Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Anthonie Donker 1902-1965

Het zieke meisje

Zij sloot haar ogen voor de wrede zon en
Ontvoer volkomen de aanwezigheid
Der anderen. Zij heeft zich diep bezonnen,
Zij was alleen geweest ten allen tijd.

Achter haar warme oogleden begonnen
De fluisteringen van de eeuwigheid.
Waarom was zij niet eerder overwonnen
En van haar liefde en haar smart bevrijd?

- Toen zij haar ogen eind'lijk opende
Waren er stemmen en zij zocht bevreesd
De zachte streling van een teed're hand.

Zij glimlachte, maar sprak niet van het land
Waarin zij diep verloren was geweest,
Want zij bevond zich weder hopende.

Erts, jrg 2 (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

clematis

Een gedicht van Geerten Gossaert  1884-1958

Clematis.

Clematis, 'k heb met eigen hand
Voor menig jaar, u hier geplant, 
Clematis, maar nooit heeft mijn jeugd
Uw violette bloei verheugd, 
Clematis, zeg, hoe is 't dan, dat
Ik nu van morgen, op mijn pad, 
Clematis, stil bleef staan,
Daar, tussen blanke acerblâen, 
Clematis, mij uw bloesempracht
Verraste, op 't onverwacht? - 
Zeg, had ál deze jaren lang,
Eer dan vanmorgen vroeg, 
Uw hart niet, als mijn hart tot zang,
Tot bloeien Vréugd genoeg? 
Clematis?

Onze Eeuw, jrg 9 (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

jong

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Jong blijven.

Het hart blijft jong en wordt niet oud, 
Wanneer 't zich fris en open houdt 
Om al wat menslijk is te voelen,
Te voelen wat een kind verblijdt, 
En wat er door de geest moet woelen
Eens jonglings, in zijn schoonste tijd.

Die zijn verleden in zich draagt, 
Blijft jong, al is hij welbedaagd, 
En wekt der jonkheid geen mistrouwen.
Veel kan hij hopen, wie veel heugt; 
Veel met zachtmoedig oog beschouwen;
't Herinn'ren is een grote deugd.

Gedichten, deel 3 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:55 Reageer op dit bericht

rozegeel

Een gedicht van Gaston Burssens 1896-1965

In memoriam Paul van Ostaijen

Rozegeel en rozerood
als gij ziet dat zo de wolken zijn
aan de westerkim
grijsgrauw paarsgrauw
zó gij d'avend voelt aan d'oosterkim
aan de westerkim als een gestrande boot
aan d'oosterkim als een gordijn van uw kantoor
niet als een kanten gordijn van uw salon
maar als een vuile store op uw kantoor
neem dan uw voorhoofd in de linkerhand
zoals een denker in de hand een doodshoofd neemt
in de linkerhand het hoofd
in de rechterhand wat ooft
van jonge bomen - als banaal symbool -
en spreid uw sprankelend brein in 't rond

Als dan uw broze brein verbreid is
in 't rond
de ronde stonden van uw eenzaamheid gaan rond
en waar uw eenzaamheid gij eenmaal strooide
van de westerkim naar d'oosterkim
hangt vóór de westerkim het grauwe gordijn van uw kantoor
waarachter uw boot gestrand is

schrijver

Geschreven door Dora om 05:58 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Jacob Oosterwijk Bruyn 1794-1876

LIED VOOR DE BRIEVENRIJDER

'k Zie, hoe gij angstig op mij wacht,
En van verlangen brandt;
Ja, 'k geef uw handel klem en kracht,
0 kloeke speculant!

Onzeker ware uw ijvrig werk,
Bracht ik geen tijding en geen merk;
Gij ziet angstvallig naar mij uit,
Eer gij met moed een handel sluit.

Wat mensen help ik uit de droom,
Wier wens mijn komst voldoet!
'k Meld d' een de dood van neef of oom,
Van wie hij erven moet;

'k Breng d' ander 't jawoord van zijn lief;
Die weder 't eerkruis door een brief;
'k Maak velen machtig rijk en groot,
En red bedrukten uit de nood.

Veel draag ik in mijn reiszak mee;
Veel zaken van gewicht;
Het nieuws van oorlog en van vreê,
En 't modes laatst bericht.

'k Bezit, onvatbaar voor verraad,
't Geheim van burger, Vorst en Staat.
Wat nooit een ander wordt ontvouwd,
Is aan mijn zorgen toevertrouwd.

Ja, ieder ambacht heeft zijn kruis;
Maar veel is 't mijne waard;
Ik ruil mijn klapzweep en mijn buis
Voor mijter, kroon, noch zwaard.

Ik steek de horen vrolijk op;
Ik zet mijn paarden in galop;
'k Stoor mij aan wind en koude niet,
En zing, hoezee! mijn vreugdelied.

1829.

De boertige zangster (1837)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

orgelpunt

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Orgelpunt

De man die uwe weelden mint
is weerloos als het kleine kind:
de wereld ging hem vreemd voorbij
als aan zijn borst uw hartslag lei.
Maar wat ons saamgedreven heeft
is wat in kleine bloemen beeft
en gonzend draagt het groot heelal:
't is twee-in-een, en dat is al.

Tuin van Eros (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

tempel

Een gedicht van Jan.E.F. Celliers 1865-1940

De tempel der reinheid.

(Hollands).

Ik droomde mij in wolken-landen;
het blindend blank der zonnewanden
al zwevend in 't rein azuur,
als lenig marmer reuze-krullend,
de dalen schaduw-purper vullend,
- en goud-gekopt de stapel-muur.

En 'k zag 'n zaal vol schone vrouwen,
het blank en blauw, in lange vouwen
omhangend los de slanke le'en,
in nauwe lijne-sluiting kozend
om malse vormen rose-blozend,
- en blanke voet op marmersteen.

'k Hoor stemmen als kristallen klokjes,
in 't ruim gestrooid als wolken-vlokjes,
bij scherts en blij-zang ongetoomd;
waar vol-geteugd de boezems zwellen,
in 't levend blauw der ether-wellen
- door wijde ramen ingestroomd.

Die vlakte en andere gedigte (1908)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Ik wil de pure, rechte, marmren lijnen

Ik wil de pure, rechte, marmren lijnen;
De stille plooien, week en wit en breed;
De kleuren hèl in klare zonneschijnen,
De aromen, druivenzwijmlend, rozenheet.

Ik wil in steden blank op forumpleinen
De mensen móoi in vreugde en zelfs in leed,
Dat ik àl 't nietig kleine in grote en reine
Tragedies en verrukkingen vergeet.

Ik wil de zielen blijde om 't rijke leven;
'k Wil overvol van passie 't leve' en vrij,
Onder héel blauwe lucht in palmendreven.

De goden wil ik stralend, hoog verheven,
Rechtvaardig over alle', en mij ter zij
Wil 'k je nièt ànders, dan je bent gebleven...

1906

schrijver

Geschreven door Dora om 19:27 Reageer op dit bericht

weet

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Weet iemand wat op aard het schoonste is?

Weet iemand wat op aard het schoonste is,
Het allerschoonste? welks gelijkenis
Hij ziet in alles wat hem vreugde geeft?
Waarom hij lief heeft wat rondom hem leeft?
Waarom diè rijkdom wil en diè een vrouw
En één zichzelf, hoewel ze allen nauw
Weten dat ze iets zoeken dan een woord
Alleen? Weet iemand dit? Wel, hoort.
Het is waarom het kuiken zoekt de hen,
Het kind de moederborst, waarom ik ben
Bang voor de winter en de herfst, de nacht
Van ’t jaar – waarom een jong kind niet de pracht
Der sterren liefheeft, wel een vlam en vuur
Van een wit kaarsje – met een klaar getuur
Ligt hij op ’t kussen wakker, lang, en met
Zijn ogen volgt hij ’t waaiend flikkren, het
Vlammetje brandt nog in zijn dromen voort.
Het is waarom zang en muziek bekoort,
Maar marmer mij verschrikt en witte kleur,
Ik rode rozen liefheb en de geur
Van blinkend fruit en verf van donzig ooft.
Het is waarom een meisje een man belooft
Te stoven in haar armen en verlangt
Naar ’t warme mooie huw’lijksuur, ze dankt
Hem voor zijn liefde, of hij anders kon.
Het is het vuur, de warmte, ’t is de zon.

Fragment uit Mei (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:38 Reageer op dit bericht

de staf

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

DE STAF.

Onrust en donker alomme,
Bang als een dove-en-stomme,
tastend als blind ga ik omme -
Waar is mijn staf?

Ik lijd en moet velen verdrieten,
ik geniet ook en doe wel genieten,
maar alle vreugd zie ik vlieten
in een graf.

Ik weet wat allenig mij rust geeft,
wat mijn angsten gesust heeft,
als 't kind dat Moeder gekust heeft
Vóór de nacht.

Dit is mijn staf dat alle dingen zijn
gedachten van een dierbaar, minnend Wezen
gans wáár, maar anders dan hun schijn.
Weet ik dat goed weg - zijn mijn vrezen.
Dan glijdt de vracht
van dat onrustige van mij af.
Dan voelt de blinde weer zijn staf.
Dat is de kus die moeder gaf
aan 't kindekijn.

Maar vergeet ik het even,
dan heeft mijn staf mij begeven.
Wáár, wáár is hij gevallen?
Niemand weet het van u allen,
Geen één, geen één,
en ik sta weer weifelend en alleen,
bedenkend hoe alles vliedt
in het niet.

Mocht ik een Godsgaaf bedingen —
ik vroeg sterke herinneringen
omtrent eeuwige dingen.

1904

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

misse

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Ik misse u

Aan ene afwezende vriend

Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
de morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
ik misse u neffens mij!

Zo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen vleugelken in ’t net;
zo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn moeder noch zij het!

Nu zingt men wel en ’t orgelspel
en misse ik niet, o neen,
maar uwe zang mist de orgelklank
en misse ik al met een.

Ik misse u als er leugen vals
wil monkelen zo gij loecht,
wanneer gij zacht mij verzen bracht
of verzen mededroegt.

Ik misse u nog… waar hoeft u toch,
wáár hoeft u niet gezeid…
Ach! ‘k heb zo dikwijls heimelijk
God binnen u geleid!

Dáár misse ik u, dáár misse ik u
zo dikwijls, en ik ween:
geen hope meer op wederkeer,
geen hope meer, o neen!

Geen hope, neen, geen hoop, geen kleen,
die ’t leven overschiet’;
maar in de schoot der goede dood
en misse ik u toch niet?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

bloemkrans

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Bloemkrans

voor de liefste

Wanneer, ook dán als de andre tekens zwijgen,
De ziel haar zucht in kleuren wedergeeft,
De Min haar blos in 't rozenblad doet stijgen,
De Erinnring in 't vergeet-mij-nietje beeft;
Als Hope fladdert in de groene twijgen,
De Rouw in 't lover der cypresse zweeft;
Als Jaloezij de gele tulp doet hijgen,
De Glorie in de frissen lauwer leeft:

Dan diende ik U een bonte krans te schenken,
Waaruit ge U álle kleuren toe zag wenken
Op 't levendig fluweel van blad en bloem:
Gij immers zijt mijn Liefde, mijn Herdenken,
Mijn Vreugde en Smart, mijn IJver en mijn Roem,
Die ik de mijne in dood en leven noem!

1850

schrijver

Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Willem G. Focquenbroch 1640-1670

Sonnet op een pijp, die ik niet aan kon houwen

O gouden zon! wiens licht noch nooit is uit gegaan,
Maar die gedurig brandt bij ons, of d'antipoden;
Gij, die geen zwavelstok noch vuurslag hebt van noden,
Om (of gij wierd gedoofd) u weer in brand te slaan:

Gij van wiens vuur al de planeten en de maan
Haar leven trekken als de mensen van de broden,
Ja, zonder wie ons vuur geen pot zou kunnen zoden,
En niemand schier een bout half gaar zou kunnen braên.

Gij, welkers vrolijk licht de wereld doet herleven,
Met recht wordt u de naam van godlijk toegeschreven,
Nadien ge al meerder deugd op aard doet als de wijn;

Ik zal tot uwer eer een hoog altaar doen bouwen,
Zo gij maakt, dat dees pijp, die schier geen vuur wil houwen,
Mee eveneens als gij altijd ontvonkt mag zijn.

Afrikaense Thalia (1678)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:28 Reageer op dit bericht

val

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

VAL

Wat blindheid onbesuisd! Dat Eva die God diende,
In 't zalig paradijs, uit weelde, zonder nood
Der hellen roffiaan het ledig ore bood
En om te worden kloek des Heeren vloek verdiende!
Wat wederhorigheid! Dat Adam, niet ontziende
Noch tijdelijke last, noch eindeloze nood,
Zocht, opgeblazen puist, te worden even groot
Als God die hem bewaard en die hij had te vriende!

Wat duivelser bedrog! Gij moorder, gij de verraêr
Hebt smekende vervoerd de kinders met de vaêr.
Wat voordeel meent gij dies, o vijand, op te steken?
Wij liggen in 't verderf, doch hopen op genâ.
Maar uwe boze raad brengt u de meeste schâ:
Der vrouwe heilig zaad zal u de kop verbreken.

------------------------------------------------
weelde - lust, begeerte
nood - noodzaak, dwang
roffiaan - booswicht, duivel
kloek - verstandig
wederhorigheid - ongehoorzaamheid
ontziende - vrezende
puist - blaas

smekende - vleiende
vervoerd - verleid
dies - daarvan

Over-Ysselsche sangen en dichten (1630 - 1634)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

klaaglijk

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Klaaglijk roepen de alcyonen

KLAAGLIJK roepen de alcyonen,
Schichtig fladdren de alcyonen,
Boven 't woedend brandingklotsen
Tegen Akashiro's rotsen,
Waar wraakgierige demonen,
Boven Akashiro's rotsen,
Tussen gierennesten tronen.

Over Akashiro's rotsen
Zweeft een lieflijk avondrood;
Onder, blind in 't brandingklotsen,
Vindt de schepeling zijn dood.
Klaaglijk schreeuwen de alcyonen,
Laag en schichtig de alcyonen
Scheren over 't brandingklotsen.
Rood zijn Akashiro's rotsen.

Een eerlijk zeemansgraf

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ik hoor de nacht die nader-zijgt

Ik hoor de nacht die nader-zijgt, –
en beider zwijgen...
Ik voel uw hoofd naar mij geneigd,
– zal ’t míjne neigen?

Uw aangezicht is vreemdlijk stil
in ’t schemer-leven...
Ik zie het laatste dag-geril
in de avond-dreven.

– Is dit een einde of een begin?...
Uw handen glanzen;
uw blik is als violen in
verslenste kransen...

– – Ach, is ons lijf voor ééuwig moe,
en onze zinnen?...
Míj faalt de kracht, te zeggen hoe
’k u durf beminnen.

Het Vaderhuis (1896 - 1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moeder

Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zo straks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?

Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijne dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd op uwe schoot...

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?

schrijver

Geschreven door Dora om 18:58 Reageer op dit bericht

in memoriam

Een gedicht van Jan Veth 1864-1925

In memoriam matris.

Op vleugel-suizelen, in stille nachten,
Komt uw heraut, Herinnering, getogen
Door mijne geest, en spant zijn purpren bogen,
Tot dieper duiding dan de dagen brachten.

Dan zie 'k - o zoet signaal van verre wachten! -
Fata morgana van twee peinzende ogen,
Die uit een krans van lieflijk mededogen
Wijding uitspreiden over mijn gedachten....

Hun licht kwam tot me in vreugde en 't kwam in smart;
Het wenkte mij, waarheen ik wendde of ging,
Een heimlijk heulsap sprenklend in mijn hart.

En 'k weet: zolang die leid-star van mijn leven,
Waar ooit mijn voet mij draagt, mij niet begeve,
Blijft gij mijn ziel tot heil, Herinnering!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

winternacht

Een gedicht van Arnaold Sauwen 1857-1938

Winternacht

Zwijgend en als uitgestorven 
ligt het dal in winternacht.
In haar kleed van blanke vlokken 
sluimert de aard, zo diep, zo zacht. 

Aan de klare sterrenhemel
gaat de maan haar stille gang.
In haar schijn ligt daar de vlakte,
scheemrend, als een maagd zo blank.

Uitgegaan is 't laatste lampken
dat van ver u tegenglom.
Onder witbesneeuwde daken
slaapt het dorpken, stil en stom.

Slechts de toren, trouwe wachter,
't hoofd met eeuwen reeds bevracht,
houdt nog daar, in nacht en stilte,
over hut en hoeve wacht.

En, wen alles rondom sluimert,
van het leven onbewust,
galmt de sombre toon der klokke,
stem des Tijds, die nimmer rust.

Gedichten (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:24 Reageer op dit bericht

lam

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

 

't Verdwaalde lam.

De schapen hadden heel de dag
Gegraasd in 't geurig kruid;
Maar bij het scheiden van de zon
Was 't met dat pretje uit; 
Al vonden zij 't ook buiten mooi,
Nu moesten zij terug naar kooi.

Doch bij de hoeve weergekeerd,
Daar zag de herder, dat 
Eén lammetje aan de troep ontbrak -
Waar 't arme diertje zat? - 
‘Pas’ - zei de herder tot de knecht -
‘Op de andren; 'k breng het gauw terecht.’

En haastig liep hij weer terug,
En riep en floot en keek 
Dan links, dan rechts in veld en wei,
Langs waterplas en beek, 
En toen hij bij het bosje kwam
Vernam hij 't blaten van het lam.

‘Och zit je’ - zei de goede man -
‘Hier in de doornen vast?’ 
En hij verloste 't kleine dier,
En met die lieve last 
In de armen, liep hij meer dan vlug
Weer naar zijn kameraad terug.

En 't schaap, de moeder van het lam,
Kwam blatend naar hem toe; 
En 't was als riep het lammetje
Heel zacht: ‘hier ben ik, moè! 
‘Mijn hartje klopt zo blij, zo blij!
‘'k Zal nooit meer dwalen van uw zij.’

In 't vrije veld (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten