Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

vrucht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

EEN VRUCHT DIE VALT...

Een vrucht die valt...
- Waar ‘k wijle in ‘t onontwijde zwijgen,
buigt statiglijk de nacht  zijn boog om mijn gestalt.
De tijd is dood, omhoog, omlaag. Geen sterren rijgen
haar paarlen aan ‘t stramien der roereloze twijgen.
En geen gerucht, dan deze vrucht, die valt.

Een vrucht.
- En waar ik sta, ten zatte levens-zome,
vol als de nacht, maar even stil; blind als de lucht
hoe rijk ook aan ‘t verholen licht van mijne dromen,
voel ‘k - lomer dan in ‘t loof der luideloze bomen
een vrucht die valt, - mijn hart, gelijk een vrucht
die valt...

God aan zee (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

verganklijkheid

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712

De verganklijkheid

Het boompje laat zijn blaadjes vallen,
Aan 't Einde van de zoete tijd,
Gedurig enige van allen,
Zo raakt hij ook het laatste kwijt.
Dat doet verhevene gedachten,
(Terwijl haar naaste daalt in 't graf)
Ook deze zelve gang verwachten,
Want Adams blaad'ren vallen af.

De Wereld kan haar lievelingen,
Die met haar herts genegenheid,
Wel gaarn altijd aan haar hingen,
Niet langer houden als haar tijd.
Hij laat ze zinken naar beneden,
Wanneer der maar een windje speelt,
Het groene tijdje is verleden,
Dat sap en kracht had mee gedeeld.

ô Wereld-boom! gij boom van allen,
Wat hebt gij van 't beginsel af,
Veel duizend blaad'ren laten vallen,
Die al verrot zijn in het graf!
Zo dat zich niemand kan verleiden,
Door ingebeelde ijd'le hoop,
Dat d' afval hem alleen zal mijden,
Daar 't al, en alles neder droop.

Dit ziet de wijze klaar voor ogen,
En schept een nieuw geboren wil,
Om zijn wasdom te verhogen
                                                                                                                                                  Daar 't groene blad nooit af en vil,
Van 't Eeuwig bloeiend hout des Heere,
In 't altijd groeiend Paradijs,
Dat ieders hert zich daar toe kere,
Die gaarn won de hoogste prijs.

'Duytse lier' (1671)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

nachtegaaltje

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1834

HET NACHTEGAALTJE.

Zeg mij, zwevend orgelkeeltje,
Zanger, zo eenvoudig schoon,
Zeg mij, minziek filomeeltje!
Wie leerde u die liefdetoon?

Als gij, met uw snebje fluitend,
Slepend, zacht uw’ galm verlengt,
Of, de gorgel vol ontsluitend,                      
Alle tonen samen mengt,

Als gij ’t zet op hoge wijzen,
En, met schel en scheller slag,                    
Alle zangen dooft in ’t rijzen, 
Zanger van de nacht en dag;

Als ge een stilte weet te scheppen,
Door geen lispeling gestoord;                      
Als geen blaadje zich durft reppen,
d’Aâmtocht zwijgt en alles hoort;

Zeg ’t mij, gij, sinds zo veel jaren,
Dichter van het lied der Lent’,                       
Of er ook nog eeuwen waren,
Met uw zangen onbekend?

Of ge in ’t woud in oude boeken,
Bij der vogelen Homeer,
Eerst de maat en gang moest zoeken,      
Zingen naar zijn wijze leer?

Naamt gij lessen tot uw voordeel,
Tot hoe hoog uw stem mocht gaan?         
Velde een papegaai het oordeel                 
Over vals en zuiver slaan?

Maar gij lacht met zulke vragen;
De ongekunstelde natuur,
Needrig vogeltje, elks behagen!
Schonk u ‘t heilig dichtrenvuur.

Rijk van vederpracht omgeven,
Staat de Paauw in glans en gloor;
Maar zijn toon wordt aangeheven‚
En hij snijdt en vlijmt in 't oor.

’t Fluitje leidt de maat der vinken,
Kunstig zingen zij een lied;
Maar gij doet er duizend klinken,
En gij hoorde pijp noch riet.

‘k Geef de roem op oude talen,
Oude smaak ook vrolijk weg,
Mits men, bij de nachtegalen,
Mij mijn wildzang niet ontzeg.


Mei, 1820.

Nieuwe Gedichten (1821)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 1 reactie Reageer op dit bericht

dag en nacht

Een gedicht van Roemer Visscher 1547-1620

Dag en nacht

Meisje, als ik u mag wezen omtrent,
Al stonden de sterren aan het firmament,
Zo is, als dag, de  Hemel klaar:                                                              
Maar als ik van u moet zijn absent,
Al scheen die Zon nog zo excellent,
Zo is het nacht voor mij eenpaar.
Wat baat mij dan der Zonnen kracht,
Als gij mij maakt dag ende nacht?

Brabbelingh (1614)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:04 Reageer op dit bericht

heimwee

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Heimwee.

Wanneer de winter ons verlaat,
En naar het noorden vlucht;
Wanneer 't viooltje, in blauw gewaad,
Naar 't lenteluchtje zucht;
Wanneer de mei naar 't liedje hoort,
Dat hem de kever bromt,
De zwaluw weer uit warmer oord
Naar 't wiegenestje komt;

Dan roept een stem in mijn gemoed:
‘Wat suft gij in uw kluis?’
Dan trekt het mij zo sterk en zoet
Naar 't vroeg verlaten huis;
Dan zie ik, achter berg en bos,
Een dal voor storm beschut;
Daar tooit de lente in schoner dos
De vaderlijke hut.

In Limburg ligt de stille plaats,
Die zo mijn hart bekoort;
In Limburg stroomt de brede Maas,
Niet ver van ’t dierbaar oord;
En vogellied en lentepracht,
En wat de ziel verheugt,
Verlokken mij met wondre macht
Naar ’t erfdeel mijner jeugd.

Ik speelde vrolijk daar als kind,
Langs beek en bloemenwei,
En met mij speelde menig vrind
Door 's levens bonte mei,
O, mocht mijn oog nog eens u zien,
Die mij zo dierbaar zijt,
En u de trouwen handslag biên,
Gelijk in vroeger tijd!

Thans dwalen velen, ach! als ik
Door streken minder schoon,
En werpen vaak een droeve blik
Naar hunner oudren woon;
Die ginder bleven, spelens moe,
Verlieten kolf en schijf,
En snelden reeds de grave toe,
Tot rust voor ziel en lijf.

Eén vriend liet mij des hemels wil
Van al dat vriendental,
En die alleen herdenkt nog stil
Ons spel met kaats en bal;
Die leidt mij dan van huis tot huis,
Kom ik ten dorpe weer,
Verklaart op ’t kerkhof ieder kruis:
‘Zij slapen in de Heer!’

Dan schenken wij een weemoedstraan
Aan elke zaalge vrind,
En denken als wij henen gaan:
‘Wat hebben we u bemind!’
Wij scheiden traagzaam van elkaar,
En teeknen eerst een plek
Op 't kerkhof, achter 't hoofdaltaar:
‘Dat die ons beid' eens dekk'!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:28 Reageer op dit bericht

vrede

Een gedicht van Dirk Camphuysen 1587-1627

Vrede.

Daar moet veel strijds gestreden zijn,
veel kruis en leeds geleden zijn,
daar moeten heil’ge zeden zijn,
een nauwe weg betreden zijn,
en veel gebeds gebeden zijn,
zolang wij hier beneden zijn:
zo zal ’t hierna in vrede zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:55 Reageer op dit bericht

door

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Door onze zachte, licht-ontroerde lijven

Door onze zachte, licht-ontroerde lijven
o Zusters, woedt die grote strijd nu fel:
wij hunk'ren naar de toekomst, 't heerlijk spel
aller krachten, die nu in ons verstijven.

Wij horen Vrijheids zoete lokken wel,
en reppen ons... Niemand wil achterblijven:
wij werpen van ons het lange en stijve
vrouwen-gewaad, om licht te gaan en snel.

Dan breekt jets in ons, en wij wenen, lang...
het is zoo zacht op een ander te leunen,
het was zoo veilig in de warme kluis.

Leugen lijkt die ons voorwaarts joeg, die drang:
wij zijn niet thuis waar scherpe wapens dreunen,
in 't stil-omslotene, daar zijn wij thuis.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

de ruyter

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1957

De Ruyter

De Ruyter was een man
Die op de grote zee
En op de Oceaan
Aan zeegevechten dee.

Hij sloeg haast altijd raak
En kwam ook immer rijk
Uit elk gevecht terug,
Een miljonair gelijk.

Maar eens op ene dag
Kreeg hij op zijne boot
Een kogel in zijn maag
En was toen eensklaps dood.

Hij won maar altijd door
En hij verloor ook nooit.

De ontboezemingsbundel (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

schietbeek

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

De schietbeek

(XVII)

In 't brede lommer van de lage bomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden:
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.

Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betomen
Maar waadde door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.

Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal.... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...

En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, wenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frisse blijheid blinken. -

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

mailbrief

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

De mailbrief

XXI

Toch, als de tovervonk langs wonderdraad gevlogen,
- Snel als de Laster vliedt en ’t praatje van de Logen –
De tijding brengt in ’t land: de Mail, de Mail is aan!
   Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan,
Want elk, vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven
De levenstekenen, de lange, dierbre Brieven!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:52 Reageer op dit bericht

gebed

Een gedicht van Remy van de Kerkckhove 1921-1958

Gebed van een godsloochenaar

Ik heb nooit in U geloofd, ik kon U niet raken met mijn handen
ik kon uw voorhoofd niet kussen in ook Uw aangezicht niet slaan.
Ik zocht U in kille kerken en liep langs brede warme stranden
vol verbeten haat om ’t schone schitteren van Uw eeuwigen naam.

Ik zag mannen en vrouwen U volgen als driftloze honden
en kroop U in ’t donker na om ’t strelen van Uw vergevend’ hand.
Ik huilde in de nacht en beet de ketting die me had gebonden
uit vrees voor eigen schaduw waarin mijn beestig hart was opgebrand.

Ik geloof niet dat w’uit Uw melkachtige hand werden geschapen,
ik ben een zwarte duivel die een valse vrome Vastenavond speelt.
Ik reken ons bij de planten, bij de goudvissen en bij d’apen,
en heb mijn maskeradeschoonheid tussen spot en zwakte verdeeld.

Ik heb nooit in U geloofd en kon U niet raken met mijn vuisten,
moet ik U ooit ontmoeten, ik bevecht U met menselijke waan,
met mijn stinkende adem, mijn hoogmoed, mijn lafheid en mijn puisten
tot mijn uitgerafeld hart van schrik plots tegen mijn ribben zal slaan.

Uit: Gebed voor de kraaien (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:57 Reageer op dit bericht

vreemde

Een gedicht vn Nicolaas Beets 1814-1903

IN DEN VREEMDE.

Zo klonk ze nimmer nog me in 't oor, —
Zo rein, zo roerend nooit, als hier
1k laat er Grisi's zangen voor,
Manzoni's gulden lier.

't Is of dat vriendlijk spraakgeruis
Me in toverdraden wart;
'k Zie beelden zweven, teer en kuis,
Voel oude vreugden, zoete smart ....
Ik denk aan zoveel liefs te huis ,
En 't wordt me week aan 't hart.

Wat gloort Vezuvoos wolkenkrans
Bij 't scheiden van de dag!
De Golf is enkel goud en glans;
Natuur gaat sluimren met een lach:
't Is schoon — toch zag ik liever thans,
Naast Rottes grijze torentrans,
Mijn Maas en Hollands vlag!

Gedichten (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

zichtbaar

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht
De witte bloesems in de scheemring -- ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied're tint vervliet
In teerheid... Rust -- o, wonder-vreemd genucht!
Want alles is bij dag zó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf - de wind, de wolken, alles gaat
Al zacht en zachter - alles wordt zo stil.

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al zó moe is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Verzen(verscheen in 1894. )

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

Holland

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Holland.

Zie 'k Holland weer met zijn bestraalde vaarten,
Rivieren blankend tussen 't spichtig groen,
Waar, in de glorierijke zomernoen
Goude' iris, tussen riet en paardestaarten,

En 't brede bloemscherm 't daglicht zingen doen,
Dan doet er in mijn ziel een zaal'ge klaarte
— Zoals de zon stijgt trots uit wolkgevaarten —
Der Schoonheid blijde wederkeer vermoên.

Ik ben de zoon van Holland! O, niet de eerste,
Want ik weet wel: met ogen die beminden,
U eeuwen lang der mensen ziel bezag,

Maar toch gevoel ik me onder de allerteerste
Van al Uw Liefde' en, sinds 'k U zó mocht vinden,
Denk ik: heil hem, die daarvan zingen mag.

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:31 Reageer op dit bericht

moe

Een gedicht van Richard Minne 1891-1965

Moe

De zonne zinkt.
Een sterre zoekt.
Een zon die hinkt
wordt opgedoekt.
't Moet wel, 't is wet.
Maar vóór te gaan,
heeft ze in een raam,
de zon, haar ziel
te koop gezet.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:04 Reageer op dit bericht

sonet

Een gedicht van Jan van der Noot 1539-1595

Sonet

En is 't de liefde niet, wat is 't dan dat mij kwelt?
En is 't de liefde ook, wat mag de liefde wezen?
Is zij zoet ende goed, hoe valt zij hard in deze?
Is zij kwaad, hoe is dan zo zoete haar geweld?
Brande ik met mijne dank, hoe ben ik dan ontsteld?
Is 't tegen mijne dank, zal 't zuchten mij genezen?
O vreugd van pijnen vol, pijne vol vreugd gerezen,
O droefheid vol jolijt! O blijdschappe verfelt!
Levende dood, hoe moogt gij tegen mijne dank
Dus vele over mij? Maar ben ik willens krank,
Mij klagende t'onrecht, de liefde ik t'onrecht blame.
Liefde goed ende kwaad, mij leed en aangename,
Geluk en ongeluk, zuur en zoet ik gevoele;
Ik zoeke vrijigheid, en om slaven ick woele.

------------------------------------------------

verfelt - wreed (geworden)
dus vele - zoveel
leed - onaangenaam
om slaven ik woele - om slaaf te worden span ik mij in.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

doker

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Het was donker

Het was donker,
hij lag op zijn bed.
hij had het raam op de haak gezet,
opdat het getij van de nacht
door de baai van zijn kamer kon gaan
en zijn dromen stijgen en dalen
op de golven der maan,
en hij dacht:
'hoe vaster ik slaap,
des te zwaarder slaapt het heelal,
hoe dieper ik ademhaal
hoe hoger de nacht
en het lied van de nachtegaal.
kan het zijn,
dat van Genesis af
het parabolisch Verhaal,
de Ellips der Geschiedenis -
tot het vuur van de Apocalyps
de laatste beelden verbrandt,
de luchter, het boek en het lam -
niets anders is
dan het vluchtige spiegelbeeld
van mijn slaap, tussen dromen verdeeld?'

Verzamelde gedichten (1951)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

laudate

Een gedicht van Joodst van den Vondel 1587-1679

Laudate Dominum in Sanctis.

Loof de Heer in ’s Hemels kerk,
Boven ’t zwerk.
Loof Hem in Zijn hofgewelf.
Loof Hem zelf
Met een schel bazuingeklank.
Loof met zang,
Onder harp en cythersnaar
Openbaar.
Loof met koorgezang en trom,
Hem alom.
Loof de Heer met blij geluid,
Snaar en fluit.
Loof met klinkende cimbaal
Van metaal;
Loof met vrolijke cimbaal
Van metaal.
Loof, met al het geestendom,
Hem alom!

HARPZANG (1656)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

vader

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Gelijk een vader zijn onwillig kind

Gelijk een vader zijn onwillig kind
Bestraft met schijnb're toorn, maar smart in 't hart,
En, schoon kastijdend, zelf wel voelt hoe hard
De straf moet zijn voor 't kind dat hij bemint, -

En onder 't straffen in zichzelve zint
En hoopt óf het berouwvol wordt, - en mart,
O zo verlangend, na die dubb'le smart
Héél lief te wezen voor zijn lieve kind: -

Zó toornde ik ook op u, mijn ziel! die zwaar
Gezondigd hebt door uw zo kleine leed
Te laten smetten uw zo grote vreugd,

En, o, zo lang, zo teer begeerde ik naar
't Berouw, dat meer vergoedt dan ge ooit misdeed,
Daar wel 't berouw, maar niet de zonde heugt.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

droom

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning 1891-1959

Droom van de witte akelei

Zij kwam en wandelde met mij
En knielde aan een beek en zei
Dit is de witte akelei.

Zij streelde het licht sidder-gras,
En zeide dit is Gods gewas
Dat boven mijn hoofd zingend was.

Zij zei, onder dit gras-geruis
Ligt nog haar vergeten huis
Het wit geraamte van een muis.

Zij zei, hoe hoog hier bomen staan
Eens is het daarmee ook gedaan,
Dan kunnen wij weer samengaan.

Ik vroeg: gij zijt toch dood, en dan,
Waar krijgt gij dit nieuwe leven van?
Zij zei, ’t is maar voor kort, mijn man.

Alleen voor u, en maar voor even,
Dat er in verzen staat geschreven
hoe stil de doden verder leven.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten