Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Rubens

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

RUBENS.

Beheerser van 't palet, wiens goddelijke verwen
Akkoorden zijn vol gloed, een zang vol majesteit,
Gij, die een baan betrad met palmen overspreid,
Wat liefling van 't penseel mocht mildere eer verwerven ?

Al moest het nageslacht uw meesterstukken derven,
De gloriestarre waakt op uw onsterfelijkheid.
Geen heeft er stouter vlerk dan Rubens uitgebreid,
Een schepper in de kunst (gij wist het) kan niet sterven.

Geschapen was uw ziel uit zuiver starrenvuur
Gij waart verscheiden, groots, oorspronklijk, als natuur
En zelfs verheven in uw schittrende gebreken.

Berispe 't dwergenkroost, ontzagbre Schildervorst,
Wat, als ondwingbre gloed, u stroomde uit hand en borst,
Wie volgt uw aadlaarsvlucht in onbezochte streken?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

sonatine

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Kleine Sonatine

Dit is een sonatine
Precies voor jou, die zacht en fijn
Met een viool, een mandoline
Een cello moet bezongen zijn.

Ik kon de taal wel voor jou zetten
Op pauk, bazuin en klarinet,
Het klaar klaroenen van trompetten
En dubbel héél 't orkest bezet,

Maar bij die rozen op je wangen,
Die glimlach om je teed're mond
Die wedergeeft in diep verlangen
Wat in verlangen oorsprong vond,

Speelt nog de taal maar 'en sourdine'
Precies voor jou, die slank en fijn,
In de allerkleinste sonatine
Wil, allerliefst, bezongen zijn...

En na het laatste en zoetst gehoorde
Vangt er het lange zwijgen aan
Waarin, als lied'ren zonder woorden,
Wij nog het best elkaar verstaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:03 Reageer op dit bericht

haveloze

Een gedicht van J.J. ten Kate 1819-1889

DE HAVELOZE.

0 God! hebt Gij uw bloeiende Aard
Aan ál Uw kindren niet gegeven?
Ik - word elks drempel afgedreven,
Ik - heb geen eigen hof en haard.
Wél is de wereld ongenadig:
“ De haveloze !" noemt ze mij ...
Dat brandmerk dooft het medelij' -
Ach, is dan de Armoe zó misdadig?

Ik zoek de schaduw van een boom:
Dáár schijnt me althans de rust beschoren;
Maar 'k meen des drijvers stem te horen,
Te midden van mijn korte droom.
De aard heeft een plek voor al haar bloemen,
Een nestje voor elk vogelkijn:
Mocht ik een bloemtje, een vogel zijn!
Thans kan ik niets het mijne noemen.

't Is ál voor mij verboden grond:
Ik zou geen zode durven steken,
Ofschoon ik ook in woeste streken
Een lapje dorre heide vond.
“Voort!" zou het in mijn oren krassen:
Gij moogt gaan beedlen om uw brood!
Voor havelozen en de dood
Is hier op aard geen kruid gewassen !"

Zo moet ik zwerven, vroeg en laat,
Met onrust buiten, angst hier binnen.
'k Zou willen toeven en beminnen,
En - vind slechts ballingschap en haat.
God weet, hoe ik mij aan wil gorden!
'k Zou gaarne trouw en eerlijk zijn :
Maar och, de honger doet zo'n pijn -
De honger zal me een lief doen worden!

Mijn vader bleef bewaard voor schand -
Men vond hem in een wak bevrozen:
Hij heeft des Heeren hand verkozen
Voor 't vallen in der mensen hand.
In 't gasthuis brak mijn moeders harte -
Dat was een dag van dubble rouw!
Ik erfde van de dierbe vrouw
Al wat zij achterliet : haar smarte!

Gij, die op donzen peluw rust,
Beschut voor wind en sneeuw en regen!
Kwam in de droom mijn beeld u tegen,
U tegen, als ge uw kindren kust!
Denk u aan huis en haard onttogen,
Van gade en kroost en brood beroofd,
Denk u de misdaad boven 't hoofd;
En - kunt ge 't - luik dan zorgloos de ogen!

Ik droomde laatstmaal van een Huis,
Gesticht, voltrokken door Gods zegen,
Waar ze armen zo als ik verplegen
En voeren tot des Heilands kruis...
Bestaat die wijkplaats? 0 dan bouwden
Gods Englen ze, op der moeders beê!
0 Mensenvrienden, neem mij mee!
Gij hebt een ziel te meer behouden!


1856

schrijver

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

IK VOEL MIJN LEVEN ...

Ik voel mijn leven door mijn vingren vlieten,
dat leven zonder liefde en zonder zegen,
en de allerlaatste hoop dit hart ontschieten,
zo afgebeuld langs alle martelwegen.

Geen trouwe borst zwelt ooit de mijne tegen;
geen milde hand zal mij genadig gieten
den zoete wijn des levens. Kalm bewegen
in teer genegen zijn en zacht genieten!

0 droom van hoge schoonheid, die mijn schreden
voorlichtte, - tot uw puurste glans gerezen
vervliet ge allengs . . .

En 't jammerlijk verleden
jaagt stormend door de diepten van mijn wezen,
in zulk een koorts van haat en woede aan 't loeien
als stond heel de aarde in vlammend bloed te gloeien.


1895

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

Holland

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

HOLLAND

Wat zijt gij klein Holland
Met al uw velden en vlakke wegen,
Met uw rampzalige aardappellanden,
En uw vreeslijk droefgeestige regen,
En uw lage goedaardige stranden - -

Maar groot toch is de zee Holland,
Waaraan gij langzaam zijt verschenen,
Waaruit ge als een schelp zijt geboren,
Die zingt door uw hele land henen,
Dat elk in zijn ziel haar kan horen!

Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw simpele wilgenbomen,
Met al uw kleine kabblende plassen,
En die paar platte gemaklijke stromen,
En uw bloemen en tamme gewassen - -

Maar groot toch is uw hemel Holland
Met zijne mateloze klaarten,
Met al zijn oneindige kleuren,
En die verandrende wolkengevaarten,
Waarmee grote dingen gebeuren!

Doch wat zijt gij klein Holland
Met uw verlegen zwijgende mensen,
En al uw langzame stille levens,
En al uw vele denkbeeldige grenzen,
En o! met nergens ooit iets verhevens - -

Maar groot toch is uw volk Holland,
Verwant aan uw heerlijk verleden,
Dat tussen uw heemle' en zeeën bleef groeien,
En tussen die wisselende eeuwigheden
Zich bereidt om opnieuw te gaan bloeien!

schrijver

Geschreven door Dora om 18:44 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De hand van de dichter

Glazen grijpen en legen;
veel jagen en reizen;
vrouwen omhelzen en strelen;
strijden op felle paarden
en blinkende wateren splijten;
spelen met licht en donker;
de dag en de nacht doorrijden
onder fluweel en schaduw en
flonkrende sterrenbeelden.

het staat niet in mijn hand gegrift;
en een hand is een leven, een lot;
ik lees slechts in fijn scherp schrift
- en dit geldt voor vroeger en later -
weinig liefde en wijn, veel water,
soms een racket, een zweep, maar
stellig nimmer een zwaard.

zo is mij enkel bewaard
langzaam maar vast te verwijven
in nijver monnikenwerk:
bidden en verzen schrijven
geel op geel perkament,
en mijn hand alleen te verstrengelen
met mijn eigen andere hand
en in een cel te versterven
oud op een houten bank.

Tempel en kruis

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Liedje van de straat

Hoe kom ik weg van leed en lust?
Hoe vind ik één uur aan uw kust,
Vergetelheid, slaapdiepe rust?

Ik weet, mijn bed blijft daar bereid...
O om 't vertrouwde pad dat leidt
Weg uit de ban van ruimte en tijd

En wake zonder doel of baat,
Poolzon die nimmer ondergaat,
Lichtwijn die in zichzelf verslaat, -

Terwijl de onafgeloste geest
In 't eindloos boek der sterren leest
Om heul die buiten slaap geneest,

En in zijn diepe nood gepeeld,
In aandacht goddelijk verveeld
Om steeds gewaagder inzet speelt...

Dan hoor ik wel, gebarsten gong,
Slaaps wijsje zoals moeder 't zong
Vlak vóór de diepe blinde sprong:

Nog gaat het vals met leemte aan leemt;
Maar 't klinkt niet langer schril en vreemd,
Als straks de dood het overneemt.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

De Prikkels van het Leven.

De mens schept zich duizend behoeften,
Dat ligt in zijn werkzame geest,
Maar de een maakt hem schepper en koning
En de ander tot slaaf, ja tot beest.
Behoefte aan volmaking veredelt,
Behoefte aan ontwijding verneert;
De een put hier zijn kracht uit ontbering,
Waar de ander bij weelde verteert.
De rijkdom ligt niet in het 'hebben'.
De schat schuilt soms diep in 't gemoed;
Een vader van rijken en armen
Biedt weldaad in zuur en in zoet.
Hij legde in de vorming van 't schepsel
De zaden van geest en vernuft,
Hun stengel vraagt strijden en werken,
Hun bloem groeit licht ijdel en wuft.
Een zucht naar genot en genoegen -
Aan wie is ze t' enemaal vreemd!
Laas, dat men, om 't leven te grijpen,
De dood vaak ten handvatsel neemt.
Daar ligt op ons pad zo veel edels,
Dat ons naar iets hogers verwijst;
Gelukkig, wanneer daar van binnen
De prikkel van 't goede in ons rijst.
Daar kruipt in ons hart ook een wormpje,
Dat, klein, zijn ontstaan noô verraadt,
Maar dat ongemoeid tot een slang groeit,
Die vorm is de prikkel van 't kwaad.
De prikkels van 't goede te kweken,
Dat vordert elk blijvend genot,
De prikkels van 't kwade te doden,
Dat eist ons bestaan en ons lot.
Het goed brengt zijn eigen beloning,
Het kwaad is zich zelve ten straf:
Wie strijdt voor het goede in het leven,
Plant bloemen, die bloeien op 't graf.

1858.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

mijmering

Een gedicht Emile Verhaeren 1855-1916
Ieder uur van mijmering

Ieder uur van mijmering over je goedheid,
Zo vanzelfsprekend grondeloos,
Smelt ik weg in gebeden naar jou.

Zo laat ben ik gekomen
Naar de tederheid van je blik,
En van zo ver naar je uitgestrekte handen,
Stilletjes, doorheen ruimte en tijd.

Ik had in mij zoveel weerbarstig roest
Dat uit mij wegvrat, met gulzige tanden,
Het vertrouwen.

Ik was zo loom, ik was zo moe,
Ik was van wantrouwen zo oud,
Ik was zo loom, ik was zo moe
Van het dwaalspoor van al mijn passen.

Zo weinig verdiende ik de wondere vreugde
Van je voeten die mijn weg verlichten,
Dat ik er nog van sidder, in tranen haast,
En voortaan nederig blijf, nabij zoveel geluk.

---------------------------------------------
Vertaling: Julien De Mey.

Les Heures Claires, 1896.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

moederland

Een gedicht van Giza Ritsch 1869-1942

Mijn moederland

Mijn moederland, het land van de wijn,
Mijn moederland, graag wou ik bij U zijn.
Mijn harte weent, het verlangen slaapt,
Maar de hoop in mij, zij wacht en waakt.
Mijn moederland, gescheiden van U,
Zing ik mijne liedjes nu.
Doch Uw schijn licht mij van ver
En de hoop leidt mij als een mooie ster.
Op duin en heide zwerf ik hier,
Mijn liedren stijgen trots en fier.
Hier drong zich de liefde in het harte mij
En de hoop in mij zingt zacht en blij!
Mijn moederland, het land van de wijn,
Mijn moederland, graag wou ik bij U zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:10 Reageer op dit bericht

winterlaan

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Winterlaan.

Hoe lijkwit ligt de rechte winterlaan,
Waar zwarte bomen, in verstijfd gebaar
Van stroeve droefheid, strekken naar de klaar-
Kristallen hemel de arme', als riepen ze aan
De oktoberzon, die ze op een gouden baar,
Bestrooid met rode en gele rozen, gaan
Ten groeve zagen! Kon die zon weerstaan
De klacht der bomen, zag zij ze even maar?

Doch marmerhard is 't hart der winterzon:
Haar scherpe schichten schittren louter kou,
Nuchter vernuft, geen warme liefdebron.

En de een'ge kleur in 't blank en zwart van rouw
Is, donkre bloedvlek op de horizon,
Droefrood, de mantel van een vissersvrouw.

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

voorbereiding

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Voorbereiding.

Wilt ge een welig land bezaaien,
Zuiver 't eerst van 't wilde kruid;
Ruk de heesterwortels uit,
Om de korenoogst te maaien.
Zoeter is des bietjens zweet,
Als men eerst in alsem beet.

't Starrenlicht heeft schoner luister,
Na het bulderend geluid
Van het regenbrengend Zuid.
Lucifer verjaagt het duister,
Eer de schone Dageraad
Haar gespan ter heirbaan laat.

Leer ook eerst het valse kennen,
En uw hals het juk ontwennen,
Daar gij aan gekluisterd zijt;
Dat ge dan met vrijer zinnen
't Ware goed moogt leren minnen,
Van beneveling bevrijd.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:27 Reageer op dit bericht

ontchoogeld

Een gedicht van Omar Karel de Laey 1876-1909

Ontgoocheld.

'k Had - ik weet het was vermetel -
over tijd het vast gedacht
Phoebus te beschrijven, Phoebus
en zijn gouden morgenpracht.

Doch, ik moet bekennen dat ik
de eerste klaarte van de dag,
elders nooit - ik vraag excuse -
dan in bedde, rijzen zag.

'k Wilde dus, de visu, weten
hoe dat Phoebus stralenmacht,
's ochtends in gevecht komt met de
zwarte kinders van de nacht.

't Was op ene lentemorgen,
talrijk zijn die morgens niet,
dat mij Morpheus - hoogst gelukkig -
vroeg genoeg ontwaken liet.

Ik ontwaakte, en duizelachtig,
bijna zonder kleedren aan,
klaar van haaste, liep ik buiten,
buiten in de koude staan.

Achter tien minuten wachtens,
lag er langs de Oosterkant
door de purpren duisternissen,
een gestriemde rode band.

Dan, de zonne stak allengskens
hare dikke waterkop,
lijk een gloeiende ijzren schijve,
tussen 't groen der bomen op.

Dit was alles; 'k stond te bibbren
en beklaagde deerlijk dat,
tegen Phoebus koude, ik mijne
warme slaap verwisseld had.

Hieruit trek ik geen besluiten,
maar ik raad eenieder aan,
de idealen van de dichters
nooit de visu na te gaan.

------------------------------
Phoebus - god van de zon
de visu (latijn) - (zien) met eigen ogen
Morpheus - god van de slaap

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

AAN EEN MEISJE

0 zeg mij, vriendlijk meisje!
Is 't u slechts naar de zin
Als ik mijn harte toesluit
Voor wat ik meest bemin?

Als ik mijzelf koelbloedig
Mijn levenslust ontroof
De gloed die in mij brandde
Met eigen hand verdoof

Als ik met koele wijsheid
Mijn jonge hartstocht tem,
Als ik niet meer wil horen
Mijns harte zoete stem.

Als ik mijn borst verscheurde
Met stoïcijnse moed -
0 spreek, mijn vriendlijk meisje!
Dan deed ik zeker goed?

Nog ga ik door het leven
In vreugd en vrolijkheid
De wereld met haar schoonheid
Ligt voor mij uitgebreid.

Mijn bloed gaat nog niet langzaam         
In trage lauwe rust
Het tintelt in mijn aadren
Van louter levenslust

Ik zie veel duizend dingen
Op mijne levensbaan
Het goede en het schone
Het trekt mij krachtig aan.

Goddank! dat nog mijn polsslag
Niet even snel steeds gaat
Goddank! dat nog 't onstuimig bloed           
Mijn zielstoestand verraadt.

Mijn hart heeft liefde nodig
Gelijk een bloem de zon -
Moet ik het dan verstenen
Waar het u minnen kon?

De jonge plant der liefde
Zo welig opgegroeid
Moet zij met tak en wortel
Voor immer uitgeroeid?


1876

Jeugd-verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:48 Reageer op dit bericht

snelducht

Een gedicht van Alberdinck Thijm 1820-1889

SNELDICHT.

1.

't Is jammer, daar zijn doornen aan de rozen!
Zo klaagt de pessimist, naar 't redeloos gebruik.
Wij danken God, dat Hij, voor braven en voor bozen,
Met schone rozen siert de wrede doornestruik.

2.

,,Voor allen Vrijheid!" eist de meerderheid der kranten. ,,Althans," zo gaan zij voort, „voor onze geestverwanten."

3.

,,Ik denk, dus ben ik," spreekt de keur der theoristen.
,,'k Bemin, dus zal ik zijn," vervoegt ter-stond de Christen.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:12 Reageer op dit bericht

vlammetje

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Een purperen vlammetje

Een purperen vlammetje,
kreitst en kranst
een vlinder, een vuurrode vlinder,
en glanzedanst
en zwiert en zwaait
en licht en laait

nu hier dan ginder,
doch komt en keert altoos, altoos
naar de zelfde roos!

Duizend bloemen met open monde,
duizend bloemen geuren in 't ronde...
De vlammende vlinder ziet er één
en anders geen!
Het purperen vonkje kreitst en kranst
en glanzedanst
daarheen
alleen!

Die roos ben jij,
de vlinder... mijn gedachte!
Bedroefd of blij,
zó dag als nachte
bij jou is hij!

Zomervlammen (1920)


schrijver

 
 
 
 
Geschreven door Dora om 13:48 Reageer op dit bericht

winterstilte

Een gedicht vsan Jacqueline van der Waals 1868-1922
 
 

WINTERSTILTE

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witte rijp beijzeld.

De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.

schrijver

 
 
 
Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Margtiet van Essen 1751-1793

Aan de dood

Slechts een slaaf der lusten schildert
U zo vreselijk en wreed!
Hij die gans verlaagd, verwilderd,
Van geen angst of tranen weet.

Mild en vriendlijk komt gij tegen
’t Bloedend hart – o dood! hoe streelt
Arme strijdren, op hun wegen,
Menigmaal, uw vreselijk beeld!

Gij voert hen, in stiller streken.
Hier gaan ze onder  ’t kruis gebukt,
Hier zijn ze onder het pak bezweken,
Dat hun zwakke schouders drukt!

Zij gebruiken schild - noch wapen,
’t Hoofd is hun van ’t schreien warm –
Ach! En onbekommerd slapen
Zij zo zacht in uwe arm.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:18 Reageer op dit bericht

lezeressen

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

AAN ENE MIJNER LEZERESSEN.

Ach! wat kust ge deze verzen,
Lieve schone, kus ze niet:
Of zijn verzen zo veel waardig,
Wees dan, schone, wees rechtvaardig,
Ik ben louter minnelied!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

nachtegalen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

 

 

Nachtegalen

Ik leef in nacht, maar mane-schijn is buiten,
Die leeft in twinkelende vooglen-slag,
Ik zie hem schijnen door de onzichtbre ruiten,
Ik wacht, maar ik verlang niet naar de dag

Ondergedompeld wezend ganslijk, ach!
In dit zwart meer, o liefelijk geluid en
Wat uit zwart donkre spiegel òp komt fluiten,
Licht-lieve volk in wat àl duister zag,

Gij komt òp-duikend in lucht' legerscharen,
Licht-glans-gewapend in dees donkre wereld,

O lieve, o onverwachte, o lichte paren,
U stortend willend golfje in zee bepareld.

Het donker blijft en blijft, mij wèl welkomme,
Zwart donkre flonker-grot is om me en om me.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:38 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten