Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

CRITICUS

Mijn vriend, uw versjes zijn niet goed.

DICHTER

Dat kan mij weinig schelen.
Die maak ik niet om goed te doen,
Die maak ik om wat spelen.

Zó, als je een kind een zakdoek geeft,
Dan knoopt het er een kop aan;
Als de slippers dan lange kleren zijn,
Heeft 't kindje d'r een pop aan.

Dat kind doet best, al wou jij wel,
Dat het een and're keus dee,
En zijn zakdoek als 'n groot mens gebruikt
Zo’n mens snuit er zijn neus mee.

M ij n zakdoek, dat 's mijn kleine taal;
Daar kan ik je niets mee leren,
Dan hoe je met knoop en slippen maakt
Een kindje in lange kleren.

Zeg jij nu: daar 's de taal niet voor,
Die dient om je neus in te snuiten; -
Dan zeg 'k: ja, jij bent een groot mens,
En kunt daar dus niet buiten;

Maar ik ben een klein kindje en kan
Niet zonder spelletje zoet zijn...

CRITICUS

Nu ja, dat 's mooi en wel, maar ik
Zeg toch dat je versjes niet goed zijn.

Verzamelde Gedichten (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 09:45 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

eens

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Eens en Nu.

Wel ben ik blijde om 't Leven, maar de extase
Der Jeugd was nu sinds lang niet meer voor mij,
Gegaan ook 't nauw doorworsteld noodgetij,
Waarmee der wereld stormen om ons razen!

En 'k zie het Leven als door koele glazen:
Een blauwe stroom, een zonbeglansde wei,
Waar 't bruine paard en blanke koeien grazen,
En een wit zeil drijft, achter 't groen, voorbij.

Maar, dankbaar om het schoon, dat is gebleven,
Zie ik der jaren staêge wisselingen,
't Najaar in goud, de Lente in bloesem staan,

Niet wetend, of ik lééfde of eerst gíng leven,
En of de storm'ge dagen, die vergingen
Wel schoner waren, dan dit nieuw bestaan.

Gedichten (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:08 Reageer op dit bericht

wijken

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

Voor geen koning wil ik wijken

Voor geen koning wil ik wijken,
Voor geen prins of rijke vorst,
Ik wil tonen, ik wil bereiken,
Ik, die vroeger nimmer dorst.

Voor geen machten wil ik zwichten,
Met geheven hoofd steeds voorwaarts treen,
Voor geen strijden, voor geen richten,
Voor niemand deinzen, neen, neen, neen!

Voor niemand buigen, voor niemand beven,
Voor niets, al is het ook sterk in macht,
Maar leven, leven, mijn eigen leven,
In mijn eigen licht, in mijn eigen kracht.

De Beweging jaargang 10 (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:47 1 reactie Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 dromend hart, kies u een nieuw vertier

O dromend hart, kies u een nieuw vertier
in vrouwenwang en purpren eglantier;
licht als kwikzilver vlieten onze dagen,
de pracht der jeugd zinkt als een bergrivier.

Oostersch I, 16

schrijver

Geschreven door Dora om 13:08 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Kom! De liefde lacht

Lenteliedje wees niet bang,
Kom maar vrij naar buiten;
Alles vraagt naar klank en zang
Als de bloemen spruiten.

Beken ruisen immervoort,
En de schone rozen
Neigen 't kopke over boord,
Spiegelen zich en blozen.

Jeugd en liefde wandelen stil
Hand in hand en dromen;
't Vogelijn bouwt, naar lust en gril,
't Nestje in de bomen.

Kom, de liefde wacht naar u,
Blijf niet langer binnen;
Kom, de liefde lacht naar u,
Zing van 't zoete minnen.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:20 Reageer op dit bericht

sneeuw

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Aan de sneeuw

Droog water, koele wol, wit roet, gehakte veren,
Wees welkom boven op mijn beste hoed en kleren,
Ik zie niet hoe men u met reden haten zou,
Die ons van boven brengt de warmte met de kou.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht

letterklever

Een gedicht van Prudens Duyse 1804-1859

Letterkliever

0 letterkliever, spel naar luim en gril,
Maar schrijf een letterwerk, dat alleen moog' verrukken,
En laat dan 't nageslacht 't onsterflijk werk herdrukken,
Ook in de spelling, die het wil .

schrijver

Geschreven door Dora om 14:16 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Carel Charten

HET SCHONE STERVEN

Als in de stemm'ge stad het herfst-tij weeft
Zijn gouden waas over de oude grachten
En onder 't gulden loof een stemming zweeft
van sterven in deze oude en gouden prachten,—

Dan denk ik, hoe 'k de dood graag zoude wachten
Gelijk een herfstdraad die in 't goud-licht beeft
En henenzweeft in de eerste koude nachten
waarin alleen één zilvren stemklank leeft:

De stem, die in de hoge eenzaamheden
Zingt en weerklinkt en zingend meet de Tijd
En aan de hemel aarde's Schijn doet horen,

Terwijl de ziel, in 't eeuwig Zijn verloren,
Het torenlied een laatste glimlach wijdt
En lichtende verglijdt in 't tijdloos Eden.


Utrecht 1916

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 14:18 Reageer op dit bericht

sneeuw

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Over de stille, stille sneeuw.

Over de stille,
Stille sneeuw,
Diep uit de verte,
Onder de lage
Malv'-witte luchten
Nadert het tinklen
Tinklen, tinklen,
't Gulzilvrig rinklen
Aanzwellend, klankwellend,
Uitschuddend, zwierend
Een sleep van geluidjes:
Schelklikke klankjes,
Pretdolle zangkjes,
Rap, druk, uitvierend
In vreugdvlugge schatering
Bellekens-klatering,
Speldronken gierend
't Open gekamert der stille oren in,
't Hoofd soezensvol van het blij-hel geting;
't Ledig der stil-zware lucht, 't zwijgend veld
Vleugligsnel vol van klankvlindertjes, spatjes,
Vonkjes van dartelheid, veel duizend tikjes
Van lachjes, snikjes
Van dolheid, helzilvrig ontweld
Aan het voortsproeiend, wegspoeiend
Rinklen, rinklen,
Tinklen, tinklen,
Lustigjes, luchtigjes,
IJler en fijner
Over 't stille... stillere...
Sneeuwlome... veld...

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:57 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Hoogste leven is de liefde leven

Hoogste leven is de liefde leven,
Liefde is het willig zich begeven,
Naar gemeenschap, om te zijn een deel
Van het eeuwig zingend algeheel.

Liefde is u weten aangedreven,
En u voelen door het ruim geheven
Als een vogel, hij duikt op en neer,
Aan de luchten hangt hij in zijn veer.

Liefde is het onophoudlijk reiken
Naar het onbereikbare en wijken,
Met dit wijkende, tot gij zijt,
In de sferen der oneindigheid.

Liefde is de onrust van het rusten,
Het bewuste van het onbewuste,
In de liefde die zich zelf herkent,
Ruisen aarde, zee en firmament.

Bloemlezing uit de gedichten van A. van Collem (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:00 Reageer op dit bericht

gezang

Een gedicht van Wilhelm G. Forquenbroch 1640-1670

Gezang

Indien gij u zegt te branden
Door een lonkend aangezicht,
Of door twee ivoren handen,
Vriend! zo is u 't hoofd te licht:
Want de min heeft geen vermogen,
Noch in handen, noch in ogen.

Liefde krijgt alleen haar luister,
Uit het schoon en glinstrend goud;
Zonder dat zo is zij duister,
En geheel verflauwd, en koud.
Had Cupied geen gouden schichten,
Waar zou hij zijn vuur mee stichten?

Boog en koker kan niet maken,
Zo zijn pijl niet is verguld.
't Goud dat kan het hart maar raken,
Maar de pijl heeft nimmer schuld.
Trof een pijl van lood uw zinnen,
Gij zou haten, en niet minnen.

'k Weet nochtans wel wat voor banden,
Dat aan mij de schoonheid geeft,
Gouden lokken, paarlen tanden,
Indien die een juffer heeft,
Met een koffer vol dukaten,
'k Zal die minnen en niet haten.

'k Wil geen schat noch vreugde zoeken,
Van Parnas, maar van Peru;
Al de rest wil ik vervloeken,
Want wat 's deugd en schoonheid nu?
Zo een juffer rijk is, deze
Zal ook schoon, en deugdzaam wezen.

Thalia, of geurige Zang-Goddin, Tweede deel (1668)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:07 Reageer op dit bericht

dagje uit

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Een dagje uit

Zo, eindlijk ben je kant en klaar,
Al had je 't niet gedacht.
Ga nu maar gauw naar Grootmoe heen,
Die zeker je al verwacht.

Dag, meisjes! Goed nu opgepast,
En maak maar heel veel pret.
Zeg, Anna, denk als oudste er om,
dat je op Marietje let.

En jij, mijn drukke Janneman,
Mijn kleine Spring-in-'t-veld,
Grootmoeder is al oud, dus vrind!
Maak niet te veel geweld.

En trek de poes niet bij de staart,
Laat ook Fidel met rust,
En denk er om, dat je, als je gaat,
Grootmoe bedankt en kust.

Nu, kindren ga, maar wacht, Marie,
Kom nog eens even hier:
Die strik zit helemaal al scheef.
Zie zo - nu veel plezier.

Loop gauw nu heen, me dunkt, ik ruik
De lekkere wafels al.
Wat dat weer voor een smulpartij
Bij Grootmoe wezen zal!

Nieuwe kijkjes in 't rond (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

terug-blik

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel 1823-1906

TERUG-BLIK

'k Ben er wedergekeerd,
Waar mij 't eerst werd geleerd:
Min de Heer en de naaste als u-zelve;
Waar ik 't eerst, mij bewust,
Door mijn moeder gekust,
Het azuur van de hemel zag welven.

Ik herkende geen kluis,
'k Vond een vreemde in mijn huis,
En 't omsloot eens zo veel wat ik minde,
'k Vond geen schaâuw in de tuin,
Want geknakt was de kruin
Van de aloude, van Grootvaders linde.

'k Vond geen vriend in de stoet,
Die ter kerke zich spoedt.
En voorheen kende ik voornaam en have.
Maar de grijze zonk neer,
En de knaap van weleer,
Buigt het hoofd nu als grijze ten grave.

'k Heb de rustplaats gezocht
Voor mijn oudren gewrocht,
Op de vruchtbare akker der doden;
Maar de plek was mij vreemd,
Want de terp werd een beemd,
Overdekt door een dekbed van zoden.

'k Hief weemoedig het oog,
Maar daar tintelde omhoog,
In haar glans door de Tijd niet te doven,
De immer vriendlijke ster
Die me als kind reeds, van ver,
Zo vaak sprak van de woning daarboven.

Verspreide gedichten (1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:49 Reageer op dit bericht

februari

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Februari

De dagen worden langer al,
Al is 't ook een klein beetje;
Maar, lieve vrindjes, weet-je,
Een beetje is meer als niemendal:
Elk beetje brengt ons voet voor voet
Weer 't lieve voorjaar te gemoet.

Komt, laat ons eens naar buiten gaan,
Naar 't bos en naar het veld;
Daar zien wij nergens bloemen staan,
Maar 't is er naar gesteld.
Die arme kinders in het bos
Slaan op de dorre takken los
En rapen van het droge hout,
Want ach, 't is bitter guur en koud,
En als men thuis geen vuurtje had,
Waarbij men zich kon warmen wat,
Hoe akelig was dat!

Daarbij zit dood op zijn gemak,
Gestoken in zijn zwarte pak,
De raaf hoog boven op een tak
En roept: Kras, kras,
'k Wou, dat het zomer was!

De tuinlui werken op hun land
Met zware schoppen in de hand,
Terwijl een boertje vergenoegd
Met zijne paardjes 't veld beploegt,
En men soms eens een jager ziet,
Die eenden schiet in 't hoge riet.

En in de stad, hoe is het daar? -
't Jong volkje is er soms eens blij
En houdt dan vrolijk met mekaar
Een kleine danspartij,
Springt lustig in de rij
Of heeft op andere manier
Pret en plezier.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:24 1 reactie Reageer op dit bericht

zeer

Een gedicht van Roemer Visscher 1547-1620

Zeer

God heeft geschapen alle mensen gelijk,
Maar d’een zeer arm, en d’ander zeer rijk,
D’een zeer scherpzinnig, en d’ander zeer bot,
D’een zeer klein, en d’ander zeer groot,
D’een zeer stout, en d’ander zeer blood,
D’een zeer wijs, en d’ander zeer zot;
Van al dit heb ik een onbeklagelijk lot;
Dan, omdat ik zonder zeer niet zou wezen alleen,
Zo gaf mij de goede God een zeer been.

Brabbeling (1614)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:16 Reageer op dit bericht

Een gedicht van P.J. Heije 1809-1876

ONDER DE SNEEUW

De witte vlokken stuiven,
Die 't veld met dons bekleen;
Geen grasje of geen spruitje
Dringt weer door 't dekkleed heen:
Maar 't groeit, hoe diep bedolven,
Toch fris en krachtig voort,
Tot het, o Lente! uw stemme
Weer suizend fluistren hoort.


Laat de Ouderdom de lokken
Met rijm en sneeuw belaan,
De Liefde blijft er groeien
In vrome Jeugd ontstaan:
In stramme borst besloten,
Nauw merkbaar voor het oog,
Toeft zij op schoner Lente
En Bloeitijd — hier omhoog!

Door velden en dreven

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

eerde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

De eerde doomt

De eerde doomt, de biezen leken
van de vroege morgenbrand,
die, in 't Oosten opgesteken,
bijt in 't baardig weideland.
Grauw is 't over nacht gevrozen ;
over dag, van 's morgens vroeg,
viert en vonkt het zonneblozen
fel, maar nog niet fel genoeg,
om het koele graf te ontsluiten,
waarin 't zaad geborgen ligt,
wachtende, om opnieuw te spruiten,
Lente, naar uw zonnelicht.


-------------------------------------
doom: damp, mist, nevel

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

vredig

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Hoe vredig is het sterve in de natuur

Hoe vredig is het sterve in de natuur.
Het blad valt af, roest op de stille aarde,
vergaat en krijgt in 't vergaan nieuwe waarde:
elk wezen weet zijn tijd en beidt zijn uur.

En altoos is, tussen de tijd van sterven
en het opkomen van een nieuw geslacht,
een verbeiding, iets als een stille wacht
op de anders zo drukke en volle werven.

Dit geeft een rustige bezonkenheid
aan 't leven der natuur in deze streken:
stilte omhangt wat is bezweke' en
een nieuw geslacht wordt stil verbeid.

Maar in de mensenwereld krielen
dooreen, dat wat opkomt en dat wat vergaat.
Vreeslijk is dit: stank van ontbinding staat
zwaar rondom jonge, argeloze zielen.

In een kerkhof van uitgeleefde vormen,
tussen de zerken van misdaad en schuld,
in 't hels geraas, dat alle poriën vult,
moet jeugd opbouwen hare nieuwe normen.

Tusschen tijd en eeuwigheid (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:09 Reageer op dit bericht

de bedelaar

Een gedicht Omer Karel de Laey 1876-1909

De bedelaar

Vóór de kerke, met 'n lange
paternoster in z'n hand,
is 'n blinde bedelaar ge-
zeten, op 'n hoopje zand.

Z'n gekrulde grijze lokken
vlotten lijk gezwingeld vlas,
uit z'n mutse neder, op de
krage van z'n winterjas.

Langs hem, ligt 'n waterhond te
Slapen, die van tijd tot tijd
wakker schiet en met z'n witte
tanden, naar de vlooien bijt.

De ogen van de blinde, in hunne
diepe holten, hangen stil
en verdoofd gelijk de glazen
van 'n natbedoomde bril.

Halve dagen blijft hij daar gezeten
lijk 'n wassen beeld
en hij luistert naar de wind, die
met z'n grijze lokken speelt.

En de Winter, die de koude
grimmig uit het Oosten zendt,
rimpelt 't grauwe vel van z'n verdroogde
kop, lijk perkament.

Van te lande (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:19 Reageer op dit bericht

dooi

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

DOOI

Zoals bij 't sneeuwen
die vlokken vervaard
weiger en trage
vallen op aard,
zo moeten alle
gedachten van ons
van uit hun hemel
van dromen en dons
dalen op aarde
waar alles dooit
wat sneeuwwit en droomrig
de dingen vermooit.

Droef is de dooi
maar als uitgeblomd
gesmolten bloeisel
gefilterd komt
na duistere reizen
door wijze grond
kristal is voor de ogen,
wijn voor de mond,
muziek voor de luisteraar,
drank voor de plant,
dan leer ik de lesse,
van dooi in 't verstand.

Dooi die de vlokken
tot wateren wijdt,
dooi, die ons wanen
tot werken gedijt,
spaar niet de dwepers
die midden 't geweld
vrezen dat God
hun gedroomsel smelt.
Geef ons klaar water
dat vloeiend verreint,
door smarten gefilterd
naar de harten fonteint.

Schaduw (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:37 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten