Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

dag en nacht

Een gedicht van Roemer Visscher 1547-1620

Dag en nacht

Meisje, als ik u mag wezen omtrent,
Al stonden de sterren aan het firmament,
Zo is, als dag, de  Hemel klaar:                                                              
Maar als ik van u moet zijn absent,
Al scheen die Zon nog zo excellent,
Zo is het nacht voor mij eenpaar.
Wat baat mij dan der Zonnen kracht,
Als gij mij maakt dag ende nacht?

Brabbelingh (1614)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:04 Reageer op dit bericht

heimwee

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Heimwee.

Wanneer de winter ons verlaat,
En naar het noorden vlucht;
Wanneer 't viooltje, in blauw gewaad,
Naar 't lenteluchtje zucht;
Wanneer de mei naar 't liedje hoort,
Dat hem de kever bromt,
De zwaluw weer uit warmer oord
Naar 't wiegenestje komt;

Dan roept een stem in mijn gemoed:
‘Wat suft gij in uw kluis?’
Dan trekt het mij zo sterk en zoet
Naar 't vroeg verlaten huis;
Dan zie ik, achter berg en bos,
Een dal voor storm beschut;
Daar tooit de lente in schoner dos
De vaderlijke hut.

In Limburg ligt de stille plaats,
Die zo mijn hart bekoort;
In Limburg stroomt de brede Maas,
Niet ver van ’t dierbaar oord;
En vogellied en lentepracht,
En wat de ziel verheugt,
Verlokken mij met wondre macht
Naar ’t erfdeel mijner jeugd.

Ik speelde vrolijk daar als kind,
Langs beek en bloemenwei,
En met mij speelde menig vrind
Door 's levens bonte mei,
O, mocht mijn oog nog eens u zien,
Die mij zo dierbaar zijt,
En u de trouwen handslag biên,
Gelijk in vroeger tijd!

Thans dwalen velen, ach! als ik
Door streken minder schoon,
En werpen vaak een droeve blik
Naar hunner oudren woon;
Die ginder bleven, spelens moe,
Verlieten kolf en schijf,
En snelden reeds de grave toe,
Tot rust voor ziel en lijf.

Eén vriend liet mij des hemels wil
Van al dat vriendental,
En die alleen herdenkt nog stil
Ons spel met kaats en bal;
Die leidt mij dan van huis tot huis,
Kom ik ten dorpe weer,
Verklaart op ’t kerkhof ieder kruis:
‘Zij slapen in de Heer!’

Dan schenken wij een weemoedstraan
Aan elke zaalge vrind,
En denken als wij henen gaan:
‘Wat hebben we u bemind!’
Wij scheiden traagzaam van elkaar,
En teeknen eerst een plek
Op 't kerkhof, achter 't hoofdaltaar:
‘Dat die ons beid' eens dekk'!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:28 Reageer op dit bericht

vrede

Een gedicht van Dirk Camphuysen 1587-1627

Vrede.

Daar moet veel strijds gestreden zijn,
veel kruis en leeds geleden zijn,
daar moeten heil’ge zeden zijn,
een nauwe weg betreden zijn,
en veel gebeds gebeden zijn,
zolang wij hier beneden zijn:
zo zal ’t hierna in vrede zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:55 Reageer op dit bericht

door

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Door onze zachte, licht-ontroerde lijven

Door onze zachte, licht-ontroerde lijven
o Zusters, woedt die grote strijd nu fel:
wij hunk'ren naar de toekomst, 't heerlijk spel
aller krachten, die nu in ons verstijven.

Wij horen Vrijheids zoete lokken wel,
en reppen ons... Niemand wil achterblijven:
wij werpen van ons het lange en stijve
vrouwen-gewaad, om licht te gaan en snel.

Dan breekt jets in ons, en wij wenen, lang...
het is zoo zacht op een ander te leunen,
het was zoo veilig in de warme kluis.

Leugen lijkt die ons voorwaarts joeg, die drang:
wij zijn niet thuis waar scherpe wapens dreunen,
in 't stil-omslotene, daar zijn wij thuis.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

de ruyter

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1957

De Ruyter

De Ruyter was een man
Die op de grote zee
En op de Oceaan
Aan zeegevechten dee.

Hij sloeg haast altijd raak
En kwam ook immer rijk
Uit elk gevecht terug,
Een miljonair gelijk.

Maar eens op ene dag
Kreeg hij op zijne boot
Een kogel in zijn maag
En was toen eensklaps dood.

Hij won maar altijd door
En hij verloor ook nooit.

De ontboezemingsbundel (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

schietbeek

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

De schietbeek

(XVII)

In 't brede lommer van de lage bomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden:
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.

Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betomen
Maar waadde door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.

Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal.... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...

En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, wenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frisse blijheid blinken. -

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

mailbrief

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

De mailbrief

XXI

Toch, als de tovervonk langs wonderdraad gevlogen,
- Snel als de Laster vliedt en ’t praatje van de Logen –
De tijding brengt in ’t land: de Mail, de Mail is aan!
   Dan hoort men harten vaak als dichterboezems slaan,
Want elk, vol vreugd, vol vrees, wacht van zijn verre lieven
De levenstekenen, de lange, dierbre Brieven!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:52 Reageer op dit bericht

gebed

Een gedicht van Remy van de Kerkckhove 1921-1958

Gebed van een godsloochenaar

Ik heb nooit in U geloofd, ik kon U niet raken met mijn handen
ik kon uw voorhoofd niet kussen in ook Uw aangezicht niet slaan.
Ik zocht U in kille kerken en liep langs brede warme stranden
vol verbeten haat om ’t schone schitteren van Uw eeuwigen naam.

Ik zag mannen en vrouwen U volgen als driftloze honden
en kroop U in ’t donker na om ’t strelen van Uw vergevend’ hand.
Ik huilde in de nacht en beet de ketting die me had gebonden
uit vrees voor eigen schaduw waarin mijn beestig hart was opgebrand.

Ik geloof niet dat w’uit Uw melkachtige hand werden geschapen,
ik ben een zwarte duivel die een valse vrome Vastenavond speelt.
Ik reken ons bij de planten, bij de goudvissen en bij d’apen,
en heb mijn maskeradeschoonheid tussen spot en zwakte verdeeld.

Ik heb nooit in U geloofd en kon U niet raken met mijn vuisten,
moet ik U ooit ontmoeten, ik bevecht U met menselijke waan,
met mijn stinkende adem, mijn hoogmoed, mijn lafheid en mijn puisten
tot mijn uitgerafeld hart van schrik plots tegen mijn ribben zal slaan.

Uit: Gebed voor de kraaien (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:57 Reageer op dit bericht

vreemde

Een gedicht vn Nicolaas Beets 1814-1903

IN DEN VREEMDE.

Zo klonk ze nimmer nog me in 't oor, —
Zo rein, zo roerend nooit, als hier
1k laat er Grisi's zangen voor,
Manzoni's gulden lier.

't Is of dat vriendlijk spraakgeruis
Me in toverdraden wart;
'k Zie beelden zweven, teer en kuis,
Voel oude vreugden, zoete smart ....
Ik denk aan zoveel liefs te huis ,
En 't wordt me week aan 't hart.

Wat gloort Vezuvoos wolkenkrans
Bij 't scheiden van de dag!
De Golf is enkel goud en glans;
Natuur gaat sluimren met een lach:
't Is schoon — toch zag ik liever thans,
Naast Rottes grijze torentrans,
Mijn Maas en Hollands vlag!

Gedichten (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

zichtbaar

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht

Nauw zichtbaar wiegen op een lichte zucht
De witte bloesems in de scheemring -- ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied're tint vervliet
In teerheid... Rust -- o, wonder-vreemd genucht!
Want alles is bij dag zó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf - de wind, de wolken, alles gaat
Al zacht en zachter - alles wordt zo stil.

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al zó moe is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Verzen(verscheen in 1894. )

schrijver

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten