Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

tempel

Een gedicht van Jan Celliers 1865-1940

De tempel der reinheid.

Ik droomde mij in wolken-landen;
het blindend blank der zonnewanden
al zwevend in 't rein azuur,
als lenig marmer reuze-krullend,
de dalen schaduw-purper vullend,
- en goud-gekopt de stapel-muur

En 'k zag 'n zaal vol schone vrouwen,
het blank en blauw, in lange vouwen
omhangend los de slanke le'en,
in nauwe lijne-sluiting kozend
om malse vormen rose-blozend,
- en blanke voet op marmersteen.

'k Hoor stemmen als kristallen klokjes,
in 't ruim gestrooid als wolken-vlokjes,
bij scherts en blij-zang ongetoomd;
waar vol-geteugd de boezems zwellen,
in 't levend blauw der ether-wellen
- door wijde ramen ingestroomd.

Bij 't voorhang, plots op-zij gegleden,
zie 'k mannen in de zaal getreden,
in 't licht gewaad van 't wolkenland;
en vlug in 't gaan zijn fijne voeten
al spoedend tot een blij ontmoeten,
- van ver gereikt de vrienden-hand.

En durvend-klaar in reine weten
zie 'k oog met oog zich lachend meten,
bij handen-druk van welle-kom.
En los als 't kleed van lange vouwen
valt gul de lach van 't vol vertrouwen
- herhaald van wand tot wand alom.

En 'k vond mij biddend neergezegen:
‘Verlicht, O God, mijn aardse wegen,
en aan Uw hand, ach, voere mij,
dat ik, genaakt tot reinheids-tempel,
een hand gestrekt vind aan de drempel
en blije stem: ‘Wees welkom, gij!’

schrijver

Geschreven door Dora om 18:16 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

madame

Een gedicht van Johan van 't Lindernhout 1893-1916

Madame la Marquise

Een lied ruist ijl en rank; een vrouw speelt aan 't spinet
En neurt heel zacht de wijs; de blanke toetsen schreien
Hun zoet en simpel leed door 't schemerend salet.

Maar wie haar gratie won nijgt aarz'lend haar bezijen
En zoekt haar need're blik. Een stille geur verbloeit
Van onvervulde drome' en teed're specerijen...

Ze heft 't gedoft gelaat; het zoet geneur vervloeit
Tot lage fluistering; haar smalle vingers roeren
Het laatst akkoord. Dan schâuwen, bleek en teer gegroeid.

Op 't matte gobelijn, de bevende contouren
Van een versmolten beeld.... Een schucht're hand bewoog
Een toets; de snaar vertrilt.... Reeds welkt de peerlemoeren

Tot bleker avondlucht. Zij talmen aan de toog
Van 't open venster, waar de donk're olmen lijnen.
Zij schertsen, maar een weemoed schemert in hun oog;

Krank van verteerden lust en delicate pijnen
Paren de woordjes zich aan heus en lucht gebaar,
En de mimosa kwijnt, roerloos in 't porseleinen

Geraad, vóór 't spiegelglas van 't duisterend boudoir.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

OP 'T KERKHOF.

In 't lover van der doden rustplaats,
bij 't zerkje van het arme wicht,
heeft zich een eenzaam vogelijn
het donzig liefdenest gesticht.

De zoele lentewinden,
ze koestren, onder feestgeruis,
de zanger in zijn groene woon,
het kindje, sluimrend onder 't kruis.

Zo brengt ze, de milde nature,
vreugde nevens bittre nood ;
het schaatrend nest bij 't zwijgend graf,
opbloeiend leven naast de dood.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

zusjes

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Vijf Zusjes.

Hier zijn we met ons vijven,
Vijf zusjes op een rij.
Zo wandlen we elke morgen
Gezellig zij aan zij.

We hebben lichtbruine ogen
En allen goudblond haar,
Daarom staat er voor ieder
Een mooie goudsbloem daar.

We hebben eender kleren,
Eén kleur en één fatsoen,
Dezelfde mof en mantel,
En strik op hoed en schoen.

We lijken, zeggen velen,
Elkander op een haar.
Maar Moeder zegt: ‘Ik ken je
Toch heel goed uit elkaar.’

Oom Willem deed nog gistren,
Maar - o, zo'n plager is 't -
Of hij in onze namen
Zich altijd nog vergist.

Maar als hij onze namen
Nog éne keer vergeet,
Dan zingen we in een versje,
Hoe ieder van ons heet.

Hoor maar, één,
Dat is de kleine Leen.
Zo'n vrolijk snappertje is dat,
En ook zo vlug ter been.

Dan een, twee,
‘Ben ik,’ zegt zusje Kee,
Die, o zo veel van wandlen houdt,
Ze moet ook altijd mee.

Een, twee, drie,
De middelste is Marie,
En als ze niet in 't midden staat,
Dan heet ze nog Marie.

Twee, drie, vier,
Johanna volgt nu hier,
Je kunt wel aan haar ogen zien,
Ze heeft altijd plezier.

Drie, vier, vijf,
‘En waar of ik nu blijf?
Ik hoor er ook bij,’ roept Kato,
‘Al ben ik nummer vijf.’

Een, twee, drie,
Zo heten wij en wie
Die namen weer vergeten kan,
Die noemen we ook geen ‘oom’ meer dan.

Nieuwe kijkjes in 't rond (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:34 Reageer op dit bericht

helmkruid

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Helmkruid.

In 't gloeiend zand
Der hoge duinen
Geplant,

Kwijnt ge... verdorrend op haar kruinen,
Aan 't eenzaam strand.

Schoon 't koele nat
Uw dorre sprieten
Omspat;
Moogt gij geen laafnis toch genieten,
Verschrompeld blad!

Vaak sterven wij
In hooploos smachten,
Als Gij: -
En 't doel van hopen en van trachten
Lag zo nabij!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

bomen

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

Kom niet onder hoge bomen....

Kom niet onder hoge bomen,
die klein zijt en niet groeien kunt,
wie alleen een haastig dromen
een ontrouw denken is gegund.

Zo wie loopt op losse voeten
heeft lichte last van hart en hoofd.
Taaigewrongen wortlen moeten
hem binden die in kracht gelooft.

Zie, de bomen ruisen, leven,
slaan streng hun zware schoonheid uit.
Blijf daar weg zo gij maar even
wat lispelspeelt met half geluid.

Heilig zijn de sterke stromen,
een hart dat scheurt, een pijn die gilt.....
Kom niet onder hoge bomen,
kleintrotse, die niet lijden wilt.

De Noordhoorn (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:33 Reageer op dit bericht

Tempus

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Tempus edax...

't Is stille! Neerstig tikt het ongedurig
hangend wezen,
waarop de weg naar 't eeuwige, in
twaalf stappen, staat te lezen.

't Is stille en middernacht! Alsof
ik blind ware, om mij henen,
in donkere diepten schijnt het al
verduisterd en verdwenen.

't Is stille! Niets te zien en niets
te horen, 't doet mij beven!
als 't altijd neerstig bijten van
den tijdworm aan ons leven!


1890

schrijver

Geschreven door Dora om 20:54 Reageer op dit bericht

balkon

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Op een balkon

Wolken in maanlicht trekken hun schemerende sporen
over en langs het hoog balkon waar ik heb postgevat,
uitziende op het land, dat aan de rand der stad
tot een verzonken werelddeel lijkt te behoren.

Sluim'ren de duizenden nu in ene slaap verloren,
vervoerd en opgenomen in deze bitter-zoete rust,
ontdaan van hopen, vrezen, liefde en al de lust,
die overdag de waakse lijven komt verstoren?

Schuift over ogen, de welhaast brekende, de helle,
van wimper en van lid 't beschuttend, teder schild;
ontspant der handen kramp; wordt eindelijk gestild
de drift, die 't bloed tot ene stroom doet zwellen?

Roepen zij thans elkaar niet meer bij namen,
vrouwen en vrienden, vijanden en volk,
vergeefs en vluchtig als een spoorloos-snelle wolk;
werd waardeloos het sluw en dagelijks beramen?

Zij liggen altezamen in ene groten slaap gebed
achter de blinde vensters in dorpen en in steden,
ontkomen aan het jachten, het moeizaam overreden,
meedogend naar de vrede dezer vergetelheid gered.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:58 Reageer op dit bericht

macht

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

De macht ontvalt de mense aleer hij 't weet

De macht ontvalt de mense aleer hij 't weet;
wat baat hem dat hij werkt, en leeft, en eet?
Het leven zelf doet 't leven dood, en 't is
dat wij geen duur en hebben, 't grootst gemis
van al dat ons ontbreekt. o Duurzaamheid
oneindig, al omvattend, uitgebreid,
die, onbegonnen, nimmer sterven zult;
die 't wezen van het wezen heel vervult,
u ken ik, ja, heb dank; u ben ik? Neen:
want duurzaamheid, o God, zijt Gij alleen!

13-2-1871

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

mandje

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

'T MANDJE.

Nu is het nestje warm bereid
het blanke lichte zachte nestje,
'n stuk van buurvrouw en van 't bestje
van tante en die overmeid.

Strikjes, lintjes, zachte wolletjes
liggen knus en dottig dolletjes
in het witte zijden mandje,
't mandje met het witte kantje.

Wat al hemdkens, wat al broeken
al die zachte luierdoeken,
wat al lichts en blanks en teer
't lijkt voor 't kleintje van 'n Heer.

Zoveel nachten, zoveel dagen,
heb ik moetje horen klagen
„waar, waar komt dat al vandaan?"
zie nu eens dat nestje staan.

't Nestje zacht en warm bereid
't blanke lichte zachte nestje,
'n stuk van buurvrouw en van 't bestje
van tante en die overmeid..

Een bonte vlucht

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd

Wat deert me nieuwe liefdes-tijd;
wat deren waan'ge dagen?
'k Heb mij in bedden neer-geleid
waar vreemde doden lagen...

Wat schade aan hergenoten waan?
Misschien zal ik vergeten
hoe doornen langs een liefde-laan
mijn lede' aan stukken reten...

- Ik ben zo blij, ik ben vreemd blij,
te kunnen stil geloven
in nieuw-aanblazend min-getij
door oud-gekende hoven.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:39 Reageer op dit bericht

ochtendgloren

Een gedicht van Carel Vosmaer 1826-1888

OCHTENDGLOREN.

        Langzaam sleept de heilge nacht haar sluier, 
        IJler, doorschijnend aan d' uiterste slippen,
        Weg van de aard', en de laatste sterre
        Dooft hare glans.
        Zacht ontwaakt uit de sluimer het leven,
        't Windeken suizelt,
        Licht als een zucht in de morgen;
        Over het groenige bleek van de lucht
        Glimmert een gelige tint,
        En het eerste wolkje met rozenvlerkjes
        Zweeft van de diepten omhoog. 
        Fjoe-fjoe-fjoe! tsio-tsio-tsio-io!
        Fluiten de vroegst ontwaakte gevleugelde zangstertjes blijde,
        Nu zij van boven, de morgen al onder de kimmen ontwaren.

            Klapwiekend stijgt op de vleugelen
            Druipend van 't vloeiende goud aan de kim
            d' Ochtend in 't kleed van saffraangeel,
            Maagdlijke bode des daags;
            En de gloed op haar blozende wangen
            Kondigt het rijzen des lichtgods.

           Nu heft in voile majesteit de albezieler
           Boven de blauwende zee
           't Hoofd met de gouddiadeem;
           't Zilveren schuim verguldt zich,
           Goudstof wemelt in 't kustzand,
           Bruinrood tinten de stralen de rotsen;
           En de kronen der pijnen
           Verkonden aan mirten, olijven, cipressen,
           Dat de daggod naakt, en zij brengen het over           
           En verder en verder aan lagere struiken.
           En verder en verder aan lagere struiken.
           't Aardrijk lacht, in het leven herboren,
           Iedere bloemkelk plengt
           Aan de rijzende god zijne dauwdrop.

Nanno (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

avondliedeke

Een gedicht van Alison Nahon 1896-1933

Avondliedeke

't Is goed in 't eigen hart te kijken
    Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
    Geen enkel hart heb zeer gedaan;

Of ik geen ogen heb doen schreien,
    Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
    Een woordeke van liefde zei.

En vind ik, in het huis mijns harten,
    Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
    Rondom één hoofd, dat eenzaam was...

Dan voel ik, op mijn jonge lippen,
    Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hart te kijken
    En zó z'n ogen toe te doen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Rubens

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

RUBENS.

Beheerser van 't palet, wiens goddelijke verwen
Akkoorden zijn vol gloed, een zang vol majesteit,
Gij, die een baan betrad met palmen overspreid,
Wat liefling van 't penseel mocht mildere eer verwerven ?

Al moest het nageslacht uw meesterstukken derven,
De gloriestarre waakt op uw onsterfelijkheid.
Geen heeft er stouter vlerk dan Rubens uitgebreid,
Een schepper in de kunst (gij wist het) kan niet sterven.

Geschapen was uw ziel uit zuiver starrenvuur
Gij waart verscheiden, groots, oorspronklijk, als natuur
En zelfs verheven in uw schittrende gebreken.

Berispe 't dwergenkroost, ontzagbre Schildervorst,
Wat, als ondwingbre gloed, u stroomde uit hand en borst,
Wie volgt uw aadlaarsvlucht in onbezochte streken?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

sonatine

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Kleine Sonatine

Dit is een sonatine
Precies voor jou, die zacht en fijn
Met een viool, een mandoline
Een cello moet bezongen zijn.

Ik kon de taal wel voor jou zetten
Op pauk, bazuin en klarinet,
Het klaar klaroenen van trompetten
En dubbel héél 't orkest bezet,

Maar bij die rozen op je wangen,
Die glimlach om je teed're mond
Die wedergeeft in diep verlangen
Wat in verlangen oorsprong vond,

Speelt nog de taal maar 'en sourdine'
Precies voor jou, die slank en fijn,
In de allerkleinste sonatine
Wil, allerliefst, bezongen zijn...

En na het laatste en zoetst gehoorde
Vangt er het lange zwijgen aan
Waarin, als lied'ren zonder woorden,
Wij nog het best elkaar verstaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:03 Reageer op dit bericht

haveloze

Een gedicht van J.J. ten Kate 1819-1889

DE HAVELOZE.

0 God! hebt Gij uw bloeiende Aard
Aan ál Uw kindren niet gegeven?
Ik - word elks drempel afgedreven,
Ik - heb geen eigen hof en haard.
Wél is de wereld ongenadig:
“ De haveloze !" noemt ze mij ...
Dat brandmerk dooft het medelij' -
Ach, is dan de Armoe zó misdadig?

Ik zoek de schaduw van een boom:
Dáár schijnt me althans de rust beschoren;
Maar 'k meen des drijvers stem te horen,
Te midden van mijn korte droom.
De aard heeft een plek voor al haar bloemen,
Een nestje voor elk vogelkijn:
Mocht ik een bloemtje, een vogel zijn!
Thans kan ik niets het mijne noemen.

't Is ál voor mij verboden grond:
Ik zou geen zode durven steken,
Ofschoon ik ook in woeste streken
Een lapje dorre heide vond.
“Voort!" zou het in mijn oren krassen:
Gij moogt gaan beedlen om uw brood!
Voor havelozen en de dood
Is hier op aard geen kruid gewassen !"

Zo moet ik zwerven, vroeg en laat,
Met onrust buiten, angst hier binnen.
'k Zou willen toeven en beminnen,
En - vind slechts ballingschap en haat.
God weet, hoe ik mij aan wil gorden!
'k Zou gaarne trouw en eerlijk zijn :
Maar och, de honger doet zo'n pijn -
De honger zal me een lief doen worden!

Mijn vader bleef bewaard voor schand -
Men vond hem in een wak bevrozen:
Hij heeft des Heeren hand verkozen
Voor 't vallen in der mensen hand.
In 't gasthuis brak mijn moeders harte -
Dat was een dag van dubble rouw!
Ik erfde van de dierbe vrouw
Al wat zij achterliet : haar smarte!

Gij, die op donzen peluw rust,
Beschut voor wind en sneeuw en regen!
Kwam in de droom mijn beeld u tegen,
U tegen, als ge uw kindren kust!
Denk u aan huis en haard onttogen,
Van gade en kroost en brood beroofd,
Denk u de misdaad boven 't hoofd;
En - kunt ge 't - luik dan zorgloos de ogen!

Ik droomde laatstmaal van een Huis,
Gesticht, voltrokken door Gods zegen,
Waar ze armen zo als ik verplegen
En voeren tot des Heilands kruis...
Bestaat die wijkplaats? 0 dan bouwden
Gods Englen ze, op der moeders beê!
0 Mensenvrienden, neem mij mee!
Gij hebt een ziel te meer behouden!


1856

schrijver

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

IK VOEL MIJN LEVEN ...

Ik voel mijn leven door mijn vingren vlieten,
dat leven zonder liefde en zonder zegen,
en de allerlaatste hoop dit hart ontschieten,
zo afgebeuld langs alle martelwegen.

Geen trouwe borst zwelt ooit de mijne tegen;
geen milde hand zal mij genadig gieten
den zoete wijn des levens. Kalm bewegen
in teer genegen zijn en zacht genieten!

0 droom van hoge schoonheid, die mijn schreden
voorlichtte, - tot uw puurste glans gerezen
vervliet ge allengs . . .

En 't jammerlijk verleden
jaagt stormend door de diepten van mijn wezen,
in zulk een koorts van haat en woede aan 't loeien
als stond heel de aarde in vlammend bloed te gloeien.


1895

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

Holland

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

HOLLAND

Wat zijt gij klein Holland
Met al uw velden en vlakke wegen,
Met uw rampzalige aardappellanden,
En uw vreeslijk droefgeestige regen,
En uw lage goedaardige stranden - -

Maar groot toch is de zee Holland,
Waaraan gij langzaam zijt verschenen,
Waaruit ge als een schelp zijt geboren,
Die zingt door uw hele land henen,
Dat elk in zijn ziel haar kan horen!

Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw simpele wilgenbomen,
Met al uw kleine kabblende plassen,
En die paar platte gemaklijke stromen,
En uw bloemen en tamme gewassen - -

Maar groot toch is uw hemel Holland
Met zijne mateloze klaarten,
Met al zijn oneindige kleuren,
En die verandrende wolkengevaarten,
Waarmee grote dingen gebeuren!

Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw verlegen zwijgende mensen,
En al uw langzame stille levens,
En al uw vele denkbeeldige grenzen,
En o! met nergens ooit iets verhevens - -

Maar groot toch is uw volk Holland,
Verwant aan uw heerlijk verleden,
Dat tussen uw heemle' en zeeën bleef groeien,
En tussen die wisselende eeuwigheden
Zich bereidt om opnieuw te gaan bloeien!

schrijver

Geschreven door Dora om 18:44 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De hand van de dichter

Glazen grijpen en legen;
veel jagen en reizen;
vrouwen omhelzen en strelen;
strijden op felle paarden
en blinkende wateren splijten;
spelen met licht en donker;
de dag en de nacht doorrijden
onder fluweel en schaduw en
flonkrende sterrenbeelden.

het staat niet in mijn hand gegrift;
en een hand is een leven, een lot;
ik lees slechts in fijn scherp schrift
- en dit geldt voor vroeger en later -
weinig liefde en wijn, veel water,
soms een racket, een zweep, maar
stellig nimmer een zwaard.

zo is mij enkel bewaard
langzaam maar vast te verwijven
in nijver monnikenwerk:
bidden en verzen schrijven
geel op geel perkament,
en mijn hand alleen te verstrengelen
met mijn eigen andere hand
en in een cel te versterven
oud op een houten bank.

Tempel en kruis

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Liedje van de straat

Hoe kom ik weg van leed en lust?
Hoe vind ik één uur aan uw kust,
Vergetelheid, slaapdiepe rust?

Ik weet, mijn bed blijft daar bereid...
O om 't vertrouwde pad dat leidt
Weg uit de ban van ruimte en tijd

En wake zonder doel of baat,
Poolzon die nimmer ondergaat,
Lichtwijn die in zichzelf verslaat, -

Terwijl de onafgeloste geest
In 't eindloos boek der sterren leest
Om heul die buiten slaap geneest,

En in zijn diepe nood gepeeld,
In aandacht goddelijk verveeld
Om steeds gewaagder inzet speelt...

Dan hoor ik wel, gebarsten gong,
Slaaps wijsje zoals moeder 't zong
Vlak vóór de diepe blinde sprong:

Nog gaat het vals met leemte aan leemt;
Maar 't klinkt niet langer schril en vreemd,
Als straks de dood het overneemt.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten