Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

grens

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens...

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens,
Aan dewelke ieder normaal mens
Moet stilstand houden.
Een vriend heeft me onlangs verweten,
Dat ik buiten het normale, - volgens hem het goede - ben getreden.
Maar het lot, - of wie? - heeft het zo gewild,
Want het heeft mij het ongewone voorbehouden.
Niet ik ben ongewoon, maar wel mijn levenslot.
Bij mijn vrienden heb ik steeds het grootste verlangen gekend
Om een schone liefde, in de nieuwe Lente.

Maar mijn liefde ontstond
Op een Herfstavond,
Mijn grote liefde, even buiten de stad,
In het wijde park, toen het door de mensen, - de gewone dan? -
gans verlaten was.
Mijn liefde groeide sterk in de koude Winter, -
Enkel zeer mooie bloemen groeien dan. -
Daarom is mijn liefde ook oneindig schoon,
Al is zij, - 't spijt mijn vriend misschien, - ook ongewoon.

Desember 1915

schrijver

Geschreven door Dora om 10:34 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

wereld

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Dees ganse weerld moest liggen op haar knieën

Dees ganse weerld moest liggen op haar knieën
Voor mij niet, maar voor 't Hoogre, dat in mij
Niet gans zit, gans wit, maar Dat zich door mij
Wil uiten, wijl 't zich wil, en dat elk biedend

Wat elk klein mensje slechts verlangt, doch vrij
Blijft voor zich-zelf van andren, schoon verrieden 't
De meesten, daar zij zich niet voelen blij,
Omdat 't Algoede al slechtheid is bespiedend.

Der Godheid toorn is een geducht onweder,
Waarvoor wij allen beven moeten, schoon
Er velen zijn die nimmer als een veder

Bewogen op der wereld wind, die teder
Nooit, neen, vals-fors tiert om de hoogste ceder.                           
Maar al wie rein blijft, krijgt op 't eind een kroon.

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 16:16 Reageer op dit bericht

jeugd

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

JEUGD

De wakker-waakse haan.
De dichtervlucht der zwaan,
De zwerfse jager: reiger.
De strijdbaar-sterke tijger.
En het deemoedig schaap,
Hen samen leidt de knaap
Eendrachtig aan één band
Door 't rein en eigen land
Vol jonge bloesemsneeuw,
Als in de gouden eeuw.

Hij mijmert, zingt en speelt.
Weidend zijn zinnebeeld;
Zij kennen aan die toon
Hun meester en hun zoon.
En gaan naar 't hém geviel,
De dieren van zijn ziel.

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

lommertuin

Een gedicht van J.H. Leopold 1802-1868

Van uit de donkerte in de lommertuin

Van uit de donkerte in de lommertuin
zie in het binnenlicht ik haar bewegen,
de stroken in het neergezegen
borduurwerk openvouwen

en plotsling voel ik mij zo diep alleen,
zo star verlaten, dat met wild verdringen
duizend verlangens in mij wakker springen
en mij bevolken stormende dooreen,

terwijl dat in de zijde tergend nijpt
een blinde pijn. O, tevergeefs ontvlucht
verbitteren, wanhopige ijverzucht
en afgunst die zich zelve niet begrijpt!

Gemengde gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

herinnering

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

Herinnering.

O! welk een schone lentenacht!
De maan verlicht zoo zacht het trillend loof der bomen;
Waar bosjes groenen klinkt het lied der nachtegaal;
De koelte doet uit kruid en bloemen wierook stromen.

Hoe veel verschilt dees middernacht
Van al die nachten die we in Noordwijks duinen zagen!
Mijn Overdorp! toen wij, met Pelgrims moed bezield,
De kracht gevoelden zelfs der guurste wintervlagen!

Hoe dikwijls bracht gij op dit uur
Mij van uw gastvrij dorp, uit uwer vrienden woning,
Door 't zware duinzand heen, naar 't eenzaam Zeedorp t'huis,
Natuur onthaalde ons dan op wisling van vertoning.

De kou viel soms ons vreeslijk wrang;
Wij hadden samen, aan de gulle dis gezeten,
Bij 't gloeien van de haard, de oord, het gure weer,
En 't nachtlijk pelgrims reisje, al keuvlende vergeten.

Doch ras verwarmde ons liefde en spoed;
Ik stapte aan uwe arm, vol moeds, en lustig henen,
Met u gerust, het weer mocht goed of stormig zijn,
Al werd ons pad door maan of starrenlicht beschenen.

Wij zworven door het woeste duin,
't Lantarentje in de hand, geleid door zijn geflonker;
Soms blies de wind het lang gezweepte lichtje uit,
En eensklaps stonden wij in het verwarrend donker.

Een kleine vrees beklemde ons dan,
Hoe wij het rechte spoor half tastend zouden vinden;
Doch liefde gaf ons moed, en licht en vrolijkheid,
En bracht ons veilig aan de woning mijner vrinden.

Soms viel de regen klettrend neer,
Het pad was een moeras: de woeste zeewind blaasde
Door 't kronklend duinpad guur en woedend op ons aan,
Terwijl de zee van ver geweldig dondrend raasde.

Soms deed de kou op 't schoon azuur,
Het flonkrend starrenheir met dubble luister gloeien;
Soms scheen de maan zo zacht, op 't grootse duintoneel,
En deed ook in ons hart een tedre kalmte groeien.

De weg was meestal doods en stil;
't Was zeldzaam zelfs dat mens of duin-raaf ons ontmoette;
De lampen waren meest bij al de vissers uit,
De klok sloeg dikwijls één, bij onze laatste groete.

Dan keerdet gij alleen terug;
Na een herhaald ‘Genacht!’ bleef ik nog op u staren;
Al konde ik niets meer zien: ik bad dat 's Hemels zorg
De lievn zwerver mocht behoeden voor gevaren.

Wij zagen hier Natuur al meest,
In statige ernst, maar soms een lachje op haar wezen;
Doch mijnentwege mocht zij blijde of droevig zien,
Ik was voldaan met u en kende zorg noch vrezen.

Geen winternacht was me ooit zo naar,
Of uw gezelschap gaf voor mij hem meerder leven,
Dan al de lentevreugd aan deze schone nacht,
Mij verre van u, in mijne eenzaamheid kan geven.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:22 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De zee is één schuim.

De zee is één schuim. Kokend van woede.
Zij vliegt voort door zich zelf heen. Dolle koppen
doelloos krulle' over zich. Zij wordt niet moede
holten te maken en holten te stoppen.

Tot bergen zet zij om het hoge floppen
van water, tot een berg wordt in het licht
een flop van water, met glooiingen, zicht
van licht schijnt daarin, maar het vlakt tot soppen.

De storm, d' orkaan loeit. De lucht, even wild
als de zee, is grijslicht, stort er van boven
pakken van wolken op die ijlings vliegen.

Het licht is parel, het licht is geschild,
de zee en de lucht zijn broers. Door lichtgloven
snelt de storm henen. Weg is alle wiegen.

Nagelaten werken.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:40 Reageer op dit bericht

koor

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

De nagedachtenis van Joseph Haydn, in de maatschappij Felix Meritis den 25 van sprokkelmaand 1810 gevierd.

koor.

Stemming der heiligste smart,
ô Beziel, ô beziel onze zangen!
Doe het weeklagende hart
Kwijnend verlangen! -

Grijp smachtend naar de toon, die Haydns geest gebiedt!
Verhef, van de zaligste aandoeningen zwanger,
Germanjes onvergelijklijke zanger,
En prijs de Godlijke bard in uw lied.

Voer ons, ô Heilige toonkunst!
In uwe trillende wolk van geluiden,
Van tonen, die beurtlings elkander vervangen,
Naar 't oord, waar Haydns lied
In zuiverder' luchtstroom klinkt!

vier Stemmen.

Doe ons, van daar, zijn vroegste liedren horen,
Een eerste poging zijner kracht!
Vroeg was hem reeds de onsterflijkheid beschoren,
En de eerste stap naar de eer weldra volbracht.
Hij voelt zich ras, die voor de kunst geboren,
Naar grootser doel, naar hoger stemming tracht!
Wat edel is kan slechts zijn ziel bekoren.

recitatief.

Hij sprak de taal, die overal verstaanbaar,
Voor 't menslijk hart een hoger leven schildert,
En 't vrij gemoed, door zuiver vuur aan blaken,
Het oord der Godheid kennen doet.

(eerste deel van deze Cantate)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

felice

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Felice (1)

IK heb gesmacht zo lange, grauwe dagen,
Gesmacht zo meen'ge sterren-loze nacht,
En zucht op zucht, en zieleklacht- op klacht
Steeg droevig op, met twijfels bange vragen!

Soms werd verlangen mij zoet welbehagen,
Een stille weelde, als droomrig maanlicht zacht...
In ziele-lach heb 'k mijn lief heil verwacht,
Na lijdzaam wachten nieuwe smart gedragen!

Dwaas, dat ik niet begreep mijns harten leed,
Dwaas, dat mijn weelde niet vermoeden deed,
Wat groot mysterie 't àl in mij verwekte....

Tot eindlijk 't leeg verlangen werd gevuld,
Uw teder-lichtend englenbeeld onthuld,
'k Uw heilge schoonheid sidderend ontdekte!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

tempel

Een gedicht van Jan Celliers 1865-1940

De tempel der reinheid.

Ik droomde mij in wolken-landen;
het blindend blank der zonnewanden
al zwevend in 't rein azuur,
als lenig marmer reuze-krullend,
de dalen schaduw-purper vullend,
- en goud-gekopt de stapel-muur

En 'k zag 'n zaal vol schone vrouwen,
het blank en blauw, in lange vouwen
omhangend los de slanke le'en,
in nauwe lijne-sluiting kozend
om malse vormen rose-blozend,
- en blanke voet op marmersteen.

'k Hoor stemmen als kristallen klokjes,
in 't ruim gestrooid als wolken-vlokjes,
bij scherts en blij-zang ongetoomd;
waar vol-geteugd de boezems zwellen,
in 't levend blauw der ether-wellen
- door wijde ramen ingestroomd.

Bij 't voorhang, plots op-zij gegleden,
zie 'k mannen in de zaal getreden,
in 't licht gewaad van 't wolkenland;
en vlug in 't gaan zijn fijne voeten
al spoedend tot een blij ontmoeten,
- van ver gereikt de vrienden-hand.

En durvend-klaar in reine weten
zie 'k oog met oog zich lachend meten,
bij handen-druk van welle-kom.
En los als 't kleed van lange vouwen
valt gul de lach van 't vol vertrouwen
- herhaald van wand tot wand alom.

En 'k vond mij biddend neergezegen:
‘Verlicht, O God, mijn aardse wegen,
en aan Uw hand, ach, voere mij,
dat ik, genaakt tot reinheids-tempel,
een hand gestrekt vind aan de drempel
en blije stem: ‘Wees welkom, gij!’

schrijver

Geschreven door Dora om 18:16 Reageer op dit bericht

madame

Een gedicht van Johan van 't Lindernhout 1893-1916

Madame la Marquise

Een lied ruist ijl en rank; een vrouw speelt aan 't spinet
En neurt heel zacht de wijs; de blanke toetsen schreien
Hun zoet en simpel leed door 't schemerend salet.

Maar wie haar gratie won nijgt aarz'lend haar bezijen
En zoekt haar need're blik. Een stille geur verbloeit
Van onvervulde drome' en teed're specerijen...

Ze heft 't gedoft gelaat; het zoet geneur vervloeit
Tot lage fluistering; haar smalle vingers roeren
Het laatst akkoord. Dan schâuwen, bleek en teer gegroeid.

Op 't matte gobelijn, de bevende contouren
Van een versmolten beeld.... Een schucht're hand bewoog
Een toets; de snaar vertrilt.... Reeds welkt de peerlemoeren

Tot bleker avondlucht. Zij talmen aan de toog
Van 't open venster, waar de donk're olmen lijnen.
Zij schertsen, maar een weemoed schemert in hun oog;

Krank van verteerden lust en delicate pijnen
Paren de woordjes zich aan heus en lucht gebaar,
En de mimosa kwijnt, roerloos in 't porseleinen

Geraad, vóór 't spiegelglas van 't duisterend boudoir.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

OP 'T KERKHOF.

In 't lover van der doden rustplaats,
bij 't zerkje van het arme wicht,
heeft zich een eenzaam vogelijn
het donzig liefdenest gesticht.

De zoele lentewinden,
ze koestren, onder feestgeruis,
de zanger in zijn groene woon,
het kindje, sluimrend onder 't kruis.

Zo brengt ze, de milde nature,
vreugde nevens bittre nood ;
het schaatrend nest bij 't zwijgend graf,
opbloeiend leven naast de dood.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

zusjes

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Vijf Zusjes.

Hier zijn we met ons vijven,
Vijf zusjes op een rij.
Zo wandlen we elke morgen
Gezellig zij aan zij.

We hebben lichtbruine ogen
En allen goudblond haar,
Daarom staat er voor ieder
Een mooie goudsbloem daar.

We hebben eender kleren,
Eén kleur en één fatsoen,
Dezelfde mof en mantel,
En strik op hoed en schoen.

We lijken, zeggen velen,
Elkander op een haar.
Maar Moeder zegt: ‘Ik ken je
Toch heel goed uit elkaar.’

Oom Willem deed nog gistren,
Maar - o, zo'n plager is 't -
Of hij in onze namen
Zich altijd nog vergist.

Maar als hij onze namen
Nog éne keer vergeet,
Dan zingen we in een versje,
Hoe ieder van ons heet.

Hoor maar, één,
Dat is de kleine Leen.
Zo'n vrolijk snappertje is dat,
En ook zo vlug ter been.

Dan een, twee,
‘Ben ik,’ zegt zusje Kee,
Die, o zo veel van wandlen houdt,
Ze moet ook altijd mee.

Een, twee, drie,
De middelste is Marie,
En als ze niet in 't midden staat,
Dan heet ze nog Marie.

Twee, drie, vier,
Johanna volgt nu hier,
Je kunt wel aan haar ogen zien,
Ze heeft altijd plezier.

Drie, vier, vijf,
‘En waar of ik nu blijf?
Ik hoor er ook bij,’ roept Kato,
‘Al ben ik nummer vijf.’

Een, twee, drie,
Zo heten wij en wie
Die namen weer vergeten kan,
Die noemen we ook geen ‘oom’ meer dan.

Nieuwe kijkjes in 't rond (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:34 Reageer op dit bericht

helmkruid

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Helmkruid.

In 't gloeiend zand
Der hoge duinen
Geplant,

Kwijnt ge... verdorrend op haar kruinen,
Aan 't eenzaam strand.

Schoon 't koele nat
Uw dorre sprieten
Omspat;
Moogt gij geen laafnis toch genieten,
Verschrompeld blad!

Vaak sterven wij
In hooploos smachten,
Als Gij: -
En 't doel van hopen en van trachten
Lag zo nabij!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

bomen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Kom niet onder hoge bomen....

Kom niet onder hoge bomen,
die klein zijt en niet groeien kunt,
wie alleen een haastig dromen
een ontrouw denken is gegund.

Zo wie loopt op losse voeten
heeft lichte last van hart en hoofd.
Taaigewrongen wortlen moeten
hem binden die in kracht gelooft.

Zie, de bomen ruisen, leven,
slaan streng hun zware schoonheid uit.
Blijf daar weg zo gij maar even
wat lispelspeelt met half geluid.

Heilig zijn de sterke stromen,
een hart dat scheurt, een pijn die gilt.....
Kom niet onder hoge bomen,
kleintrotse, die niet lijden wilt.

De Noordhoorn (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

Tempus

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Tempus edax...

't Is stille! Neerstig tikt het ongedurig
hangend wezen,
waarop de weg naar 't eeuwige, in
twaalf stappen, staat te lezen.

't Is stille en middernacht! Alsof
ik blind ware, om mij henen,
in donkere diepten schijnt het al
verduisterd en verdwenen.

't Is stille! Niets te zien en niets
te horen, 't doet mij beven!
als 't altijd neerstig bijten van
den tijdworm aan ons leven!


1890

schrijver

Geschreven door Dora om 20:54 Reageer op dit bericht

balkon

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Op een balkon

Wolken in maanlicht trekken hun schemerende sporen
over en langs het hoog balkon waar ik heb postgevat,
uitziende op het land, dat aan de rand der stad
tot een verzonken werelddeel lijkt te behoren.

Sluim'ren de duizenden nu in ene slaap verloren,
vervoerd en opgenomen in deze bitter-zoete rust,
ontdaan van hopen, vrezen, liefde en al de lust,
die overdag de waakse lijven komt verstoren?

Schuift over ogen, de welhaast brekende, de helle,
van wimper en van lid 't beschuttend, teder schild;
ontspant der handen kramp; wordt eindelijk gestild
de drift, die 't bloed tot ene stroom doet zwellen?

Roepen zij thans elkaar niet meer bij namen,
vrouwen en vrienden, vijanden en volk,
vergeefs en vluchtig als een spoorloos-snelle wolk;
werd waardeloos het sluw en dagelijks beramen?

Zij liggen altezamen in ene groten slaap gebed
achter de blinde vensters in dorpen en in steden,
ontkomen aan het jachten, het moeizaam overreden,
meedogend naar de vrede dezer vergetelheid gered.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:58 Reageer op dit bericht

macht

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

De macht ontvalt de mense aleer hij 't weet

De macht ontvalt de mense aleer hij 't weet;
wat baat hem dat hij werkt, en leeft, en eet?
Het leven zelf doet 't leven dood, en 't is
dat wij geen duur en hebben, 't grootst gemis
van al dat ons ontbreekt. o Duurzaamheid
oneindig, al omvattend, uitgebreid,
die, onbegonnen, nimmer sterven zult;
die 't wezen van het wezen heel vervult,
u ken ik, ja, heb dank; u ben ik? Neen:
want duurzaamheid, o God, zijt Gij alleen!

13-2-1871

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

mandje

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

'T MANDJE.

Nu is het nestje warm bereid
het blanke lichte zachte nestje,
'n stuk van buurvrouw en van 't bestje
van tante en die overmeid.

Strikjes, lintjes, zachte wolletjes
liggen knus en dottig dolletjes
in het witte zijden mandje,
't mandje met het witte kantje.

Wat al hemdkens, wat al broeken
al die zachte luierdoeken,
wat al lichts en blanks en teer
't lijkt voor 't kleintje van 'n Heer.

Zoveel nachten, zoveel dagen,
heb ik moetje horen klagen
„waar, waar komt dat al vandaan?"
zie nu eens dat nestje staan.

't Nestje zacht en warm bereid
't blanke lichte zachte nestje,
'n stuk van buurvrouw en van 't bestje
van tante en die overmeid..

Een bonte vlucht

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd;
wat deren waan'ge dagen?
'k Heb mij in bedden neer-geleid
waar vreemde doden lagen...

Wat schade aan hergenoten waan?
Misschien zal ik vergeten
hoe doornen langs een liefde-laan
mijn lede' aan stukken reten...

- Ik ben zo blij, ik ben vreemd blij,
te kunnen stil geloven
in nieuw-aanblazend min-getij
door oud-gekende hoven.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:39 Reageer op dit bericht

ochtendgloren

Een gedicht van Carel Vosmaer 1826-1888

OCHTENDGLOREN.

        Langzaam sleept de heilge nacht haar sluier, 
        IJler, doorschijnend aan d' uiterste slippen,
        Weg van de aard', en de laatste sterre
        Dooft hare glans.
        Zacht ontwaakt uit de sluimer het leven,
        't Windeken suizelt,
        Licht als een zucht in de morgen;
        Over het groenige bleek van de lucht
        Glimmert een gelige tint,
        En het eerste wolkje met rozenvlerkjes
        Zweeft van de diepten omhoog. 
        Fjoe-fjoe-fjoe! tsio-tsio-tsio-io!
        Fluiten de vroegst ontwaakte gevleugelde zangstertjes blijde,
        Nu zij van boven, de morgen al onder de kimmen ontwaren.

            Klapwiekend stijgt op de vleugelen
            Druipend van 't vloeiende goud aan de kim
            d' Ochtend in 't kleed van saffraangeel,
            Maagdlijke bode des daags;
            En de gloed op haar blozende wangen
            Kondigt het rijzen des lichtgods.

           Nu heft in voile majesteit de albezieler
           Boven de blauwende zee
           't Hoofd met de gouddiadeem;
           't Zilveren schuim verguldt zich,
           Goudstof wemelt in 't kustzand,
           Bruinrood tinten de stralen de rotsen;
           En de kronen der pijnen
           Verkonden aan mirten, olijven, cipressen,
           Dat de daggod naakt, en zij brengen het over           
           En verder en verder aan lagere struiken.
           En verder en verder aan lagere struiken.
           't Aardrijk lacht, in het leven herboren,
           Iedere bloemkelk plengt
           Aan de rijzende god zijne dauwdrop.

Nanno (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten