Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

lenteboomgaard

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Lenteboomgaard.

Hier is jonge aarde één wijde bloesemhalle.
Bomen en bomen zover de ogen reiken
Doen takske aan takske in gulle blijheid prijken
Met bloesemsneeuw, sneeuwigste sneeuw van alle.

Is 't niet of uit zonhemel neer kwam strijken
Een vlucht van vlindertjes, zó neergevallen
In dromerig verpozen; duizendtallen
Van vlerkjes fijn, die vleugelbloempjes blijken?

Al mondjes 't leven drinkend in de lucht,
Gretig, intens. En 't goudlicht neergezegen
Liefkoost en koestert ze. Ritsling van vlucht

Van kleine vogel even.... Dan bewegen
Noch ritslen meer.... Àl stilte, àl teerheid: zacht
Om ons van 't leven mysterieuze macht.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:06 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

aarde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Haar lichaam lijkt de volle rijke aarde

Haar lichaam lijkt de volle rijke aarde,
En als de hemel zijn haar blauwe ogen,
En als de ronde bergen zijn haar hoge
Borsten en buik, die nu een Mensheid baarde,

Een Mensheid, van een oneindige waarde
Van Vrijheid, en een oneindig vermogen
Van krachten, die zich nu op haar bewogen
Als in van 't paradijs de zaalge gaarde.

O zie haar nu de volle benen strekken,
En de hoge machtige armen rekken,
Langs de zeeën, als de bergen der aard.

O zie op haar de duizendtallen beelden
Van hare kindren, - in haar moederweelde,
O zie de blik waarmee zij op ze staart.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:11 Reageer op dit bericht

putje

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Het putje van Heiloo.

Hoe lieflijk ligt het klein Heiloo
Van 't hoge bos beschut;
Een kerk zeer oud staat daar gebouwd,
Daar achter is een Put.

Die Put (een schat voor mens en beest)
Met heldre bron gevuld,
Die is daar altijd niet geweest,
Zoals gij horen zult.

Toen Willebrord de Kruisleer bracht
Van d' overkant der zee,
Was 't hier één zand in 't heidens land,
Één droge, dorre steê.

De tocht was lang, de hitte bang,
De reisfles uitgeput;
Des Heiligs borst versmacht van dorst....
En nergens huis of hut!

Daar staat hij, leunende op zijn staf,
En ziet vergeefs in 't rond,...
Daar knielt hij neer, en bidt zijn Heer,
Daar opent zich de grond.

Daar vloeit een zilverklare bron,
Die alle nood verdrijft,
Waar Willebrord zijn dank bij stort,
En die gezegend blijft.

Dat is de put van 't klein Heiloo,
In Kenmerland beroemd;
Die 't wonder looft ontdekk' zijn hoofd
En strooi hem met gebloemt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

zie

Een gedicht van Aagje Deken 1741-1804

Wijs: Sous le nom de l'amitié.


Zie, daar komt de Jeugd van 't Jaar,
Versierd met frisse bloemen,
Versierd met frisse bloemen,
Liefde en Blijdschap volgen haar.
o Wie zou u niet roemen!
Zoudt gij niet welkom zijn!
Brengt gij niet, brengt gij niet
Zoele lucht en zonneschijn?

Lente, zinnebeeld der jeugd,
Hoe kunt gij mij behagen,
Hoe kunt gij mij behagen,
Mijn gehele ziel is vreugd!
Wat geeft gij lieve dagen!
Waar gij uwe ogen slaat,
Pronkt de grond, pronkt de grond
Met bevallig bloemsieraad.

's Winters strenge heerschappij,
Die veld en hof deed kwijnen,
Die veld en hof deed kwijnen,
Is dan eindelijk voorbij.
Men ziet u weer verschijnen!
Bar was het op het veld;
Maar uw komst, maar uw komst,
Heeft het alles reeds hersteld.

Hoor, hoe dat de nachtegaal
In het groen gezeten,
In het groen gezeten,
U verwelkomt in zijn taal!
Hij laat zijn vreugd u weten:
Aan u, die ons verblijdt;
Aan u heb, aan u heb
Ik dit Liedje ook toegewijd.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

knapelijn

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1860

Knapelijn bij der beke.

Een knapelijn bij der beke zat
Met de blik op der golven gewiegel,
Hij wierp er menig bloemenblad
In de huppende zilverspiegel.

Hij stortte in een lief, eenvoudig lied
Het gevoel zijns jeugdige harten,
Hij zong niet van bittere zieleverdriet,
En nog min van der wereld smarten.

‘Och ware ik - zo zong hij - als geurende bloem
In de oevergraze verborgen,
Dan lachte ik om glans en ijdele roem,
En het weldoen ware mijn zorgen.

Of ware ik de dauw, die de bloemen verkwikt,
Die de halmen en twijgen beperelt,
'k weerkaatste steeds, voor wie er ook blikt,
Een verrukkelijk beeld der wereld;

Weerkaatste 't oneindige sterrenheir
Met des avonds vredesstralen,
En waande de hemel zelve neer
Te zien op aarde dalen!’

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

vergeet-mij-niet

Een gedicht van J.J. ten Kate 1819-1889

VERGEET-MIJ-NIET

Vergeet-rnij-niet! Vergeet-mij-niet!
Lief bloempje aan de blanke vliet,
Wat maakte u toch zo hemels blauw?
Een weinig licht, een weinig dauw.
Ook 't minnend hart heeft ras genoeg:
Hij liefde 't minst, die 't meeste vroeg.
Gij vraagt niet veel: een blik, een groet,
En — deernis van des wandlaars voet.
Toch zijt gij schoon, gij lenteboô!
Maar zacht als schoon, en even bloo,
En met die needrigheid bekleed,
Die harten steelt, maar 't zelf niet weet.
Vaak, op de sombre maartse dag,
Verrukte mij uw lieve lach;
Maar in de glans der volle Mei
Ging ik uw lage steel voorbij.
Vergeefs riep gij: "Vergeet-mij-niet!"
Het roosje zong een luider lied,
En duizend bloemen, trots en hoog,
Verleidden mijn bewondrend oog.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:53 Reageer op dit bericht

aan...

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

AAN DE POEZY.

Volzoete geest der poezy!
keer in mijn doffe boezem weder!
Beziel opnieuw de ziel in mij,
en in mijn hand de zwanenveder!
Met traagheid klopt mijn smachtend hart,
wanneer gij 't opgeeft aan de smart
van een ondichterlijke wereld!
Mijn hoofd hangt moedloos op mijn borst,
terwijl ik naar de dauwdrop dorst,
die, waar gij treedt, de dorre grond beperelt!

Keer weder, en begeef mij niet,
maar onderhoud dat hemels leven,
dat zich ontwikkelt uit het lied.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

handdruk

Een gedicht van P.A. De Génestet 1829-1861

De handdruk.

0, tintel' uw hart in de druk van uw hand:
Ik dank voor een vinger twee, drie!
Ik walg van een kneepje, koket en pedant,
Een pink van een man van genie...
En, vrindlief, uw bevende, klevende hand
Is waarlijk mijn antipathie!
Verstijve de hand, die de hoveling speelt;
Beleefde, vernedrende hand!
Verdorre de hand, die verraderlijk streelt;
'k Voel liever een klauw of een tand!
De handdruk, die louter een ‘gunstje’ verbeeldt
Die wijs ik bepaald van de hand!
Ik weiger uw handje zo keurig en teer,
Mij angstig en huivrend geboôn!
Ik vraag u geen handschoen; ik weiger die eer;
Al waart gij Jouvin in persoon!
Uw harige rechte, mijn Bello, zegt meer,
Dan 't pootje, zo keurig, zo schoon!
Een hand zonder zenuw of leven of kracht,
't Is onzin, 't is laster, verraad!
Een ledige vorm, die de liefde veracht,
De vriendschap, de geestdrift versmaadt
De hand, die mij treft, die mijn lijden verzacht,
Die hand zij een druk, zij een daad!

schrijver

Geschreven door Dora om 17:15 Reageer op dit bericht

tafellied

Een gedicht van D.V. Coornhert 1522-1590

Tafellied

Wij danken de waard,
Omdat hij ons voedt:
En d'edel wijngaard,
Die dees druifkens zoet,
Ons mildelijk biedt,
Dit wijntje wil drinken
Hij doet het ons schinken
Uit liefde om niet.

Drink al vrij dronken
Van dees zoete most
Zij wordt geschonken,
Buiten onze kost.
En mindert verdriet,
Dit wijntje wil drinken.
Hij doet het ons schinken,
Uit liefde om niet.

Dees vruchtbare rank
Verdrijft ons rouwe
Door lieflijke drank,
En Hemels douwe.
Die hij in ons giet
Dit wijntje wil drinken.
Hij doet het ons schinken.
Uit Liefde om niet.

Smaak prince dees wijn
In reinder borste
Zij doet vrolijk zijn
En blust de dorste
Met Hemels bediet
Dit wijntje wil drinken.
Hij doet het ons schinken,
Uit liefde om niet.

Lied-boesk (1575)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

grens

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens...

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens,
Aan dewelke ieder normaal mens
Moet stilstand houden.
Een vriend heeft me onlangs verweten,
Dat ik buiten het normale, - volgens hem het goede - ben getreden.
Maar het lot, - of wie? - heeft het zo gewild,
Want het heeft mij het ongewone voorbehouden.
Niet ik ben ongewoon, maar wel mijn levenslot.
Bij mijn vrienden heb ik steeds het grootste verlangen gekend
Om een schone liefde, in de nieuwe Lente.

Maar mijn liefde ontstond
Op een Herfstavond,
Mijn grote liefde, even buiten de stad,
In het wijde park, toen het door de mensen, - de gewone dan? -
gans verlaten was.
Mijn liefde groeide sterk in de koude Winter, -
Enkel zeer mooie bloemen groeien dan. -
Daarom is mijn liefde ook oneindig schoon,
Al is zij, - 't spijt mijn vriend misschien, - ook ongewoon.

Desember 1915

schrijver

Geschreven door Dora om 10:34 Reageer op dit bericht

wereld

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Dees ganse weerld moest liggen op haar knieën

Dees ganse weerld moest liggen op haar knieën
Voor mij niet, maar voor 't Hoogre, dat in mij
Niet gans zit, gans wit, maar Dat zich door mij
Wil uiten, wijl 't zich wil, en dat elk biedend

Wat elk klein mensje slechts verlangt, doch vrij
Blijft voor zich-zelf van andren, schoon verrieden 't
De meesten, daar zij zich niet voelen blij,
Omdat 't Algoede al slechtheid is bespiedend.

Der Godheid toorn is een geducht onweder,
Waarvoor wij allen beven moeten, schoon
Er velen zijn die nimmer als een veder

Bewogen op der wereld wind, die teder
Nooit, neen, vals-fors tiert om de hoogste ceder.                           
Maar al wie rein blijft, krijgt op 't eind een kroon.

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 16:16 Reageer op dit bericht

jeugd

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

JEUGD

De wakker-waakse haan.
De dichtervlucht der zwaan,
De zwerfse jager: reiger.
De strijdbaar-sterke tijger.
En het deemoedig schaap,
Hen samen leidt de knaap
Eendrachtig aan één band
Door 't rein en eigen land
Vol jonge bloesemsneeuw,
Als in de gouden eeuw.

Hij mijmert, zingt en speelt.
Weidend zijn zinnebeeld;
Zij kennen aan die toon
Hun meester en hun zoon.
En gaan naar 't hém geviel,
De dieren van zijn ziel.

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

lommertuin

Een gedicht van J.H. Leopold 1802-1868

Van uit de donkerte in de lommertuin

Van uit de donkerte in de lommertuin
zie in het binnenlicht ik haar bewegen,
de stroken in het neergezegen
borduurwerk openvouwen

en plotsling voel ik mij zo diep alleen,
zo star verlaten, dat met wild verdringen
duizend verlangens in mij wakker springen
en mij bevolken stormende dooreen,

terwijl dat in de zijde tergend nijpt
een blinde pijn. O, tevergeefs ontvlucht
verbitteren, wanhopige ijverzucht
en afgunst die zich zelve niet begrijpt!

Gemengde gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

herinnering

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

Herinnering.

O! welk een schone lentenacht!
De maan verlicht zoo zacht het trillend loof der bomen;
Waar bosjes groenen klinkt het lied der nachtegaal;
De koelte doet uit kruid en bloemen wierook stromen.

Hoe veel verschilt dees middernacht
Van al die nachten die we in Noordwijks duinen zagen!
Mijn Overdorp! toen wij, met Pelgrims moed bezield,
De kracht gevoelden zelfs der guurste wintervlagen!

Hoe dikwijls bracht gij op dit uur
Mij van uw gastvrij dorp, uit uwer vrienden woning,
Door 't zware duinzand heen, naar 't eenzaam Zeedorp t'huis,
Natuur onthaalde ons dan op wisling van vertoning.

De kou viel soms ons vreeslijk wrang;
Wij hadden samen, aan de gulle dis gezeten,
Bij 't gloeien van de haard, de oord, het gure weer,
En 't nachtlijk pelgrims reisje, al keuvlende vergeten.

Doch ras verwarmde ons liefde en spoed;
Ik stapte aan uwe arm, vol moeds, en lustig henen,
Met u gerust, het weer mocht goed of stormig zijn,
Al werd ons pad door maan of starrenlicht beschenen.

Wij zworven door het woeste duin,
't Lantarentje in de hand, geleid door zijn geflonker;
Soms blies de wind het lang gezweepte lichtje uit,
En eensklaps stonden wij in het verwarrend donker.

Een kleine vrees beklemde ons dan,
Hoe wij het rechte spoor half tastend zouden vinden;
Doch liefde gaf ons moed, en licht en vrolijkheid,
En bracht ons veilig aan de woning mijner vrinden.

Soms viel de regen klettrend neer,
Het pad was een moeras: de woeste zeewind blaasde
Door 't kronklend duinpad guur en woedend op ons aan,
Terwijl de zee van ver geweldig dondrend raasde.

Soms deed de kou op 't schoon azuur,
Het flonkrend starrenheir met dubble luister gloeien;
Soms scheen de maan zo zacht, op 't grootse duintoneel,
En deed ook in ons hart een tedre kalmte groeien.

De weg was meestal doods en stil;
't Was zeldzaam zelfs dat mens of duin-raaf ons ontmoette;
De lampen waren meest bij al de vissers uit,
De klok sloeg dikwijls één, bij onze laatste groete.

Dan keerdet gij alleen terug;
Na een herhaald ‘Genacht!’ bleef ik nog op u staren;
Al konde ik niets meer zien: ik bad dat 's Hemels zorg
De lievn zwerver mocht behoeden voor gevaren.

Wij zagen hier Natuur al meest,
In statige ernst, maar soms een lachje op haar wezen;
Doch mijnentwege mocht zij blijde of droevig zien,
Ik was voldaan met u en kende zorg noch vrezen.

Geen winternacht was me ooit zo naar,
Of uw gezelschap gaf voor mij hem meerder leven,
Dan al de lentevreugd aan deze schone nacht,
Mij verre van u, in mijne eenzaamheid kan geven.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:22 Reageer op dit bericht

zee

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De zee is één schuim.

De zee is één schuim. Kokend van woede.
Zij vliegt voort door zich zelf heen. Dolle koppen
doelloos krulle' over zich. Zij wordt niet moede
holten te maken en holten te stoppen.

Tot bergen zet zij om het hoge floppen
van water, tot een berg wordt in het licht
een flop van water, met glooiingen, zicht
van licht schijnt daarin, maar het vlakt tot soppen.

De storm, d' orkaan loeit. De lucht, even wild
als de zee, is grijslicht, stort er van boven
pakken van wolken op die ijlings vliegen.

Het licht is parel, het licht is geschild,
de zee en de lucht zijn broers. Door lichtgloven
snelt de storm henen. Weg is alle wiegen.

Nagelaten werken.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:40 Reageer op dit bericht

koor

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

De nagedachtenis van Joseph Haydn, in de maatschappij Felix Meritis den 25 van sprokkelmaand 1810 gevierd.

koor.

Stemming der heiligste smart,
ô Beziel, ô beziel onze zangen!
Doe het weeklagende hart
Kwijnend verlangen! -

Grijp smachtend naar de toon, die Haydns geest gebiedt!
Verhef, van de zaligste aandoeningen zwanger,
Germanjes onvergelijklijke zanger,
En prijs de Godlijke bard in uw lied.

Voer ons, ô Heilige toonkunst!
In uwe trillende wolk van geluiden,
Van tonen, die beurtlings elkander vervangen,
Naar 't oord, waar Haydns lied
In zuiverder' luchtstroom klinkt!

vier Stemmen.

Doe ons, van daar, zijn vroegste liedren horen,
Een eerste poging zijner kracht!
Vroeg was hem reeds de onsterflijkheid beschoren,
En de eerste stap naar de eer weldra volbracht.
Hij voelt zich ras, die voor de kunst geboren,
Naar grootser doel, naar hoger stemming tracht!
Wat edel is kan slechts zijn ziel bekoren.

recitatief.

Hij sprak de taal, die overal verstaanbaar,
Voor 't menslijk hart een hoger leven schildert,
En 't vrij gemoed, door zuiver vuur aan blaken,
Het oord der Godheid kennen doet.

(eerste deel van deze Cantate)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

felice

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Felice (1)

IK heb gesmacht zo lange, grauwe dagen,
Gesmacht zo meen'ge sterren-loze nacht,
En zucht op zucht, en zieleklacht- op klacht
Steeg droevig op, met twijfels bange vragen!

Soms werd verlangen mij zoet welbehagen,
Een stille weelde, als droomrig maanlicht zacht...
In ziele-lach heb 'k mijn lief heil verwacht,
Na lijdzaam wachten nieuwe smart gedragen!

Dwaas, dat ik niet begreep mijns harten leed,
Dwaas, dat mijn weelde niet vermoeden deed,
Wat groot mysterie 't àl in mij verwekte....

Tot eindlijk 't leeg verlangen werd gevuld,
Uw teder-lichtend englenbeeld onthuld,
'k Uw heilge schoonheid sidderend ontdekte!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

tempel

Een gedicht van Jan Celliers 1865-1940

De tempel der reinheid.

Ik droomde mij in wolken-landen;
het blindend blank der zonnewanden
al zwevend in 't rein azuur,
als lenig marmer reuze-krullend,
de dalen schaduw-purper vullend,
- en goud-gekopt de stapel-muur

En 'k zag 'n zaal vol schone vrouwen,
het blank en blauw, in lange vouwen
omhangend los de slanke le'en,
in nauwe lijne-sluiting kozend
om malse vormen rose-blozend,
- en blanke voet op marmersteen.

'k Hoor stemmen als kristallen klokjes,
in 't ruim gestrooid als wolken-vlokjes,
bij scherts en blij-zang ongetoomd;
waar vol-geteugd de boezems zwellen,
in 't levend blauw der ether-wellen
- door wijde ramen ingestroomd.

Bij 't voorhang, plots op-zij gegleden,
zie 'k mannen in de zaal getreden,
in 't licht gewaad van 't wolkenland;
en vlug in 't gaan zijn fijne voeten
al spoedend tot een blij ontmoeten,
- van ver gereikt de vrienden-hand.

En durvend-klaar in reine weten
zie 'k oog met oog zich lachend meten,
bij handen-druk van welle-kom.
En los als 't kleed van lange vouwen
valt gul de lach van 't vol vertrouwen
- herhaald van wand tot wand alom.

En 'k vond mij biddend neergezegen:
‘Verlicht, O God, mijn aardse wegen,
en aan Uw hand, ach, voere mij,
dat ik, genaakt tot reinheids-tempel,
een hand gestrekt vind aan de drempel
en blije stem: ‘Wees welkom, gij!’

schrijver

Geschreven door Dora om 18:16 Reageer op dit bericht

madame

Een gedicht van Johan van 't Lindernhout 1893-1916

Madame la Marquise

Een lied ruist ijl en rank; een vrouw speelt aan 't spinet
En neurt heel zacht de wijs; de blanke toetsen schreien
Hun zoet en simpel leed door 't schemerend salet.

Maar wie haar gratie won nijgt aarz'lend haar bezijen
En zoekt haar need're blik. Een stille geur verbloeit
Van onvervulde drome' en teed're specerijen...

Ze heft 't gedoft gelaat; het zoet geneur vervloeit
Tot lage fluistering; haar smalle vingers roeren
Het laatst akkoord. Dan schâuwen, bleek en teer gegroeid.

Op 't matte gobelijn, de bevende contouren
Van een versmolten beeld.... Een schucht're hand bewoog
Een toets; de snaar vertrilt.... Reeds welkt de peerlemoeren

Tot bleker avondlucht. Zij talmen aan de toog
Van 't open venster, waar de donk're olmen lijnen.
Zij schertsen, maar een weemoed schemert in hun oog;

Krank van verteerden lust en delicate pijnen
Paren de woordjes zich aan heus en lucht gebaar,
En de mimosa kwijnt, roerloos in 't porseleinen

Geraad, vóór 't spiegelglas van 't duisterend boudoir.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

OP 'T KERKHOF.

In 't lover van der doden rustplaats,
bij 't zerkje van het arme wicht,
heeft zich een eenzaam vogelijn
het donzig liefdenest gesticht.

De zoele lentewinden,
ze koestren, onder feestgeruis,
de zanger in zijn groene woon,
het kindje, sluimrend onder 't kruis.

Zo brengt ze, de milde nature,
vreugde nevens bittre nood ;
het schaatrend nest bij 't zwijgend graf,
opbloeiend leven naast de dood.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten