Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

rust

Een gedicht van Alfred Hegescheidt 1866-1964

Rust.

Heerlijke, donzige nacht 
zinkt op mij neer; zoelig zacht 
smelt in zijn adem 't laatst verlangen, 
wegstervend in een laatste stille klacht.

De suizlende avondwind speelt in de zilvren snaren 
der kinderkalme ziel; en op zijn brede baren 
voert hij, de wijde stilte door, onmeetbre zangen. 
Uw spiegelende ziel, van weemoed plots omvangen, 
ziet lange trillingen statig door d' ether varen.
Gevoelens domen mat, uit tijden die eens waren.

Vertoef nog, vreemde weelde van die kalme nacht; 
naar dees vergetende uur heb ik reeds lang getracht; 
laat om mijn moede ziel uw eeuwge schaduw hangen.



Maart 1893

Van Nu en Straks jrg 2 (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:12 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

schade

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning 1891-1959

Zo tedere schade als de bloemen vrezen

Zo tedere schade als de bloemen vrezen
Van zachte regen in de maand van mei,
Zo koel en teder heeft uw sterven mij
Schade gedaan, die nimmer zal genezen.

Eens, toen wij na de nacht tesaam verrezen
Lagen de rozen vochtig en gebroken, ik en gij
Wisten die lange nacht de regen, ik noch gij
Konden van teerheid immermeer genezen.

Gij hebt de witte en de rode rozenbladen
Gebeurd in uwe smalle hand, - zij vielen
Vochtig en sidderend weer in ’t diepe gras.

Hoe zal dan ’t hart van even tedere schade
Genezen, nu om u de rozen vielen,
Nu uwe handen stil zijn, diep in ’t gras.

In memoriam (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

dichterwijding

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

DICHTERWIJDING

In donzen dromen zonk de blonde knaap.

D'arm boven 't hoofd, glimlachende in zijn slaap,
Lag in zijn lokken 't blanke godenkind.
Door 't open venster woei de lentewind,
Vol zoele geur van bloemen en van gras.
De lucht was licht, of ze àl van zilver was.

Toen zweefde een engel door 't omloverd raam
En vouwde op 't blanke bed de vleugels saam
En raakte 't hoofd van wie daar lag zo kalm,
Heel zacht, heel even met een gouden palm
En liet een schat van rozen, wit en rood,
De jonge dromer reegnen in de schoot,
En kuste zacht zijn zijig lokkenblond,
Zijn edel voorhoofd en zijn rode mond.
En toen hij heenvloog in de Meienacht,
Liet hij die bloemen en een vleugelschacht.

En toen de knaap ontwaakte in 't morgenlicht,
Schreef met die veder hij zijn eerst gedicht
Dat klonk zo zoet, 't leek wel gemaakt te zijn
Van rozendromen en van maneschijn.

En rein als de engel, die de vleugelschacht
Hem had gelaten, in die lentenacht,
Bleef 't lied des dichters, heel zijn leven lang,
Van 't eerste kwelen tot de zwanenzang.
En wie daar luistrende aan zijn lippen hing,
Was 't of de poort der heemlen openging,
Vol goudlicht en muziek; maar geen verstond
Het zoet geheim der heil'ge wijdingsstond.
En hij zei nooit wie hem zijn gave gaf,
Maar nam de engelveder mede in 't graf.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

vroomheid

Een gedicht van E. Laurillard  1830-1908

Dubbelzinnige vroomheid.

Winkelier.

Zeg, Kees! je lengt de brandewijn
Nog met wat water aan.

Knecht.

Ik wist, dat u dit gaarne heeft;
Dus, 'k heb het al gedaan.

W.

Heel goed. En heb je, naar mijn last,
Al krijt gemengd in 't meel?

K.

Jawel, mijnheer.


W.

En steentjes ook
In 't krentenvat?

K.

Ja, veel.

W.

Nu, àl te veel mag 't juist niet zijn.

K.

Daar heb ik voor gewaakt.

W.

't Is best zo. Maar, die krultabak
Kan wel wat natgemaakt.
Zie zo, pas goed nu op, hoor, Kees!
En loop niet van je werk;
Dat 'k alles straks in orde vind; -
Want nu moet 'k naar de kerk.

Uit 's levens ernst en kluchten (1904)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

leeuwerik

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Leeuwerik

Blijft gij nooit één blanke uchtend,
Leeuwrik, zingen hier beneên, 
Die uw nachtlijk nest ontvluchtend
Door de zilvren neevlen heen 

Vleuglings vindt de gouden wegen
Waar uw aadmen juichen wordt, 
Tot uw zang in vuren regen
Naar de koele vore stort; 

Zingt gij nooit de rode smarten
Van de duistre aardenacht, 
Wordt het bloeden onzer harten
Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...

In het ijle blauw verloren
Volgt mijn oog niet meer uw vlucht, 
Maar uw antwoord dwaast mijn oren
Met zijn zaligend gerucht: 

Steeds, uit vreugd of smart gerezen,
Heeft de ziel uw vreugd verstaan, 
En tot uwe vreugd genezen,
Ons gemeen geheim geraên: 

Alle smart omhooggedragen
Meerdert vreugdes gouden schat: 
Slechts de vleuglen die ons schragen,
Zijn van aardes tranen nat.

Carmina (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Welgelegen

’k Noem mijn huis, vol huwlijkszegen,
  Kinderliefde en moedermin,
Somtijds lachend: Welgelegen;
  Maar die scherts heeft droeve zin.

„Welgelegen? woont gij buiten?
  Of is ’t uitzicht dan zo schoon
Op uw stadje, door de ruiten?” –
Neen: doch weet ge wáár ik woon?

Vlak bij ’t kerkhof!  Al de doden
  Moeten steeds mijn huis voorbij
En verkonden, stille boden:
„Heden ik en morgen gij.”

’t Is wel vrolijk! zelfs bij tijden
  Al te vrolijk! veel te druk
Kunnen de ekipages rijden
  Langs mijn woning vol geluk.

’k Zucht dan vaak ook: Stille vrinden,
  Neem, zo ’t kan, de boodschap mee,
Dat ik graag bij mijn beminden
  Nog wat blijven wou in vreê! –

Vlak bij ’t kerkhof, maar twee schreden
  En ge zijt er, gauw en goed,
Waar ge lang om heen kunt treden,
  Maar toch eindlijk rusten moet.

Vlak bij ’t kerkhof, maar één stapje
  En ik sta er aanstonds voor;
Komt mijn tijd voor ’t laatste stapje –
  ’k Heb geen rijtuig nodig, hoor!

Aaklig, hé, om zo te wonen
  Vlak bij ’t kerkhof, bij je graf?...
Maar, mijn lieve, sterke, schonen!
  Woont ge er dan veel verder af?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Een minsenhart duut soms zo raor!

'k Heb iets ien mien wâ 'k nie verklaor:
Ik wil 'en ding vandaog
Dolgraog;
En hê 'k 'et, dan zal binnen 't jaor
Dâ ding zo zuutjes aon
Mien hart gaon tegenstaon.
Een minsenhart duut soms zo raor!

Ens wou 'k dolgraog 'en vlukske haor -
Te zeggen hoef ik nie
Van wie -
Zij gaf 'et mien; ik lei 't, zo waor,
Op 't hart. Was dâ nie gek,
Zo'n ding hier op die plek?...
Een minsenhart duut soms zo raor!

Maor kiek! 'en half jaor zin we 'en paor,
En 't vlukske leit verbrand
Op 't land.
Ien de aovendpap viend ik van haor
Één haor...ik brom: 'foei wief!'
En 't hart dreit m'um ien 't lief.
Een minsenhart duut soms zo raor!

Kriekende kriekske (1879)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Avond op het Forum Romanum

De Nacht is komend met een heir van dromen;
Zij volgen mee met wijd-geopende ogen;
Ver van het Westen af kwam zij getogen,
In 't vreemd blauw kleed met brede zwarte zomen.
Daar de verzoenlijke Avond lag in vrome
Gepeinzen neer, op hare arm gebogen,
In licht opaal en klaar goud onvertogen,
En zag nadenklijk naar 't verloren Rome...
Laag hoolt het al in schemering van duister;
Nu gruwt de steen der monumenten-luister,
Nu rijst de ziel der oude steding bloot.
't Gekeldert' leeft, 't verbrokkeld puin gaat grimmen;
Miauwend gaan er om de wulpse schimmen,
Rumoerend nachtlijk door het Rome dood.


1885

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

boer

Een gedicht van Betje Wolff-Bekker 1738-1804

De hupse boer

Mijn lief! mijn lief! staat u mijn wijs van leven,
(Zijt gij zo veranderd?) nu in het geheel niet aan?
Zeg mij, wat tekens zal ik u toch geven,
Dat mijn geluk niet slechts bestaat in waan?

Gij mij verlaten?
Heb ik dat te vrezen?
Omdat ik op het land
Gestadiglijk moet wezen?
Geef mij uw hand,

Mijn lief, geef mij uw hand, geef mij uw hand!
Gij sprak weleer, ik wil hier buiten wonen.
Toen vond gij uw vermaak in dit lieve stille veld.
Wat vriendschap wou gij mij toen al betonen!
Wat hebt gij mij toen niet al moois verteld!

Gij ging naar buiten
Om de koeien te drijven,
Ja, dat deed gij toen;
En wilde toen lang blijven
Bij mij in 't groen;
Dan zei jij: o hoe aangenaam is 't groen!

Wat, zoete meisje, deed u dus verandren?
Wat geeft u toch de stad? 'k versta er niets van.
Beminnen wij weer als voormaals elkandren,
En neem jouw getrouwe ook tot uw man.
Schei uit met dienen.
Jij kunt niet verzinnen
Hoe wel je zult doen
Met mij te beminnen;
Dan zit je in 't groen;
Je bent vrouw en voogd en woont in het groen!

Economische liedjes (1781) van Aagje Deken en Betje Wollff

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

bedroefd

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Was 'k nu bedroefd

Was 'k nu bedroefd, 'k zou met de droefsten schreien:
Zó droef als ik kan toch geen droef mens klagen:
Maar tóch zou 'k zeggen: klaag om 's Levens slagen
Niet wild, niet zó of 't u niet mócht kastijen.

Krom krimpe ik van verdriet; — 'k tere uit van lijen; —
Mijn arm hoofd snapp' niet waarom zulke plagen; —
Maar wee, weé mij! als ooit mijn tong dorst vragen
Hoe 't Leven dát ten goede zou betij'en?

't Leven is goed: wij kúnnen 't niet begrijpen:
Zó kunt ge de aardkloot in uw vuist niet vatten;
Of de' oceaan opscheppen in uw handen.

Hoed u voor 't bot-zijn. 't Leven zal u slijpen
Tot een goed werktuig en niet vragen wat een
Bot mes daartegen zeit. Elk zegge' is schanden.

Verzamelde gedichten (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:50 Reageer op dit bericht

spiegeling

Een gedicht van Jacob Winkler Prins  1849-1907

Spiegeling

In ’t venster van mijn buurman is een tuin...
In ’t bochtig glas zie ’k schelle groene vlekken,
Die krimpen of langwerpig vierkant rekken,
Al naar de wind suist door de dichte kruin

Der wit-bethyrste blâre-boombazuin,
Waaruit doorvonkte groene wuivers strekken,
Die ’t pad met wieglend schaûw-gewoel bedekken,
Nu ’t avondlicht al schuiner valt en schuin.

Maar ’t licht verdwijnt en scheemring komt nu ras.
Mijn buurman treedt aan ’t venster, trekt aan ’t koord
Van ’t valgordijn... het valt met stroef gekras.

Hij steekt de lamp op, kleedt zich ongestoord
En in de spiegel zie ik hem zijn das
Vaststrikken rond de hoogopstaande boord.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

visioen

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

VISIOEN.

In starren nacht lag de woestijn van 't leven,
En strekte ver zich in de somb're tijd,
Daar was geween en wanhoop, moord en strijd,
En boven kwam een zware bloedwolk zweven.

Daar bloeiden bloemen, in gestadig beven
Geschommeld door de wind van haat en nijd,
De rode: bloeddorst, en de gele: spijt,
En witte stonden grimmig-doods geheven.

Een macht'ge slang, in gramme toorn gekruld,
Lag om de wereld, stikkend in haar knoop,
Een slijm'rige rivier, gestremd van loop.

Van weemoeds zuchten was de lucht vervuld,
En uit des diepe wereldlevens nacht
Steeg onverhoord omhoog de jammerklacht.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

maanbeschouwingen

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1903

MAANBESCHOUWINGEN.

Wat het nijdig lot ons afnam,
Toch de maan gelukkig niet.
Ach! wanneer we die niet hadden,
Dieper nog ging ons verdriet.

'k Heb met Laura afgesproken:
Morgenavond, klokke tien,
Moet ge uw blik naar 't maantje richten;
Ik zal ook naar 't maantje zien.

Mocht 'k een wonderdoener wezen!
'k Maakte een spiegel van die maan:
'k Zou dan, naar de hemel kijkend,
Laura aan de Zaan zien staan.

Doch dat kan niet. Nu, het zij zo,
Als maar eens, na droef gemis,
Van een weerzien, zoet en zalig ,
Ons 't genot beschoren is.

O! dan ijl ik met mijn engel
Naar de dichte lindenlaan,
Waar geen blik ons kan begluren,
Dan de trouwe blik der maan.

En die maakt twee silhouetten,
Een van mij en een van haar, -
Zachte en lieve schaduwschetsen,
Van een in-gelukkig paar.

Schotsche ruiten (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

de vuurtoren

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De vuurtoren

schets van ontwaken


Ik ben wakker aan 't worden als een toren aan zee -
De lieflijke lamp van mijn dromen
  Verbleekt in de weifelende dag.

Vannacht hebben beelden van licht
Gedraaid door een duistere wereld
  Over de grillige zee;

Nu sta ik pal in de lucht
Met rode en witte strepen
  Als een vissersjong in een trui.

En de wind waait door mijn hoofd
En door mijn doorzichtige ogen
  Als door een glazen lantaren;

Dichtbij klotsen de golven
Van het frisse schuimige leven -
  - - - - - - - - - - - - - - -
  Zie het is dag!

Uit stilte en strijd (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Over stille ogen."

Over stille ogen en lippen stil
Eeuwig nu geloken
Sprei uwe bloemen ter liefde der bloem
Droeviglijk gebroken.

O, laat vallen, zuchtenszacht,
Treurewoorden, woorden van klacht,
Dat zij niet storen de rustenacht,
Waarin zij ligt gedoken.

Neig uw hoofd en neig uw wil...
En zeg: ‘àl mijne liefde had
Niet kunnen veilgen tegen leed;
Geen koestrende armen weren 't wreed
Waaien van wind; geen balseming
Geneest in 't hart ontgoocheling....

Zij was nog blij die henenging....’

Voor haar zachte ogen is Dood gekomen
En heeft gesproken wat niemand weet,
Maar over haar smarte-ogen gleed
Glimlach van vreê.... Ver weg van leed
Lei Hij haar voort langs vredestromen.

Serena (!898)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:52 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

BOOM

Van stomme schepselen en weet ik geen als bomen,
Die onze biddende gedaante nader komen:
Wij strekken evenzo onz’ handen hemelwaart;
Maar onze wortelen zijn machtig vast in d’ aard.

Puntdichten (1687)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

vrucht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

EEN VRUCHT DIE VALT...

Een vrucht die valt...
- Waar ‘k wijle in ‘t onontwijde zwijgen,
buigt statiglijk de nacht  zijn boog om mijn gestalt.
De tijd is dood, omhoog, omlaag. Geen sterren rijgen
haar paarlen aan ‘t stramien der roereloze twijgen.
En geen gerucht, dan deze vrucht, die valt.

Een vrucht.
- En waar ik sta, ten zatte levens-zome,
vol als de nacht, maar even stil; blind als de lucht
hoe rijk ook aan ‘t verholen licht van mijne dromen,
voel ‘k - lomer dan in ‘t loof der luideloze bomen
een vrucht die valt, - mijn hart, gelijk een vrucht
die valt...

God aan zee (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

verganklijkheid

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712

De verganklijkheid

Het boompje laat zijn blaadjes vallen,
Aan 't Einde van de zoete tijd,
Gedurig enige van allen,
Zo raakt hij ook het laatste kwijt.
Dat doet verhevene gedachten,
(Terwijl haar naaste daalt in 't graf)
Ook deze zelve gang verwachten,
Want Adams blaad'ren vallen af.

De Wereld kan haar lievelingen,
Die met haar herts genegenheid,
Wel gaarn altijd aan haar hingen,
Niet langer houden als haar tijd.
Hij laat ze zinken naar beneden,
Wanneer der maar een windje speelt,
Het groene tijdje is verleden,
Dat sap en kracht had mee gedeeld.

ô Wereld-boom! gij boom van allen,
Wat hebt gij van 't beginsel af,
Veel duizend blaad'ren laten vallen,
Die al verrot zijn in het graf!
Zo dat zich niemand kan verleiden,
Door ingebeelde ijd'le hoop,
Dat d' afval hem alleen zal mijden,
Daar 't al, en alles neder droop.

Dit ziet de wijze klaar voor ogen,
En schept een nieuw geboren wil,
Om zijn wasdom te verhogen
                                                                                                                                                  Daar 't groene blad nooit af en vil,
Van 't Eeuwig bloeiend hout des Heere,
In 't altijd groeiend Paradijs,
Dat ieders hert zich daar toe kere,
Die gaarn won de hoogste prijs.

'Duytse lier' (1671)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

nachtegaaltje

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1834

HET NACHTEGAALTJE.

Zeg mij, zwevend orgelkeeltje,
Zanger, zo eenvoudig schoon,
Zeg mij, minziek filomeeltje!
Wie leerde u die liefdetoon?

Als gij, met uw snebje fluitend,
Slepend, zacht uw’ galm verlengt,
Of, de gorgel vol ontsluitend,                      
Alle tonen samen mengt,

Als gij ’t zet op hoge wijzen,
En, met schel en scheller slag,                    
Alle zangen dooft in ’t rijzen, 
Zanger van de nacht en dag;

Als ge een stilte weet te scheppen,
Door geen lispeling gestoord;                      
Als geen blaadje zich durft reppen,
d’Aâmtocht zwijgt en alles hoort;

Zeg ’t mij, gij, sinds zo veel jaren,
Dichter van het lied der Lent’,                       
Of er ook nog eeuwen waren,
Met uw zangen onbekend?

Of ge in ’t woud in oude boeken,
Bij der vogelen Homeer,
Eerst de maat en gang moest zoeken,      
Zingen naar zijn wijze leer?

Naamt gij lessen tot uw voordeel,
Tot hoe hoog uw stem mocht gaan?         
Velde een papegaai het oordeel                 
Over vals en zuiver slaan?

Maar gij lacht met zulke vragen;
De ongekunstelde natuur,
Needrig vogeltje, elks behagen!
Schonk u ‘t heilig dichtrenvuur.

Rijk van vederpracht omgeven,
Staat de Paauw in glans en gloor;
Maar zijn toon wordt aangeheven‚
En hij snijdt en vlijmt in 't oor.

’t Fluitje leidt de maat der vinken,
Kunstig zingen zij een lied;
Maar gij doet er duizend klinken,
En gij hoorde pijp noch riet.

‘k Geef de roem op oude talen,
Oude smaak ook vrolijk weg,
Mits men, bij de nachtegalen,
Mij mijn wildzang niet ontzeg.


Mei, 1820.

Nieuwe Gedichten (1821)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten