Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

spiegeling

Een gedicht van Jacob Winkler Prins  1849-1907

Spiegeling

In ’t venster van mijn buurman is een tuin...
In ’t bochtig glas zie ’k schelle groene vlekken,
Die krimpen of langwerpig vierkant rekken,
Al naar de wind suist door de dichte kruin

Der wit-bethyrste blâre-boombazuin,
Waaruit doorvonkte groene wuivers strekken,
Die ’t pad met wieglend schaûw-gewoel bedekken,
Nu ’t avondlicht al schuiner valt en schuin.

Maar ’t licht verdwijnt en scheemring komt nu ras.
Mijn buurman treedt aan ’t venster, trekt aan ’t koord
Van ’t valgordijn... het valt met stroef gekras.

Hij steekt de lamp op, kleedt zich ongestoord
En in de spiegel zie ik hem zijn das
Vaststrikken rond de hoogopstaande boord.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

visioen

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

VISIOEN.

In starren nacht lag de woestijn van 't leven,
En strekte ver zich in de somb're tijd,
Daar was geween en wanhoop, moord en strijd,
En boven kwam een zware bloedwolk zweven.

Daar bloeiden bloemen, in gestadig beven
Geschommeld door de wind van haat en nijd,
De rode: bloeddorst, en de gele: spijt,
En witte stonden grimmig-doods geheven.

Een macht'ge slang, in gramme toorn gekruld,
Lag om de wereld, stikkend in haar knoop,
Een slijm'rige rivier, gestremd van loop.

Van weemoeds zuchten was de lucht vervuld,
En uit des diepe wereldlevens nacht
Steeg onverhoord omhoog de jammerklacht.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

maanbeschouwingen

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1903

MAANBESCHOUWINGEN.

Wat het nijdig lot ons afnam,
Toch de maan gelukkig niet.
Ach! wanneer we die niet hadden,
Dieper nog ging ons verdriet.

'k Heb met Laura afgesproken:
Morgenavond, klokke tien,
Moet ge uw blik naar 't maantje richten;
Ik zal ook naar 't maantje zien.

Mocht 'k een wonderdoener wezen!
'k Maakte een spiegel van die maan:
'k Zou dan, naar de hemel kijkend,
Laura aan de Zaan zien staan.

Doch dat kan niet. Nu, het zij zo,
Als maar eens, na droef gemis,
Van een weerzien, zoet en zalig ,
Ons 't genot beschoren is.

O! dan ijl ik met mijn engel
Naar de dichte lindenlaan,
Waar geen blik ons kan begluren,
Dan de trouwe blik der maan.

En die maakt twee silhouetten,
Een van mij en een van haar, -
Zachte en lieve schaduwschetsen,
Van een in-gelukkig paar.

Schotsche ruiten (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

de vuurtoren

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

De vuurtoren

schets van ontwaken


Ik ben wakker aan 't worden als een toren aan zee -
De lieflijke lamp van mijn dromen
  Verbleekt in de weifelende dag.

Vannacht hebben beelden van licht
Gedraaid door een duistere wereld
  Over de grillige zee;

Nu sta ik pal in de lucht
Met rode en witte strepen
  Als een vissersjong in een trui.

En de wind waait door mijn hoofd
En door mijn doorzichtige ogen
  Als door een glazen lantaren;

Dichtbij klotsen de golven
Van het frisse schuimige leven -
  - - - - - - - - - - - - - - -
  Zie het is dag!

Uit stilte en strijd (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Over stille ogen."

Over stille ogen en lippen stil
Eeuwig nu geloken
Sprei uwe bloemen ter liefde der bloem
Droeviglijk gebroken.

O, laat vallen, zuchtenszacht,
Treurewoorden, woorden van klacht,
Dat zij niet storen de rustenacht,
Waarin zij ligt gedoken.

Neig uw hoofd en neig uw wil...
En zeg: ‘àl mijne liefde had
Niet kunnen veilgen tegen leed;
Geen koestrende armen weren 't wreed
Waaien van wind; geen balseming
Geneest in 't hart ontgoocheling....

Zij was nog blij die henenging....’

Voor haar zachte ogen is Dood gekomen
En heeft gesproken wat niemand weet,
Maar over haar smarte-ogen gleed
Glimlach van vreê.... Ver weg van leed
Lei Hij haar voort langs vredestromen.

Serena (!898)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:52 Reageer op dit bericht

boom

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

BOOM

Van stomme schepselen en weet ik geen als bomen,
Die onze biddende gedaante nader komen:
Wij strekken evenzo onz’ handen hemelwaart;
Maar onze wortelen zijn machtig vast in d’ aard.

Puntdichten (1687)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

vrucht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

EEN VRUCHT DIE VALT...

Een vrucht die valt...
- Waar ‘k wijle in ‘t onontwijde zwijgen,
buigt statiglijk de nacht  zijn boog om mijn gestalt.
De tijd is dood, omhoog, omlaag. Geen sterren rijgen
haar paarlen aan ‘t stramien der roereloze twijgen.
En geen gerucht, dan deze vrucht, die valt.

Een vrucht.
- En waar ik sta, ten zatte levens-zome,
vol als de nacht, maar even stil; blind als de lucht
hoe rijk ook aan ‘t verholen licht van mijne dromen,
voel ‘k - lomer dan in ‘t loof der luideloze bomen
een vrucht die valt, - mijn hart, gelijk een vrucht
die valt...

God aan zee (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

verganklijkheid

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712

De verganklijkheid

Het boompje laat zijn blaadjes vallen,
Aan 't Einde van de zoete tijd,
Gedurig enige van allen,
Zo raakt hij ook het laatste kwijt.
Dat doet verhevene gedachten,
(Terwijl haar naaste daalt in 't graf)
Ook deze zelve gang verwachten,
Want Adams blaad'ren vallen af.

De Wereld kan haar lievelingen,
Die met haar herts genegenheid,
Wel gaarn altijd aan haar hingen,
Niet langer houden als haar tijd.
Hij laat ze zinken naar beneden,
Wanneer der maar een windje speelt,
Het groene tijdje is verleden,
Dat sap en kracht had mee gedeeld.

ô Wereld-boom! gij boom van allen,
Wat hebt gij van 't beginsel af,
Veel duizend blaad'ren laten vallen,
Die al verrot zijn in het graf!
Zo dat zich niemand kan verleiden,
Door ingebeelde ijd'le hoop,
Dat d' afval hem alleen zal mijden,
Daar 't al, en alles neder droop.

Dit ziet de wijze klaar voor ogen,
En schept een nieuw geboren wil,
Om zijn wasdom te verhogen
                                                                                                                                                  Daar 't groene blad nooit af en vil,
Van 't Eeuwig bloeiend hout des Heere,
In 't altijd groeiend Paradijs,
Dat ieders hert zich daar toe kere,
Die gaarn won de hoogste prijs.

'Duytse lier' (1671)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

nachtegaaltje

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1834

HET NACHTEGAALTJE.

Zeg mij, zwevend orgelkeeltje,
Zanger, zo eenvoudig schoon,
Zeg mij, minziek filomeeltje!
Wie leerde u die liefdetoon?

Als gij, met uw snebje fluitend,
Slepend, zacht uw’ galm verlengt,
Of, de gorgel vol ontsluitend,                      
Alle tonen samen mengt,

Als gij ’t zet op hoge wijzen,
En, met schel en scheller slag,                    
Alle zangen dooft in ’t rijzen, 
Zanger van de nacht en dag;

Als ge een stilte weet te scheppen,
Door geen lispeling gestoord;                      
Als geen blaadje zich durft reppen,
d’Aâmtocht zwijgt en alles hoort;

Zeg ’t mij, gij, sinds zo veel jaren,
Dichter van het lied der Lent’,                       
Of er ook nog eeuwen waren,
Met uw zangen onbekend?

Of ge in ’t woud in oude boeken,
Bij der vogelen Homeer,
Eerst de maat en gang moest zoeken,      
Zingen naar zijn wijze leer?

Naamt gij lessen tot uw voordeel,
Tot hoe hoog uw stem mocht gaan?         
Velde een papegaai het oordeel                 
Over vals en zuiver slaan?

Maar gij lacht met zulke vragen;
De ongekunstelde natuur,
Needrig vogeltje, elks behagen!
Schonk u ‘t heilig dichtrenvuur.

Rijk van vederpracht omgeven,
Staat de Paauw in glans en gloor;
Maar zijn toon wordt aangeheven‚
En hij snijdt en vlijmt in 't oor.

’t Fluitje leidt de maat der vinken,
Kunstig zingen zij een lied;
Maar gij doet er duizend klinken,
En gij hoorde pijp noch riet.

‘k Geef de roem op oude talen,
Oude smaak ook vrolijk weg,
Mits men, bij de nachtegalen,
Mij mijn wildzang niet ontzeg.


Mei, 1820.

Nieuwe Gedichten (1821)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 1 reactie Reageer op dit bericht

dag en nacht

Een gedicht van Roemer Visscher 1547-1620

Dag en nacht

Meisje, als ik u mag wezen omtrent,
Al stonden de sterren aan het firmament,
Zo is, als dag, de  Hemel klaar:                                                              
Maar als ik van u moet zijn absent,
Al scheen die Zon nog zo excellent,
Zo is het nacht voor mij eenpaar.
Wat baat mij dan der Zonnen kracht,
Als gij mij maakt dag ende nacht?

Brabbelingh (1614)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:04 Reageer op dit bericht

heimwee

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Heimwee.

Wanneer de winter ons verlaat,
En naar het noorden vlucht;
Wanneer 't viooltje, in blauw gewaad,
Naar 't lenteluchtje zucht;
Wanneer de mei naar 't liedje hoort,
Dat hem de kever bromt,
De zwaluw weer uit warmer oord
Naar 't wiegenestje komt;

Dan roept een stem in mijn gemoed:
‘Wat suft gij in uw kluis?’
Dan trekt het mij zo sterk en zoet
Naar 't vroeg verlaten huis;
Dan zie ik, achter berg en bos,
Een dal voor storm beschut;
Daar tooit de lente in schoner dos
De vaderlijke hut.

In Limburg ligt de stille plaats,
Die zo mijn hart bekoort;
In Limburg stroomt de brede Maas,
Niet ver van ’t dierbaar oord;
En vogellied en lentepracht,
En wat de ziel verheugt,
Verlokken mij met wondre macht
Naar ’t erfdeel mijner jeugd.

Ik speelde vrolijk daar als kind,
Langs beek en bloemenwei,
En met mij speelde menig vrind
Door 's levens bonte mei,
O, mocht mijn oog nog eens u zien,
Die mij zo dierbaar zijt,
En u de trouwen handslag biên,
Gelijk in vroeger tijd!

Thans dwalen velen, ach! als ik
Door streken minder schoon,
En werpen vaak een droeve blik
Naar hunner oudren woon;
Die ginder bleven, spelens moe,
Verlieten kolf en schijf,
En snelden reeds de grave toe,
Tot rust voor ziel en lijf.

Eén vriend liet mij des hemels wil
Van al dat vriendental,
En die alleen herdenkt nog stil
Ons spel met kaats en bal;
Die leidt mij dan van huis tot huis,
Kom ik ten dorpe weer,
Verklaart op ’t kerkhof ieder kruis:
‘Zij slapen in de Heer!’

Dan schenken wij een weemoedstraan
Aan elke zaalge vrind,
En denken als wij henen gaan:
‘Wat hebben we u bemind!’
Wij scheiden traagzaam van elkaar,
En teeknen eerst een plek
Op 't kerkhof, achter 't hoofdaltaar:
‘Dat die ons beid' eens dekk'!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:28 Reageer op dit bericht

vrede

Een gedicht van Dirk Camphuysen 1587-1627

Vrede.

Daar moet veel strijds gestreden zijn,
veel kruis en leeds geleden zijn,
daar moeten heil’ge zeden zijn,
een nauwe weg betreden zijn,
en veel gebeds gebeden zijn,
zolang wij hier beneden zijn:
zo zal ’t hierna in vrede zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:55 Reageer op dit bericht

door

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Door onze zachte, licht-ontroerde lijven

Door onze zachte, licht-ontroerde lijven
o Zusters, woedt die grote strijd nu fel:
wij hunk'ren naar de toekomst, 't heerlijk spel
aller krachten, die nu in ons verstijven.

Wij horen Vrijheids zoete lokken wel,
en reppen ons... Niemand wil achterblijven:
wij werpen van ons het lange en stijve
vrouwen-gewaad, om licht te gaan en snel.

Dan breekt jets in ons, en wij wenen, lang...
het is zoo zacht op een ander te leunen,
het was zoo veilig in de warme kluis.

Leugen lijkt die ons voorwaarts joeg, die drang:
wij zijn niet thuis waar scherpe wapens dreunen,
in 't stil-omslotene, daar zijn wij thuis.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

de ruyter

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1957

De Ruyter

De Ruyter was een man
Die op de grote zee
En op de Oceaan
Aan zeegevechten dee.

Hij sloeg haast altijd raak
En kwam ook immer rijk
Uit elk gevecht terug,
Een miljonair gelijk.

Maar eens op ene dag
Kreeg hij op zijne boot
Een kogel in zijn maag
En was toen eensklaps dood.

Hij won maar altijd door
En hij verloor ook nooit.

De ontboezemingsbundel (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

schietbeek

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

De schietbeek

(XVII)

In 't brede lommer van de lage bomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden:
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.

Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betomen
Maar waadde door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.

Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal.... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...

En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, wenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frisse blijheid blinken. -

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

mailbrief

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

De mailbrief

XXI

Toch, als de tovervonk langs wonderdraad gevlogen,
- Snel als de Laster vliedt en ’t praatje van de Logen –
De tijding brengt in ’t land: de Mail, de Mail is aan!
   Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan,
Want elk, vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven
De levenstekenen, de lange, dierbre Brieven!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:52 Reageer op dit bericht

gebed

Een gedicht van Remy van de Kerkckhove 1921-1958

Gebed van een godsloochenaar

Ik heb nooit in U geloofd, ik kon U niet raken met mijn handen
ik kon uw voorhoofd niet kussen in ook Uw aangezicht niet slaan.
Ik zocht U in kille kerken en liep langs brede warme stranden
vol verbeten haat om ’t schone schitteren van Uw eeuwigen naam.

Ik zag mannen en vrouwen U volgen als driftloze honden
en kroop U in ’t donker na om ’t strelen van Uw vergevend’ hand.
Ik huilde in de nacht en beet de ketting die me had gebonden
uit vrees voor eigen schaduw waarin mijn beestig hart was opgebrand.

Ik geloof niet dat w’uit Uw melkachtige hand werden geschapen,
ik ben een zwarte duivel die een valse vrome Vastenavond speelt.
Ik reken ons bij de planten, bij de goudvissen en bij d’apen,
en heb mijn maskeradeschoonheid tussen spot en zwakte verdeeld.

Ik heb nooit in U geloofd en kon U niet raken met mijn vuisten,
moet ik U ooit ontmoeten, ik bevecht U met menselijke waan,
met mijn stinkende adem, mijn hoogmoed, mijn lafheid en mijn puisten
tot mijn uitgerafeld hart van schrik plots tegen mijn ribben zal slaan.

Uit: Gebed voor de kraaien (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:57 Reageer op dit bericht

vreemde

Een gedicht vn Nicolaas Beets 1814-1903

IN DEN VREEMDE.

Zo klonk ze nimmer nog me in 't oor, —
Zo rein, zo roerend nooit, als hier
1k laat er Grisi's zangen voor,
Manzoni's gulden lier.

't Is of dat vriendlijk spraakgeruis
Me in toverdraden wart;
'k Zie beelden zweven, teer en kuis,
Voel oude vreugden, zoete smart ....
Ik denk aan zoveel liefs te huis ,
En 't wordt me week aan 't hart.

Wat gloort Vezuvoos wolkenkrans
Bij 't scheiden van de dag!
De Golf is enkel goud en glans;
Natuur gaat sluimren met een lach:
't Is schoon — toch zag ik liever thans,
Naast Rottes grijze torentrans,
Mijn Maas en Hollands vlag!

Gedichten (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

zichtbaar

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht
De witte bloesems in de scheemring -- ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied're tint vervliet
In teerheid... Rust -- o, wonder-vreemd genucht!
Want alles is bij dag zó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf - de wind, de wolken, alles gaat
Al zacht en zachter - alles wordt zo stil.

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al zó moe is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Verzen(verscheen in 1894. )

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten