Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ode

Een gedicht van Pieter Nieuwland 1764-1794

Orion.

Ode.


Wie heft, met statelijke pracht,
Bij de achtbre stilte van de nacht,
Uit d'oceaan het hoofd naar boven?
Wie blijft in 't aanzien van Diaan',
Die vruchtloos poogt die gloed te doven,
Met onverzwakte luister staan?

Zijt gij 't, Orion! voor wiens licht
Der kleiner zonnen flikkring zwicht,
Als 't licht der maan voor Febus glansen?
Rijs, grote Orion! rijs omhoog!
Zijt welkom, held! aan onze transen!
Verruk, verruk ons starend oog!

Wat sterrenglans, die eerbied baart,
Praalt op uw' gordel, knots en zwaard,
Bezaaid met tintelende vieren!
'k Zie Betelgeuzes rode gloed
Uw schouder, naast Bellatrix, sieren,
En Rigel flonkren op uw' voet.

Ik zie, daar u de stier ontvlucht,
Voor de opgeheven vuist beducht,
De Noordse beer van verre grimmen.
De bloedige Aldebaran zelf
Ontwijkt uw knots, bij 't statig klimmen,
En ruimt u plaats aan 't stargewelf.

Zo drijft ge, in 't schoon Elysisch woud
Daar zich der helden schare onthoudt,
Voor u de woeste dieren henen!
Zo hebt ge, in 's werelds morgenstond,
Met al uw luister vroeg verschenen,
Auroras teder hart gewond.

Dit zag de wreevle Jachtgodin;
Haar wrok ontvlamde om deze min,
Zij deed u door haar schichten sneven.
Jupijn verijdelde die nijd,
Door hem aan hoger trans verheven,
Blinkt gij daar eeuwig, haar ten spijt.

Rondom u schittren zon bij zon,
Daar Sirius en Procyon
Met diep ontzag uw schreên verzellen.
Wie noemt in klanken, zwak van toon,
Die heiren, door geen oog te tellen?
Wie schetst hun godlijk, eeuwig schoon?

ô Gij, geleidster van mijn held,
Die, als gij onze zon verzelt,
Uw  naam verleent aan onze dagen!
ô Heldre hondster! zou uw licht
De voorboô zijn van felle plagen?
Ons siddren doen op u gezicht?

Neen! 't bijgeloof verzon dien waan.
Mij lacht uw glans beminlijk aan,
Vorstin der hoge sterrenkoren!
'k Voel, daar mijn eerbied op u staart,
Gedachten in mijn ziel geboren,
Wier vlucht mij opvoert boven de aard.

Is elk dier lichten, die gij ziet,
Zelfs 't kleinste, dat uw oog ontvliedt,
ô Stervling! slechts voor u in wezen?
Is, bij 't gezicht van 't stergewelf,
Geen denkbeeld ooit in u gerezen
Dan 't nietig denkbeeld van u zelv'?

Vermeetle! draait voor u alleen
De ganse schepping om u heen?
Is ze u alleen ten dienst gegeven?
U, die, uit nietig stof geteeld,
Het broos genot van 't vluchtig leven
Met vlieg en mier en made deelt!

Zijt gij op de aarde zo gering;
Die aarde, trotse sterveling!
Is een dier duizendduizend bollen
Die om dezelfde grote zon
In afgeperkte banen rollen,
Licht scheppen uit dezelfde bron.

Elk, elk gevoelt haar heerschappij.
Die streeft bestendig haar op zij,
Daar deze uit afgelegen streken
Haar eens in vijftig eeuwen groet,
Of ligt, haar wijd gebied ontweken,
Slechts eens bestraald wordt door haar' gloed.

Elk lichtje, dat gij tintlen ziet,
Zelfs 't kleinste, dat uw oog ontvliedt,
Is zulk een bron van licht, omgeven
Van werelden, die, zonder tal,
Als stofjes door elkander zweven,
En veilig zijn voor schok en val!

Verbeelding! is u niets te hoog,
Zo leer mij gindse heldre boog,
De goddelijke Melkweg, kennen.
Voer, langs dat breed en glansrijk spoor,
Mijn trage geest, op vlugge pennen,
De wijde kreits der schepping door.

Die baan, wier zacht en lieflijk licht
Slechts wolkjes vormt voor 't scherpst gezicht,
Is een gestel van sterrenheemlen,
Wier eindloos flauwe tinteling
Van verre schijnt dooreen te weemlen,
Zich samensmelt tot éne kring.

Hebt gij de grenspaal nu ontdekt?
Weet gij, hoe ver de schepping strekt,
ô Stervling! eindig van vermogen?
Zo sla nog eens, uit dat verschiet,
Op held Orions beeld uwe ogen,
En zink, verzink dan in uw niet!

Orion! uw volmaakte glans
Voert mij omhoog van trans in trans,
Ontrukt mij' geest aan 't aardse duister!
Mijn oog beschouwt u uren lang,
En telkens vindt het nieuwe luister,
En nieuwe wondren voor mijn zang!

Is 't waar? of faalt mijn zwak gezicht,
Dat ginds een kring van bleker licht
Meent in uw prachtig zwaard te ontdekken?
Een dunne vlek, wier flauwe schijn
Zich telkens poogt aan 't oog te onttrekken?
Wat mag dat glinstrend wolkje zijn?

Dat glinstrend wolkje, sterveling!
Is ook een melkweg, in wiens kring
Ontelbre sterrenstelsels weemlen,
De uwe ligt in glans gelijk!...
Verbeelding! daal! verlaat die heemlen,
Eer mijn geschapen geest bezwijk'.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

lentemergen

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Lentemergen.

God! wâ'n hemels mergenuur!
Uut 'en wolk van goud en vuur
En ik weet nie hoeveul kleuren
Zie 'k de zon heur schiefke beuren.
En umhoog deur 's hemels blauw,
En umleeg ien 't drupke dauw,
Lienks en rechts en wied en zied -
't Is al straolen wâ ge ziet!

Hè! hoe lekker, hoe gezond
Weit het wiendjen ien mien mond!
'k Vuul 'et deur mien borstje dringen,
't Duut mien hart van vreugde springen. -
Plaoggeest, stil, wâ duuje daor,
Zóó te stoeien met mien haor?
Wiendje, blaos maor naor 't oe lust,
'k Bin van mergen goed gemutst.

Kiek, dâ kleine grut, och Heer!
't Vliegt en fladdert op en neer,
't Schommelt op de gruune rieskes,
't Tjielpt en fluut op alle wieskes.
Och, wâ mag ik graog oe zien!
Toe maor, wês nie bang veur mien:
'k Gaf oe kruumkes van beschuut,
Haolde nooit oew nestjes uut.

't Is van 't jaor 'en vroeg gewas:
Al de weien staon vol gras;
Kiek die bluumkes met hun kupkes
Aorig loeren uut de knupkes!
En die boom as sneuw zoo wit -
Teiken dat er vrucht aon zit.
Alles fleurig, alles schoon...
'k Dank God dat ik buuten woon!

Lieve moeder, 'k bin zoo blij,
Maor oe mis ik nog hierbij.
‘Mietje, ik vuul 't mien iengegeven:
‘'k Zal de Meimaond nie beleven!’
Zeide mien nog op 'et lest.
Ach, dâ woord is waor gewêst...
Maor bij Onzen Lieven Heer

Kriekiende Kriekske (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

Columbus

Een gedicht van Barthold Hendrik Lulofs 1787-1849

Columbus, bij het eerste gezicht van Amerika.

Zijt, zijt gegroet, ô zaalge velden,
Door 't jeugdig morgenlicht bestraald!
Gij bossen, bergen, beken, beemden,
Waar langs mijn blik, als dronken, dwaalt!
ô Groot, ô nameloos verrukken,
Dat in mijne aadren bruist en gloeit!
O, 't zal mij eindlijk dan gelukken,
'k Zal eindlijk dan de bodem drukken,
Die heel mijn ziel en zinnen boeit!

Heb dank, heb dank, ô eeuwig Wezen,
Wiens oog het gans Heelal doorziet!
Dan ach! mijn tong moog klanken staamlen,
Naar waarde danken kan ze U niet.
Gij, die in mijne borst dat smachten
Naar 't verre strand ontvlammen deed,
Gij gaf mij moed, geduld en krachten,
Der dwaze schimptaal te verachten,
Hoezeer hun spot mij 't hart doorsneed.

Naar 't Westen, Westen heengestevend!
(Dus klonk uw stem in mijn gevoel)
Naar 't Westen, Westen volgehouden;
Daar ligt het groots, het heerlijk doel!
Houd moed, hoe lang ook niets dan baren
En lucht u blauwen voor 't gezicht,
Wat waterplas ge ook mocht bevaren,
En ge echter steeds met vruchtloos staren
De blik naar 't Westen houdt gericht.

Ik hield die moed, - U, U zij de ere! -
Hoe vaak op nieuw het zonlicht scheen,
Sinds 't machtig Spanje aan Palos stranden
In 't wijkend vergezicht verdween;
Hoe afgemat mijn blik ook dwaalde
Aan 't eind der wester hemeltrans;
Maar ach! 't zij Hesper vriendlijk straalde,
't Zij 't morgenrood in 't Oosten praalde,
Slechts golven blonken in hun glans.

Doch toen het dondrend oproerkraaien
Der scheepsliên mij in de oren klonk,
Als hun, bij 't vruchtloos voorwaarts streven,
Geen enkle straal van hoop meer blonk;
Toen rampen zich op rampen tastten,
Toen 't schimpend rot zich in mijn schand',
In mijn verguizing zou vergasten,
Toen, toen klonk uit de top der masten
De vreugdekreet: ‘het land! het land!’

ô Gij, uw groenend hoofd verheffend
Uit zilvren baren, heerlijk land!
Ras zullen Genuas banieren
In 't koeltje wappren van uw strand!
Maar neen! - in mijner Vadren streken
Werd ik met hoon en spot belaan;
Toen 'k daar van wisse hoop dorst spreken,
Daar hulp en bijstand af wou smeken,
Zag elk mij als een' dromer aan.

En ginds, waar Lisbons Koningswallen
Zich spieglen in de trotse vloed,
Die door het goud van zijne zanden
Zijn spattend zilver bruisen doet;
Daar..... 'k mocht er 's Vorsten zetel nadren,
Men hoorde mij doorslepen uit,
Doch zond - ô schelmstuk van verradren!
Nog kookt mij 't ziedend bloed in de aadren -
Een' lafaard naar de verre buit.

Moog Spanje dan de vruchten oogsten,
Door 't wester aardrijk voortgebracht,
Door Genuas en Lisbons heersers,
Als hersenschimmen, dwaas belacht!
Moog dan Castielje lauwren plukken!
Komt, broeders, riemen in het zout!
O! 'k smacht naar 't bovenaards verrukken,
Die grond, die heilge grond te drukken,
Die thans Euroop door mij aanschouwt.

Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1813

schrijver

Geschreven door Dora om 22:21 Reageer op dit bericht

verstoord geluk

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Verstoord geluk.

In mijn tuin een sijsje zat,
Dat zo'n aardig nestje had.
't Vleugelde in zijn groengeel pakje
Vrolijk in de bomen rond,
Van het takje op de grond,
Van de grond weer op het takje.
In het nestje zat zijn schat,
Die drie jonge sijsjes had.

Lustig ving met zoet gezing
't Kleine fijne kwinkelding
Al in d'ochtend aan te kwelen
Heel zijn zonnig hartje leeg,
Twinkelde of het perels reeg
Met zijn nebje uit zijn kele;
Keek maar naar zijn lieve schat,
Die drie jonge sijsjes had.

Nu is alle blijheid uit;
't Sijsje roept met droef geluid,
Treurig tuurt hij naar zijn nestje
Dat nu bengelt in de wind
Zonder wijfje, zonder kind;
Nog wat veertjes is het restje.
Nimmer ziet hij weer zijn schat,
Die hij zo heeft liefgehad.

Triest en eenzaam zit hij daar
Als een kluwentje in elkaar,
Voelt niet, hoe de winden woeden,
Ziet mijn kruimkens brood niet staan,
Staart alleen zijn nestje aan,
Voelt alleen zijn hartje bloeden.
En de jongen die het deed
Weet niets van zijn grote leed.

Kindergedichten (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

de schuchtere

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

De Schuchtere

Zij lonkte naar mij, zo verscholen.
Haar blik scheen te zeggen: ‘Welaan!’
Ik stond daar op brandende kolen,
En kon toch geen stapje vergaan.

't Hart poppelde mij van verlangen!
Och God! wat de liefde toch is!
'k Vond woorden, zo schoon als gezangen,
En toch bleef ik stom als een vis.

Dan naderde ik zo maar gedurig.
Zij spoorde mij aan met een lach;
Mijn hart zong: ‘ik min u zo vurig!’
Mijn mond zei: ‘Marie, goede dag!’

En 'k borst dan op eens los in tranen;
En of zij dat beter verstond,
'k En weet 't niet, maar 'k mag het wel wanen;
Zij kuste mij 't woord uit de mond.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

felice

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Felice (2)

Nu, hoge Vrouwe, weet ik wie gij zijt,
Als de ochtend zie 'k uw blanke schoonheid klaren:
Het Godlijke, dat mensenzielen wijdt,
Komt zich in u volheerlijk openbaren!

Gezegend zij mijn lang gestreden strijd.
Daar 'k liefde en lauwren lachende mag paren,
En mijn Felice u zegenend belijd,
Met wie 'k ter hoogste glorie op zal varen!

Felice, ik juich uw blijden lichtnaam uit,
Waaraan de reinste zaligheid ontspruit,
Als 'k hem in eerbiedvol geloof zal noemen!

Uw liefde is mijn, uw liefde, godlijk groot,
Die hemelvreugde wekt uit ziele nood...
Hoe zoude ik u mijn ‘hoog Geluk’ niet roemen!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

voorjaar

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

VOORJAAR

De hagelbuien raatlen door de hemel.
De bamboestangen klapperen luidruchtig.
De wilde ganzen trekken krijsend verder.
Het water kreeg een korte snelle golfslag.
Het gele leem vertroebelt de rivieren.
't Heldere van de zee trekt zich terug.
Het wilde voorjaar spiegelt in mijn ogen.
Ik voel een schok door 't plekje roerloosheid
Dat mij aan hemels stille midden bindt.
Ik zie u aan, gij slaat uw ogen neder.
't Is voorjaar, en een stem zingt in ons beiden
Dat ik zeer sterk ben, en nu zaaien wil.

Ruischende bamboe (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:49 Reageer op dit bericht

mijnheer

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

MIJNHEER DE HOUDER.

Mijnheer De Houder is een wijze;
hij zegt maar niet op alles 'ja',
Maar gaat, bij elk verzoek of voorstel,
De staat der zaak nauwkeurig na.

Zo geeft hij dus ook nooit zijn hulpe,
Als wijsheid weigering gebiedt;
Verkeerd te geven, doet men kwaad mee;
Dus, dan geeft hij veel liever niet.

Men vraagt hem om een kleine gave,
Ten bate van 't mishandeld dier.
“Wel, neen!" zo luidt zijn ernstig antwoord,
"Voor dieren? Neen ik! Hoor eens hier:
Door mensen wordt zo veel geleden,
Zoveel ellend, zoveel gemis,
Dat - neem dit oordeel mij niet kwalijk! --
Die zorg voor dieren ziek'lijk is."

Steun wordt gezocht en geld gezameld
Voor 't liefdewerk van 't Rode Kruis.
“Neen!" zegt hij, "kom me dit niet vragen,
Want daar ben 'k zeker niet van t'huis ;
Ik zeg: men moet geen oorlog voeren,
Maar neemt gij nu gekwetsten op,
Dan geeft ge een premie aan bet slachtwerk;
Dat is de onzinnigheid ten top." -

Een warm en ijv'rig vriend der Zending
Vraagt hem een gaaf voor 't Heidendom,
“Mijnheer!" is 't antwoord, vastberaden,
“Kom met dit aanzoek nooit weerom;
Er zijn in eigen land en natie
Nog zoveel heid'nen ! - 't geeft geen pas,
Zoveel te doen voor verre volken,
Alsof bet hier niet nodig was." -

Hem wordt de nood eens mans beschreven,
Onlangs ontslagen uit de cel.
“Verlangt gij, dat ik daaraan doen zal?"
Zo spreekt hij, - “neen! ik dank je wel,
Een eerlijk mens heeft vaak behoeften,
Waar niemand ooit met ernst op let;
Maar boeven helpt men; - fraaie liefde,
Die zo een loon op 't misdrijf zet!"

“Mijnheer! indien 'k eens honderd gulden
Van u ter leen ontvangen mocht," ...
“Neen, man! die iets van mij wil lenen,
Die heeft een slecht adres gezocht;
In dit geval kan 'k ook niet geven,
Maar anders, ziet ge? in 't algemeen,
Geef ik nog liever vijftig gulden,
Dan dat ik vijf en twintig leen." -

“Mijnheer !" ... "Och, hemel! weer een noodkreet
't Wordt voor mijne ogen geel en groen,
Van al die noden, al die vragen,
Ik kan toch niet aan álles doen !"

schrijver

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

lenteboomgaard

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Lenteboomgaard.

Hier is jonge aarde één wijde bloesemhalle.
Bomen en bomen zover de ogen reiken
Doen takske aan takske in gulle blijheid prijken
Met bloesemsneeuw, sneeuwigste sneeuw van alle.

Is 't niet of uit zonhemel neer kwam strijken
Een vlucht van vlindertjes, zó neergevallen
In dromerig verpozen; duizendtallen
Van vlerkjes fijn, die vleugelbloempjes blijken?

Al mondjes 't leven drinkend in de lucht,
Gretig, intens. En 't goudlicht neergezegen
Liefkoost en koestert ze. Ritsling van vlucht

Van kleine vogel even.... Dan bewegen
Noch ritslen meer.... Àl stilte, àl teerheid: zacht
Om ons van 't leven mysterieuze macht.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:06 Reageer op dit bericht

aarde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Haar lichaam lijkt de volle rijke aarde

Haar lichaam lijkt de volle rijke aarde,
En als de hemel zijn haar blauwe ogen,
En als de ronde bergen zijn haar hoge
Borsten en buik, die nu een Mensheid baarde,

Een Mensheid, van een oneindige waarde
Van Vrijheid, en een oneindig vermogen
Van krachten, die zich nu op haar bewogen
Als in van 't paradijs de zaalge gaarde.

O zie haar nu de volle benen strekken,
En de hoge machtige armen rekken,
Langs de zeeën, als de bergen der aard.

O zie op haar de duizendtallen beelden
Van hare kindren, - in haar moederweelde,
O zie de blik waarmee zij op ze staart.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:11 Reageer op dit bericht

putje

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Het putje van Heiloo.

Hoe lieflijk ligt het klein Heiloo
Van 't hoge bos beschut;
Een kerk zeer oud staat daar gebouwd,
Daar achter is een Put.

Die Put (een schat voor mens en beest)
Met heldre bron gevuld,
Die is daar altijd niet geweest,
Zoals gij horen zult.

Toen Willebrord de Kruisleer bracht
Van d' overkant der zee,
Was 't hier één zand in 't heidens land,
Één droge, dorre steê.

De tocht was lang, de hitte bang,
De reisfles uitgeput;
Des Heiligs borst versmacht van dorst....
En nergens huis of hut!

Daar staat hij, leunende op zijn staf,
En ziet vergeefs in 't rond,...
Daar knielt hij neer, en bidt zijn Heer,
Daar opent zich de grond.

Daar vloeit een zilverklare bron,
Die alle nood verdrijft,
Waar Willebrord zijn dank bij stort,
En die gezegend blijft.

Dat is de put van 't klein Heiloo,
In Kenmerland beroemd;
Die 't wonder looft ontdekk' zijn hoofd
En strooi hem met gebloemt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

zie

Een gedicht van Aagje Deken 1741-1804

Wijs: Sous le nom de l'amitié.


Zie, daar komt de Jeugd van 't Jaar,
Versierd met frisse bloemen,
Versierd met frisse bloemen,
Liefde en Blijdschap volgen haar.
o Wie zou u niet roemen!
Zoudt gij niet welkom zijn!
Brengt gij niet, brengt gij niet
Zoele lucht en zonneschijn?

Lente, zinnebeeld der jeugd,
Hoe kunt gij mij behagen,
Hoe kunt gij mij behagen,
Mijn gehele ziel is vreugd!
Wat geeft gij lieve dagen!
Waar gij uwe ogen slaat,
Pronkt de grond, pronkt de grond
Met bevallig bloemsieraad.

's Winters strenge heerschappij,
Die veld en hof deed kwijnen,
Die veld en hof deed kwijnen,
Is dan eindelijk voorbij.
Men ziet u weer verschijnen!
Bar was het op het veld;
Maar uw komst, maar uw komst,
Heeft het alles reeds hersteld.

Hoor, hoe dat de nachtegaal
In het groen gezeten,
In het groen gezeten,
U verwelkomt in zijn taal!
Hij laat zijn vreugd u weten:
Aan u, die ons verblijdt;
Aan u heb, aan u heb
Ik dit Liedje ook toegewijd.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

knapelijn

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1860

Knapelijn bij der beke.

Een knapelijn bij der beke zat
Met de blik op der golven gewiegel,
Hij wierp er menig bloemenblad
In de huppende zilverspiegel.

Hij stortte in een lief, eenvoudig lied
Het gevoel zijns jeugdige harten,
Hij zong niet van bittere zieleverdriet,
En nog min van der wereld smarten.

‘Och ware ik - zo zong hij - als geurende bloem
In de oevergraze verborgen,
Dan lachte ik om glans en ijdele roem,
En het weldoen ware mijn zorgen.

Of ware ik de dauw, die de bloemen verkwikt,
Die de halmen en twijgen beperelt,
'k weerkaatste steeds, voor wie er ook blikt,
Een verrukkelijk beeld der wereld;

Weerkaatste 't oneindige sterrenheir
Met des avonds vredesstralen,
En waande de hemel zelve neer
Te zien op aarde dalen!’

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

vergeet-mij-niet

Een gedicht van J.J. ten Kate 1819-1889

VERGEET-MIJ-NIET

Vergeet-rnij-niet! Vergeet-mij-niet!
Lief bloempje aan de blanke vliet,
Wat maakte u toch zo hemels blauw?
Een weinig licht, een weinig dauw.
Ook 't minnend hart heeft ras genoeg:
Hij liefde 't minst, die 't meeste vroeg.
Gij vraagt niet veel: een blik, een groet,
En — deernis van des wandlaars voet.
Toch zijt gij schoon, gij lenteboô!
Maar zacht als schoon, en even bloo,
En met die needrigheid bekleed,
Die harten steelt, maar 't zelf niet weet.
Vaak, op de sombre maartse dag,
Verrukte mij uw lieve lach;
Maar in de glans der volle Mei
Ging ik uw lage steel voorbij.
Vergeefs riep gij: "Vergeet-mij-niet!"
Het roosje zong een luider lied,
En duizend bloemen, trots en hoog,
Verleidden mijn bewondrend oog.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:53 Reageer op dit bericht

aan...

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

AAN DE POEZY.

Volzoete geest der poezy!
keer in mijn doffe boezem weder!
Beziel opnieuw de ziel in mij,
en in mijn hand de zwanenveder!
Met traagheid klopt mijn smachtend hart,
wanneer gij 't opgeeft aan de smart
van een ondichterlijke wereld!
Mijn hoofd hangt moedloos op mijn borst,
terwijl ik naar de dauwdrop dorst,
die, waar gij treedt, de dorre grond beperelt!

Keer weder, en begeef mij niet,
maar onderhoud dat hemels leven,
dat zich ontwikkelt uit het lied.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

handdruk

Een gedicht van P.A. De Génestet 1829-1861

De handdruk.

0, tintel' uw hart in de druk van uw hand:
Ik dank voor een vinger twee, drie!
Ik walg van een kneepje, koket en pedant,
Een pink van een man van genie...
En, vrindlief, uw bevende, klevende hand
Is waarlijk mijn antipathie!
Verstijve de hand, die de hoveling speelt;
Beleefde, vernedrende hand!
Verdorre de hand, die verraderlijk streelt;
'k Voel liever een klauw of een tand!
De handdruk, die louter een ‘gunstje’ verbeeldt
Die wijs ik bepaald van de hand!
Ik weiger uw handje zo keurig en teer,
Mij angstig en huivrend geboôn!
Ik vraag u geen handschoen; ik weiger die eer;
Al waart gij Jouvin in persoon!
Uw harige rechte, mijn Bello, zegt meer,
Dan 't pootje, zo keurig, zo schoon!
Een hand zonder zenuw of leven of kracht,
't Is onzin, 't is laster, verraad!
Een ledige vorm, die de liefde veracht,
De vriendschap, de geestdrift versmaadt
De hand, die mij treft, die mijn lijden verzacht,
Die hand zij een druk, zij een daad!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:15 Reageer op dit bericht

tafellied

Een gedicht van D.V. Coornhert 1522-1590

Tafellied

Wij danken de waard,
Omdat hij ons voedt:
En d'edel wijngaard,
Die dees druifkens zoet,
Ons mildelijk biedt,
Dit wijntje wil drinken
Hij doet het ons schinken
Uit liefde om niet.

Drink al vrij dronken
Van dees zoete most
Zij wordt geschonken,
Buiten onze kost.
En mindert verdriet,
Dit wijntje wil drinken.
Hij doet het ons schinken,
Uit liefde om niet.

Dees vruchtbare rank
Verdrijft ons rouwe
Door lieflijke drank,
En Hemels douwe.
Die hij in ons giet
Dit wijntje wil drinken.
Hij doet het ons schinken.
Uit Liefde om niet.

Smaak prince dees wijn
In reinder borste
Zij doet vrolijk zijn
En blust de dorste
Met Hemels bediet
Dit wijntje wil drinken.
Hij doet het ons schinken,
Uit liefde om niet.

Lied-boesk (1575)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

grens

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens...

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens,
Aan dewelke ieder normaal mens
Moet stilstand houden.
Een vriend heeft me onlangs verweten,
Dat ik buiten het normale, - volgens hem het goede - ben getreden.
Maar het lot, - of wie? - heeft het zo gewild,
Want het heeft mij het ongewone voorbehouden.
Niet ik ben ongewoon, maar wel mijn levenslot.
Bij mijn vrienden heb ik steeds het grootste verlangen gekend
Om een schone liefde, in de nieuwe Lente.

Maar mijn liefde ontstond
Op een Herfstavond,
Mijn grote liefde, even buiten de stad,
In het wijde park, toen het door de mensen, - de gewone dan? -
gans verlaten was.
Mijn liefde groeide sterk in de koude Winter, -
Enkel zeer mooie bloemen groeien dan. -
Daarom is mijn liefde ook oneindig schoon,
Al is zij, - 't spijt mijn vriend misschien, - ook ongewoon.

Desember 1915

schrijver

Geschreven door Dora om 10:34 Reageer op dit bericht

wereld

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Dees ganse weerld moest liggen op haar knieën

Dees ganse weerld moest liggen op haar knieën
Voor mij niet, maar voor 't Hoogre, dat in mij
Niet gans zit, gans wit, maar Dat zich door mij
Wil uiten, wijl 't zich wil, en dat elk biedend

Wat elk klein mensje slechts verlangt, doch vrij
Blijft voor zich-zelf van andren, schoon verrieden 't
De meesten, daar zij zich niet voelen blij,
Omdat 't Algoede al slechtheid is bespiedend.

Der Godheid toorn is een geducht onweder,
Waarvoor wij allen beven moeten, schoon
Er velen zijn die nimmer als een veder

Bewogen op der wereld wind, die teder
Nooit, neen, vals-fors tiert om de hoogste ceder.                           
Maar al wie rein blijft, krijgt op 't eind een kroon.

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 16:16 Reageer op dit bericht

jeugd

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

JEUGD

De wakker-waakse haan.
De dichtervlucht der zwaan,
De zwerfse jager: reiger.
De strijdbaar-sterke tijger.
En het deemoedig schaap,
Hen samen leidt de knaap
Eendrachtig aan één band
Door 't rein en eigen land
Vol jonge bloesemsneeuw,
Als in de gouden eeuw.

Hij mijmert, zingt en speelt.
Weidend zijn zinnebeeld;
Zij kennen aan die toon
Hun meester en hun zoon.
En gaan naar 't hém geviel,
De dieren van zijn ziel.

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten