Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

lelijk

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1290

Lelijk? mooi?

‘Lelijk!’ zegt gij. - Neen voorwaar!
Veel moge aan dit schoon ontbreken:
De adel van een ziel is daar,
Die van 't schoonste weet te spreken,
En de liefde van een hart,
Dat nooit moe van weldoen werd.

‘Mooi!’ verklaart gij. - Waarlijk niet!
Niets moge aan die schoonheid falen:
Die de koude glimlach ziet
Om gesloten lippen dwalen,
Die de trots voelt van die blik,
Blijft bewondren, maar - met schrik.

Gedichten, deel IV (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:54 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

woorden

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Aan u dank ik deez' woorden

Aan u dank ik deez' woorden, zachtste wezen,
geurend en frisser dan de dauw, gij zacht
als de atmosfeer. Gij hebt mijn hart
gewekt tot leven, het gepoetst.
In uwe aanraking heb ik geleerd wat poëzie is.

0 dronkenschap, o heilige dronkenschap,
enthousiasme, lere ik toch steeds beter
uitspreken wat uw heilige dienst mij leert.

Verzen (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

liefde-zang

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

LIEFDE-ZANG

Zo gij - de luie laan der zomeren verlaten,
de kudden van uw lust naar laatre stal gemend,
en toé de vrede-deure' en stil het gierend blaten,
en 't zorgen voor het voer der morgenden geláten,
de diepre vreugde van de winter-landen kent;
zo gij geen liefde zoekt in strakke dag-gelaten,
en zelfs geen luistrend oor naar duistre nachten wendt;

zo gij - wier gulz'ge droom zijn weer-glans dacht geboren
ter woel'ge waatren van het hevigst levens-feest,-
thans gaat, gelaten en verlate' in zee, verloren
in 't welvig-wadend spel waar de avond-bare' in gloren,
en uw begoochling aan deze éindloosheid geneest,
en - komt geen adem 't staal der stillende ebbe storen, -
glim-lachend in uw beeld uw eigen broosheid leest;

zo gij  was 't brein nog vol van wonderlijke waken,-
uw oog naar menslijk-deinzende einders hebt gekeerd,
en zaagt met wrange lach de nijd'ge steden blaken:
'wijl uwe lippen de ijdelheid der wanen smaken,
voelt ge in uw hart de wrok om eigen waan vermeerd;
zo gij, de schaamte van uw spijt op gloe'nde kaken,
zelf uit uw hart de wentelende hopen weert;

zo gij - o vrouw, wier vragen van geen ijver beven,
en die geen grootre vreugd dan onbewustheid vraagt, -
in u 't geheim van peilloos-schoon geneucht voelt streven,
maar zult met blijde bitterheid geen leven geven
aan de verborgen vrucht die ge in uw zijden draagt;
en met de striem des trots uw drift hebt uitgedreven,
gelijk een zweep de bronst uit tuchtig' hengsten jaagt

en zo ge, zelfs die trots op eigen grond verwonnen,
niet langer in het huis van eigen-min verwijlt,
maar - eindlijk 't wijze werk der eeuwigheid begonnen, -
uw dag snijdt tot een beeld der mense', en zeer bezonnen,
hem over 't vlakke water van de Tijden keilt:
- kom dan tot mijn gelaat dat zag in véle zonnen,
en thans met schampre rust de diepste nachten peilt...

- Mijn kunde is 't koel paleis na zwoele zomer-lanen;
en, - ben ik goed misschien of ben ik boos wellicht, -
mijn zekerheid is als de vreê die na de orkanen
gelijk een pelle, recht en onbewogen ligt.
En ziet - verzaad, niet-waar? - uw oog geen haat er tanen,
noch liefde, noch de koorts der hunkrende onvoldanen:
zie in mijn rustig oog de smaad om ieder licht.

Mijn lach baant u 't genot der hechtste duisterheden;
en, draagt ge in u 't visioen der schoonste schemering,
gij zult naast mij de eindlijk-rijpe tuin betreden
waar elke beurse waan aan eike heester hing.
Dáar zult ge rijzen in de naaktheid uwer leden,
en breken mogen 't kolder van uw star verleden,
en zwaaien naar uw éigen wil uw levens-kling...

Kom in mijn huis, en zie de spiegelloze zalen;
geen hoog-moed die zijn leed aan eigen beeld verblijdt; -
en zo de waapnen van mijn vroegre drift er pralen,
zij flitsen nog alleen in duister eigen-krijt.
Eet naast me 't sterkend alsem-kruid der dage-malen:
ons beider eenzaamheid gaat doelloos neder-dalen
de koele treden van mijn rijk: vergetelheid.

De kelders van mijn lust dragen geen lege vaten,
en - hoe mijn zatheid ook géen ijdle drank gebruik',
welk goden-wijn moog' stromen langs de levens-straten:
hier wacht op volheid géen weerklinkend-holle buik.
Zo moogt ge, o vrouw, wijl géne liefde mij zal baten,
gerust mijn zwarte wijn uw jonge druiven laten,
en gieten aan mijn last uw laatste levens-kruik.

Kom: de asse van de haard laat gene kool nog branden;
en zo de huivring van 't herdenken door u gaat,
wees stil: mijn woordeloze spot heeft zachte handen,
die 't oude wanen-kleed om uwe schouders slaat.
- Onze onverschilligheid zal dwalen langs de landen,
tot waar het zout van ongenaakbaar-schone stranden,
bijtend, voor ons moede oog de Liefde scheemren laat.

De Boom-Gaard der Vogelen en der Vruchten (1903-1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

de stilte

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

De stilte trekt, op donzen voeten

De stilte trekt, op donzen voeten,
een stomme schildwacht, gans alleen,
door lege straten... Treurig groeten
de sterren door de nevels been.

Lang was de dag en zwaar van zorgen...
Mijn hart is lam; mijn hersens moe...,
en dubbele zorgen brengt de morgen
misschien...; mijn ogen vallen toe...

En toch, - toch vindt mijn ziel geen ruste! -
Gelijk de zeemeeuw, afgedwaald
bij 't wilde noodweer van de kuste,
waar zij, om te azen, nederdaalt,

op klamme, half doorweekte schachte,
dwars tegen wind en waterslag
in, door- en voortvliegt heel de nachte
en voort- en doorvliegt heel de dag;-

zo wou, wat haar te pletter drukke,
aan laag en grof haar kluistren moog,
mijn ziel het al aan flarden rukken
en vliegen, waar zij nimmer vloog;

zo wou mijn ziel, de wreed geslagene,
ópwiekend hoog uit slijk en slam,
áfwerpen 't al te lang gedragene
slavinnenpak, en - als een viam

óptongend boven mist en wolken,
uitspannen, groots, in 't groots azuur,
tot ogenlust van alle volken
mijn hemeldroom in zevenkleurig vuur. -

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

gelatenheid

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

Gelatenheid

Gelatenheid in 't lot
toont eerbied voor een God
die alles wat Hij geeft
zo wijs berekend heeft.

Ziet zich de onnoozle mens
gedwarsboomd in zijn wens,
zijn wrevel stort zich luid
in zucht en weeklacht uit.
Grimt hem de rampspoed aan,
hij krimpt reeds voor het slaan,
en kermt de echo moe
bij de eerste slag der roe,
alsof hem 't lot te wreed,
te ondraaglijk lijden deed.
Slaat hem het ongeluk
de stugge nek in 't juk,
zijn knieën knakken neer;
geen adem rest hem meer.
Gesmaald door maag en vrind,
schreit hij zich de ogen blind,
en bidt het dove graf
een haastige uitkomst af.

Kortzichtig schepsel! zwijg,
en voer geen dwaze krijg
met de onnaspeurbre Macht,
die kruis bedeelt naar kracht,
die kommer en ellend'
uit hoge ontferming zendt,
opdat de kroes der smart
tot loutring strekk' van 't hart.

De straal vervare u niet
die de onweerwolk ontschiet,
en beef niet voor 't gerucht
dat klatert door de lucht;
maar zie hoe 't hemelnat
weer bloesem, kelk en blad
verfrist, verkwikt en drenkt
en kracht en leven schenkt.
Zie hoe de lucht reeds dunt
en weer de doortocht gunt
aan 't licht, dat goudstof strooit
en om de wolkrand plooit
en nu de donder zwijgt
opnieuw ten wagen stijgt.

Hou tegen alle leed
het hart ten kamp gereed!
Al wat ooit de aarde gaf,
verslenste en viel weer af.
De bloem die 't meest verrukt,
wordt dikwijls 't eerst geplukt;
de plant, die 't weligst groeit,
is meest het eerst verbloeid;
de boom die 't vruchtbaarst tiert,
wordt door het ongediert'
de vruchten 't eerst ontroofd
die 't bloesemblad belooft.
Ook zo is 't met uw lot;
ook zo met elk genot
gij smaakt het, en het vliedt:
gij zijt geen dag, geen uur
gewaarborgd voor zijn duur;
daar meest het eerst verdwijnt
wat u 't bekoorlijkst schijnt.
Hou tegen alle leed
dan 't hart ten kamp gereed!

En treft u 't ongeval,
sta als de steenrots pal,
die tot in 't hart der aard'
met de ijzren wortel vaart,
en 't hoofd biedt aan de orkaan,
hoe fors zijn vlerk moog slaan.
Beur ongeschokt het oog
vanuit de ramp omhoog,
en verg in 't smartlijk lot
nooit rekenschap van God.
Let minder op 't gemis
dan 'tgeen u over is;
wees dankbaar! want hoeveel
blijft nog op aarde uw deel!
Hoeveel voor u ten baat,
dat anderen ontstaat!
Hoeveel nog lacht u aan,
voor andren lang vergaan!
En is uw droef gekwel
niet vatbaar voor herstel?
Almachtig is de hand
die 't wentlend lot omspant,
en zoet en zuur bedeelt,
en wat zij wondt weer heelt!

Vertwijfel in 't verdriet,
kortzichtig schepsel, niet!
Gelatenheid in 't lot
toont eerbied voor een God
die alles wat Hij geeft
zo wijs berekend heeft.

schrijver

Geschreven door Dora om 20:08 Reageer op dit bericht

half april

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HALF APRIL

Gij blauwgekaakte wolken daar,
     halfwit, omtrent uw boorden,
die gruwzaam in de hemel moêrt,
     en grimt in ‘t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
     de baas nog hier? ‘t Is half april!

‘t Is onbermhertig koud; en ‘t kan,
     de zonne ondanks, gebeuren,
dat, ‘s morgens, al dat gers is, wit
     geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
     des winters? Wij zijn wintermoe!

‘t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
     die bijt en straalt; ‘t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
     of weer in ‘t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ‘t nijpen van
     de hardgevuiste winterman!

Staat op, gij oosters zonnelicht,
     en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
     het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
     des konings kind! Te late al is ‘t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
     dat ‘t wederklinkt alomme,
de gorgel los, de vogel en
     de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
     en kondigen de Koning aan.

12/4/1897

schrijver

Geschreven door Dora om 11:41 Reageer op dit bericht

antwoord

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Antwoord

Ach kind: waarheid en leugen
Zijn altijd wat verward,
Want geen van beide deugen
Ze alleen voor 'n mensenhart.

Weef tusse' uw hart en 't leven
Het kleed van schone schijn -
De bloemen daar geweven
Zullen de ware zijn.

Als andren ze anders noemen
Hebben zij ook gelijk -
Het zijn nu eenmaal bloemen
En leugens tegelijk.

Wat deert het of het waar is
Zo 't u wat moois verhaalt -
Als 't kleed ten leste klaar is
Wordt 't toch weer uitgehaald.

Niet gans uw ogen sluiten,
Alleen maar meer of min: -
't Is binnen niet, niet buiten,
Maar altijd middenin!

Uit stilte en strijd

schrijver

Geschreven door Dora om 22:42 Reageer op dit bericht

mensheid

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1910

De voortreffelijkheid der mensheid.

De Vleizucht moog een lofzang zingen,
Als Heerszucht mensenbloed vergiet,
Om volken door haar wenk te dwingen;
Zij schat, onsterfelijk mens! zij kent uw grootheid niet.

Geen troon verheft, geen stulp vernedert;
Het goud versmelt, en de eer is schijn;
Maar 't hart, door eedler smaak vertederd,
Zingt vrolijk; ‘'t Is voor mij genoeg, een mens te zijn.’

Voortreflijkst Schepsel! Heer der Aarde!
Uws Makers liefde! Uws Makers beeld!
Gevoel, als Gods geslacht, uw waarde,
En toon, dat in uw geest de Geest der Godheid speelt!

Zo pronktet ge eens, gelijk een çeder;
Dan ach! nu ligt ge in 't stof geveld:
Gij storttet van uw hoogte neder,
Daar ge, al wat u omringt, hier tot verwoesting stelt.

En nog wil God de mensheid eren:
Gods Zoon werd mens, en stierf op aard,
Leer mensdom, leer uw zelf waarderen;
Zo veel is uw behoud zelfs aan de Godheid waard.

Al moog deze Aarde een handvol schijnen
Bij 't groot Heelal, een stip bij God;
Al ziet ge u op dit stip verdwijnen;
De mensheid van Gods Zoon plaatst mensen naast bij God.

Hij heeft uw schuld op zich genomen,
En is tot ons met 's Vaders Geest,
Tot God met ons rantsoen gekomen:
Hij is een mens bij God, en God bij ons geweest.

Hij heeft de mensheid hoogst verheven,
God zag in Hem, schoon 's Mensen Zoon,
De heiligheid der Godheid leven;
En wij, wij zien in Hem de mensheid op Gods troon.

Daar mag Zij 's Wereld lot bestieren,
Ten nutte van de Broederschaar:
Wij zullen ook eens zegevieren;
De kroon is in de hand van onzen Middelaar.

Wat is het groot, een mens te wezen!
Schoon de Englenrang ons hoger schijn;
Wij, in 't verheerlijkt vlees verrezen,
Wij zullen, meer dan zij, gelik aan Jesus zijn.

Hij, die met ons als broedren handelt,
Liet ons zijn Woord en Geest te pand,
Welaan! zijn voetspoor nagewandeld!
Daar Jesu's mensheid is, daar is ons Vaderland.

ô Mens! hoe Godlijk zijn uw schatten!
Het stof is voor 't gewormt bereid;
Niets eindigs kan uw heil omvatten.
Gods rijkdom is uw schat, uw leven de Eeuwigheid.

Gezangen (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

spiegelbeeld

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931
HET SPIEGELBEELD.

Vriend, als gij door de wouden dwaalt,     
Zingend Uzelf in 't groen vergetend,
Zingend Uzelf in 't groen vergetend,
Dat mederuisend rijst en daalt
Die broederblijheid welkom hetend,

En gij Uw ziel verliest, verdeelt
In 't duizendvoud gelede leven
Zo gans, dat zelfs de dood een beeld   
Uit dromen lijkt, met loof omgeven,

Mocht dan de zon, of 't rustloos lied
Uw lippen naar een dronk doen dorsten,
Wijl gij daar knielt vol zorg dat niet
Uw hand het kostlijk bronnat morste,

Denk, vriend, dat gij Uw hoofd niet richt    
Voorover boven 't klaar weerkaatsen,
Want schrikken zult ge om Uw gezicht
Als van de aanblik eens melaatsen,

En eenzaamheid zal om U zijn
Als waart gij Naar het laatste wezen,
In 't hout zult gij Uw dodenschrijn
En in het mos Uw groeve vrezen.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

zomer

Een gedicht van J.A. van dèr Mouw 1863-1919

Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos

Zomer

3.

Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos,
En hangt smaakvol in evenwijd'ge bogen
Zijn dweilen uit, om onderwijl te drogen,
Rood, geel, groen, blauw van verf en bloed en roos;

Op 't tekenvuil in 't oosten gooit hij boos
De kop'ren kam, nu helemaal verbogen. -
Pet-blauw, knoop-geel, stuiptrekkend vastgezogen
Veel buit aan kam: hij voelt zich virtuoos.

Daar krauw'len uit de schurft luizen en maaien:
Ze zien verbleken de onschaadlijke dweil,
En machtloos-verre tanden groenig laaien:

Lovend hun luizengod in luizenstijl
Gaan dankbaar ze naar bed, en vroom en geil
Kruipen ze zwetend op elkaar en n.....

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

straks

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Straks vieren we Zaterdagavond

Zomer

2.

Straks vieren we Zaterdagavond: Wind
Bezemt en ragebolt met macht van water
De luizen weg, en met rat'lend geklater
Hagelen de eier, droogramm'lend als grind.

Met drie, vier tanden, roestig-groen, begint
De geelkoperen kam haar werk, en slaat er
Op los in roos en schurftgebergte, en staat er
Een luis of teek, knappende dood hij vindt.

De luizen vluchten naar hun stedennesten:
Ze hebben meen'ge Zaterdag doorstaan,
En laten zich door 't nat lawaai niet pesten.

De wind amechtig dweilt langzaampjes aan
Tot wriemelende hoop de tekenresten;
De luizen laat hij: dàt is niets gedaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:43 Reageer op dit bericht

aardoppervlak

Een gedicht van J.A. van dèr Mouw 1863-1919

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid

Zomer

1.

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid:
Zweetstralen, sijp'len stinkende rivieren,
Waarlangs vuil-groenig roos en schimmel tieren;
Gebergten schurft steken er boven uit;

Mens-luizen, in hun nesten meest op buit
Rondkrauw'lend, zie 'k land'lijke blijdschap vieren,
Verpletterd soms, als 't trekken van wat spieren
De rotsen storten doet, schurftkluit na kluit.

De hemel lijkt een broeierige pet,
Aan gele knoop, die doorschijnt, in vervoering
Om 't mooie weer jolig scheef opgezet;

En smullend van de zweetdamp, loom en vet
En week en wit hangen in stille ontroering
De wolkenteken aan de blauwe voering.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

kriokusjes

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

De krokusjes

In sliertjes en slipjes,
Gestreept-groene tipjes,
Gesproten uit velletjes bruin,
Uit stronkjes en blaêrtjes
En rafele haartjes,
De krokusjes bloeien schuin.

Al de een over de ander
Verrijken ze elkander
En pronken, pralen van zon;
O, dat is wel zeker,
Dat nooit gouden beker
In goudgloed het van hen won.

Uit donker gewemeld,
In straling verhemeld,
Hun eigen schaduw tot gloor;
Verdrievoud, ontstoken,
Gemond en vol sproke,
Ze blinken hun bloeidag door.

Hoe stijf ze er prangen
En dringen ze en drangen
Al winterse winter voort.
O, dat is wel zeker,
Dat nooit gouden beker
Als zij bij het ogenblik hoort.

En als, hocus-pocus,
Van krokus tot krokus,
Zo'n goud-schijnend bijtje komt,
En luchtigjes, blijdjes,
Met goud aan zijn dijtjes,
Er eventjes zingerig bromt;

Uit hel daalt, omsomberd,
Oranjig, geömberd;
Van dagbreek naar zonsondergang,
Beglimpt door zijn vlerkjes
En deugdzame werkjes,
Om 't goudstaafje gaat zijn gang;

Daar wrocht in zijn kelder,
Door donker, door helder,
Er kneedt en krabbelt mij voor,
Om àl wat zal zoemen
Op duizenden bloemen
De komende zomer door;

Is 't al mij genoeg,
En 'k lach om gezwoeg,
Is alles onnozel me nou;
Wanneer er daar bloeien
En glanzen en gloeien
De krokusjes van mijn vrouw.



Maart 1921.

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

ode

Een gedicht van Pieter Nieuwland 1764-1794

Orion.

Ode.


Wie heft, met statelijke pracht,
Bij de achtbre stilte van de nacht,
Uit d'oceaan het hoofd naar boven?
Wie blijft in 't aanzien van Diaan',
Die vruchtloos poogt die gloed te doven,
Met onverzwakte luister staan?

Zijt gij 't, Orion! voor wiens licht
Der kleiner zonnen flikkring zwicht,
Als 't licht der maan voor Febus glansen?
Rijs, grote Orion! rijs omhoog!
Zijt welkom, held! aan onze transen!
Verruk, verruk ons starend oog!

Wat sterrenglans, die eerbied baart,
Praalt op uw' gordel, knots en zwaard,
Bezaaid met tintelende vieren!
'k Zie Betelgeuzes rode gloed
Uw schouder, naast Bellatrix, sieren,
En Rigel flonkren op uw' voet.

Ik zie, daar u de stier ontvlucht,
Voor de opgeheven vuist beducht,
De Noordse beer van verre grimmen.
De bloedige Aldebaran zelf
Ontwijkt uw knots, bij 't statig klimmen,
En ruimt u plaats aan 't stargewelf.

Zo drijft ge, in 't schoon Elysisch woud
Daar zich der helden schare onthoudt,
Voor u de woeste dieren henen!
Zo hebt ge, in 's werelds morgenstond,
Met al uw luister vroeg verschenen,
Auroras teder hart gewond.

Dit zag de wreevle Jachtgodin;
Haar wrok ontvlamde om deze min,
Zij deed u door haar schichten sneven.
Jupijn verijdelde die nijd,
Door hem aan hoger trans verheven,
Blinkt gij daar eeuwig, haar ten spijt.

Rondom u schittren zon bij zon,
Daar Sirius en Procyon
Met diep ontzag uw schreên verzellen.
Wie noemt in klanken, zwak van toon,
Die heiren, door geen oog te tellen?
Wie schetst hun godlijk, eeuwig schoon?

ô Gij, geleidster van mijn held,
Die, als gij onze zon verzelt,
Uw  naam verleent aan onze dagen!
ô Heldre hondster! zou uw licht
De voorboô zijn van felle plagen?
Ons siddren doen op u gezicht?

Neen! 't bijgeloof verzon dien waan.
Mij lacht uw glans beminlijk aan,
Vorstin der hoge sterrenkoren!
'k Voel, daar mijn eerbied op u staart,
Gedachten in mijn ziel geboren,
Wier vlucht mij opvoert boven de aard.

Is elk dier lichten, die gij ziet,
Zelfs 't kleinste, dat uw oog ontvliedt,
ô Stervling! slechts voor u in wezen?
Is, bij 't gezicht van 't stergewelf,
Geen denkbeeld ooit in u gerezen
Dan 't nietig denkbeeld van u zelv'?

Vermeetle! draait voor u alleen
De ganse schepping om u heen?
Is ze u alleen ten dienst gegeven?
U, die, uit nietig stof geteeld,
Het broos genot van 't vluchtig leven
Met vlieg en mier en made deelt!

Zijt gij op de aarde zo gering;
Die aarde, trotse sterveling!
Is een dier duizendduizend bollen
Die om dezelfde grote zon
In afgeperkte banen rollen,
Licht scheppen uit dezelfde bron.

Elk, elk gevoelt haar heerschappij.
Die streeft bestendig haar op zij,
Daar deze uit afgelegen streken
Haar eens in vijftig eeuwen groet,
Of ligt, haar wijd gebied ontweken,
Slechts eens bestraald wordt door haar' gloed.

Elk lichtje, dat gij tintlen ziet,
Zelfs 't kleinste, dat uw oog ontvliedt,
Is zulk een bron van licht, omgeven
Van werelden, die, zonder tal,
Als stofjes door elkander zweven,
En veilig zijn voor schok en val!

Verbeelding! is u niets te hoog,
Zo leer mij gindse heldre boog,
De goddelijke Melkweg, kennen.
Voer, langs dat breed en glansrijk spoor,
Mijn trage geest, op vlugge pennen,
De wijde kreits der schepping door.

Die baan, wier zacht en lieflijk licht
Slechts wolkjes vormt voor 't scherpst gezicht,
Is een gestel van sterrenheemlen,
Wier eindloos flauwe tinteling
Van verre schijnt dooreen te weemlen,
Zich samensmelt tot éne kring.

Hebt gij de grenspaal nu ontdekt?
Weet gij, hoe ver de schepping strekt,
ô Stervling! eindig van vermogen?
Zo sla nog eens, uit dat verschiet,
Op held Orions beeld uwe ogen,
En zink, verzink dan in uw niet!

Orion! uw volmaakte glans
Voert mij omhoog van trans in trans,
Ontrukt mij' geest aan 't aardse duister!
Mijn oog beschouwt u uren lang,
En telkens vindt het nieuwe luister,
En nieuwe wondren voor mijn zang!

Is 't waar? of faalt mijn zwak gezicht,
Dat ginds een kring van bleker licht
Meent in uw prachtig zwaard te ontdekken?
Een dunne vlek, wier flauwe schijn
Zich telkens poogt aan 't oog te onttrekken?
Wat mag dat glinstrend wolkje zijn?

Dat glinstrend wolkje, sterveling!
Is ook een melkweg, in wiens kring
Ontelbre sterrenstelsels weemlen,
De uwe ligt in glans gelijk!...
Verbeelding! daal! verlaat die heemlen,
Eer mijn geschapen geest bezwijk'.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

lentemergen

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Lentemergen.

God! wâ'n hemels mergenuur!
Uut 'en wolk van goud en vuur
En ik weet nie hoeveul kleuren
Zie 'k de zon heur schiefke beuren.
En umhoog deur 's hemels blauw,
En umleeg ien 't drupke dauw,
Lienks en rechts en wied en zied -
't Is al straolen wâ ge ziet!

Hè! hoe lekker, hoe gezond
Weit het wiendjen ien mien mond!
'k Vuul 'et deur mien borstje dringen,
't Duut mien hart van vreugde springen. -
Plaoggeest, stil, wâ duuje daor,
Zóó te stoeien met mien haor?
Wiendje, blaos maor naor 't oe lust,
'k Bin van mergen goed gemutst.

Kiek, dâ kleine grut, och Heer!
't Vliegt en fladdert op en neer,
't Schommelt op de gruune rieskes,
't Tjielpt en fluut op alle wieskes.
Och, wâ mag ik graog oe zien!
Toe maor, wês nie bang veur mien:
'k Gaf oe kruumkes van beschuut,
Haolde nooit oew nestjes uut.

't Is van 't jaor 'en vroeg gewas:
Al de weien staon vol gras;
Kiek die bluumkes met hun kupkes
Aorig loeren uut de knupkes!
En die boom as sneuw zoo wit -
Teiken dat er vrucht aon zit.
Alles fleurig, alles schoon...
'k Dank God dat ik buuten woon!

Lieve moeder, 'k bin zoo blij,
Maor oe mis ik nog hierbij.
‘Mietje, ik vuul 't mien iengegeven:
‘'k Zal de Meimaond nie beleven!’
Zeide mien nog op 'et lest.
Ach, dâ woord is waor gewêst...
Maor bij Onzen Lieven Heer

Kriekiende Kriekske (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

Columbus

Een gedicht van Barthold Hendrik Lulofs 1787-1849

Columbus, bij het eerste gezicht van Amerika.

Zijt, zijt gegroet, ô zaalge velden,
Door 't jeugdig morgenlicht bestraald!
Gij bossen, bergen, beken, beemden,
Waar langs mijn blik, als dronken, dwaalt!
ô Groot, ô nameloos verrukken,
Dat in mijne aadren bruist en gloeit!
O, 't zal mij eindlijk dan gelukken,
'k Zal eindlijk dan de bodem drukken,
Die heel mijn ziel en zinnen boeit!

Heb dank, heb dank, ô eeuwig Wezen,
Wiens oog het gans Heelal doorziet!
Dan ach! mijn tong moog klanken staamlen,
Naar waarde danken kan ze U niet.
Gij, die in mijne borst dat smachten
Naar 't verre strand ontvlammen deed,
Gij gaf mij moed, geduld en krachten,
Der dwaze schimptaal te verachten,
Hoezeer hun spot mij 't hart doorsneed.

Naar 't Westen, Westen heengestevend!
(Dus klonk uw stem in mijn gevoel)
Naar 't Westen, Westen volgehouden;
Daar ligt het groots, het heerlijk doel!
Houd moed, hoe lang ook niets dan baren
En lucht u blauwen voor 't gezicht,
Wat waterplas ge ook mocht bevaren,
En ge echter steeds met vruchtloos staren
De blik naar 't Westen houdt gericht.

Ik hield die moed, - U, U zij de ere! -
Hoe vaak op nieuw het zonlicht scheen,
Sinds 't machtig Spanje aan Palos stranden
In 't wijkend vergezicht verdween;
Hoe afgemat mijn blik ook dwaalde
Aan 't eind der wester hemeltrans;
Maar ach! 't zij Hesper vriendlijk straalde,
't Zij 't morgenrood in 't Oosten praalde,
Slechts golven blonken in hun glans.

Doch toen het dondrend oproerkraaien
Der scheepsliên mij in de oren klonk,
Als hun, bij 't vruchtloos voorwaarts streven,
Geen enkle straal van hoop meer blonk;
Toen rampen zich op rampen tastten,
Toen 't schimpend rot zich in mijn schand',
In mijn verguizing zou vergasten,
Toen, toen klonk uit de top der masten
De vreugdekreet: ‘het land! het land!’

ô Gij, uw groenend hoofd verheffend
Uit zilvren baren, heerlijk land!
Ras zullen Genuas banieren
In 't koeltje wappren van uw strand!
Maar neen! - in mijner Vadren streken
Werd ik met hoon en spot belaan;
Toen 'k daar van wisse hoop dorst spreken,
Daar hulp en bijstand af wou smeken,
Zag elk mij als een' dromer aan.

En ginds, waar Lisbons Koningswallen
Zich spieglen in de trotse vloed,
Die door het goud van zijne zanden
Zijn spattend zilver bruisen doet;
Daar..... 'k mocht er 's Vorsten zetel nadren,
Men hoorde mij doorslepen uit,
Doch zond - ô schelmstuk van verradren!
Nog kookt mij 't ziedend bloed in de aadren -
Een' lafaard naar de verre buit.

Moog Spanje dan de vruchten oogsten,
Door 't wester aardrijk voortgebracht,
Door Genuas en Lisbons heersers,
Als hersenschimmen, dwaas belacht!
Moog dan Castielje lauwren plukken!
Komt, broeders, riemen in het zout!
O! 'k smacht naar 't bovenaards verrukken,
Die grond, die heilge grond te drukken,
Die thans Euroop door mij aanschouwt.

Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1813

schrijver

Geschreven door Dora om 22:21 Reageer op dit bericht

verstoord geluk

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Verstoord geluk.

In mijn tuin een sijsje zat,
Dat zo'n aardig nestje had.
't Vleugelde in zijn groengeel pakje
Vrolijk in de bomen rond,
Van het takje op de grond,
Van de grond weer op het takje.
In het nestje zat zijn schat,
Die drie jonge sijsjes had.

Lustig ving met zoet gezing
't Kleine fijne kwinkelding
Al in d'ochtend aan te kwelen
Heel zijn zonnig hartje leeg,
Twinkelde of het perels reeg
Met zijn nebje uit zijn kele;
Keek maar naar zijn lieve schat,
Die drie jonge sijsjes had.

Nu is alle blijheid uit;
't Sijsje roept met droef geluid,
Treurig tuurt hij naar zijn nestje
Dat nu bengelt in de wind
Zonder wijfje, zonder kind;
Nog wat veertjes is het restje.
Nimmer ziet hij weer zijn schat,
Die hij zo heeft liefgehad.

Triest en eenzaam zit hij daar
Als een kluwentje in elkaar,
Voelt niet, hoe de winden woeden,
Ziet mijn kruimkens brood niet staan,
Staart alleen zijn nestje aan,
Voelt alleen zijn hartje bloeden.
En de jongen die het deed
Weet niets van zijn grote leed.

Kindergedichten (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

de schuchtere

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

De Schuchtere

Zij lonkte naar mij, zo verscholen.
Haar blik scheen te zeggen: ‘Welaan!’
Ik stond daar op brandende kolen,
En kon toch geen stapje vergaan.

't Hart poppelde mij van verlangen!
Och God! wat de liefde toch is!
'k Vond woorden, zo schoon als gezangen,
En toch bleef ik stom als een vis.

Dan naderde ik zo maar gedurig.
Zij spoorde mij aan met een lach;
Mijn hart zong: ‘ik min u zo vurig!’
Mijn mond zei: ‘Marie, goede dag!’

En 'k borst dan op eens los in tranen;
En of zij dat beter verstond,
'k En weet 't niet, maar 'k mag het wel wanen;
Zij kuste mij 't woord uit de mond.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

felice

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Felice (2)

Nu, hoge Vrouwe, weet ik wie gij zijt,
Als de ochtend zie 'k uw blanke schoonheid klaren:
Het Godlijke, dat mensenzielen wijdt,
Komt zich in u volheerlijk openbaren!

Gezegend zij mijn lang gestreden strijd.
Daar 'k liefde en lauwren lachende mag paren,
En mijn Felice u zegenend belijd,
Met wie 'k ter hoogste glorie op zal varen!

Felice, ik juich uw blijden lichtnaam uit,
Waaraan de reinste zaligheid ontspruit,
Als 'k hem in eerbiedvol geloof zal noemen!

Uw liefde is mijn, uw liefde, godlijk groot,
Die hemelvreugde wekt uit ziele nood...
Hoe zoude ik u mijn ‘hoog Geluk’ niet roemen!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

voorjaar

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

VOORJAAR

De hagelbuien raatlen door de hemel.
De bamboestangen klapperen luidruchtig.
De wilde ganzen trekken krijsend verder.
Het water kreeg een korte snelle golfslag.
Het gele leem vertroebelt de rivieren.
't Heldere van de zee trekt zich terug.
Het wilde voorjaar spiegelt in mijn ogen.
Ik voel een schok door 't plekje roerloosheid
Dat mij aan hemels stille midden bindt.
Ik zie u aan, gij slaat uw ogen neder.
't Is voorjaar, en een stem zingt in ons beiden
Dat ik zeer sterk ben, en nu zaaien wil.

Ruischende bamboe (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten