Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

droom

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning 1891-1959

Droom van de witte akelei

Zij kwam en wandelde met mij
En knielde aan een beek en zei
Dit is de witte akelei.

Zij streelde het licht sidder-gras,
En zeide dit is Gods gewas
Dat boven mijn hoofd zingend was.

Zij zei, onder dit gras-geruis
Ligt nog haar vergeten huis
Het wit geraamte van een muis.

Zij zei, hoe hoog hier bomen staan
Eens is het daarmee ook gedaan,
Dan kunnen wij weer samengaan.

Ik vroeg: gij zijt toch dood, en dan,
Waar krijgt gij dit nieuwe leven van?
Zij zei, ’t is maar voor kort, mijn man.

Alleen voor u, en maar voor even,
Dat er in verzen staat geschreven
hoe stil de doden verder leven.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

december

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

DECEMBER.

Nu mist het woud zijn purpren najaarspracht.
Een ritslend kleed van rosse blaadren dekt
De weke wegen, waar 't geplet fluweel
Van plekken mos, smaragdgroen, zichtbaar bleef.
De hoge bomen, zwart en bladerloos,
Wie grijsgroen mos de ruige stammen dekt,
Herdenken, droef, de zoete zomertijd,
En schudden zacht de wijze kale kruin.
In de oude toppen klaagt de winterwind.
Door 't huivrend schaarhout vaart een lange zucht
En trillend klapwiekt, als een bruine vlinder,
't Verdorde blad, dat trouw bleef aan zijn twijg.

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

stervende

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Christus stervende.

Die alles troost en laaft, verzucht, bezwijmt, ontverft!
Die alles ondersteunt, geraakt, o mij! aan 't wijken.
Een doodse donkerheid komt voor zijne ogen strijken
Die kwijnen als een roos die dauw en warmte derft.

Ach wereld, die nu al van zijne volheid erft:
Gestarnten, Engelen, met uwe Hemelrijken,
Bewoonderen der aarde, ey! toeft gij te bezwijken,
Nu Jezus vast bezwijkt, nu uwe Koning sterft?

Daar hij het leven derft, wil ik het ook gaan derven:
Maar hoe hij meerder sterft, en ik meer wil gaan sterven,
Hoe mij een voller stroom van leven overvloeit.

O hoge wonderen, wat geest is zo bedreven,
Die vat hoe zo veel sterkte uit zo veel zwakte groeit,
En hoe het leven sterft om doden te doen leven?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

Wiking Harald

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Wiking Harald

Stout strandt de Wiking Harald
Op Vlaandrens grijze kust,
Met zijn ontembre Noren,
Op goud en wijn belust.
Doch Vlaandrens Grave, Baldwin,
Nog jong, reeds wijd vermaard,
Toont ras zijn heldendaden,
Zijn kloeke Vlaamse aard.

Hij rent door Vlaandrens wouden,
Springt over stronk en gracht...
Hij houdt op Vlaandrens duinen,
Met ijzren arm de wacht.
De Noren naken snorkend,
Als everzwijnen wild;
De Vlamings zwaaien zwaarden,
En rammlen op hun schild.

En schreeuwen schor de Noren,
Als ruwe ravenzwerm...
Ze tuimlen dra en deinzen,
Met vloekend doodsgekerm.
Hun bloed bespat de duinen,
Rood danst het schuim der zee...
Ze rukken, in de vluchtdrift
Hun Wiking Harald mee.

Hij, hij beschermt de Draken,
Verdedigt iedre man,
Die aan de wraak der Vlamings
Bij tijds ontsnappen kan.
Hij zingt zijn laatsten strijdzang:
‘Op, helden houd u goed,
Zwaai zwaluwsnel uw slagzwaard!
Schenk mild de haaien bloed!’

Hij zingt zijn laatste strijdzang:
‘Eerst, eerst mijn volk gered!
Niet eerder wijk of val ik,
De storm is Wikings bed!’
Hij zingt... Plots ploft hem Baldwin,
Zijn blauwert in de borst!..
In golven stort de Wiking
En sterft als Norenvorst.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

onvergeten

Een gedicht van P.A.M Boele van Hoensbroek 

ONVERGETEN

Soms is het of ik het vergeten ben;
Of er niets is geweest, dat niet meer is.
Mij zelve is het een geheimenis,
Zo diep, dat ik mij zelve niet meer ken.
Dan lach ik, doe ik, of er niets ontbreekt,
Of alles voort leeft, zoals het moest zijn,
Of nooit de dood iets van wat ik eens mijn
Noemde wegnam. - Maar de ure komt, die wreekt.

Als ik een knaapje zie, dat hem gelijkt,
Dan zie ik hem weer lachend voor mij staan,
In al zijn kinderlijke minlijkheid;
Dan welt vol weemoed in mijn oog een traan
En als het beeld, het droeve, van mij wijkt
voel 'k toch des doods onoverwinlijkheid.

Ts. De Nederlandsche Spectator(1896)

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Remco Campert 1902-1943

Zo straks de dood door deze deur mocht treden

Zo straks de dood door deze deur mocht treden,
neerdalen langs de trap of kloppen aan het raam,
mij wenken zou en daarna noemen zou mijn naam
en zei: Volg mij, uw leven is verleden -

hij zou geen lang en moeizaam overreden
van node hebben voordat ik het drukkend haam
van een vrijwel mislukt bestaan, besmeurd met blaam,
afleggen wou en heen zou gaan in vrede.

Maar op de drempel van de deur gekomen,
terwijl de kille wind een slip van zijn gewaad
opwaaien doet en strijkt langs mijn gelaat
zou nog een laatste aarz'len mij doorstromen,
niet om 't verlies van veel vergeefse dromen,
maar om het lachen van een kind op straat.

Verzamelde gedichten (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

de stilte

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De stilte

Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt,
Zij die alle stilte vrezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.

Draag uw kleine levenszegen
Naar het dromenloze land,
Lijk de golve' haar oogst bewegen -
Tot zij zachtjes breken tegen
Het doodstille strand.

Zie de boom de paden tooien
Rondom zijne stille voet,
Laat uw ziel zich zo ontplooien
En haar bloemen om zich strooien
Uit een vroom gemoed.

Leer u aan de stilte laven:
Waar het leven u geleidt -
Zij is uwe veil'ge haven,
Want zij is de grote gave
Van de Eeuwigheid.

Sluit de stilte in uw gaarde,
Wees in haar gelukkig kind:
Al wie ze aan haar schoot vergaarde -
Alle zaligen op aarde
Hebben haar bemind.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

zeven

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Alle Zeven

Met zeven nagelen lag Ik geklonken
Op dit zwart rad van marteling, mijn Leven, -
Want zeven Hárten zijn mij ópgeblonken,
In pracht van Jeugd en Vreugde's innigst beven.

In zeven dromen was ik zwaar verdronken,
Dromen van deemoed en van liefde-geven,
Die alle zeven weer in 't Niet-zijn zonken:
Daarom gegroet, mystiek getal van Zeven!

Hártstochten gaan en komen op de maat
Van mijner diepre Ziel geheimvol deinen,
En heel mijn liefde was een morgendroom.

Maar, boven al de Schijn des Tijds uit, staat
Gij in uw koelte, al-enig-vaste-en-reine,
O, Cijfer, waar 'k op tuur, in vreemde schroom.

Verzen (1931)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

te Delft

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Te Delft

- fragment -

o Delft, o Hofpaleis! gij deed mijn boezem gloeien,
Toen ik die trappen zag,
Waarlangs mijn Vaderland een tranenstroom deed vloeien,
Toen Willem daar op lag.
Mijn ziel werd gans gevoel; ik moest mijn vingers steken
In dien doorschoten wand.
Ik zag, ik hoorde hem die laatste woorden spreken:
Mijn God, Mijn Vaderland!
Zo ge ooit, mijn landgenoot! zijn heilige as moocht nadren,
Kniel dankend bij zijn graf!
Er droomt geen Hollands bloed in uw verbasterde aadren,
Gaat gij er koel van af.

Nederlandsche gezangen (1779)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

las

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hoensbroek

 

LAS  HUELGAS

In het klooster van las Huelgas
In de biechtstoel zit de priester,
Fluistrend spreekt zijn biechtelinge
Van de wereld, van haar zonde.

Nimmer zien des priesters ogen
Wie hem toespreekt. Nimmer blikken
In de wereld meer de vrouwen,
Die het klooster heeft begraven.

Aarzlend spreekt de mond der nonne
Van haar liefde voor een koorknaap,
Die het wierookvat eens zwaaide
In de kathedraal van Burgos.

Aan hem denk ik altijd, _ snikt zij, _
Aan zijn schittrend schone ogen.
Juan was zijn naam. Zijn vader
Was een arme schapenhoeder.

Daaglijks keert de priester weder
In het klooster van Las Huelgas;
Hoort de biecht der jonkvrouw, altijd,
Altijd zuchtend naar de liefde.

Daaglijks wordt hij bleker, minder
Schitterend zijn donkre ogen.
Staamlend geeft hij absolutie
Voor haar zondig, werelds denken.

Eindlijk vond men in de biechtstoel
Dood de jonge priester zitten. _
Juan was zijn naam. Zijn vader
Was een arme schapenhoeder.

Liefde ne leed, Amsterdam(1903)

Geschreven door Dora om 19:53 Reageer op dit bericht

jan stavast

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Jan Stavast. 

1.

Al valt de hemel naar omlaag
Ik zet er kloek mijn schouders onder,
En 'k wed, al lijkt het nog zo'n wonder,
Dat ik hem steun, dat ik hem draag: -
Sta maar vast in pret en pijn,
En het leven
Kan niets geven
Wat u àl te zwaar zou zijn!


2.

Maar - doet gij 't in uw eigen kracht,
Al staat ge ook stevig op uw benen,
Een strohalm... een paar kittelstenen...
Daar leg-je, Man: - en goede nacht!
Staat ge vast in pret en pijn,
Vroom geloven,
Kracht van Boven,
Moet uw innig steunsel zijn!


3.

Maar dàn ook: als gij d i e gevoelt,
Dan staat ge in stormen en bezwaren
Gelijk een Rots in 's levens baren
Onwrikbaar, hoe het bruist en woelt:
Sta dus vast in pret en pijn,
Neêrlands Mannen! -
Z u l k e Jannen....
Och! mocht ge dàt altoos zijn!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Mijn leven

Mijn kindsheid, jeugd en bloei, was éne reeks van plagen;
mijn verdre levenstijd, één ijdle handvol wind;
mijn ouderdom bezweek, bij hoop van beter dagen,
in pijniging van ’t hart die geest en merg verslindt.
Wat nu? De dood verbeid na levenslang verlangen!
Schenk’ hij me een stille koets bij ’t ingaan van de nacht!
Bevrijder, kom! Ruk los de ketens die mij prangen:
Ach! Koel is ’t in uw arm, en op uw peluw, zacht.
‘k Heb lang de felle brand van ’t middaguur gedragen
dat bloed en brein ontstak, en hijg naar ’t eenzaam graf.

Ach, zij ’t gekromde lijf van ’t harde juk ontslagen,
en neem me uw dorre hand het pak des levens af!
Wat ’s leven? – Lijden. – Wat ’s genoegen! Wakend dromen. –
Wat ’s vreugde? – Zelfbedrog, en blinde razernij. –
‘k Beproefde ‘t: ‘k heb die bron voorbij en af zien stromen;
van in haar wel verslijkt, vloot ze in moeras voorbij.
Thans rust ze en vloeit niet meer. Haar ader, leeggelopen,
is dor, verdroogd, en ’t bloed blijft in zijn kreitsloop staan.
Zie neder, God van heil, op wie wij schepslen hopen;
zie neder in genade, en neem mijn zielzucht aan!


Haarlem, 1829

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

weduwe

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

AAN ENE WEDUWE.

De vertroostingen Gods zijn nooit te klein,
Hoe groot het leed moog wezen.
De God, die ze schenkt,
en ons lijden gedenkt,
Zij eeuwig gedankt en geprezen!
Houd dan moed onder 't kruis! Hoe zwaar het drukk',
Het zal u nooit verpletten.
Rijze 't leed voor uw oog
als gebergten omhoog:
Het geloof kan ook bergen verzetten.

Madelieven (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:27 Reageer op dit bericht

harp

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

DE  EOOLSE  HARP

De eoolse harp ruist in de nacht,
Ruist op de toon der treurgezangen;
Aandoenlijk als de weke klacht
Van 't hartje, dat van liefde smacht,
Of breekt van onvervuld verlangen.

Die doorslaapt, waar die citer slaat,
Sliep zeker in met zoete dromen;
Die slaaploos aan het venster staat
Wendt naar de kant het bleek gelaat,
Vanwaar de galmen overkomen.

De nachtwind weet niet wat hij doet,
Die al haar snaren dwingt te trillen,
- Zo min als 't oog dat, door zijn gloed,
Ontroering in een rein gemoed
Verwekt, maar niet vermag te stillen.

Gedichten. V0olledige uitgave, naar tijdsorde gerangschikt. Leiden, z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

de brug

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

De brug

Ik zocht een bloem, die op de bergen wast.
En aan mijn voeten grijnsde ene afgrond, diep
Als wanhoop na een misdaad, en ik riep:
- 'Wie redt mij?' Ik voelde een hand, die greep ik vast.

En over het zwarte water, dat daar sliep,
Wees mij de hand, als brug, een dennenmast.
Ik vroeg: - 'Hoe draagt die boom ons beider last?'
Hij sprak: - 'God leeft, die ons voor het leven schiep.'

Ik zag mijn gids in de ogen; al mijn angst
verkeerde in zwijgend, liefdevol geloof.
De boomstam kraakte… ik kon niet meer terug.

Toen daalde een lichte nevel (dàt was het bangst),
Doch, hand in hand, ging 't voorwaarts, blind en doof.
Daar landden we aan… en toen eerst brak de brug.

Poëzie (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Liedje.

De blanke bloem, geboren
In 't witte morgenlicht,
Sluit bij het dagvergloren
De blaren dicht.

Maar 't gouden hart blijft gloeien
In de ambergele kluis,
Die lauwe geure' omvloeien
En nachtgeruis.

Zó is mijn ziel een bloeme,
Wier fulpen urn omvat
Wat mensentong niet roeme:
Haar zonneschat.

Onze Eeuw, jrg 17 (1917)

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

1890

Een gedicht van P.A.M. Boele Van Hoensbroek

1890

Laat d' ouderwetse dichter nog zijn lier
Besnaren om het zonlicht te bezingen;
Ons, jongren, wenken hoger, beter dingen
Dan 't eeuwen reeds banale hemelvier.

D' elektro-lampen, met de kracht van vier-
Miljoenen kaarsen kunnen mededingen,
Zou 'k menen, naar de lof der stervelingen,
Die bidden uit 't elektrisch-kerkbrevier.

Hebt dank, o vinders van die reuzenlichten!
Gij hebt de duisternis voor goed doen zwichten;
Ook 's nachts is 't licht nu; - van naar bed te gaan

Is thans geen sprake meer; wie denkt aan slapen?
Heb dank, want 't is nu wel voor goed gedaan
Met slaapmuts, nachtpit, dommelen en gapen.

Gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning

Ballade van de goede vrouwen

In dankbaarheid, eer dat ik sterven moet,
Vraag ik nog een ballade voor diegenen
Die als een goede vrouw mij zijn verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet,

Wetende dat er in het hart maar ene
En meer dan zij mij dorstig maakt het bloed,
Maar zegenend de bron door God beschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Ja, wild en stil, zoals mijn eigen bloed,
En wijkend, als 'k u noemde als de ene
Wier glans mij in haar allen is verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Want God geeft dit de vrouwen in het bloed
Dat één ding hun maar heilig is, dit ene:
Liefde, die zij herkenden als het Ene,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Dorst van het leven en eens dorst bij ene,
Wil, die dorst geeft, dat men verdorsten moet?
Mij brak hij bronnen uit de rots en meer dan ene,
En gaven vreugd, gelijk een vrouw dat doet.

Prince:

Goede prinses, Maria Magdalene
Venus, die eens Prins Jezus hebt ontmoet
In eendre lief de en eendre dorst naar 't ene,
En hebt geknield en hebt gezalfd de voet,

Gij kent het licht waarin zij mij verschenen
En weet dat ik, in 't diepste van 't gemoed
Zo heb geknield, als thans ook aan zijn voet,
En vraag: genade, niet alleen voor d'ene,
Maar voor de velen die mij eens bewenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

achterbalkon

Een gedicht van Anthonie Donker 1902-1965

Achterbalkon

Het menselijk gelaat - hoe droef mistekend,
des morgens in de tram grauw van de nacht,
des avonds in de tram grauw afgejacht
van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
tobt elk om wat men zich ziet tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
het hoge hemellicht neerstraalt op allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
hij vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
tegen elkander schuddend in de bocht.

Orcus en Orpheus (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten