Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

sinds

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

 

Sinds ik het weet...

Sinds ik het weet - ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het boze woord te noemen, dat bij 't spreken
Lacht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, -

Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,
De schoonheid en de zoetheid aller dingen,
Die mij alom omgeuren en omringen,
Nog wèl zo liefelijk en wèl zo zoet,

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer
Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,
Het is of ieder zintuig en vermogen
Nog fijner werd en scherper dan weleer,

Sinds ik het weet, treed ik, wie ik ontmoet,
De vreemden en de vrienden op mijn wegen,
Ontroerder en vertrouwelijker tegen,
En 'k groet ze met een vriendelijker groet,

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
En vaak, in d'ernst van 't aardse spel verloren,
Zo ernstig en zo diep als ooit te voren,
Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zondvloed

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

Zondvloed Monosyllabi.

Hoog en lang,
Diep van gang,
Breed en stark
Was de Ark:
Daar in klam
Sem en Cham,
Met zijn Broer,
Vaêr en Moer,
En nog die
Wijfs daar bie.
Al het vee
Had daar stee,
Hert en Hind',
Brak en Wind',
Peerd en Os,
Haas en Vos,
Beer en Leeuw,
Roek en Spreeuw,
Los en Das
Hier ook was.
Uil en Aap,
Bok en Schaap,
Ooi en Ram
Daar in klam.
Hen en Haan,
Specht en Kraan,
Duif en Pauw,
Meerl en Kauw,
Mus en Vink
Daar in gink.
Raaf en Gier
Vond men hier.
Kraai en Snip
Sprong in 't schip.
Valk en Struis
Lag daar t'huis.
Draak en Slang
Men hier dwang.
Hond en Kat,
Muis en Rat,
Kwaad en goed,
Fel en zoet,
Groot en klein,
Vuil en rein;
Al wat vloog
In het droog,
Al wat kroop,
Of zijn loop
Had op 't land
Kwam ter hand.
Wat men niet
In en liet
Mens en Beest
Gaf de geest
In de grond,
Om de zond',
Die het al
Bracht ten val.
Paar en paar
Steeg daar naar
Weer van boord,
Na Gods woord,
Die liet af
Van zijn straf.

Hem, de Heer,
Zij de eer.

-----------------
Zondvloed - zie het verhaal van de ark in de Bijbel: Genesis 6-8
Monosyllabi: (vers bestaande uit) eenlettergrepige woorden.

nog drie wijfs: nl. die van Sem, Cham en Jafeth.
brak - jachthond
wind'- windhond
ter  hand - volgzaam
fel en zoet - bloeddorstig en zachtaardig
in de grond -  op aarde
in het droog - op het land
daar naar - daarna
liet af - afzag

Over-ysselsche Sangen en Dichten (1630)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:14 Reageer op dit bericht

missus

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
 
Missus est Angelus...

Kom, kom, keerselicht ontsteken,
eer de nacht aan 't wijken gaat,
hoort gij 't haantje lustig preken?
Kom, sta op, de klokke slaat!

't Is Gods Engel die 't verkondigt,
dat Messias u verwacht,
die gedoold hebt, die gezondigd,

dag en nacht!

Missus est ..., de gulden Messe en
valt maar eens in gans het jaar;
komt, ontwijkt de duisternessen
van de nacht, en gaan we ernaar!

't Is Gods Engel...

"Wees gegroet, o vol genaden!"
voortgebaand, op Gods gelee,
diepe en vastgedamde paden,
door de vers gevallen snee!

't Is Gods Engel...

Heel de kerke, bin en buiten,
spreidt, o helder nachtgezicht! dóór
de bontgebrande ruiten,
't duizendverwig keerselicht!

't Is Gods Engel...

Ja, het Woord is vlees geworden,
gulden Messe, en uw gestraal
geeft de eeuwenlang verdorden
mensenboom weer zegepraal!

't Is Gods Engel...


1883

schrijver

 
 
 
Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

avondstond

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824
 
 

BESPIEGELING BIJ ENE AVONDSTOND.

Aan ene stille vliet gezeten
Waar 't avondrood mij zacht omschijnt,
En langzaam aan de effen hemel
In telkens bleker stralen kwijnt,
Denk ik de jaren, die verdwenen
Als de eeuwig voortgestuwde baar
En tranen zwellen in mijne ogen,
En treurig eenzaam zit ik daar.
't Wordt alles scheemring om mij henen,
En ijlings schijnt de lieve dood
Mij minzaam, teder aan te lachen
In 't zachtverkwijnend avondrood.
Hij toont mij 't koele land der ruste,
Waar de ongestoorde vrede blinkt,
Of hier de voorspoed rozen regent,
Of de aarde bloed en tranen drinkt.
Dáár wordt geen dwingland meer gevonden,
Geen slaaf, die voor zijn oogwenk beeft;
Dáár wordt geen grootheid ooit gehuldigd,
Dan die de deugd tot grondzuil heeft.
Dáár zal de vriendschap eeuwig wezen,
Waar eigenbaat en dwaling vliedt;
Dáár juicht de nooit verdoofbre Liefde,
En bange scheiding woont er niet.
0, wijkplaats voor het eenzaam harte,
Dat alles, wat het minde, derft,
En bij het zoet en wreed herdenken,
Hier daaglijks duizend doden sterft!

Ja, menig puikroos teelt deze aarde,
Maar, ach! nauw boeit zich 't hart er aan,
Of spoedig schroeit de zon haar bladen,
En zij verwelkt op onze paân.
Ik had een vaderland voor deze,
Dat mij zo teer aan zich verbond;
Ik zag het voor mijn oog verzinken,
En treurde op enen vreemde grond;
Mijn hart had lieve, dierbre vrienden,
Zij scheurden van mijn hart zich af;
Ik zag voor 't laatst hen op de bare,
En volgde snikkend hen naar 't graf.
Al wat ons 't aanzijn eens deed minnen,
Geliefden, Oudren, Kindren, Gâ,
Het zwijmt daarheen - het einde is derven,
En 't scheurend harte weent het na.
0, dood! dan is uw schrik geweken,
Dan hebt gij niets, waar 't hart voor beeft,
Dan zijt ge een Engel van Gods liefde,
Die ons aan de onzen wedergeeft.
Dan denkt de ziel aan u met weelde
Als aan een koele laafnisbron,
En voelt, dat slechts de beste Vader
U aan deze aarde schenken kon.
Dan zijt ge ons, wat de matte pelgrim
De slaap is na een lange nood.
Wij strekken u onze armen tegen,
En zinken vrolijk in uw schoot.

schrijver

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Geschreven door Dora om 18:51 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

Het Lichte Beeld

Als wij, na nachten loom van liefde, ontwaken
En onze droom verkwijnt in 't morgenlicht
Zal, lief, mijn hand uw naaktheid strelend raken,
Uw zachte leden en uw aangezicht.

En al de dagen naar wier stil genaken
Zo lang ons droef verbeiden was gericht
Zullen wij samen zoete vreugden smaken
En fluistrend gaan of mijmren, de ogen dicht.

En als de grijze schemeringen zijgen
Zullen wij door haar tederheid ontroerd
Ons baden in een wijde zee van zwijgen,

Totdat de nacht ons naar de sponde voert
Waar mijn verlangen tot uw lach zal nijgen,
Ons beider ziel door één geluk omsnoerd.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

 

Engelen blijmaar *

Verhef u tot uw God en Vader,
Mijn ziel, tot aller Schepslen God!
Ontspringe uit dankbaar bruisende ader
De vreugd om uw gezegend lot!
De onfeilbre Godsstem had gezworen:
De Heldraak duikt de spitse kop;
En de Englen blijmaar doet zich horen:
Der volken Heiland is geboren,
De Hemel gaat de doemling op!


1824.

* blijmaar - blijde boodschap

schrijver

 

 

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

't Leed van de winter

't Leed van de winter
Maakt ons de lente
Lieflijk en zoet.

't Leed van het strijden
Maakt de overwinning
Heerlijk en groot.

Dor was het aardrijk;
God is gekomen:
Alles herleeft.

't Graf is Gods akker:
Jesus zal komen;
Alles herleeft.

Zangen

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:57 Reageer op dit bericht

woord

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Ik bind u binnen 't woord

Ik bind u binnen 't Woord, o Jaar, gelijk de boom
u binnen 't harsig barsten bindt der harde schorse;
gelijk, alnaar 't getij ze geeslen zal of schorsen,
u van zijn vloeden spoele' of keetnen komt de stroom;

gelijk de wind u vat in 't wervlen van zijn norse
geweld, of in de duw van 's zomers lauw geloom;
gelijk de zon, die, wáar uw reize kere of koom',
in 't midden van de kreits haar toortse staat te torsen.

Ik bind u binnen 't Woord, de Mate en het Getal,
dat, binnen 't dansen der cadans éen en verscheiden,
dat, binnen 't veren van de ritmen en hun val,

mijn vers, o Jaar, wie 't leest en peinzend smaken zal,
treurt 't eigen kort bestaan om 't vluchten der getijden,
van 't eeuwig schoon, u, Jaar, geleend, zijn ziel verblijde.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:18 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1944

 

Sterven I

't Is het Leven dat henengaat,
Stadig, stil,
Als zoveel dat altijd verder gaat
En toch niet heengaan wil;

Als elke tik van de klok, die uur
Nà uur slaat,
En nieuwe voortdringt, en ze één voor één,
Eén voor één sterven laat;

Als elke vonk in de vlammende haard,
Vuur een poos,
Door 't vuur geboren, door 't vuur verjaagd
En geblust voor altoos.

Als elke klop van 't harte, warm
Leven-doortrild,
Dat met elke klop toch een levensdrop,
Een dropke levens spilt....

Serena (1898)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

aarde

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

0 AARDE.

O Aarde, Aarde, die in donkre schoot
Het goud bergt en het licht der edelstenen
En 't erts, zo star, èn... de ogen draagt, die wenen      
En lachen om wit, ach! hun staag ontvlood,

Boven 't dra welkend lip- en wangen-rood;
Die op uw vlak, van zon dóór wolk beschenen,
Als ogen lachen door hun tranen henen,
Wel liefst hun leden luchte dans-plaats bood, --

Waartoe ontdolf aan uw zwart ingewand
De mens het erts en 't fonkelend juweel
En 't goud, dat meer soms lokt dan liefst oog-licht,

En gunt ge 't hem als wapen in zijn hand,
Die wis ook anders won hem rijklijk deel
Van al de weeld', die ge uitstalt voor 't gezicht?

schrijver

Geschreven door Dora om 13:48 Reageer op dit bericht

nachten

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

 

 Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend

'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend
al wemelt twijfel in de opalen van mijne ogen;
'k heb in mijn leven meer geloochend dan gelogen,
en zie: de bitterheid ligt om mijn mond versteend.

o Gij, die morgen om mijn laatste bed gebogen,
u voor het raadsel van dees ziele hebt vereênd:
uw zucht trilt door een ijlt die gij vol wisheid meent
en mijn gebrek aan smart vervult gij met meedogen.

Of ik genieten wil dan of ik lijden mag:
ik wacht op tranen in de dorheid van een lach
en 'k vrees mijn tand waar hij de lippe Gods zal bijten.

Ik ben de lafaard die, voor eigen vreugd bedeesd,
zich-zelf van alle paradijzen heeft verweesd,
en 'k voel me schoon alleen waar 'k beef voor zelf-verwijten.

God aan zee I. De heete Asch

schrijver

 

 

Geschreven door Dora om 16:15 Reageer op dit bericht

oerwoud

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

In het oerwoud

Liefde’s wezen is zo teer
en ons hart is het ruige bos
en wij weten haar daar in de wildernis
alléén en van alles los,
van alles, van wereld en schone schijn
om enkel te zijn wat zij is:
een vlam, een verlangen, een felle pijn,
een kreet in de duisternis.

Wie ’t spoor in de bossen bijster raakt
is daar aan de dood gewijd,
en liefde zwerft argeloos en naakt
door ons donkere hart en de tijd
en wij kunnen niet redden, het leven is wreed
en het lot een verscheurend dier
en angst om zijn liefde is ’s mensen leed
door al zijn dagen hier.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

hete pootjes

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
 

HETE POOTJES

Een schalkaard had een bie gevaân
en hield ze bij haar vleren:
"Kom hier! - hij zag een jongske staan! -
kom hier mijn knappe kerel!
Hier heb ik zulk een schoon fatsoen
van beestje, ik wil ‘t u geven:
pas op maar van ‘t niet dood te doen,
en laat het beestje leven.
Kom aan; je hand; doe toe, ‘t vliegt weg;
doe toe want ‘t gaat ontsnappen!"
‘t Kind hield zijn handje toe: "Nie' waar,
hoe schoon dat is, hoe lieflijk!"
Ha! ‘t kindje wierd te laat gewaar
hoe schoon en hoe bedrieglijk.
Het liet het beestje los, en ‘t loech
de traantjes uit zijn oogskes,
en zei ‘t: "Het beestje is schoon genoeg,
maar ‘t heeft zulke hete pootjes.

(december 1860)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:22 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940
O vrouw

O vrouw
in de vlammende brand van Uw haar,
Uw lichaam is zwaar,
Uw lichaam is los,
als een dauwomhangen druiventros,
Uw lichaam is licht
als een bliksemschicht,
Uw lichaam is blank, Uw lichaam is blauw
als de toortsende vlam in een avondschouw;
Uw lichaam is zwoel en zacht en rein
als een donker fluwelen, robijnen wijn.

o vrouw,
Uw ogen zijn vuur in een donker bos
Uw blik laat niet los
en zonder erbarmen!
o vrouw, o Carmen
van lust en verlangen,
Uw armen zijn slangen
en elk gebaar
het sluipend gevaar
van heimlijke drangen,
totdat...
totdat eindelijk zij rusten
als sluimerende lusten
albast blanke banen,
roerloze lianen
waaraan Uw handen dan hangen
als bleke bloemen, geuren zwaar.

De zon....
de zon is een lont,
die steekt in brand
de aarde, het land
de smachtende grond.
0, de zon is Uw mond
en Uw hijgende zucht
is de trillende lucht.
De zon is te heet
't geluk brandt als leed
en bloed gloeit in de wijnen.
O sluit met luiken dicht
met luiken en gordijnen,
alleen Uw ogenlicht
alleen Uw zielebrand
Uw hart, Uw mond, Uw hand,
alleen Uw doorgloeide verschijnen.

O vrouw,
zon in zonnestralen,
Uw lippen zijn bokalen,
bokalen met klank,
die vonken van gloed,
Uw brandende bruisende bloed.
Uw ogen twee zonnen
Uw borsten twee bronnen,
want heel Uw lichaam is drank!

O vrouw,
Gij zijt en zon en sterren en maan,
de open wei, een diepe laan,
Gij zijt een stad in 't middaguur,
Gij zijt vuur. ...
O vrouw
Gij zijt het leven, en 't leven is hijgen,
't leven is stijgen,
't leven is doden,
en wij, wij zijn goden
hoog boven 't land met zijn donker berouw

Parijsche verzen (1923)

Illustratie: 'Lilith' door John Collier (1850-1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:06 Reageer op dit bericht

ossewa

Een gedicht van Jan Celliers 1865-1940

DIE OSSEWA

Die osse stap aan deur die stowwe,
geduldig, gedienstig, gedwee;
die jukke, al drukkend hun skowwe -
hul dra dit getroos en tevree.

En stille, al stuiwend en stampend,
kom stadig die wa agterna -
die dowwe rooi stowwe, al dampend,
tersy op die windjie gedra.

Die middagson brand op die koppe,
gebuk in hul beurende krag;
hul swaai heen en weer in die stroppe -
en ver is die tog van die dag.

Dit kraak deur die brekende brokke:
die opdraans is ver en is swaar;
die knars in die knakkende knokke,
maar hul beur, en die vrag bring hul daar.

So, stom tot die stond van hul sterwe,
blyf ieder 'n held van die daad...
Hul bene, na swoeë en swerwe,
lê ver op die velde verlaat.

------------------------------
beur - zich omhoog tillen
opdraans  - steil, moeilijk

Die Vlakte (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

nachten

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899
 

O, zalige nachten.

O, zalige nachten van huwelijksmin,
Met tranen van weelde bepereld,
Ge zijt het geheime en het enig begin
Der eeuwige liefde op de wereld.
Ge geeft mij iets krachtigs, ge vormt me tot man,
Betoverend maakt ge de gade,
Ik voel me nu meester, ik voel wat ik kan,
Zij voelt zich vol lust en genade.

Wel rein is de zwane, doch reiner is zij
Des nachts in mijne armen gezonken;
Ik ligge zo moedig, zo vast en zo blij
Des nachts aan haar boezem geklonken.
Als dwalende sterren zijn de ogen van haar,
Als sprankels der zonne mijne ogen;
Haar boezem gelijkt aan de rollende baar,
Mijn borst is als 't onweer bewogen.

Nu heb ik de bane des hemels ontdekt,
De bane der zoetste vermaken;
Nu heeft ze de vlamme des levens gewekt,
Die jeugdig en vreugdig zal blaken.
De sluier der kindsheid van ziel en van zin
Is thans in die vlamme verslonden. —
O, zalige nachten van huwelijksmin,
Wie kan uwe weelde verkonden?

schrijver

Geschreven door Dora om 16:52 Reageer op dit bericht

snoepwinkeltje

Een gedicht van M. De Wijs-Mouton 1873-1935

Snoepwinkeltje

In de donkere straat
Waar 't belletje gaat,
Kletst 't deurtje al rinkelend open;
Komen in 't kamertje klein
Bij 't lampengeschijn
De kleutertjes binnen geslopen.

En 'n dappere vent,
In zijn knuistje een cent,
Stapt naar voor en blijft grinnekend zwijgen,
Tot de koopvrouw geleerd
Zijn fortuin inspecteert,
En vertelt, wat hij daarvoor kan krijgen.

't Is een reep zwarte drop,
Koek met suiker er op,
Een kleurbal, een zuurbal, een wafel,
Een zoethouten stok
Of 'n kleurige brok;
't Ligt alles bijeen op de tafel.

Als de kapitalist
Zich wat dikwijls vergist,
De koek en de suiker beduimelt.
Scheldt de juffrouw verwoed,
Dat ie 't kost'lijke goed
Met z'n smerige vingers verkruimelt.

De kleuter, verbaasd,
Dat de juffrouw zo raast,
Smoest stiekum wat met z'n kornuiten;
De keus wordt bepaald,
De kleurbal betaald...
Dan schooien zij slent'rend naar buiten.

In de donkere straat,
Waar het troepje nu gaat,
Wordt hevig gewikt en gewogen;
Dan zuigen z' om beurt,
Tot de bal is verkleurd,
En hun rijkdom-illusie vervlogen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:30 Reageer op dit bericht

duinlied

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

 

 

Duinlied.

Luchtig gesprongen door 't mullige duin;
Lustig gezongen op helling en kruin;
Hoor! in ons lied stemt het lied van de streek,
't Bruisen der zee en het ruisen der beek.

Holland! zoet Holland! hoe zwelt ons het hart
Dáár, waar uw duinwand de zeevloeden tart;
Waar al de schat van uw welige tuin
Grenst aan de dorheid van 't stuivende duin!

Needrig van buiten, maar rijk in uw borst,
Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;
Wat u belaag' op de vloed of op 't land,
Zwichte als de golven voor 't schuttende zand.

-------------------------
uit: De Gids (1839)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

blij

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
 
 

Mijn lief is blij

Mijn lief is blij, zij lacht en zingt
En schittert in de zonneschijn;
Als zij zó héél mijn leven zingt
Kan nooit mijn leven lijden zijn.

Ja! zang en lachen duren kort
Als bloemen in de zomerdag;
De zomer sterft, de bloem verdort:
Zo sterft der mensen zang en lach.

Maar nu der zonne gouden val
Vloeit langs gelaat en blinkend kleed,
En zij gaat, zingend of zij zal
Zó eeuwig zingen zonder leed,

Nu voel ik - of 'k mij zelve wieg
In dromen die maar kort bestaan
't Is beter zo 'k mij zelf bedrieg
Dan 't leven droom-loos door te gaan -

Nu voel ik zaal'ge vreugde in mij
Bij 't luistren naar haar lach en zang
Want weet, wát blijve of ga voorbij:
Dát hoor ik héél mijn leven lang.

Onze Eeuw jaargang 1 (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:03 Reageer op dit bericht

schrijven

Een gedicht naar aanleiding van diverse meegemaakte ervaringen
De mens krijgt soms met zichzelf een aanvaring!
Goed om even bij stl te staan
Om rustig verder door het leven te gaan!
 
Schrijven
 
Soms moet je iets schrijven
Niet omdat je wil blijven
Maar omdat je hebt ontdekt
Dat men door druk te zijn zichzelf nekt!
Je gaat dingen vergeten
Soms wil je het dan zelf niet weten
Maar je moet het wel bekennen
Dat je leeftijd op zekere hoogte
Je druk gedrag af gaat remmen
Men vindt dat men moet
Maar neem rust en je weet wat je doet!
Herfst glitter plaatjes

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten