Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

liedje

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Liedje van de straat

Hoe kom ik weg van leed en lust?
Hoe vind ik één uur aan uw kust,
Vergetelheid, slaapdiepe rust?

Ik weet, mijn bed blijft daar bereid...
O om 't vertrouwde pad dat leidt
Weg uit de ban van ruimte en tijd

En wake zonder doel of baat,
Poolzon die nimmer ondergaat,
Lichtwijn die in zichzelf verslaat, -

Terwijl de onafgeloste geest
In 't eindloos boek der sterren leest
Om heul die buiten slaap geneest,

En in zijn diepe nood gepeeld,
In aandacht goddelijk verveeld
Om steeds gewaagder inzet speelt...

Dan hoor ik wel, gebarsten gong,
Slaaps wijsje zoals moeder 't zong
Vlak vóór de diepe blinde sprong:

Nog gaat het vals met leemte aan leemt;
Maar 't klinkt niet langer schril en vreemd,
Als straks de dood het overneemt.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

leven

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

De Prikkels van het Leven.

De mens schept zich duizend behoeften,
Dat ligt in zijn werkzame geest,
Maar de een maakt hem schepper en koning
En de ander tot slaaf, ja tot beest.
Behoefte aan volmaking veredelt,
Behoefte aan ontwijding verneert;
De een put hier zijn kracht uit ontbering,
Waar de ander bij weelde verteert.
De rijkdom ligt niet in het 'hebben'.
De schat schuilt soms diep in 't gemoed;
Een vader van rijken en armen
Biedt weldaad in zuur en in zoet.
Hij legde in de vorming van 't schepsel
De zaden van geest en vernuft,
Hun stengel vraagt strijden en werken,
Hun bloem groeit licht ijdel en wuft.
Een zucht naar genot en genoegen -
Aan wie is ze t' enemaal vreemd!
Laas, dat men, om 't leven te grijpen,
De dood vaak ten handvatsel neemt.
Daar ligt op ons pad zo veel edels,
Dat ons naar iets hogers verwijst;
Gelukkig, wanneer daar van binnen
De prikkel van 't goede in ons rijst.
Daar kruipt in ons hart ook een wormpje,
Dat, klein, zijn ontstaan noô verraadt,
Maar dat ongemoeid tot een slang groeit,
Die vorm is de prikkel van 't kwaad.
De prikkels van 't goede te kweken,
Dat vordert elk blijvend genot,
De prikkels van 't kwade te doden,
Dat eist ons bestaan en ons lot.
Het goed brengt zijn eigen beloning,
Het kwaad is zich zelve ten straf:
Wie strijdt voor het goede in het leven,
Plant bloemen, die bloeien op 't graf.

1858.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

mijmering

Een gedicht Emile Verhaeren 1855-1916
Ieder uur van mijmering

Ieder uur van mijmering over je goedheid,
Zo vanzelfsprekend grondeloos,
Smelt ik weg in gebeden naar jou.

Zo laat ben ik gekomen
Naar de tederheid van je blik,
En van zo ver naar je uitgestrekte handen,
Stilletjes, doorheen ruimte en tijd.

Ik had in mij zoveel weerbarstig roest
Dat uit mij wegvrat, met gulzige tanden,
Het vertrouwen.

Ik was zo loom, ik was zo moe,
Ik was van wantrouwen zo oud,
Ik was zo loom, ik was zo moe
Van het dwaalspoor van al mijn passen.

Zo weinig verdiende ik de wondere vreugde
Van je voeten die mijn weg verlichten,
Dat ik er nog van sidder, in tranen haast,
En voortaan nederig blijf, nabij zoveel geluk.

---------------------------------------------
Vertaling: Julien De Mey.

Les Heures Claires, 1896.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

moederland

Een gedicht van Giza Ritsch 1869-1942

Mijn moederland

Mijn moederland, het land van de wijn,
Mijn moederland, graag wou ik bij U zijn.
Mijn harte weent, het verlangen slaapt,
Maar de hoop in mij, zij wacht en waakt.
Mijn moederland, gescheiden van U,
Zing ik mijne liedjes nu.
Doch Uw schijn licht mij van ver
En de hoop leidt mij als een mooie ster.
Op duin en heide zwerf ik hier,
Mijn liedren stijgen trots en fier.
Hier drong zich de liefde in het harte mij
En de hoop in mij zingt zacht en blij!
Mijn moederland, het land van de wijn,
Mijn moederland, graag wou ik bij U zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:10 Reageer op dit bericht

winterlaan

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Winterlaan.

Hoe lijkwit ligt de rechte winterlaan,
Waar zwarte bomen, in verstijfd gebaar
Van stroeve droefheid, strekken naar de klaar-
Kristallen hemel de arme', als riepen ze aan
De oktoberzon, die ze op een gouden baar,
Bestrooid met rode en gele rozen, gaan
Ten groeve zagen! Kon die zon weerstaan
De klacht der bomen, zag zij ze even maar?

Doch marmerhard is 't hart der winterzon:
Haar scherpe schichten schittren louter kou,
Nuchter vernuft, geen warme liefdebron.

En de een'ge kleur in 't blank en zwart van rouw
Is, donkre bloedvlek op de horizon,
Droefrood, de mantel van een vissersvrouw.

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

voorbereiding

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Voorbereiding.

Wilt ge een welig land bezaaien,
Zuiver 't eerst van 't wilde kruid;
Ruk de heesterwortels uit,
Om de korenoogst te maaien.
Zoeter is des bietjens zweet,
Als men eerst in alsem beet.

't Starrenlicht heeft schoner luister,
Na het bulderend geluid
Van het regenbrengend Zuid.
Lucifer verjaagt het duister,
Eer de schone Dageraad
Haar gespan ter heirbaan laat.

Leer ook eerst het valse kennen,
En uw hals het juk ontwennen,
Daar gij aan gekluisterd zijt;
Dat ge dan met vrijer zinnen
't Ware goed moogt leren minnen,
Van beneveling bevrijd.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:27 Reageer op dit bericht

ontchoogeld

Een gedicht van Omar Karel de Laey 1876-1909

Ontgoocheld.

'k Had - ik weet het was vermetel -
over tijd het vast gedacht
Phoebus te beschrijven, Phoebus
en zijn gouden morgenpracht.

Doch, ik moet bekennen dat ik
de eerste klaarte van de dag,
elders nooit - ik vraag excuse -
dan in bedde, rijzen zag.

'k Wilde dus, de visu, weten
hoe dat Phoebus stralenmacht,
's ochtends in gevecht komt met de
zwarte kinders van de nacht.

't Was op ene lentemorgen,
talrijk zijn die morgens niet,
dat mij Morpheus - hoogst gelukkig -
vroeg genoeg ontwaken liet.

Ik ontwaakte, en duizelachtig,
bijna zonder kleedren aan,
klaar van haaste, liep ik buiten,
buiten in de koude staan.

Achter tien minuten wachtens,
lag er langs de Oosterkant
door de purpren duisternissen,
een gestriemde rode band.

Dan, de zonne stak allengskens
hare dikke waterkop,
lijk een gloeiende ijzren schijve,
tussen 't groen der bomen op.

Dit was alles; 'k stond te bibbren
en beklaagde deerlijk dat,
tegen Phoebus koude, ik mijne
warme slaap verwisseld had.

Hieruit trek ik geen besluiten,
maar ik raad eenieder aan,
de idealen van de dichters
nooit de visu na te gaan.

------------------------------
Phoebus - god van de zon
de visu (latijn) - (zien) met eigen ogen
Morpheus - god van de slaap

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

AAN EEN MEISJE

0 zeg mij, vriendlijk meisje!
Is 't u slechts naar de zin
Als ik mijn harte toesluit
Voor wat ik meest bemin?

Als ik mijzelf koelbloedig
Mijn levenslust ontroof
De gloed die in mij brandde
Met eigen hand verdoof

Als ik met koele wijsheid
Mijn jonge hartstocht tem,
Als ik niet meer wil horen
Mijns harte zoete stem.

Als ik mijn borst verscheurde
Met stoïcijnse moed -
0 spreek, mijn vriendlijk meisje!
Dan deed ik zeker goed?

Nog ga ik door het leven
In vreugd en vrolijkheid
De wereld met haar schoonheid
Ligt voor mij uitgebreid.

Mijn bloed gaat nog niet langzaam         
In trage lauwe rust
Het tintelt in mijn aadren
Van louter levenslust

Ik zie veel duizend dingen
Op mijne levensbaan
Het goede en het schone
Het trekt mij krachtig aan.

Goddank! dat nog mijn polsslag
Niet even snel steeds gaat
Goddank! dat nog 't onstuimig bloed           
Mijn zielstoestand verraadt.

Mijn hart heeft liefde nodig
Gelijk een bloem de zon -
Moet ik het dan verstenen
Waar het u minnen kon?

De jonge plant der liefde
Zo welig opgegroeid
Moet zij met tak en wortel
Voor immer uitgeroeid?


1876

Jeugd-verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:48 Reageer op dit bericht

snelducht

Een gedicht van Alberdinck Thijm 1820-1889

SNELDICHT.

1.

't Is jammer, daar zijn doornen aan de rozen!
Zo klaagt de pessimist, naar 't redeloos gebruik.
Wij danken God, dat Hij, voor braven en voor bozen,
Met schone rozen siert de wrede doornestruik.

2.

,,Voor allen Vrijheid!" eist de meerderheid der kranten. ,,Althans," zo gaan zij voort, „voor onze geestverwanten."

3.

,,Ik denk, dus ben ik," spreekt de keur der theoristen.
,,'k Bemin, dus zal ik zijn," vervoegt ter-stond de Christen.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:12 Reageer op dit bericht

vlammetje

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Een purperen vlammetje

Een purperen vlammetje,
kreitst en kranst
een vlinder, een vuurrode vlinder,
en glanzedanst
en zwiert en zwaait
en licht en laait

nu hier dan ginder,
doch komt en keert altoos, altoos
naar de zelfde roos!

Duizend bloemen met open monde,
duizend bloemen geuren in 't ronde...
De vlammende vlinder ziet er één
en anders geen!
Het purperen vonkje kreitst en kranst
en glanzedanst
daarheen
alleen!

Die roos ben jij,
de vlinder... mijn gedachte!
Bedroefd of blij,
zó dag als nachte
bij jou is hij!

Zomervlammen (1920)


schrijver

 
 
 
 
Geschreven door Dora om 13:48 Reageer op dit bericht

winterstilte

Een gedicht vsan Jacqueline van der Waals 1868-1922
 
 

WINTERSTILTE

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witte rijp beijzeld.

De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.

schrijver

 
 
 
Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Margtiet van Essen 1751-1793

Aan de dood

Slechts een slaaf der lusten schildert
U zo vreselijk en wreed!
Hij die gans verlaagd, verwilderd,
Van geen angst of tranen weet.

Mild en vriendlijk komt gij tegen
’t Bloedend hart – o dood! hoe streelt
Arme strijdren, op hun wegen,
Menigmaal, uw vreselijk beeld!

Gij voert hen, in stiller streken.
Hier gaan ze onder  ’t kruis gebukt,
Hier zijn ze onder het pak bezweken,
Dat hun zwakke schouders drukt!

Zij gebruiken schild - noch wapen,
’t Hoofd is hun van ’t schreien warm –
Ach! En onbekommerd slapen
Zij zo zacht in uwe arm.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:18 Reageer op dit bericht

lezeressen

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

AAN ENE MIJNER LEZERESSEN.

Ach! wat kust ge deze verzen,
Lieve schone, kus ze niet:
Of zijn verzen zo veel waardig,
Wees dan, schone, wees rechtvaardig,
Ik ben louter minnelied!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

nachtegalen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

 

 

Nachtegalen

Ik leef in nacht, maar mane-schijn is buiten,
Die leeft in twinkelende vooglen-slag,
Ik zie hem schijnen door de onzichtbre ruiten,
Ik wacht, maar ik verlang niet naar de dag

Ondergedompeld wezend ganslijk, ach!
In dit zwart meer, o liefelijk geluid en
Wat uit zwart donkre spiegel òp komt fluiten,
Licht-lieve volk in wat àl duister zag,

Gij komt òp-duikend in lucht' legerscharen,
Licht-glans-gewapend in dees donkre wereld,

O lieve, o onverwachte, o lichte paren,
U stortend willend golfje in zee bepareld.

Het donker blijft en blijft, mij wèl welkomme,
Zwart donkre flonker-grot is om me en om me.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:38 Reageer op dit bericht

lichte Willem

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1761-1818

 

Lichte Willem.

Wijs: Hoe lang zal ik bedroefde minnaar blijven.

Wel daar ben ik recht pover afgekomen,
Wat was die meid een sier en spijtig ding,
Ja zij scheen zelf mijn dreigen niet te schromen.
Omdat ik maar een kleinigheid beging,
Heeft zij terstond een talhout opgenomen,
‘Acht gij mij dan', dus sprak zij, 'zo gering.

Wel snode vent! ik voel mijn leden beven,
Is dat manier'.. Toen werd ik ook wat kwaad,
En ik begon ook vuil bescheid te geven,
Maar wat ik sprak, zij gloeide als een karnaat.
‘Weg', riep ze toen, 'of vrees zelf voor je leven,
Ondeugend mens, die'k als een duivel haat'.

Toen trok ik af, en ben voorwaar bewogen,
Met welk een moed beschermde zij haar eer.
Ik heb er veel, 'k beken het, reeds bedrogen,
Maar nimmer bood een zoveel tegenweer.
'k Werd waarlijk bang voor 't gloeien van haar ogen,
En sloeg voor 't eerst beschaamd mijn ogen neer.

Zot, die ik ben, nu heb ik haar verloren.
En ik had zelf tot vrouw wel zin in haar,
Een beter man zal zeker haar bekoren,
En ik, helaas! ik zwerf vast hier en daar,
Och was mij ook een brave vrouw beschoren.
Wat word ik hier een knaging thans gewaar.

Als ik nu mij wat beter ga gedragen,
Dan vind ik licht nog eens een brave vrouw.
Kom! ik zal dan geen meisjes meer belagen,
Maar bieden een mijn hand en hart op trouw,
En Kaatje zal ik om vergifnis vragen,
Ja tonen haar een ongeveinsd berouw.

Volks lieden-boek (1785)

schrijver

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

poëzie

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

 

En ik herken haar! De Geest der Poëzie

En ik herken haar! De Geest der Poëzie,
Die altijd was', der Mensheid hoogst Genie,
't Streven der Mensheid naar oneindge Vrijheid
En daardoor ook haar oneindige Blijheid.

Ik ken haar. Zij is mijn gouden Geliefde
Uit de Poëten der wereld, gouden vreugd.
Ik ken haar. Zij was in mijn gouden jeugd,
Van mijn geboorte af, mijn één'ge Liefde.

Maar hoe onmetelijk is zij veranderd!
Zij omstraalt nu rondom de gehele aarde,
Oneindig gouder, lichter, is haar licht,
De ganse Mensheid is nu haar gedicht,

Oneindig is de Vrijheid die haar baarde. -
En toch, Geliefde, gij zijt niet veranderd.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

geluk

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924
HET TOEVALLIG GELUK

Door de nachtelijke stad,
Langs verlaten wegen,
Vult mijn geest zich met de schat
Van een stille zegen.
Nog gebogen door de druk
Van het mensenleven,
Vind ik menselijk geluk,
Waar geen mensen streven.
Uit het troosteloze zwart
En uit donkre hoeken
Daalt de vrede in mijn hart,
Dat moe is van zoeken.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

vrij

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

VRIJ NAAR CATULLUS' 51ste CARMEN.

Een God zou mij 't geluk benijden,
Als ik door uwe blik geboeid,
Mij in uw liefde mocht verblijden,
In geestdrift voor uw schoon ontgloeid.

Met lieflijkheden overtogen,
Hebt gij door uwe zilv'ren lach,
Door 't glinst'ren van uw vlammende ogen
Mijn wil verlamd van dag tot dag.

Gij hebt de denkkracht mij ontnomen,
Gij hebt mijn oog gehuld in nacht;
Ach! hoever moet het met mij komen,
Gekluisterd zó in uwe macht?

Gij deed verstommen de gebeden,
Die opwaarts welden uit mijn hart;
Gij hebt door uw bekoorlijkheden
Mijn zinnen altemaal verward.

'k Hoor niets meer in mijn oren ruisen
Dan uwer stemme zoet geluid;
'k Voel door mijn bloed een vuurstroom bruisen,
Die door geen rede wordt gestuit.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:24 Reageer op dit bericht

de nachtegaal

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910
 

De Nachtegaal

Zong daar de nachtegaal? De gouden maan
Drijft droomrig in een wolk, blond van haar glans,
Door 't blauw, zo blauw als maar één enkle maal
De zee was, kalm, toen Afrodites lijf
In goudschelp stijgend als die maanschijf rond
Een kring van lichtend schuim om 't ranke bootje
Deed glinstren, als dat wolkje donzig-teer...

Zong daar de nachtegaal? Hoort gij hem, liefste?
In 't berkenbosje of 't lage hout verscholen
Doet hij zijn trillende en toch klare tonen
Vragen en klagen, ach, zo vol van dromen
Als 't bleke luchtrood achter zilverbomen,
Ach, als mijn ziel, die eens ook teder zong...
Liefste, is ons leven niet een wondre droom?

De dagen zijn een hooge en grijze laan,
Waardoor wij hand in hand tevreden lopen,
Glimlachend vaak, wanneer we elkanders ogen
Zien flonkren van een kalme manestraal...
Maar soms, uit 't bos, lokt ons een zoet gefluit
En 't kwinkeleren in dien dromentuin
Doet ons ontroerd elkaar in de armen zinken...

Zong daar de nachtegaal? O, dat ook mijn zang
Weer liefelijk en droomrig-teder klinke,
Maar niet meer vragend, klagend, doch een lente
Van jubeltonen in zijn ritmen dragend,
Tot een verkonding van ons diep geluk!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

zachte

Een gedicht van Matie Boddaert 1844-1914

 

 

Van zachte waatren.

Zij komen geschoven, zoetjes geschoven,
Hobbelbobbel, kristallig klaar,
Met korte klokjes even naar boven,
Zijigjes achter en naast elkaar;
Van ver weg, langs stille vlakte,
Uit diepe, koele, milde wel,
Droomrig groen onder 't groen getakte,
Zonnighel onder 't zonnespel;
Dommelzacht in den schaduwdommel,
Waar 't langs 't bruine huisje glijdt;
Vaagjes slaande met licht geschommel
Tegen des vondertjes vastigheid;
Even fronslend om een voetje,
Spiegelwiegelend het beeld
Van klein mensje, een kindersnoetje,
Waar veel warig haar om speelt;
Dan àl glans weer tussen wije
Groene weideweelden voort,
Naar 't afdalend blauwe vrije,
Waar een zilvrig stadje gloort;

Blanker, klaarder - o zo'n lange
Baan van tintelvrolijk licht,
Zonne's volheid opgevangen:
Blijend heel het vergezicht!
Altijd verder, zachtjes, zoetjes
In breedvredig voortgewoel:
Waatren stil op glanzevoetjes
Eén van zin naar 't verre doel....

Serena (1898) Liedjes

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten