Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

sluimer

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Sluimer

Stil! - Duizendogig spiegelt zich in 't meer
De nacht, en laat haar bleke luchter beven,
Die gloeiend witte glanzen heen doet zweven
Om 't, rond de diepte reiend, rotsenheer.

En Sluimer daalt op vlinderwieken neer,
Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven,
Die dauwend droom en zoet vergeten geven,
En zweeft in schaduw peinzend heen en weer.

En in mijn dolend hulkje, dat er glijdt
Langs 't kabblend zilver, zet hij zich; ik zie
Hem tederblikkend over mij gebogen.

Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd...
Ik hoor een sluimerende melodie,
En weet niet wat mij loodzwaar viel op de ogen...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

bloemen

Een gedicht van Abraham van Collem 1885=1933

Bloemen, sterren, grassen en de zon

Bloemen, sterren, grassen en de zon
Nemen voortaan het bedoelen over
Van de kleine mensen op de aarde.
Want de werelden die in hen zijn
Moeten wachten op het mensenwoord
Dat hun zeggen zal waarom zij werden
Bloemen, sterren, grassen, en de zon.

Nieuwe Liederen der Gemeenschap (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:06 Reageer op dit bericht

nacht- kapel

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

NACHT-KAPEL

Daar hing geen zucht, geen vrage;
Daar was maar stilt' en duisternis
En mystisch viel er groenig-vaal,
Op heilgenbeeld een manestraal
In de ouw' Maria-nis.

Heel flauwkens monkel-lachend,
Als of 't zijn leste lachsken was,
Leek 't lampken Gods, in 't duistre rond,
Een blom, die zonder water stond
In rood kristallen glas.

Daar had ik geern gezongen,
Hoog boven al dat oud verdriet,
Maar toen ik 't lied beginnen wou,
Was 't of ik 't al ontheilgen zou —
En daarom zong ik niet.

Maar luistrend naar de stilte
En dromerig van dat blomken broos,
Rees in mijn ziele, moe gezocht,
Een goedheid, die geen mens vermocht:
Berusting eindeloos.

Op zachte Vooizekens (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

mei

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

1 MEI

Kom vriend met uw jonge vrouw!
Met uw liefdevol hartlijke vrouw,
Met uw al zo zorgende vrouw -
    Welkom! welkom is zij
      De eerste Mei!

Kom vriend met uw zoon, uw kind!
Met uw jonge en al verstandige kind,
Met uw o! eenmaal gelukkiger kind -
    Welkom! welkom is hij
      De eerste Mei!

Kom vriend met uw kloppende hart!
Met uw duldend maar dappre hart,
Wij roepen uw hoopvolle hart
    Welkom in onze rij
      De eerste Mei!

Wij allen behoeven elkaar!
Wij winnen slechts met elkaar -
Helpen, helpen wij dan elkaar:
Maken we elkander vrij
De eerste Mei!

Ons is immers deez' dag!
Ons is deez' bloeiende dag!
Als eenmaal der dagen dag -
Die vindt ons zij aan zij
De eerste Mei!

Aan óns is de komende tijd!
Ons, óns is de nieuwe tijd!
O heerlijk toekomstige tijd
Wij voele' u nabij
De eerste Mei!

Want wij zijn de groten der aard!
Wij zijn de werkers der aard!
Wij zijn de winners der aard!
Dat zijn wij állen - wij
Den eerste Mei!

Uit stilte en strijd (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:22 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

O dood vlies van de torengracht

O DOOD vlies van de torengracht
en wreed gewekte kreet der zwanen,
de angst vloeit klam toe door de lanen
en stolt rondom de pijlerschacht.

O krimpend hart, dat uit de sprong
der wurgende belagers hoog naar boven
omhoog zich worstelde     sloven
aamechtig sinds het zich ontwrong,

walmende lamp, die opgetild
met floersen roet het smeulend gele
verduisterde en wuft het ele
leven des luchters had omhuld.

Gemengde verzen IV

schrijver

Geschreven door Dora om 15:43 Reageer op dit bericht

wens

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Wens

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

De dood brengt nood,
Zo niet vereelt hem reikt
De hand een pand,
Waaruit de dagvlijt blijkt.

Mijn zon, Uw bron
Springt nog voor aardse dorst;
Ach warm, dat arm
Ik niet zal staan, mijn borst.

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

Herscheppingen - Van de tweede wereld (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:20 Reageer op dit bericht

anecdote

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Anecdote

Hoe groot, ô Mahomet! zijt ge in mijne ogen,
Door de eedle daad, voorwaar te min bekend;
Daar gij, verplicht om tempelwaarts te treden,
Terwijl uw kat op uwe mantel sliep,
De brede mouw, waarop zij vrolijk rustte,
Veel liever van de purpren mantel sneed,
Dan in zijn sluimren ’t zoete dier te storen!
Gezocht en eindelijk verkregen rust
Aan ’t rustend voorwerp gul te doen genieten;
Haar te beveilgen, en met eigen schaê
Haar te verlengen; ô dit is een offer,
Waarvoor de hoogste deugd slechts vatbaar is!

Proeve van Slaapdichten (1784)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

koning

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1809

De koning is gekommen!

De grote zon, de zomer is
ten oosten uitgeklommen,
       bezoekende zijn koninkrijk...

De volkeren, de groten en
de klenen, alle lieden
       hem koninklijk begroeten gaan
en blijde inkom bieden.

De mannen zijn veel sterker nu
ten arbeide, en de vrouwen,
       ze slaan wel nog zo dapper, met
de la, de weefgetouwen.

De jongens en de maagden, als
       of ze nog klene waren,
gaan lopen in de lanen, in
       de locht, en spelevaren.

Het kindje, dat geen tonge en heeft,
nu zingen kan; en ‘t aaien
van moeders hand- en mondgebaar
       vriendtoevig tegenkraaien.

De vogels zingen, de aarde zingt,
de kruiden en de blommen...
de zomer is, de grote zon,
de koning is gekommen!

Rijmsnoer (1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

reis

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

's Levens reis.

Met voor-de-wind en gunstig tij,
- Een wonder schoon begin - 
Met volle zeilen streven wij
De wijde wereld in. 
O! mocht op 's levens oceaan,
Zoo kalm als thans de waterbaan,
Van storm en strijd 
En ramp bevrijd, 
Ons scheepje voorwaarts gaan. 

't Zij Oost of West of Zuid of Noord
Het lot ons henen voer', 
Wij zeilen onbekommerd voort,
Zit godsdienst aan het roer. 

Met zulk een stuurman zijn wij klaar;
En woel' of spook' het hier en daar,
Wij volgen blij, 
Van zorgen vrij, 
En vrezen geen gevaar. 

Loei ook de storm bij winterweer,
Of steek' de zonnegloed, 
Stroom' klett'rend soms de hagel neer
En kook' de zilte vloed, 
Het nieuw geschoren lam verdraagt
De wind geduldig, die het plaagt:
Met d' eigen moed 
De tegenspoed 
Verduurd en niet geklaagd. 

Hoor ginds, hoe, in 't ontbladerd bos,
De roodborst zit en fluit; 
Toch viel zijn warme vederdos
Door koude nachtvorst uit. 
Zo houde ook ons, hoe guur het zij,
Een goed geweten warm en blij,
En blijve altijd, 
Het lot ten spijt, 
Ons de opgeruimdheid bij.

Zeemansliedtjens(1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

filosofie

Een gedicht van O.C.F. Hoffham 1744-1799

Praktikale filosofie

Parmenides ontkende de beweging:
Diogenes, om hem te wederleggen,
Sprak niet één woord, maar rees van zijne zetel,
En wandelde slechts voor hem heen en weder.
Doch filosoof Diogenes, op zijn beurt,
Verviel in dwaling tot het andere uiterst',
En loochende de rust: wat groter dwaling!
Zo hij nog leefde, mij de rust ontkende,
Ook ik zou zwijgend zijn systeem weerleggen:
Ik zou alleenlijk voor zijne ogen slapen.

Proeve van slaapdichten (1784)

Illustratie: Diogenes

schrijver

Geschreven door Dora om 11:56 Reageer op dit bericht

lentelied

Een gedicht van J.P. Heije  1809-1876

LENTELIED.

De lucht is blauw, en groen het dal;
Viooltjes bloeien overal
En lelietjes van dalen;
't Is alles geur
En fleur en kleur,
En glans en gloed en stralen.

Wees blijde nu, gij treurend hart!
Al heeft de Lente lang gemard,
Ze is dubbel schoon verschenen:
Geef God, de Heer,
Nu dank en eer;
Uw Winter óok vlood henen!

schrijver

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

bede

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Bede

Lichte nacht, die lichter zijt
Dan mijn donker droeve dagen,
Sterrennacht, die groter zijt
Dan mijn kleine hart kan dragen -
Laat mij knielen in het duister,
Waar geen sterveling mij ziet,
En mij bidden tot uw luister:
Doof het licht mijns harten niet!

Zingende stemmen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Duco Vorster 1880-1953

Het hart spreekt

Laat mij door Uw stilten ommedolen,
waar het schendend woord van hen niet is,
dat ik – in een donker woud verscholen –
bij de geur van Uwe bosviolen
word omvat van Uw geheimenis.

Laat mij, als wie uit zijn huis getreden,
ginder in de nevelen verdween -
- nimmer nimmer hoort men zijn gewende schreden –
spoorloos in Uw stilten zijn vergleden,
waar ik eeuwig ben met U alleen.

Op uwen drempel (1926)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

mond

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

 

Ik zag nooit zo'n rode mond

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

Ik zag nooit zo'n rode mond
Noch zulke vriendelijke ogen
Als zij heeft, die mij heimelijk
In het hart heeft verwond.
Toch leef ik nog verheugd en hoop
Voor de smart te worden beloond.
Al doet ze mij minnepijn lijden:
Ze kan me spoedig genezen.

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

Ik ben gelukkig als ik bij
Mijn schone vrouwe kan zijn
En haar zuiver gelaat en
Haar gestalte kan schouwen.
God vrijware haar van leed!
Zij is zo fraai gevormd,
Dat ik haar trouw van hart
Tot elke dienst bereid moet zijn.

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

mode

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Aan de Mode

Machtigste verleidster! wufte mode!
Godheid, duivelin! of, toveres!
't Mensdom stort met drift naar uw pagode,
Boeit zijn oor aan uwe orakelles.
Gij verwint elks hart, in spijt der reden,
't Zij ge zulks door macht of list bestrijdt;
En verdedigt alle uitsporigheden,
Daar gij zelf 't uitsporigste wezen zijt

Straks, na de eerste dracht der vijgenblâren,
Wisselde, op uw wenk, der mensen tooi,
Keer op keer, als ongestuime baren,
En in stoffe en vorm, in snede en plooi.
Sinds volgde eeuwige ebbe en vloed uw stander,
Dien gij plantte tot in 't uiterst Rijk.
Schoon zich dwaasheid duizend-werf verander',
Echter blijft zij steeds zich zelf gelijk.

Gij bestond tot slaven u te maken,
Van de huif tot aan den hoepelrok;
Van de grove pij tot aan 't scharlaken;
Van de luijr tot aan de oude stok,
Ja, gij voert ook zelfs nog na ons sterven,
Over onze lijkbus uw bestier;
En gewis begraven ons onze erven
Eenmaal naar de nieuwste mode en zwier.

Onze plechtighêen, vermaken, spelen,
Worden naar uw willekeur bepaald,
Hoge-scholen, kansels en tonelen,
Walen, zo als uw kompasnaald waalt.
Kunst en smaak, en denken en gevoelen,
Wordt van u op zijne prijs gezet;
En journalen, die uw roem bedoelen,
Zijn voor 't kies publiek een stalen wet.

Elk uitheems gebruik, de vreemdste zeden,
Schenkt gij 't burgerrecht van Nederland!
Galliër en Brit bespot met reden,
Onze kinderlijke onverstand!
Gij bestemt ons zingen, snuiven, vloeken,
Onze houding, kleding en frisuur,
Geeft ons honden, paarden, koetsen, boeken,
Maar - helaas! - ook menig zotte kuur.

Oefen vrij voortaan uw alvermogen,
Fop vrij elk, die roem op dwaasheid draagt,
Laat slechts mij, uw guichelspel onttogen,
Gaan en handlen zoo als 't mij behaagt.
Scheiden we onderling in vrede, o Mode!
Hoor mijn opzet, dat ik plechtig staaf:
Nimmer worde ik dwaas uw antipode,
Maar nog min, en dwazer, ooit uw slaaf.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

veugd en vrede

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1985 

Vreugd en vrede.

De vreugde is 't gevoel van de nakende morgen
En tooit elke stond met haar innige lach,
Evenals de vrede, na werken en zorgen
De weemoed versiert van de kwijnende dag.

Wie vreugde nooit eenzaam des morgens liet marren,
Hem zijn alle wondren begrijplijk en klaar;
De stilte der aarde, de schoonheid der starren
Maakt vrede des nachts aan ons hart openbaar.

O vreugde, kom 's morgens al dansend getreden,
En wek mij met zangen, dat steeds aan mijn zij
Uw lach moge klinken! Maar gij, zachte vrede,
O ga, als het schemert, mijn huis niet voorbij!

Onze eeuw, jrg. 17 (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

de slaap

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

De slaap

Wanneer de nacht
Hem tegenlacht,
Die pozing van de arbeid wacht
En stilstand van de zorgen,
Dan rust het lichaam, mat gesloofd,
Dan rust het suf gezonnen hoofd,
Hij slaapt tot aan de morgen.

Maar die de tijd,
Aan 't werk gewijd,
Steeds doel- en nutteloos verslijt,
En d' avond ziet genaken,
Hij, wie verveling plaagt en pijnt,
Hij beeft zodra de dag verdwijnt,
En kan geen ruste smaken.

Wanneer de nacht
Het leed verzacht
Van hem, die deugd en plicht betracht,
Maar worstlen moet met rampen,
Dan daalt op hem de slaap ter neer,
En geeft hem nieuwe krachten weer,
Om met het lot te kampen.

De boze keer'
Naar 't rustbed weer,
Dat hem der wroegings spokenheer
Des morgens deed ontvlieden;
Al heeft hij aanzien, schat en macht,
De slaap, waarnaar hij rustloos smacht,
Wil hem geen laafnis bieden.

Ja, troosteres
En rampvoogdes!
Gij geeft ene onontwijkbre les
Aan luiaards en aan bozen;
Stort ge ook uw giften kwistig uit,
Zij worden nooit des tragen buit,
Het deel van de godlozen. 
Geen ledikant,
In weidse trant
Gebeeldhouwd door des kunstnaars hand,
Of zijden praalgordijnen,
Geen luchtig dons of zachte sprei,
Geen kamerwacht in prachtlivrei
Dwingt u er te verschijnen.

Geen stromatras,
Die d'armen pas
't Vermoeide lijf ten leger was,
Hebt gij dáárom ontweken;
De krebbe, waar de deugd in rust,
Door noeste vlijt in slaap gesust,
Kan van uw goedheid spreken.

Ja, Slaap! kunt gij
(Schoon 't lot ook vrij
Balsturig op de stervling zij)
Des levens zuur verzoeten;
o! Breng mij op uw wieken dan,
Waar ik de ramp trotseren kan,
Die wegduikt aan mijn voeten.

'k Wil, noest en braaf,
Uw diere gaaf,
Wie in 't gareel der ondeugd draav',
In al haar volheid smaken;
Van schoner morgenstond bewust,
Zij kalm eenmaal mijn jongste rust
En zalig 't laatste ontwaken!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Louis Davids 18883-1939

Rassenhaat

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Hoe sidder ik onder de klappen
Die ons de blanke zo rijkelijk geeft,
De heren die honen en trappen,
Die onder 't mom van beschaving, cultuur,
'n Volk van miljoenen verdrukken.
Bruin is ons vel en dat geeft hun het recht
Ons 't loon van ons werk te ontrukken.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Veel blanker dan Hollandse heren
Die zonder schaamte in 't zonnige land
De inlandse vrouwen onteren.
En wij, de zonen van 't schandesysteem,
Worden bespot en vergeten.
Of als een hond door het gouvernement
Ruw in de kampong gesmeten.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Bruinen en blanken zijn mensen
Die hebben harten en zielen als gij,
Mensen die aad'men en wensen.
Christenen, reik ons de broederhand toe,
Anders zult gij het beleven
Het bruine jong eens de misdaden wreekt
Aan hun moeders bedreven.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

1924



schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

voorrang

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Voorrang des slaaps.

De zuigling kent nog niet
De wijn: de grijsaard kent
Niet meer 't genot der min.
De jongling proeft en kwijnt:
De man slechts drinkt en mint.
Maar allen kennen ze,
Genieten ze de slaap.
Ik sliep gewiegd, als kind;
Ik sliep, als jongeling:
Thans slaap ik als een man:
En zal, zo 'k hoop, eenmaal
Als grijsaard slapen. En,
Welk blij vooruitgezicht!
Ik zal een lange nacht
Ten laatste slapen in 't
Gemakkelijke graf.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

kraanvogels

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

OP HET GEZICHT VAN TREKKENDE KRAANVOGELS

(De trant van Cats gevolgd.)

Laatst, als ik, op mijn eenzaam pad,
Door Wijnmaands bleke lovers trad,
Zo kwam van ver een vreemd gerucht;
Zo kwam een lange Kranenvlucht,
En hield naar 't wijkend avondlicht
Het spitse van haar schaar gericht.

Ontging ze 't volgend oog weldra,
Zij liet me een diep gepeinzen na.
Ik dacht: wat hier omlaag geschiedt,
Des kreunt zich ginds de Vogel niet.
Of bergen siddren op hun voet,
Door 't worstlen van de sulfergloed;
Of stromen steigren uit hun boord;
De Vogel zweeft gelaten voort.

Hem trekt zijn doel, naar 't eind der baan,
Door 't vredig zwerk staag westwaart aan.
Hoe lang zijn tocht ook duren mag,
Hij roert de vleugels dag aan dag;
Hij vult de lucht met blij geschal,
Gedenkend waar hij rusten zal!

Mijn ziel, raap wijsheid aan dit werk:
Streef hoger dan dit aardse perk.
Of, hier beneên, de wereld woel',
Blijf gij gedachtig aan uw doel!
Staar, vrolijk juichend, naar de Kust,
Waar aller Zorgen woeling rust;
Waar Smarte knaagt, noch Twistvuur brandt,
Noch Zinbekoring strikken spant!
Mijn Ziel - daar is uw Vaderland!

1818.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten