Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

dood

Een gedicht van Remco Campert 1902-1943

Zo straks de dood door deze deur mocht treden

Zo straks de dood door deze deur mocht treden,
neerdalen langs de trap of kloppen aan het raam,
mij wenken zou en daarna noemen zou mijn naam
en zei: Volg mij, uw leven is verleden -

hij zou geen lang en moeizaam overreden
van node hebben voordat ik het drukkend haam
van een vrijwel mislukt bestaan, besmeurd met blaam,
afleggen wou en heen zou gaan in vrede.

Maar op de drempel van de deur gekomen,
terwijl de kille wind een slip van zijn gewaad
opwaaien doet en strijkt langs mijn gelaat
zou nog een laatste aarz'len mij doorstromen,
niet om 't verlies van veel vergeefse dromen,
maar om het lachen van een kind op straat.

Verzamelde gedichten (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

de stilte

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De stilte

Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt,
Zij die alle stilte vrezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.

Draag uw kleine levenszegen
Naar het dromenloze land,
Lijk de golve' haar oogst bewegen -
Tot zij zachtjes breken tegen
Het doodstille strand.

Zie de boom de paden tooien
Rondom zijne stille voet,
Laat uw ziel zich zo ontplooien
En haar bloemen om zich strooien
Uit een vroom gemoed.

Leer u aan de stilte laven:
Waar het leven u geleidt -
Zij is uwe veil'ge haven,
Want zij is de grote gave
Van de Eeuwigheid.

Sluit de stilte in uw gaarde,
Wees in haar gelukkig kind:
Al wie ze aan haar schoot vergaarde -
Alle zaligen op aarde
Hebben haar bemind.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

zeven

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Alle Zeven

Met zeven nagelen lag Ik geklonken
Op dit zwart rad van marteling, mijn Leven, -
Want zeven Hárten zijn mij ópgeblonken,
In pracht van Jeugd en Vreugde's innigst beven.

In zeven dromen was ik zwaar verdronken,
Dromen van deemoed en van liefde-geven,
Die alle zeven weer in 't Niet-zijn zonken:
Daarom gegroet, mystiek getal van Zeven!

Hártstochten gaan en komen op de maat
Van mijner diepre Ziel geheimvol deinen,
En heel mijn liefde was een morgendroom.

Maar, boven al de Schijn des Tijds uit, staat
Gij in uw koelte, al-enig-vaste-en-reine,
O, Cijfer, waar 'k op tuur, in vreemde schroom.

Verzen (1931)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

te Delft

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

Te Delft

- fragment -

o Delft, o Hofpaleis! gij deed mijn boezem gloeien,
Toen ik die trappen zag,
Waarlangs mijn Vaderland een tranenstroom deed vloeien,
Toen Willem daar op lag.
Mijn ziel werd gans gevoel; ik moest mijn vingers steken
In dien doorschoten wand.
Ik zag, ik hoorde hem die laatste woorden spreken:
Mijn God, Mijn Vaderland!
Zo ge ooit, mijn landgenoot! zijn heilige as moocht nadren,
Kniel dankend bij zijn graf!
Er droomt geen Hollands bloed in uw verbasterde aadren,
Gaat gij er koel van af.

Nederlandsche gezangen (1779)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

las

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hoensbroek

 

LAS  HUELGAS

In het klooster van las Huelgas
In de biechtstoel zit de priester,
Fluistrend spreekt zijn biechtelinge
Van de wereld, van haar zonde.

Nimmer zien des priesters ogen
Wie hem toespreekt. Nimmer blikken
In de wereld meer de vrouwen,
Die het klooster heeft begraven.

Aarzlend spreekt de mond der nonne
Van haar liefde voor een koorknaap,
Die het wierookvat eens zwaaide
In de kathedraal van Burgos.

Aan hem denk ik altijd, _ snikt zij, _
Aan zijn schittrend schone ogen.
Juan was zijn naam. Zijn vader
Was een arme schapenhoeder.

Daaglijks keert de priester weder
In het klooster van Las Huelgas;
Hoort de biecht der jonkvrouw, altijd,
Altijd zuchtend naar de liefde.

Daaglijks wordt hij bleker, minder
Schitterend zijn donkre ogen.
Staamlend geeft hij absolutie
Voor haar zondig, werelds denken.

Eindlijk vond men in de biechtstoel
Dood de jonge priester zitten. _
Juan was zijn naam. Zijn vader
Was een arme schapenhoeder.

Liefde ne leed, Amsterdam(1903)

Geschreven door Dora om 19:53 Reageer op dit bericht

jan stavast

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Jan Stavast. 

1.

Al valt de hemel naar omlaag
Ik zet er kloek mijn schouders onder,
En 'k wed, al lijkt het nog zo'n wonder,
Dat ik hem steun, dat ik hem draag: -
Sta maar vast in pret en pijn,
En het leven
Kan niets geven
Wat u àl te zwaar zou zijn!


2.

Maar - doet gij 't in uw eigen kracht,
Al staat ge ook stevig op uw benen,
Een strohalm... een paar kittelstenen...
Daar leg-je, Man: - en goede nacht!
Staat ge vast in pret en pijn,
Vroom geloven,
Kracht van Boven,
Moet uw innig steunsel zijn!


3.

Maar dàn ook: als gij d i e gevoelt,
Dan staat ge in stormen en bezwaren
Gelijk een Rots in 's levens baren
Onwrikbaar, hoe het bruist en woelt:
Sta dus vast in pret en pijn,
Neêrlands Mannen! -
Z u l k e Jannen....
Och! mocht ge dàt altoos zijn!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Mijn leven

Mijn kindsheid, jeugd en bloei, was éne reeks van plagen;
mijn verdre levenstijd, één ijdle handvol wind;
mijn ouderdom bezweek, bij hoop van beter dagen,
in pijniging van ’t hart die geest en merg verslindt.
Wat nu? De dood verbeid na levenslang verlangen!
Schenk’ hij me een stille koets bij ’t ingaan van de nacht!
Bevrijder, kom! Ruk los de ketens die mij prangen:
Ach! Koel is ’t in uw arm, en op uw peluw, zacht.
‘k Heb lang de felle brand van ’t middaguur gedragen
dat bloed en brein ontstak, en hijg naar ’t eenzaam graf.

Ach, zij ’t gekromde lijf van ’t harde juk ontslagen,
en neem me uw dorre hand het pak des levens af!
Wat ’s leven? – Lijden. – Wat ’s genoegen! Wakend dromen. –
Wat ’s vreugde? – Zelfbedrog, en blinde razernij. –
‘k Beproefde ‘t: ‘k heb die bron voorbij en af zien stromen;
van in haar wel verslijkt, vloot ze in moeras voorbij.
Thans rust ze en vloeit niet meer. Haar ader, leeggelopen,
is dor, verdroogd, en ’t bloed blijft in zijn kreitsloop staan.
Zie neder, God van heil, op wie wij schepslen hopen;
zie neder in genade, en neem mijn zielzucht aan!


Haarlem, 1829

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

weduwe

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

AAN ENE WEDUWE.

De vertroostingen Gods zijn nooit te klein,
Hoe groot het leed moog wezen.
De God, die ze schenkt,
en ons lijden gedenkt,
Zij eeuwig gedankt en geprezen!
Houd dan moed onder 't kruis! Hoe zwaar het drukk',
Het zal u nooit verpletten.
Rijze 't leed voor uw oog
als gebergten omhoog:
Het geloof kan ook bergen verzetten.

Madelieven (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:27 Reageer op dit bericht

harp

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

DE  EOOLSE  HARP

De eoolse harp ruist in de nacht,
Ruist op de toon der treurgezangen;
Aandoenlijk als de weke klacht
Van 't hartje, dat van liefde smacht,
Of breekt van onvervuld verlangen.

Die doorslaapt, waar die citer slaat,
Sliep zeker in met zoete dromen;
Die slaaploos aan het venster staat
Wendt naar de kant het bleek gelaat,
Vanwaar de galmen overkomen.

De nachtwind weet niet wat hij doet,
Die al haar snaren dwingt te trillen,
- Zo min als 't oog dat, door zijn gloed,
Ontroering in een rein gemoed
Verwekt, maar niet vermag te stillen.

Gedichten. V0olledige uitgave, naar tijdsorde gerangschikt. Leiden, z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

de brug

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

De brug

Ik zocht een bloem, die op de bergen wast.
En aan mijn voeten grijnsde ene afgrond, diep
Als wanhoop na een misdaad, en ik riep:
- 'Wie redt mij?' Ik voelde een hand, die greep ik vast.

En over het zwarte water, dat daar sliep,
Wees mij de hand, als brug, een dennenmast.
Ik vroeg: - 'Hoe draagt die boom ons beider last?'
Hij sprak: - 'God leeft, die ons voor het leven schiep.'

Ik zag mijn gids in de ogen; al mijn angst
verkeerde in zwijgend, liefdevol geloof.
De boomstam kraakte… ik kon niet meer terug.

Toen daalde een lichte nevel (dàt was het bangst),
Doch, hand in hand, ging 't voorwaarts, blind en doof.
Daar landden we aan… en toen eerst brak de brug.

Poëzie (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Liedje.

De blanke bloem, geboren
In 't witte morgenlicht,
Sluit bij het dagvergloren
De blaren dicht.

Maar 't gouden hart blijft gloeien
In de ambergele kluis,
Die lauwe geure' omvloeien
En nachtgeruis.

Zó is mijn ziel een bloeme,
Wier fulpen urn omvat
Wat mensentong niet roeme:
Haar zonneschat.

Onze Eeuw, jrg 17 (1917)

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

1890

Een gedicht van P.A.M. Boele Van Hoensbroek

1890

Laat d' ouderwetse dichter nog zijn lier
Besnaren om het zonlicht te bezingen;
Ons, jongren, wenken hoger, beter dingen
Dan 't eeuwen reeds banale hemelvier.

D' elektro-lampen, met de kracht van vier-
Miljoenen kaarsen kunnen mededingen,
Zou 'k menen, naar de lof der stervelingen,
Die bidden uit 't elektrisch-kerkbrevier.

Hebt dank, o vinders van die reuzenlichten!
Gij hebt de duisternis voor goed doen zwichten;
Ook 's nachts is 't licht nu; - van naar bed te gaan

Is thans geen sprake meer; wie denkt aan slapen?
Heb dank, want 't is nu wel voor goed gedaan
Met slaapmuts, nachtpit, dommelen en gapen.

Gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning

Ballade van de goede vrouwen

In dankbaarheid, eer dat ik sterven moet,
Vraag ik nog een ballade voor diegenen
Die als een goede vrouw mij zijn verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet,

Wetende dat er in het hart maar ene
En meer dan zij mij dorstig maakt het bloed,
Maar zegenend de bron door God beschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Ja, wild en stil, zoals mijn eigen bloed,
En wijkend, als 'k u noemde als de ene
Wier glans mij in haar allen is verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Want God geeft dit de vrouwen in het bloed
Dat één ding hun maar heilig is, dit ene:
Liefde, die zij herkenden als het Ene,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Dorst van het leven en eens dorst bij ene,
Wil, die dorst geeft, dat men verdorsten moet?
Mij brak hij bronnen uit de rots en meer dan ene,
En gaven vreugd, gelijk een vrouw dat doet.

Prince:

Goede prinses, Maria Magdalene
Venus, die eens Prins Jezus hebt ontmoet
In eendre lief de en eendre dorst naar 't ene,
En hebt geknield en hebt gezalfd de voet,

Gij kent het licht waarin zij mij verschenen
En weet dat ik, in 't diepste van 't gemoed
Zo heb geknield, als thans ook aan zijn voet,
En vraag: genade, niet alleen voor d'ene,
Maar voor de velen die mij eens bewenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

achterbalkon

Een gedicht van Anthonie Donker 1902-1965

Achterbalkon

Het menselijk gelaat - hoe droef mistekend,
des morgens in de tram grauw van de nacht,
des avonds in de tram grauw afgejacht
van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
tobt elk om wat men zich ziet tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
het hoge hemellicht neerstraalt op allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
hij vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
tegen elkander schuddend in de bocht.

Orcus en Orpheus (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

lachen

Een gedicht van Jan Brester

Lachen

Voorwaar, 't schenkt balsem aan 't gemoed,
Wanneer het wicht der smarte
Zich lenigt in een tranenvloed,
Die lucht geeft aan het harte;
En edel is het dan gewis,
Als dit om 's naasten rampen is.

Maar, als ons 't lot geen tijd onthoudt
Om van de zorg te pozen,
Wanneer men dan met vrienden kout
Of mag met meisjes kozen,
Dan is 't de lach, die 't hart ontsnoert,
En 't wicht der zorgen met zich voert.

Of als men, bij een vriendenmaal,
De bekers rond mag zwieren,
En, in onafgemeten taal,
Der scherts de toom kan vieren;
Wèl hem, die dan zijn lust voldoet,
En lacht, wanneer hij lachen moet!

Laat preken dan, wie preken wil,
En wijsheid uit wil kramen;
Ik lach wat om diens dwaze gril,
En hunker naar het amen:
De wijsheid, die niet lachen mag,
Geef ik voor éne meisjeslach.

Ja, wie een maagd het schoonste vind'
Bij stil en statig peinzen,
Voor mij ik ben geen droefheidsvrind,
En wil het niet ontveinzen,   
Bij mij haalt schoonheid, praal noch pracht,
Bij 't meisje, dat ons tegenlacht.

En is 't die lach, die ons verrukt,
(Ons, wufte mensenzonen!)
Die groefjes om de lippen drukt
En kuiltjes in de konen,
Die ons, eer men het zelf vermoedt,
De mond tot kussen plooien doet;

Zij is het, zij, die afkeer wekt,
Als zou geen scherts betamen,
Die 't neusje spijtig opwaarts trekt
En 't lachje zich durft schamen,
Of, als de boert haar daartoe dwingt,
De mond nog naar de mode wringt.

Neen, lachen past zo wel in vreugd,
Als wenen in de smarte,
En vrolijk zijn voegt aan de deugd,
Aan 't weltevreden harte;
Hij, die 't zich schaamt, hoe streng hij schijn',
Moet boos of ongelukkig zijn.

Neen, vrienden! Zijn wij geen van twee,
Kan ons de vreugd bekoren,
O! lach dan, lach men, vrolijk mee;
De kniezer mag het horen;
Zo hij bij ons nog ernstig ziet,
Dan weent hij met de droeven niet.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 23:35 Reageer op dit bericht

poseidoon

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hensbroek

POSEIDOON

De stormwind giert een reuzensymfonie;
Het grauwe zwerk dekt d' aard; als woeste scharen
Van krijgers rollen donderend de baren
Op 't maatgeluid dier woeste melodie.

Poseidoon toornt en zweept de golven. Zie,
Titanisch lacht hij bij de doodsgevaren
De schepeling bedreigend. Schatten garen
In 't diepe zeerijk wil hij. Wat men bie',

Niets, niets is hem genoeg. Hij wil vernielen
En heersen waar hem duizend offers vielen
Ten prooi. Ik stond aan 't strand en staard' in 't rond.

En 'k meend' een reuzig bekken schuim t' aanschouwen,
Waaruit Poseidoon met hoog opgestroopte mouwen
De baard inzeepte van het wereldrond.

Gedichten.(1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

de val

Een gedicht van J.K. Rensburg 1899-1943

De val van Rome.

Ik ben geen dichter, die zich voelt versmeten
Uit vreemde wereld, die hij rijzen ziet,
Haar herfstig-droeve aanblik wil vergeten
En in gedroom naar d' oude tijden vliedt,
Wie 't lijkt, als of geen schakel uit de keten
Der Evolutie hem verbinding biedt
Van Hede' en Toekomst en die toch, verbeten,
Vloekt al wat d'Eeuw van 't Eertijds leven liet.
Ik treur niet meer, wanneer ik aan de luchten
De draf van adels-dronken ridderstoet
Of 't plechtig aangegleden praal-vertoon
Van Rome's Kerk gestoord zie en vervluchten
Door walm van 't uit fabrieken hevelend roet,
Als spuwde d'Aarde golpen sombre hoon.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

maanlicht

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

MAANLICHT

Geklommen was de maan naar boven,
Had wolken stil uiteengeschoven,
Uit sneeuwengrot leek zij te turen,
En zilversneeuw in 't rond te sturen.

't Was of de warme zomeraarde
Het koelend zilver gretig gaarde;
Al meer en meer had ze opgevangen,
Tot al van zilver was omvangen.

Een koel, blank kleed dat verre strekte
En velden wijd en weien dekte;
Blanktrossige bomen daar geheven
Leken in zilvermeer te leven.

Zilver was 't al. De duinen lagen,
Als reuzen door de slaap verslagen,
In glimmend pantser breed ter neder.
Een zeemeeuw sloeg de zilverveder,

Dreef door het zilver van de heemlen,
En bleekte weg in 't zilverscheemlen
Boven de zee van licht doorglommen,
Waar kleine slaaprige golfjes zwommen.

Serena(Utrecht, 1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

adieu

Een gedicht van Garston Burssens

Adieu XXIV

à Yvette

Adieu. Dit zijn de laatste noten
die ik gespeeld heb op mijn ribbenkast.
Een kast, waarvan ik in de laden
wat blanco vellen heb geborgen,
papieren voor de dorst.
Zij zullen met mij begraven worden,
mishandeld en mijn slaven worden
en adders aan mijn borst.
Maar goed. Vandaag ben ik nog krekel,
doch morgen ben ik mier,
die overmorgen al zijn hekel
– uit zijn reserves in de pekel –
aan apropos, atoom en spirocheten
postuum zal zetten op papier.
Adieu! Wie weet of ik niet zal beklijven
door ’t schrijven van een later lied,
of ik het schrijven zal of niet.
Zinloos of niet.
Levend of niet.

Alles is mogelijk in een gedicht.  Verzamelde verzen 1914-1965

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten