Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

lied

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning

LIED

Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.

Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.

Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.

Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.

Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.

En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.

En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.

Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.

Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.

Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.

1926

Dagelijksch Brood (1940)

schrijver

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

stad

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Stad

Verloren tijd, hoe schoon vind ik u weer,
waar elk herinnren wordt een nieuw verlangen.

o Steden-laan, wat zijn uw meisjes schoon.
Eens was ik jong, en 'k ben niet jong gebleven...

Ik wandel bij de bomen die mijn jeugd
beveiligd hebben en haar jonge liefde.

Water is de adem van een meisjes mond
De stad is heet en droog als een begeerte.

Er is, tussen de dubble glans der laan,
er is een maan, er is een andre maan.
De een is de maan; de andere is gene maan.

Het paard wringt als een zilvren vis. En de ijlte is rood
maar roder zet de galm des voermans de ijlte uit.
Hitte.

Mijn vriend, gij hebt de geur der grote magazijnen.
Zo zijn er meisjes, schraal en met een witte neus.

Leeg schelpje aan nachtlijke ebbe: ik; maar de stad
in duizend dake' als duizend diamanten.

Ik scheer de muren; - als een rechthoek ligt
naast mij mijn schaduw als een vals gedicht.

Menigte, uw geur bijt mijne lippen stuk.
o Menigte, gij doet mijne woorden bloeden.

Waarom te wenen in dit stenen woud?
Gij zult regeren als gij weet te lachen.

Jaag naar huis, o hart: gij vindt er
volle schotelen aan leed.

Stad: eind-punt; vierkant; rust en zekerheid.
'k Zet me op een paal; ik wacht de roep der ijlte.

Substrata (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

vreugde

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

VREUGDE

Onder de gloedende zoen van mijn levenscheppende vreugde ligt de stad;
vreugde in mij, niet om welke oorzaak ook, maar om zich zelf:
zo is elke grote liefde. Mijn vreugde is een absolute liefde.
Dat weet ik: ik ben een schepper die een warme golf over de stad laat varen.

Op schaliedaken ligt maanlicht dol in vreugde, goud-gelukkig.
Ik weet: moest de verzoeking mij op een hoogte brengen
van al de schaliedaken zou ik maanlicht stromen zien:
een ziedende zee van zilveren golven uit licht lopend goud.

Veni Creator van het leven: vreugde om de vreugde!
Voel ik nu niet rusten de lippen van mijn geliefde op mijn mond?
Alles stroomt naar mij toe, - gelijk het maanlicht schept een zee: haar eigen leven, -
nu ben ik een beeld der volle vreugde.

Mijn moeder heeft mij tans bekeken met haar warmste ogen;
nooit was de handdruk van mijn vriend hechter als deze al is mijn vriend ook ver,
en nooit zoende mij zó een geliefde als deze die ik niet ken.
Van de avondlike bomen valt licht vol schittering.

Een koets zou over mijn lichaam kunnen heenrijden,
dit zou mijn vreugde niet even kwetsen.
Mijn vreugde zou gaan en het klingelen der sukkel-belletjes
door het geschal van bazuinen vertalen.


16 februarie 1918

Ik en de stad

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

vlas

Een gedicht van E.Laurillard 1830-1908

Vlas.

'k Was buiten aan 't dolen. De zomernatuur
Ontplooide haar kracht allerwegen;
En tuinbed en boomgaard en akker en wei, -
't Sprak alles van God en Zijn zegen.

't Was alles zo feest'lijk, zo rijk en zo schoon;
Het rondzien was zuiver genieten,
En deed aan de trillende snaren der ziel
Een zacht Hallelujah ontvlieten.

Ik zag naar de winde, die klom op de heg,
Als dacht ze: „dat mag niet gebeuren,
Dat groei zonder bloem in het land wordt gezien
't Moet alles versierd zijn met kleuren."

Ik zag naar de kelkjes, vol geur en vol zoet,
Waar 't snorrende bijken op aasde;
En 'k staarde op de wei met dat mollige groen,
Waar 't vee tot de knieën in graasde.

Maar, liep zo mijn blik door heel 't landschap in 't rond,
Waar alles in groeide en in gloeide,
Het langst bleef mijn oog op een vlasveld gericht,
Dat lief'lijk al blauwende bloeide.

't Is prachtig, dat reine, dat tedere blauw,
Op 't groen van de stengels gewiegeld;
Verbond bovendien, dat de trouw van de Heer,
Bij 't hopen der mensheid, weerspiegelt.

En waar ooit mijn oog op dat kleurenverbond
Der bloeiende vlashalmen staarde,
naar was 't me, of 'k een stuksken van 't hemels azuur
Gespreid zag op 't groen onzer aarde.

UIT 'S LEVENS ERNST EN KLUCHTEN (1883)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:14 Reageer op dit bericht

wanneer

Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933

Wanneer het zomer werd

Wanneer het zomer werd sloeg aan mij uit
Het rode harst van dennen in de zonne,
Ik wasemde de dampen uit van kruid,
Waarvan de lente vezels had gesponnen.

Gestadig werd mijn hoofd verheugd met licht,
Ik ruiste zoals windbestoven blaren,
Ik stond gelijk een windzuil opgericht,
Gereed langs hemel, zee en aard te varen.

Ik heb gegeten van de hemelspijs,
Die opgedekt staat aan het ochtendverre,
Ik ging met gouden wolken op de reis,
En zat te kijken van de gele sterren.

Ik ben tot nacht geworden en tot dag,
De maan en sterren heb ik ingenomen,
En bij de schemer die ik wiegen zag,
Vreemde gestalten heb ik aangenomen.

Nu ben ik niets meer en ik los mij op
In deze verzen van doorleefde woorden,
Wellicht hoort gij daarin mijn hartenklop,
En wordt bekoord door wat eens mij bekoorde.

Liederen der Gemeenschap

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

overpeinzing

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Overpeinzing na het lezen van Einstein's theorie

I

De drie laatste begrippen in 't heelal,
Die nog vast stonde' in dat donker kristal,
Tijd, ruimte, massa, zijn dat dus niet meer.
Ze zijn beweeglijk en - als alles - teer.

Welk een gedachte! Welk een nieuw geluk!
Welk een bevrijding van een hoge druk!
Welke slagen toegebracht aan een God,
De laatste slag, vernietigende God!

Er is dus in 't heelal niets absoluut.
Een tirannie van één bestaat er niet.
Van enkelen is ook geen heerschappij -
Allen zijn gelijk, slechts 't geheel is vrij.
Maar dit is eindeloos in tijd.....

Welk een steun voor het machtig socialisme,
En voor het gouden eeuwig communisme!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

katknuppelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1976

Katknuppelen.
Wel dat's aardig, wel dat's raar...
Roer je knuppels, eêle bazen!
Hoor dat mauwen en dat blazen:
't Is een schone pret, niet waar?
Als de boôm vliegt uit het vat,
Is zij zeker dol, de kat!

Flinke boertjes, jonge maats!
Als ik tóveren kon leren,
Zou ik 't bordje gauw verkeren;
'k Stak jou voor de kat in plaats! -
Vraag je, wat ik wéten wou...
Hoe je 't dàn wel vinden zou?

Fij! het is een boos plezier. -
't Beest is ons tot nut geschapen,
Niet tot spel voor ruwe knapen...
Kom, verlos het arme dier!
Wie een beest zó kwellen kan,
Die wordt een ondeugend man!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 05:40 Reageer op dit bericht

baardman

Baardman
 
Baardman en baardman
Wat doen die mannen dan?
Dat is een vogelaar en een leerling
Ze hebben samen een ding
Om er opuit te gaan
Ze gaan met een motorhome ergens staan
Waar je vreemde en mooie vogels kan zien
En een bijzondere natuur
Ja, het kijken er naar
Dat geeft een fijn natuuruur
Vogels in allerlei soorten
De één weet er veel van
De ander schrijft erover
Ja, dan zie je de meeste mensen
zijn er niet van ondersteboven
Want menig mens geniet van andere dingen
Maar zulk een natuuropname
is toch iets om van te zingen
Het is heel gewoon maar juist
daardoor bijzonder
Het is één al natuurwonder
 
Geschreven door Dora om 22:54 Reageer op dit bericht

dagen

Dagen
 
De dagen zijn aan het korten
De oogst is hier en daar aan het verrotten
Niet alles is goed gegroeid
De regen heeft veel gewassen
schade aangebracht
Maar de fruitteelt schijnt bijzonder te zijn
Dat is dan voor de fruitteler heel fijn!
Een appeltje voor de dorst
Een peertje voor de vitamine
Een aardbei voor het ijs
Want veel fruit maakt
een zachte prijs!
Peer plaatjes
Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

nacht

Nacht
 
De nacht van de poëzie
Ik weet niet wat ik zie
Ik zie een hele nacht
Waar poëzie wordt gebracht
Poëzie heeft iets te zeggen
Maar kan ik me overal bij neer leggen
Wat zijn er vele schrijvers
Die vol zitten met ijver
Ze plaatsen zich aan een vijver
Het water stroomt voorbij
En een mens is met z’n poëzie blij
Je hebt het uit jezelf kunnen halen
Al die poëtische verhalen
Waar komt het nu echt vandaan
Om met veel gedachten
door het leven te gaan!
Zo geeft de poëzie een
mens een bestaan
Om door met het
leven te gaan!
Geschreven door Dora om 17:55 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Gerrit C. van 't Hoog 1869-1951

  

VERLANGEN

Er brandt een huis in 't donker van de nacht,
ik zie de vlammen aan de horizon,
en rond het laaiend vuur - losband'ge kracht,
die, niet bewaakt, haar vrijheid weder won,-

zie 'k vele mensen, klein en zwart, bevracht
met luttel water, of dit doven kon
van 't vuur de brede, majestueuze kracht,
waarmee het rossig blank ten hemel klom!

Zo ligt mijn ziel te branden van verlangen,
de vlammen hoog en wild ten hemel stijgend,
als grote, vuur'ge, opwaarts gaande slangen;

en popjens van verstand en rede, hijgend
zich reppen, om wat blussingsvocht te langen....
maar 't vuur verheft zich, machtig groot en zwijgend.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van  V. de Meyere 1873-1938

LIED.

Zie, mijn liefste, zoet en zacht,
hoe de nacht
't bleke licht van al zijn sterren
levend, bevend, vallen laat
op 't gelaat,
van zó hoog en van zó verre!

Schijnt dees nacht ook eens zo lang
voor wie bang
eigen droefnis uit moet wenen,
wie met liefde 't hart volgiet,
ach, hij ziet
de uren vlieden om zich henen;

en hij houdt de zaligheid,
die de tijd
uit zijn handen zoekt te ontstelen,
dichter aan zijn borst geprangd,
en verlangt
zelfs aan de uren te bevelen!

Zie, mijn lief, 't is of de maan
stil blijft staan,
nu haar licht ons aangezichten,
alsof 't werd een licht-festijn,
meisken rein,
met haar stralen komt verlichten.

Zoveel lichtheid in mijn ziel
flikrend viel
van die lichtheid om ons beiden,
en nog licht en laait de glans
heel en gans,
onverminderd alle zijden!

Lief, ach spreek nu ieder woord,
als 't behoort,
met een lach vol zaligheden!
Ik uw helle woordenval
vangen zal
in mijn ziel, mijn aangebeden!

En daar levend blijven zal
eeuwig al
't blindend goud van uw gedachten,
als een schoonheid, die me viel
in de ziel,
als mijn ziel naar schoonheid smachtte.

Goede nacht en wijk nog niet!
't Liefdelied
is zo ras niet leeggelopen!
Hoor, met nieuwe wonne spuit
zijn geluid,
als met gouden klanken, open.

Ei, reeds komt de dageraad!
Liefste, laat
zachtjes-aan, in 't lichte dagen,
't hoofdje zinken naast mijn hoofd.
Ach, geloof:
groter weelde zal nog dagen!

0, de kussen, die ik vond
op uw mond
en die in mij blijven leven,
zijn beloften voor de nacht,
die ons wacht
met nog schoner, laaier leven!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

licht

Een gedicht van Karel Scharten 187801950

L1CHT-SPEL1NG.

Het noodweer week, en onderdoor de donkere,
zo dikke wolken-dam, dat de avond scheen
gezonken in de vroege middag, blonk er 'n
reep wit-blakende zonne-hemel heen!

De zacht-gelende lamp lijkt vreemd verlaten
van 't schemeren, waar zij de kern van was;
't wit licht slaat binnen! Zie, hoe bleek zij staat en
sterft in goudig gesmeul en grijzige as.. .

Maar jij, bij dit altaar, jij wordt een wonder,
mijn herelijke vrouw! Is niet je wang
in 't kwijnend gloeien zacht rood-goud, wijl blonder
d'aêr blauwig blankt in 't witte licht-gezang?

Je ogen schijnen, bij die wondere speling
van glanzen, in gelij ke klaarheid uit;
't ziek lamplicht smelt, en in al wijd're streling
zie, hoe de zon je lieve hoofd omsluit!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

Z0MERNACHT.

Waar terzijde
golfjes glijden,
blinken in de starrengloor,
onder over-
hangend lover
zit de guile wijngod vóór.

Guller blonk er
in 't halfdonker
dezer gaarde een teder oog...
Liefde! u schenke
't warm herdenken
't eerste lied na d' eerste toog!

Eenzaam lijden,
saam verblijden,
geurt, gelouterd, lieflijk voort;
wensen wekkend
en ontdekkend
door het fris gezongen woord.

Diep gevoelen,
rein bedoelen,
stijgt, in liedren zonder klacht,
op het fluisterend
medeluisterend
koeltje in luwe zomernacht.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

de stad

Een gedicht van H.C. Rümke 1893-1967

DE STAD

1.

Uit donkre gang van het station
uit dompe mensenmassa kwam ik in het licht;
daar sloeg de felle zon in mijn gezicht
ik stond er stil en knipte met de ogen…
Daar was het plein, de brede straat met hoge
gebouwen, daar was beweging:
fel door elkander was het woelen
trams en auto’s in koele
schuiving glijden aan
tussen de mensen, die, zich reppend, gaan.

Het was de vreugde om de sterke dag
die ik over de stad en de mensen zag
De blijdschap lag over allen: zij wisten het niet.
De blijdschap was in mij… kend’ ik het verdriet
van de velen die daar gingen?
Zij gingen in het licht; ik zag hen gaan;
dat was genoeg…. In blijdschap bleef ik staan.

2.

De stad verdwaast in ‘t violette licht,
gemsten uit de hooggehangen bollen
is vol tumult van claxons, trams en hollen
van mensen naar ‘t trottoir, schrik op ‘t gezicht
voor schreeuw van auto, die op hen gericht,
heeft scherp haar ogen… Zie hoe vreemd gezwollen
In het ontsteld gelaat der stad... In dolle
driftkamp van leven werd het Zijn ontwricht.

Krankzinnig is de stad, toch groots en prachtig,
het zwaar bewegen in de volle straten,
waar mensen gaan van duister’ angsten drachtig.

Zij voelen om zich wringen, wreed, oerkrachtig,
het onmeedogend leven, dat verwaten,
en donker dreigend, stuwt hen oppermachtig.

De afgelegde weg (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

SONNET.

Op 't wilde golven van mijn boezem gaat
de deining van mijn donkere gedachten,
onstuimig zwellend in dees nacht van haat
en razernij, met ongekende krachten,

en stijgerend ten hemel op, al 't kwaad
hem tegenloeiend, dat ze aan mij volbrachten,
al wat mijn ziel met grimmige onmacht slaat
en naamloos leed, dat niemand zal verzachten.

En lijk de storm aan 't toppunt van zijn kracht,
zijn duizend stemmen breekt in ene, éne
oneindge kreet van woede en toch weer zacht

gaat strijken en aan 't strand in kreunend stenen
uitsterven, zink ik neer uit al die kracht,
in hopeloos gebed en machtloos wenen.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:28 Reageer op dit bericht

lijden

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Maar daar is Lijden schoner dan de Dood

Maar daar is Lijden schoner dan de Dood, -
Want niet om niet wordt 't mensenhart vertreden,
De brand der zielen is het morgenrood
Waaruit licht-stil zal dagen Hemelvrede.

Des Vaders Strijd en Zijn Vertwijf'ling groot
Wordt in het hart der kind'ren uitgestreden,
Híj wordt verheerlijkt door de Zielen-nood
Der martelaren, die Zíjn Naam beleden.

Gedenk dan, Kind! eer Gij te sterven vraagt,
Dat doden God géén ere kunnen geven,

Maar slechts wie 't Lijden voor den Eeuw'ge draagt,
Die líever U moet zijn dan Dood of Leven,

Daar er een God is, die zelf Lijder heet
En heerlijk Heil zal maken uit Uw Leed.

De Nieuwe Gids, jrg 5 (1890)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Zomer

Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.

De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.

En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,

Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.

Illustratie: Een glazenmaker vloog, met lichtgetril Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:59 Reageer op dit bericht

beproeving

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Beproeving

Helaas! helaas! de wrede smart
Wil zelfs geen dichter sparen-
Dat moest mijn teder vaderhart
Op bitt're wijs ervaren.

Hij, die ons allen heeft gewrocht,
Zo wijs en goedertieren,
Hij heeft ons ditmaal zwaar bezocht;
Ons Jantje lijdt aan klieren.

Ik vreesde 't vroeg, ik zag het lang,
Ik zag zijn halsje zwellen-
En eindelijk kwam de dokter bang
De droeve waarheid spellen.

O, ouders! die dit onheil kent,
Wis zult ge met ons lijden!
Geen poeder of medicament
Komt ons met hoop verblijden.

En voor geen staal of levertraan
Wil nu de kwaal verdwijnen-
Wat hebben wij de Heer misdaan,
Dat Hij dus treft de Zijnen?

Doch neen, ik zwijg eerbiedig stil:
Al moog' mijn harte bloeden,
Ik weet toch, dat des Vaders wil
Steeds alles leidt ten goede.

En gaf hij mij het dichtvuur niet,
En moet ik hem niet danken,
Dat hij mijn smart zich uiten liet
In diep-gevoelde klanken?

Grassprietjes (onder ps. Cornelis Paradijs)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:42 Reageer op dit bericht

onttoverd

Een gedicht van Gerrit C. van 't Hoog 1869-1951

0NTT0VERD

0 vaak nog denk ik aan mijn sprookjeshelden;
hoe menig ridder met een wonder-woord,
dat hem een goede fee in 't bos vertelde,
van 't eenzaam slot heroop'nen kon de poort,
waar ijz'ren boeien schone maagden knelden,
of waar ze sliepen, diep en ongestoord,
totdat er één kwam, die ze weer herstelde
door 't spreken van bet juist' onttoov'ringswoord.

Mijn hart lag in zijn eenzaamheid vergeten
en sliep, totdat een schone fee verscheen,
die 't rechte toverwoordje scheen te weten!

Zacht sprak zij 't uit - de donk're ban verdween,
en, waar 'k in duisternis heb neergezeten,
daar straalt nu witte lichtglans om mij heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten