Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

Schumann

Een gedicht van Alfred Hegenscheidt 1866-1964

 Schumann

Zie, moederlief, 'k lig weer eens aan uw voeten
Als in de tijd toen 'k gans nog was ùw kind.
Laat vloeien 't heimwee naar mijn jeugd met zoete
Zang, die zich gouden door 't verleden windt.

Ik ging de wereld in, opdat ontgind
Wierd, wijze toekomst, die, in wording, wroette
Diep in mijn ziel; door wetens waan verblind
Glimlachte ik dan wel eens bij uwe groeten.

Vergeef me, moeder, indien ik u griefde,
Uitbundig blaakte 't leven toen in mij,
In hoger schoonheid werd mijn ziel eerst vrij;

Wat hare wijsheid mij in 't harte giet,
Hoor ik ook wellen in uw innig lied,
De oerbron van 't leven-in-schoonheid, de liefde.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

als toen

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

Als toen.

Wat blauw en wat wolken die blank staan
stil boven de duinenlijn,
de bogen van duinhelm die rank gaan
rijzen uit wiegend gedein.
In 't voetpad de zandige sporen
van 't karrenwiel, breed en zo diep;
ver over de velden de toren
een wachter en toch of hij sliep.
In greppels het geelbruine water
al wazig van 't kiemende groen....
de wilgen, de velden, het water,
de zon en de wind - zoals toen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

avondsterre

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Avondsterre

Wisselziek in 't zweven
Blijken wind en wolk;
Om naar verre dreven
Wensen mee te geven,
Eise ik trouwer tolk.

Wees gij zelf bodinne,
Hoe mijn harte blaakt,
Schone ster der minne,
Die de westertinne
Rozen strooiend naakt!

Heffe naar uw stralen
't Lelietje in de knop,
't Lelietje der dalen,
Bij haar zoet verhalen
't Hoofdje luist'rend op.

De een roep': ‘liefde en trouwe!’
‘Trouwe en liefde!’ de aêr,
En haar blik aanschouwe
't Luchtslot dat ik bouwe
In de rei der schaar.

Voer haar uit de weelde
Van haars vaders huis,
Die maar half verheelde,
Hoe zich 't hart verveelde
In een kleine kluis.

Schoon haar lage winde
Luttel bloemen bie',
Om haar lokken binde
'k Elke die ik vinde,
En hoe schat zij die!

Eer men ons benijde,
Siersel van de trans!
Als zij blozend blijde
Dartelt aan mijn zijde,
Tempert gij uw glans.

Van zo hel een luister
Houdt geen minnewicht;
Slechts in schemerduister
Wordt het zachtst gefluister
Ons het zoetst gedicht!...

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

afbeelding

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Op mijne afbeeldinge in het klein door Filips de Koning

Zo schildert mij een Konings hand 
In 't klein, terwijl ik 's Konings snaren,
En heilig harpgezang, en trant 
Vast volge, in top van 's levens jaren, 
Eén min dan zeventig. Wat is 't?  
Noch min dan verf, een damp, een mist. 


1664

Illustratie: Joost van den Vondel geportretteerd door Filip de Koning (1665)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

iemand

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Er komt iemand bij mij

Er komt iemand bij mij, die 'k nimmer zag,
en uit-der-mate vriendlijk, die mij zegt:
‘Gij weet, ik berg iemand in mijne woon.
Neen: er verbergt zich iemand in mijn woon.
Ik zie hem niet, maar ben in hem begaan.
Ik ken hem, en hij is mijn liefst bezit...’
- Ik durf niet zeggen dat die vreemdling liegt.
Ik durf niet zeggen dat zijn gast de mijne is. Ach!
ik durf niet zèggen dat hij niet bestaat, misschien.

Want hij bestaat in mij.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moeder

Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zo straks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?

Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijne dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd in uwe schoot……

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Reeds is de winter ons voor goed gescheiden

Reeds is de winter ons voor goed gescheiden,
de lente ergens ver, aadmende, wacht,
de rulle sneeuw wordt van wit zwart en zacht,
en komt met ploffen van de daken glijden.

In de prikklende lucht, nu zoel als zijde,
die op de stad hangt als vochtige vacht,
komt nu een storm, die langs de brede gracht
zoet regenwater brengt, alsof hij schreide.

Zoet is de tovering van die droefheid,
waarin zo veel beloften slapend zijn,
in deze storm, van onbewuste vreugde.

De donkre wolk, welks regen de storm teugde,
hangt zwaar, en gaat diep in gezwollen lijn,
terwijl de doffe stad dromende leit.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

belijders

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

De ruchtige belijders van een naam

De ruchtige belijders van een naam
Zijn grif ook tot verloochenen bekwaam.
Die `t onuitspreeklijke niet leert verzwijgen,
Verslingert tussen ijdel woordgekraam.

Hollandsche kwatrijnen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

leer

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.

Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intussen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel de hete levenswijn,

maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelve èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.

Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door de tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.

Illustratie: Haar portret - een litho van Aart vd Dobben

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Kruis

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

HET KRUIS VAN JEZUS CHRISTUS.

Der eeuwen eeuwigheid zweve, eeuwig grensloon, voort;
Door hare oneindigheid wordt, Kruis! uw lof gehoord,
En worm en seraf juicht, en rijst door u in waarde,
Waar immer leven werd verspreid,
Verhoogt ge, o Kruis! de zaligheid,
En zonnen tanen bij uw heerlijkheid, o Aarde!

Wat zien wij, stof, van u op onze donkre baan? —
Slechts wat het hart behoeft, om tot zijn God te gaan.
Al 't vorig' blijft ons nacht, een heilig, godlijk duister.
Maar Englen, Serafs knielen neer,
Aanbidden starend eeuwig meer!
En schittren schoner in den weerglans van uw luister.

0, Kruis! gij marteltuig van God en mens vervloekt,
Daar 't zinlijk oog de Slaaf of Booswicht slechts aan zoekt,
Aan u zien wij Gods Zoon, den vlekkeloze, hangen!
Hij, Hij is 't offer, gij 't Altaar -
De wereld hoort verbaasd die maar,
En eeuwig lofgezang heeft Dood en Hel vervangen.

Mijn geest, o wonder Kruis! gevoelt uw majesteit;
Maar beeft en siddert aan de grens der eindigheid,
En zinkt in 't niet terug. — Wat Engel op u staarde,
Geen Engel heeft 't geheim verklaard:
„God, God in 't vlees geopenbaard,
„En stervend voor het heil van een verloren aarde!"

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten