor al als het er niet is

Dat bepaalde uitzicht!

 

Geschreven door Dora om 16:51 Reageer op dit bericht

dochter

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

'S MOLENAARS DOCHTER

't Werd laat eer de vrijer de molen verliet;
De vlonder was wit van de rijp - Hoe 't geschiedd'? -
Of 't licht in de molen? - Men gist en men raadt -
Hij zonk in de diepte van 't zwarte verlaat.

En 's molenaars dochter zat stil en alleen,
Al zuchtend en klagend, in rouw en geween;
Drie jaar lang rouwde ze en wenste zich dood,
Totdat het haar vader ten leste verdroot.

'De knecht op de molen is vlijtig en trouw,
Is knap van persoon en hij wil je tot vrouw;
Of hij jou nu lijkt? - Maar al lijkt hij je niet,
Toch zult ge hem trouwen trots al je verdriet!'

De molenaar sprak 't en zijn woord was een wet,
Hier baatten geen tranen, geen klacht of verzet;
Al draaide de molen zijn kap met de wind,
De molenaar niet, al bezwoer hem zijn kind.

En 's Zondags reeds woei van de molen een vlag
En noodde er de gasten met iedere dag;
Kwam 's avonds de speelman, de vreugde begon -
Maar 't bruidje verviel als sneeuw voor de zon.

En zwaar op haar schouderen drukte het kruis;
Bij 't vallen van d' avond ontvlood zij 't gedruis;
Zij wrong als wanhopig de handen te saâm,
En staarde in het water en fluisterde een naam.

'Ach, neem gij terug thans mijn trouw en mijn ring,
Gij dierbre! met wie al mijn vreugde verging;
Straks, tegen mijn wil, breekt de bruiloftsdag aan:
Ach, was ik bij u en mijn lijden gedaan!'

Met rukt zij de ring af, haar heiligste goed,
En slingert hem neer in de kolk aan haar voet,
En 't siddert en trilt in de donkere schoot,
Als klopte men zacht aan de poort van de Dood.

Een vorm zweeft langs 't water in nevelgewaad,
En huivrend herkent zij een dierbaar gelaat;
Het spooksel komt nader, steekt d' arm naar haar heen -
Zij wankelt en stort in de diepte beneên.

En ginds in de molen, dáár zongen zij luid,
Dáár klonken de gasten op 't welzijn der bruid;
Drie dagen verstreken, toen zaten zij weer
In 't eigenst vertrek aan haar doodmaal ter neer.

De oude huisvriend(1882)

schrijver



Geschreven door Dora om 15:17 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

's Wienters op 't karkhof.

Hier rusten ien vree onze doojen;
God nam hun de levenszurg af.
De hemel spreidt zuutjes 'en laoken
Van sneuwvlukskes over hun graf;
De wiend schudt de hangende twiegen
Der treurwilgers triest hen en weer,
En speult met de rietslende blaojer
En strooit ze um de grafkruuskes neer.

Een muske zit hongrend te tjielpen
Ien 't duuster geblaort van 'en spar;
'k Zie anders gen gruun en gen leven -
't Is alles zo stil en zo bar.
Maor, schoon ik gen gruun zie en leven,
Het blieft toch alevel bestaon:
De wienter verbergt 'et 'en poosje,
De lentetied brengt 'et weer aon.

Zo is 't ook precies met ons leven:
Het nêmt hierbenejen 'en end,
Maor 't is um daorboven te bluuien
Ien de euwige, zaolige lent'.
En zie 'k, ien de wienter des levens,
Op aorde onze doojen nie meer -
't Wordt lente ook veur mien nao 'en poosje,
Ik zie ze ien de Hemel dan weer.

Kriekende Kriekse (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:58 1 reactie Reageer op dit bericht

aard

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Op de aard der Vooreilanden van Amerika.

In 't aangenaam gewest, waar nooit het groen verdwijnt,
Komt nooit d'onvruchtbre winter beven.
Slechts kan het lieflijk wit, dat op de lelie schijnt,
Het schijnsel van zijn sneeuw daar geven.

--------------------------------------
Vooreilanden van Amerika – Antillen
beven- schrik brengen

schrijver

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

mens zijn

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Mens zijn

Waar mens de mense wolf is,
Waar volk de volke vee;
Waar, huilend, wie maar golf is,
Wil schuimen boven zee;
Daar perst men paarl uit traan en bloed,
Heet zwakheid kracht, en lafheid moed,
En wie een hals drukt met de voet.
Nékplooit gedwee!

Moet eerlijk altijd arm zijn?
En machtig altijd slecht?
Vijandig hoofd op arm zijn,
En 't leven een gevecht?
Zal nooit, in grootse harmonie,
Het mensdom - kracht, gevoel, genie -
Al, man bij man, en knie aan knie,
Réchtstaan voor recht?

Zie, de aarde is aller moeder!
Zij wil noch slaaf noch heer.
Haar kind te zijn, o broeder,
Is de eerste en de opperste eer.
Want heilig is haar schoot genoeg,
Haar handen breken brood genoeg,
Wij zijn, en dat is groot genoeg,
Méns, mens, niets meer!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

winterdag

Een gedicht van J.P.Heije 1809-1876

Winterdag

De lucht is blauw , de vloed is ijs,
't Blinkt al in de avondzonneschijn,
En langs de takken, bruin en grijs,
Hangt de ijzel, als een blank gordijn ;
Daar vliegt, met korte vleugelslag,
Een kraaienzwerm door 't pijnboomhout...
't Is toch een heerlijk ding in 't woud,
Zo'n winterdag, zo'n winterdag!

Het mosbed kraakt, — de rappe voet
Drukt sporen in 't besneeuwde groen;
Ginds kronkelt, als een welkomsgroet,
Een blauwe rookwolk door 't plantsoen;
Van verre klinkt, met slag op slag,
De scherpe bijl op 't harsig hout...
't Is toch een heerlijk ding in 't woud ,
Zo'n winterdag, zo'n winterdag!

Maar ginds wacht mij een lieve vrouw,
En kinders o! als melk en bloed;
Een krachtig maal, een warme schouw,
En duizend kussen , trouw en zoet;
Hoe mooi 't dan ook hier wezen mag,
Ik zeg, bij 't kruipen in mijn kluis:
't Is toch een heerlijk ding in... huis,
Zo'n winterdag, zo'n winterdag!

Al de volksliederen (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:29 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten