Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

winterstilte

Een gedicht vsan Jacqueline van der Waals 1868-1922
 
 

WINTERSTILTE

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witte rijp beijzeld.

De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.

schrijver

 
 
 
Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

dood

Een gedicht van Margtiet van Essen 1751-1793

Aan de dood

Slechts een slaaf der lusten schildert
U zo vreselijk en wreed!
Hij die gans verlaagd, verwilderd,
Van geen angst of tranen weet.

Mild en vriendlijk komt gij tegen
’t Bloedend hart – o dood! hoe streelt
Arme strijdren, op hun wegen,
Menigmaal, uw vreselijk beeld!

Gij voert hen, in stiller streken.
Hier gaan ze onder  ’t kruis gebukt,
Hier zijn ze onder het pak bezweken,
Dat hun zwakke schouders drukt!

Zij gebruiken schild - noch wapen,
’t Hoofd is hun van ’t schreien warm –
Ach! En onbekommerd slapen
Zij zo zacht in uwe arm.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:18 Reageer op dit bericht

lezeressen

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

AAN ENE MIJNER LEZERESSEN.

Ach! wat kust ge deze verzen,
Lieve schone, kus ze niet:
Of zijn verzen zo veel waardig,
Wees dan, schone, wees rechtvaardig,
Ik ben louter minnelied!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

nachtegalen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

 

 

Nachtegalen

Ik leef in nacht, maar mane-schijn is buiten,
Die leeft in twinkelende vooglen-slag,
Ik zie hem schijnen door de onzichtbre ruiten,
Ik wacht, maar ik verlang niet naar de dag

Ondergedompeld wezend ganslijk, ach!
In dit zwart meer, o liefelijk geluid en
Wat uit zwart donkre spiegel òp komt fluiten,
Licht-lieve volk in wat àl duister zag,

Gij komt òp-duikend in lucht' legerscharen,
Licht-glans-gewapend in dees donkre wereld,

O lieve, o onverwachte, o lichte paren,
U stortend willend golfje in zee bepareld.

Het donker blijft en blijft, mij wèl welkomme,
Zwart donkre flonker-grot is om me en om me.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:38 Reageer op dit bericht

lichte Willem

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1761-1818

 

Lichte Willem.

Wijs: Hoe lang zal ik bedroefde minnaar blijven.

Wel daar ben ik recht pover afgekomen,
Wat was die meid een sier en spijtig ding,
Ja zij scheen zelf mijn dreigen niet te schromen.
Omdat ik maar een kleinigheid beging,
Heeft zij terstond een talhout opgenomen,
‘Acht gij mij dan', dus sprak zij, 'zo gering.

Wel snode vent! ik voel mijn leden beven,
Is dat manier'.. Toen werd ik ook wat kwaad,
En ik begon ook vuil bescheid te geven,
Maar wat ik sprak, zij gloeide als een karnaat.
‘Weg', riep ze toen, 'of vrees zelf voor je leven,
Ondeugend mens, die'k als een duivel haat'.

Toen trok ik af, en ben voorwaar bewogen,
Met welk een moed beschermde zij haar eer.
Ik heb er veel, 'k beken het, reeds bedrogen,
Maar nimmer bood een zoveel tegenweer.
'k Werd waarlijk bang voor 't gloeien van haar ogen,
En sloeg voor 't eerst beschaamd mijn ogen neer.

Zot, die ik ben, nu heb ik haar verloren.
En ik had zelf tot vrouw wel zin in haar,
Een beter man zal zeker haar bekoren,
En ik, helaas! ik zwerf vast hier en daar,
Och was mij ook een brave vrouw beschoren.
Wat word ik hier een knaging thans gewaar.

Als ik nu mij wat beter ga gedragen,
Dan vind ik licht nog eens een brave vrouw.
Kom! ik zal dan geen meisjes meer belagen,
Maar bieden een mijn hand en hart op trouw,
En Kaatje zal ik om vergifnis vragen,
Ja tonen haar een ongeveinsd berouw.

Volks lieden-boek (1785)

schrijver

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

poëzie

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

 

En ik herken haar! De Geest der Poëzie

En ik herken haar! De Geest der Poëzie,
Die altijd was', der Mensheid hoogst Genie,
't Streven der Mensheid naar oneindge Vrijheid
En daardoor ook haar oneindige Blijheid.

Ik ken haar. Zij is mijn gouden Geliefde
Uit de Poëten der wereld, gouden vreugd.
Ik ken haar. Zij was in mijn gouden jeugd,
Van mijn geboorte af, mijn één'ge Liefde.

Maar hoe onmetelijk is zij veranderd!
Zij omstraalt nu rondom de gehele aarde,
Oneindig gouder, lichter, is haar licht,
De ganse Mensheid is nu haar gedicht,

Oneindig is de Vrijheid die haar baarde. -
En toch, Geliefde, gij zijt niet veranderd.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

geluk

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924
HET TOEVALLIG GELUK

Door de nachtelijke stad,
Langs verlaten wegen,
Vult mijn geest zich met de schat
Van een stille zegen.
Nog gebogen door de druk
Van het mensenleven,
Vind ik menselijk geluk,
Waar geen mensen streven.
Uit het troosteloze zwart
En uit donkre hoeken
Daalt de vrede in mijn hart,
Dat moe is van zoeken.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:44 Reageer op dit bericht

vrij

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

VRIJ NAAR CATULLUS' 51ste CARMEN.

Een God zou mij 't geluk benijden,
Als ik door uwe blik geboeid,
Mij in uw liefde mocht verblijden,
In geestdrift voor uw schoon ontgloeid.

Met lieflijkheden overtogen,
Hebt gij door uwe zilv'ren lach,
Door 't glinst'ren van uw vlammende ogen
Mijn wil verlamd van dag tot dag.

Gij hebt de denkkracht mij ontnomen,
Gij hebt mijn oog gehuld in nacht;
Ach! hoever moet het met mij komen,
Gekluisterd zó in uwe macht?

Gij deed verstommen de gebeden,
Die opwaarts welden uit mijn hart;
Gij hebt door uw bekoorlijkheden
Mijn zinnen altemaal verward.

'k Hoor niets meer in mijn oren ruisen
Dan uwer stemme zoet geluid;
'k Voel door mijn bloed een vuurstroom bruisen,
Die door geen rede wordt gestuit.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:24 Reageer op dit bericht

de nachtegaal

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910
 

De Nachtegaal

Zong daar de nachtegaal? De gouden maan
Drijft droomrig in een wolk, blond van haar glans,
Door 't blauw, zo blauw als maar één enkle maal
De zee was, kalm, toen Afrodites lijf
In goudschelp stijgend als die maanschijf rond
Een kring van lichtend schuim om 't ranke bootje
Deed glinstren, als dat wolkje donzig-teer...

Zong daar de nachtegaal? Hoort gij hem, liefste?
In 't berkenbosje of 't lage hout verscholen
Doet hij zijn trillende en toch klare tonen
Vragen en klagen, ach, zo vol van dromen
Als 't bleke luchtrood achter zilverbomen,
Ach, als mijn ziel, die eens ook teder zong...
Liefste, is ons leven niet een wondre droom?

De dagen zijn een hooge en grijze laan,
Waardoor wij hand in hand tevreden lopen,
Glimlachend vaak, wanneer we elkanders ogen
Zien flonkren van een kalme manestraal...
Maar soms, uit 't bos, lokt ons een zoet gefluit
En 't kwinkeleren in dien dromentuin
Doet ons ontroerd elkaar in de armen zinken...

Zong daar de nachtegaal? O, dat ook mijn zang
Weer liefelijk en droomrig-teder klinke,
Maar niet meer vragend, klagend, doch een lente
Van jubeltonen in zijn ritmen dragend,
Tot een verkonding van ons diep geluk!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

zachte

Een gedicht van Matie Boddaert 1844-1914

 

 

Van zachte waatren.

Zij komen geschoven, zoetjes geschoven,
Hobbelbobbel, kristallig klaar,
Met korte klokjes even naar boven,
Zijigjes achter en naast elkaar;
Van ver weg, langs stille vlakte,
Uit diepe, koele, milde wel,
Droomrig groen onder 't groen getakte,
Zonnighel onder 't zonnespel;
Dommelzacht in den schaduwdommel,
Waar 't langs 't bruine huisje glijdt;
Vaagjes slaande met licht geschommel
Tegen des vondertjes vastigheid;
Even fronslend om een voetje,
Spiegelwiegelend het beeld
Van klein mensje, een kindersnoetje,
Waar veel warig haar om speelt;
Dan àl glans weer tussen wije
Groene weideweelden voort,
Naar 't afdalend blauwe vrije,
Waar een zilvrig stadje gloort;

Blanker, klaarder - o zo'n lange
Baan van tintelvrolijk licht,
Zonne's volheid opgevangen:
Blijend heel het vergezicht!
Altijd verder, zachtjes, zoetjes
In breedvredig voortgewoel:
Waatren stil op glanzevoetjes
Eén van zin naar 't verre doel....

Serena (1898) Liedjes

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

VAN EEN LIEF VROUWENBEELD.

Gij, fris on lieflijk vrouwenbeeld,
Geboren op de Vlaamse wei,
Gij, die gemoed en harte streelt,
Als de eerste schone dag van Mei,
Zo zoet!

De gele golven van de Scheld'
Gelijken uwer lokkenpracht;
Uw wang, een geurige roos uit 't veld,
Waarop de zielenvrede lacht
Vol gloed!

Uw gang is licht gelijk de wind,
Uw lichaam slank als ene slang,
Gij dartelt als een argloos kind,
Dat springt door haag en bloemenhang,
Vol glans!

Hoe klinkt uw stem, hoe rolt uw woord,
Een zuiver Vlaams en rein akkoord,
Dat meest nog mijne ziel bekoort,
Omdat uw hart niet werd vermoord
Door 't Frans.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De nacht, de zwoele nacht

De nacht, de zwoele nacht heeft me als een wijn bevangen.
Terwijl een schijnen-rijke wâ mijn brein omwindt,
komt uit de diept geen dageraad mij tegen-langen,
omvangt me een woel'ge duisternisse die mij bindt.

Ik ben geen bake; geen verwijlen, geen verbeiden;
geen duizeling van hoop, geen duizeling van dood.
Ik ben alleen, bij holle ontstentenis van lijden,
ik ben niet meer dan lijdelijk een moeder-schoot.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

sinds

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

 

Sinds ik het weet...

Sinds ik het weet - ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het boze woord te noemen, dat bij 't spreken
Lacht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, -

Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,
De schoonheid en de zoetheid aller dingen,
Die mij alom omgeuren en omringen,
Nog wèl zo liefelijk en wèl zo zoet,

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer
Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,
Het is of ieder zintuig en vermogen
Nog fijner werd en scherper dan weleer,

Sinds ik het weet, treed ik, wie ik ontmoet,
De vreemden en de vrienden op mijn wegen,
Ontroerder en vertrouwelijker tegen,
En 'k groet ze met een vriendelijker groet,

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
En vaak, in d'ernst van 't aardse spel verloren,
Zo ernstig en zo diep als ooit te voren,
Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

zondvloed

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

Zondvloed Monosyllabi.

Hoog en lang,
Diep van gang,
Breed en stark
Was de Ark:
Daar in klam
Sem en Cham,
Met zijn Broer,
Vaêr en Moer,
En nog die
Wijfs daar bie.
Al het vee
Had daar stee,
Hert en Hind',
Brak en Wind',
Peerd en Os,
Haas en Vos,
Beer en Leeuw,
Roek en Spreeuw,
Los en Das
Hier ook was.
Uil en Aap,
Bok en Schaap,
Ooi en Ram
Daar in klam.
Hen en Haan,
Specht en Kraan,
Duif en Pauw,
Meerl en Kauw,
Mus en Vink
Daar in gink.
Raaf en Gier
Vond men hier.
Kraai en Snip
Sprong in 't schip.
Valk en Struis
Lag daar t'huis.
Draak en Slang
Men hier dwang.
Hond en Kat,
Muis en Rat,
Kwaad en goed,
Fel en zoet,
Groot en klein,
Vuil en rein;
Al wat vloog
In het droog,
Al wat kroop,
Of zijn loop
Had op 't land
Kwam ter hand.
Wat men niet
In en liet
Mens en Beest
Gaf de geest
In de grond,
Om de zond',
Die het al
Bracht ten val.
Paar en paar
Steeg daar naar
Weer van boord,
Na Gods woord,
Die liet af
Van zijn straf.

Hem, de Heer,
Zij de eer.

-----------------
Zondvloed - zie het verhaal van de ark in de Bijbel: Genesis 6-8
Monosyllabi: (vers bestaande uit) eenlettergrepige woorden.

nog drie wijfs: nl. die van Sem, Cham en Jafeth.
brak - jachthond
wind'- windhond
ter  hand - volgzaam
fel en zoet - bloeddorstig en zachtaardig
in de grond -  op aarde
in het droog - op het land
daar naar - daarna
liet af - afzag

Over-ysselsche Sangen en Dichten (1630)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:14 Reageer op dit bericht

missus

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
 
Missus est Angelus...

Kom, kom, keerselicht ontsteken,
eer de nacht aan 't wijken gaat,
hoort gij 't haantje lustig preken?
Kom, sta op, de klokke slaat!

't Is Gods Engel die 't verkondigt,
dat Messias u verwacht,
die gedoold hebt, die gezondigd,

dag en nacht!

Missus est ..., de gulden Messe en
valt maar eens in gans het jaar;
komt, ontwijkt de duisternessen
van de nacht, en gaan we ernaar!

't Is Gods Engel...

"Wees gegroet, o vol genaden!"
voortgebaand, op Gods gelee,
diepe en vastgedamde paden,
door de vers gevallen snee!

't Is Gods Engel...

Heel de kerke, bin en buiten,
spreidt, o helder nachtgezicht! dóór
de bontgebrande ruiten,
't duizendverwig keerselicht!

't Is Gods Engel...

Ja, het Woord is vlees geworden,
gulden Messe, en uw gestraal
geeft de eeuwenlang verdorden
mensenboom weer zegepraal!

't Is Gods Engel...


1883

schrijver

 
 
 
Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

avondstond

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824
 
 

BESPIEGELING BIJ ENE AVONDSTOND.

Aan ene stille vliet gezeten
Waar 't avondrood mij zacht omschijnt,
En langzaam aan de effen hemel
In telkens bleker stralen kwijnt,
Denk ik de jaren, die verdwenen
Als de eeuwig voortgestuwde baar
En tranen zwellen in mijne ogen,
En treurig eenzaam zit ik daar.
't Wordt alles scheemring om mij henen,
En ijlings schijnt de lieve dood
Mij minzaam, teder aan te lachen
In 't zachtverkwijnend avondrood.
Hij toont mij 't koele land der ruste,
Waar de ongestoorde vrede blinkt,
Of hier de voorspoed rozen regent,
Of de aarde bloed en tranen drinkt.
Dáár wordt geen dwingland meer gevonden,
Geen slaaf, die voor zijn oogwenk beeft;
Dáár wordt geen grootheid ooit gehuldigd,
Dan die de deugd tot grondzuil heeft.
Dáár zal de vriendschap eeuwig wezen,
Waar eigenbaat en dwaling vliedt;
Dáár juicht de nooit verdoofbre Liefde,
En bange scheiding woont er niet.
0, wijkplaats voor het eenzaam harte,
Dat alles, wat het minde, derft,
En bij het zoet en wreed herdenken,
Hier daaglijks duizend doden sterft!

Ja, menig puikroos teelt deze aarde,
Maar, ach! nauw boeit zich 't hart er aan,
Of spoedig schroeit de zon haar bladen,
En zij verwelkt op onze paân.
Ik had een vaderland voor deze,
Dat mij zo teer aan zich verbond;
Ik zag het voor mijn oog verzinken,
En treurde op enen vreemde grond;
Mijn hart had lieve, dierbre vrienden,
Zij scheurden van mijn hart zich af;
Ik zag voor 't laatst hen op de bare,
En volgde snikkend hen naar 't graf.
Al wat ons 't aanzijn eens deed minnen,
Geliefden, Oudren, Kindren, Gâ,
Het zwijmt daarheen - het einde is derven,
En 't scheurend harte weent het na.
0, dood! dan is uw schrik geweken,
Dan hebt gij niets, waar 't hart voor beeft,
Dan zijt ge een Engel van Gods liefde,
Die ons aan de onzen wedergeeft.
Dan denkt de ziel aan u met weelde
Als aan een koele laafnisbron,
En voelt, dat slechts de beste Vader
U aan deze aarde schenken kon.
Dan zijt ge ons, wat de matte pelgrim
De slaap is na een lange nood.
Wij strekken u onze armen tegen,
En zinken vrolijk in uw schoot.

schrijver

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Geschreven door Dora om 18:51 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

Het Lichte Beeld

Als wij, na nachten loom van liefde, ontwaken
En onze droom verkwijnt in 't morgenlicht
Zal, lief, mijn hand uw naaktheid strelend raken,
Uw zachte leden en uw aangezicht.

En al de dagen naar wier stil genaken
Zo lang ons droef verbeiden was gericht
Zullen wij samen zoete vreugden smaken
En fluistrend gaan of mijmren, de ogen dicht.

En als de grijze schemeringen zijgen
Zullen wij door haar tederheid ontroerd
Ons baden in een wijde zee van zwijgen,

Totdat de nacht ons naar de sponde voert
Waar mijn verlangen tot uw lach zal nijgen,
Ons beider ziel door één geluk omsnoerd.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

 

Engelen blijmaar *

Verhef u tot uw God en Vader,
Mijn ziel, tot aller Schepslen God!
Ontspringe uit dankbaar bruisende ader
De vreugd om uw gezegend lot!
De onfeilbre Godsstem had gezworen:
De Heldraak duikt de spitse kop;
En de Englen blijmaar doet zich horen:
Der volken Heiland is geboren,
De Hemel gaat de doemling op!


1824.

* blijmaar - blijde boodschap

schrijver

 

 

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

't Leed van de winter

't Leed van de winter
Maakt ons de lente
Lieflijk en zoet.

't Leed van het strijden
Maakt de overwinning
Heerlijk en groot.

Dor was het aardrijk;
God is gekomen:
Alles herleeft.

't Graf is Gods akker:
Jesus zal komen;
Alles herleeft.

Zangen

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:57 Reageer op dit bericht

woord

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Ik bind u binnen 't woord

Ik bind u binnen 't Woord, o Jaar, gelijk de boom
u binnen 't harsig barsten bindt der harde schorse;
gelijk, alnaar 't getij ze geeslen zal of schorsen,
u van zijn vloeden spoele' of keetnen komt de stroom;

gelijk de wind u vat in 't wervlen van zijn norse
geweld, of in de duw van 's zomers lauw geloom;
gelijk de zon, die, wáar uw reize kere of koom',
in 't midden van de kreits haar toortse staat te torsen.

Ik bind u binnen 't Woord, de Mate en het Getal,
dat, binnen 't dansen der cadans éen en verscheiden,
dat, binnen 't veren van de ritmen en hun val,

mijn vers, o Jaar, wie 't leest en peinzend smaken zal,
treurt 't eigen kort bestaan om 't vluchten der getijden,
van 't eeuwig schoon, u, Jaar, geleend, zijn ziel verblijde.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:18 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten