Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Dit geschreven naar aanleiding van de door de regering bekend gemaakte plannen...hulp bij zelfdoding wanneer men het leven voltooid vindt!

Leven

Is uw leven dood of saai
Het gevoel is niet meer als vroeger
Het leven lijkt wel afgedaan
Zo moet een mens op gevorderde leeftijd
Elke morgen weer opstaan
Er komt een lange zucht
Die geeft ook geen lucht
Weer zo’n nare lange dag
Niemand die tegen mij lacht
Ik zit in een volkomen nacht
Maar weet u, u heeft te lang gewacht
Om Hem te zoeken
Want alleen gaan door het leven
Doet u voor de ouderdom in
eenzaamheid beven
Maar gelooft die nieuwe wetten niet
Die zeggen ga maar zacht dood
Dan heb je niet meer dat verdriet
Zij trekken u in een totale doodsheid
Ver weg van Hem die leeft van
eeuwigheid tot eeuwigheid!
Ga niet alleen door het leven
Die last is u veel te zwaar
Ja, dan komt u met maar
Is dat eigenlijk allemaal wel waar
Uw lijden is bij Hem bekend
Maar als U hem geen blik waardig keurt
Dan blijft u innerlijk dood en verscheurd!
Hij is het die u kan troosten
En u kan verlossen van alle aardse pijn
Als u maar wilt geloven
Dat God in Christus dicht bij
elke oud mens zou willen zijn!
Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

libera

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

LIBERA NOS, DOMINE!

De wind woei om het eenzaam huis
In 't laatste avonduur;
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij 't open vuur.


Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan 't avondmaal.


Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laaide hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.


En 'k sprak en zei: Ik ken u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij?
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand
En brak het brood met mij.


En ik herkende ...; 's morgens vroeg
Is hij weer heengegaan...
Maar 't laatste van dit bitter lied
Zal God alléén verstaan.


-----------------------------------------
-----------------------------------------
Libera nos, Domine - Bevrijd ons, Heer

Experimenten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

VOGELS.

Zij gunnen mij gaarne 't geheim hunner tale,
De roodborst zijn snoeren van bloedkoralen,
De merel haar zang als betinkte bokalen,
En vinken hun klink-slag op eedle metalen.

De duif doet de zoetheid van 't troostende kirren
Zacht druipen om voorhoofd en lippen als mirre,
De nachtegaal roert door haar smachten tot tranen,
En hel schalt de wekroep der vlammende hanen.

Ik heb slechts die tonen in ritmen te schikken,
Dit blinkende kwarts tot briljanten te bikken;
Maar ach, hij is stémloos die mij moet vertolken,
De sperwer, de sterke, die vonk in de wolken.

Her scheppingen (Bekentenissen) (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

lenteliedje

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

LENTELIEDJE

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Zij daalt als uit de hemel neer
En roept weer de aard ten leven;
Zij tooit alom de dorre baan
Met bloemen en met kruiden,
En waait van uit het zuiden
Ons zoete geuren aan.

"Daar komt de lieve Lente weer!"
Zo juichen veld en akker;
Ze is gul en vriendelijk als weleer
En zingt de vooglen wakker.
De Lente is daar! de liefde kweelt!
De schepping lacht ons tegen1
De hemel drupt van zegen,
Die hart en zinnen streelt!

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Het zaad viel om te sterven neer,
Riep zij het niet in leven.
Zij strooit de bloesems op 't geboomt,
Zij kust de knoppen open...
En doet weer vaster hopen
Waar stil de ziel van droomt.

In één bandje, M. J. Visser, 's-Gravenhage(1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

de bie

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

 

De bie en de roos.

Een bietje vloog een roosje toe:
‘Lief bloemtje, kijk eens: blij te moe
Snel ik naar u op lichte vlerk,
Opdat ik aan mijn honig werk.’

‘Wees welkom, bietje, sprak de bloem;
Uw vlijt verdient, dat elk haar roem'.
Put uit mijn schoot al wat ge kunt:
Het is van harte u vergund.’

En zie, voor 't einde van de dag
Viel 't roosje neer; maar, als 't daar lag,
Herdacht het stil de honigschat,
Eens in haar geurge schoot bevat,
Die mogelijk in ziekte en pijn
De mens tot laafnis zoude zijn.

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 1 reactie Reageer op dit bericht

trek-os

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

 

TREK-OS

Uit koele kalme schaduw van het bos,
Treedt langzaam-aan kopschuddend-schomlend, de os;

Treedt op het blinkend zandpad, dat gevlekt
Met tak- en bladeren-schauw, is overdekt

Van brandend zonlicht, zomer-zon-gegloor
De hele dag, van vroeg tot 's avonds, door.

Hij keert naar stal en ziet het open hek...
Een korte ruk aan 't leidzeel... Uit zijn bek

Valt vlokkig schuim, en eensklaps staat hij pal,
De voerman roept... Daar zijn de kindren al!

Ze klimmen naast hem, allen rood en ros,
Op 't kleine bankje, naast hem met geklos.

Dan weer een rukje aan 't leidzeel rond de bek
En langzaam-aan gaat 't weer vooruit, trek, trek.

Gedichten. Verzameld en van een inleiding voorzien door Joannes Reddingius. Amsterdam,z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:55 Reageer op dit bericht

graf

Een gedicht van Gerrit ten Bruggecate 1803-1858

Bij het graf mijns vaders.

Dierbre vader! met een bloedend harte
Ging ik u geleiden naar het graf,
En de traan der kinderlijke smarte
Gleed mij telkens van de wangen af;
't Viel mij bang, toen ik de kist zag zinken,
Die uw stoflijk overschot bewaart,
En de doffe nagalm hoorde klinken
Van de daarop neergeworpen aard'.

Nimmer, dacht ik, ziet mijn oog hem weder,
Die mijn steun, mijn leven was en vreugd;
Hem, wiens liefde steeds zo trouw en teder
Voor mij waakte sinds mijne eerste jeugd;
Die zo gaarne 's levens moeite en zorgen
Torste, indien dit mij verlichten mocht,
En steeds rustloos, van de vroege morgen
Tot de avond, mijn genoegen zocht;

Die me als knaapje 't kwaad reeds leerde vlieden,
Mij als jongling op de Heiland wees,
En 't genot, dat deugd en godsvrucht bieden,
Uit ervaring dikwerf roerend prees;
Die, de knieën in het stof gebogen,
Daar hij de ogen biddend opwaarts sloeg,
Menigmaal de Vader in den hogen
Ook voor mij om zijne zegen vroeg.

Zo zo dacht ik, onvergeetbre vader!
Toen uw stof in 't donker graf verzwond;
En wanneer ik uwe rustplaats nader,
Voel ik steeds, wat band mij aan u bond:
Nauwer nog dan door het bloed verenigd,
Waart ge mij de trouwste vriend op aard'!
Wat dan is er, dat mijn droefheid lenigt,
Zo mijn oog op uwe groeve staart?

Maar aan Hem, die ge als Gods Zoon gehuldigd
En zo vurig steeds hebt lief gehad,
Is ons hart de dierbre leer verschuldigd,
Die in 't leed den besten troost bevat:
Onze blik mag eindloos verder zweven
Dan het graf, waarop hij is gericht;
Jezus toch, de Heer van dood en leven,
Bracht de blijde onsterflijkheid aan 't licht.

Moge ons hart dan om uw afzijn rouwen,
Zitten wij in weemoed neer en druk,
Uw geloof verwisselde in aanschouwen;
Uwe hoop in storeloos geluk;
Nu, van allen last der aarde ontheven,
En verlost van zonde, ziekte en pijn,
Looft gij Hem, die, door dit wisslend leven,
Steeds zo trouw uw Leidsman wilde zijn.

Nu hervindt gij ze in des hemels gaarde,
Al de dierbren hier door u betreurd;
Ook de brave vrouwe, die mij baarde,
Ons, helaas! zo vroeg van 't hart gescheurd
Nu, nu stemt gij met haar in de koren,
Die het lied ter eer van 's Vaders Zoon
Door het ruim der hemelen doen horen,
Neergeknield voor 's Allerhoogste troon.

Zouden dan, bedrukte weduwvrouwe!
Die voor mij de beste moeder zijt,
Immer aan die diepgevoelde rouwe
De ons geschonkene uren zijn gewijd?
Zouden wij de dierbren steeds betreuren,
Of ons gene hope bleef op aard'?
Neen! wij willen 't hoofd weer opwaarts beuren,
Schoon ons oog op zijne groeve staart.

Neen! wij willen (moge God dit geven!)
't Voetspoor drukken, hier door hem betreèn,
En naar deugd en reine godsvrucht streven,
Zo als dit de dierbre deed voorheen.
Eenmaal toch vliedt zorg en smart daarhenen,
En de baan des levens loopt ten end';
Dan zal God ons daar met hem herenen,
Waar men rouw noch bange scheiding kent.

Almelo, december 1840.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

kus

Een gedicht van Willem Bilderijk 1756-1831

DE WARE KUS

Voorzeker, ’t is een teedre lust,
Wanneer men ’t blozend roosjen kust
Op lieve maagdenwangen!
Voorzeker, ’t is een dierbaar pand,
Een lieve Maagdelijke hand
Met lip en mond te prangen!
En ’t kusjen is verrukkend zoet,
Wanneer ge ’t stookvuur van uw gloed
Op ’t tintlend oog moogt wreken;
Of als men op een schone borst
Een wederzijdse minnedorst
Met kussen aan mag steken!
Maar kus of borst, of hand, of oog,
Of wat men immer kussen moog,
De kus is zonder leven:
De mond, de lieve mond alleen,
Heeft kusjens in vol zaligheên,
En weet ze weer te geven.

Die zoete balsem der Natuur,
Die 't blaakrend wee van 't minnevuur
zo strelend kan verzoeten
Die puurt men op de lieve mond;
Daar kust zich ’t kwijnend hart gezond,
En mag zijn honger boeten.
De mond, de toegang tot het hart,
Is de echte tolk der boezemsmart,
De troon der mingenuchten‚
Daar kleeft, daar mengt een minnend paar
Hun beider zielen aan elkaar,
In wellustvolle zuchten.
Daar drinkt ene onverzaadbre min
Het levende genoegen in,
Met onuitputbre togen.
Daar wordt in elke ademtocht
Een nieuwe zaligheid gewrocht,
En brandende ingezogen.

Dan vliegen, onbeschrijflijk teer,
De vlugge geesten heen en weer
Tot d'oorsprong van het leven:
Verdubblen, door hun zacht gewoel,
De schokken van  het fijnst gevoel,
En doen de boezem beven.
Dan hijgen op der lippen boord,
In hete kussen halfgesmoord,
De vlotgeworden zielen:
Dan smelten, vlieten ze onder één,
In de onbeschrijfbre zalgheên.
Waarvan de kusjens krielen.
Dan, overzaadlijk moegekust
In de overstelping van de lust,
En van de weelde dronken,
Bezwijmen ze, in de machtloosheid,
Die de allerhoogste lust verbeidt,
Amechtig weggezonken!

O, Ongelijkbre Minnegod!
Zeg, is er tederer genot
In uw geheimste schatten? —
Gij grimlacht! - O hoe zalig dan,
Die slechts het minste deel daar van
Naar waarde kan bevatten!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

toneel

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

OP  HET  TONEEL

De wereld is een speeltoneel,
Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

1638, Gysbreght van Aemstel(1637)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

winde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE  WILDE  WIND

Door ‘t haaghout raamt
     de wilde wind,
          verblind,
zijn reuzensprongen:
     en al dat ooit
     hem tegenstaat
          verlaat
hij, losgewrongen.

     Gebogen hier,
     gebroken daar,
          malkaar
de bomen schenden;
     die, scheurende uit
     de gronde, huis
          en thuis
de gruw inzenden.

Nu maalt hij hout
     en stof en steen
          dooreen,
en roert daaronder,
     met gramme, en al
     te hol, te dol
          gegrol,
zijn stemmendonder.

Hij steent gelijk
een stier, die raast
          en blaast;
die, al ten bloede,
     zijn hoornen in
     de bomen steekt,
          en breekt,
van louter woede.

     Hoe schommelt en
     hoe rommelt hij,
          voorbij
de bos, gebezen!...
     Wie durft er, als
     zo'n wilde wind
          begint
onwaakzaam wezen?

-------------------------------------------------------
bijzen (bees, gebezen)- schommelen, stormen, vliegen

Rijmsnoer I (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:04 Reageer op dit bericht

morgens vroeg

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

EENS  MEIENS MORGENS  VROEG

Eens meiens morgens vroeg
was ik opgestaan,
In een schoon boomgaardekijn
zoud' ik spelen gaan.
Daar vond ik drie jonkvrouwen staan.
d'Ene zong vore, d'ander zong na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Toen ik verzag dat schone kruid
in de boomgaardekijn,
End' ik verhoorde dat zoete geluid
van de mageden fijn,
Toen verblijdde dat herte mijn
Dat ik moeste zingen na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa. 

Toen groette ik die allerschoonste
die daar onder stond,
Ik liet mijn armen al omme gaan
ter zelfder stond.
Ik woude ze kussen aan hare mond.
Ze sprak: 'laat staan, laat staan'!
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

zoeken

Een gedicht van Piet Renssen 1902-1936

Wij zoeken God

Wij zoeken God, die niet dan in geluk
Gevonden wordt, in angst en ongeluk.
Van dag tot dag, om onze weg te korten,
Maakt God het leven, onze weerstand, stuk.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

simplicitas

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

SIMPLICITAS

Ik denk bij de regen
slechts aan een paraplu, 
want ik ben heel simpel,
simpeler dan U.

Zout is voor mij oorzaak   
van een bruine huid,  
want ik leg de dingen   
erg simpel uit.   

Ik vind socialisme 
zonder meer verkeerd, 
want ik ben nu eenmaal   
ongecompliceerd.

Praat ik over liefde,
dan denk ik slechts aan vlees,
want ik moet bekennen,
dat ik niet veel lees.

Ken wel wat manieren:   
mes en vork opzij –
maar ik zou willen zeggen:  
d’r zit niet veel bij. 

Toch komt wel mijn vader 
uit een goed milieu  
en ook voor mijn moeder  
is het reuzesneu.

Chansons, Gedichten en Studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

slagveld

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

OP HET SLAGVELD.

Door de kruitwolk en des slagvelds gruwelen,
zoekend stapt de Non waar hulp en troost biên.
Bloedig stort alom de krijgsman neder.

Lijk een engel komt zij toegevlogen,
knielt, verzorgt hem, biddend of met zoete
woorden hem vertroostend, helpt hem sterven...

Ginter verre donderen de kanonnen,
spuigend. - Stervend stort de maged neder. -
Ruiters stormen henen, lijken trappelend. -

Meer dan ene name zal men roemen,
meer dan ene held na 't bloedig kampen;
U niet, Vrouwe, groter dan de krijgsheld!

Och, 't is waar, wie kent uw name, Nonne,
en of gij eens arme werkmans kind waart
of der ridders die ter kruisvaart togen?

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

lichaam

Een gedicht van Piet van Renssen 1902-1936

Ons lichaam rust wanneer wij eindlijk slapen

Ons lichaam rust wanneer wij eindlijk slapen,
Maar meer de ziel van het langdurig waken.
Dan rijst zij traag uit haar kortstondig thuis
Om tot de droom, die leven heet, te ontwaken.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

Herfst

Het beukenbos is bruin als oud-geroest ijzer
en er staat een eik vol gouden munt,
de bewaasde vijver ligt vol puin van blâren
gelijk in mijn hart 't verdriet van de dag.

En er zit een mus eenzaam op een tak
zoals ik-zelf woon in dit land.

O mijn hersens, verkankerd van 't verdriet,
en mijn bloed verouderd in mijn lijf...

De vliegzwam gloeit als een bloedvlek in 't bos
en 't bos ruikt als een lijk;

mijn voeten gaan over 't mollig mos
als over week, rot vlees...

En ik denk aan Jezus-Christus, mijn God,
die stierf op een dood hout uit 't bos,

o, Jezus-Christus!...

Verzen uit oorlogstijd (1914 - 1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

slaap

Een gedicht van Piet van Renssen 1902-1936

In onze slaap gaan wij tot God terug

In onze slaap gaan wij tot God terug.
Ontwaakt, begrijpen wij opnieuw te zwerven.
Het leven houdt ons tegen tot wij sterven.
Dan keren wij voorgoed tot God terug.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

vagebond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De vagebond

De dagen zijn te lang, en krap mij toegemeten
De dove rust des slaaps, van dalend licht tot licht
Zo spoedig kan ik niet verdromen en vergeten.
'k Ontwaak, een zieke gloed op 't benig aangezicht.

En elke dag, als nu, zet ik mijn doelloos zwerven,
Mij zelve honende, opnieuw en immer voort.
Mijn hart slaat jachtiger, hoe meer mijn krachten sterven,
En 'k jaag, als waar 'k een dier, mij aan met tierend woord.

Ik liep vandaag genoeg, ik kan geen pad meer treden.
De korte klinkerstraat ter deur is haast te veel.
Mijn handen zijn te slap om 't smekende gebeden
Brood uit de bedelzak te brengen naar de keel.

In 't half gedempte licht ten deel der boerenhoeve,
Sterk' mij een beter maal, de matte melodij
Van trieste zang zij 't loon; men verge van den droeve
Geen luchtiger dan die: zijn vreugde is zelfs niet blij.

Bij 't dampbeslagen licht der kleine stallantaren
Brengt men mij tinnen kroes en toegedekte teel.
En wat hun zatheid mij verachtelijk wou sparen,
Wordt tot een koningsmaal, zo uitgezocht en êel.

De knechten korten mij, wijl ik vol statie tafel,
Den tijd met groven scherts en goedgemeende raad.
Ik duld hun spotternij op vodden en gerafel,
Als een goedmoedig vorst zijn hofnar kallen laat.

Wat zou hun schalke jok mijn rustigheid verstoren,
Daar ik mij zelve kwets en altijd dieper wond?
Gehoord, vergeet ik 't reeds, maar nimmer gaat verloren,
Waarmee 'k de ellendigheid der eigen ziele schond.

En nooit ontsnapt mijn mond de bitterheid van 't leven:
Heel de aarde tot bezit en nergens heul en rust.
Doch weegt het leed tè zwaar, dan glimlach ik maar even,
En hun nieuwsgierigheid is weer in slaap gesust.

Dan klim ik, als een prins, ten geurige alkove
Van hooi een paardendek als zachte peluw mee.
En als 'k mijn kleumse leên tot milde warmte stove,
Schikt aan mijn voeten zich de goede hond gedwee.

Zo sluimer ik een wijl. Als 't licht de kim komt roden,
Lekt reeds zijn lauwe tong de slaap van mijn gezicht.
En zuchtend rijs ik weer, en ga, en dank de boden.
Doch, brommerig en slaaps, slaan zij de deuren dicht.

O wijde wereldrijk, weer zwerven mijne voeten,
Weer ga 'k, met tranend oog, uw wijde einder toe.
Och, mocht 'k dees avondstond die diepe rust gemoeten,
Die nimmer einde neemt: ik ben zo moe, zo moe.

Gestalten en Stemmingen (1911-1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

graan

Een gedicht van Aart van der Leeuw  1876-1931

HET GRAAN

Zon en wind zijn de gezellen
Van de helle vreugd,
Die hun moedwil op doet wellen
In de bloem der jeugd —

Waaiend haar, gekreukte kleedren
En een losse strik,
Zelfs de ziel draagt lichte veedren
Als een leeuwerik. -

Maar zich 's middags neer te vleien
In het warme graan,
Al die gouden arenrijen
Rond zich te zien staan,

En het wonder te begrijpen
Van het nauw verbond
Tussen hun geduldig rijpen
En de trouwe grond,

Zal dit niet een weelde blijken
Voor de wandelaar,
Die zichzelf mag vergelijken
Met een vruchtbaar jaar?

Zon en wind zijn de gezellen
Van de helle vreugd,
Doch de zoete korrel zwellen,
Liefde, doet Uw deugd.

Opvluchten (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

korenwanner

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

EEN KORENWANNER  AAN DE WINDEN

Ik offer vermiljoene rozen,
En leliën en violetten
En bloemen vers geplukt, die blozen,
Waar op de dauw haar paarlen zetten;
En strooi ze met gewassen handen
Op uw altaar, o lichte veugels!
Gebroederen, die alle landen
Der wereld met uw snelle vleugels
Doorreist, en met een duislig ruisen
Het schaduwrijke loof beweegt,
Waar door gij zachtjes heen komt bruissen,
Wanneer gij al de vlakten veegt.
Ei, azem met uw droge asem
In 't winterkoren dat ik wan,
Opdat de lucht met vochte waassem
Mijn dorsvloer niet beschaden kan!

------------------------------
veugels - winden
duislig - zacht-speels

Mengeldichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten