Foto
Categorieën
  • etymologie (84)
  • ex libris (83)
  • God of geen god? (190)
  • historisch (29)
  • kunst (6)
  • levensbeschouwing (250)
  • literatuur (42)
  • muziek (76)
  • natuur (8)
  • poëzie (97)
  • samenleving (244)
  • spreekwoorden (12)
  • tijd (13)
  • wetenschap (55)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Vrijdenkers
  • Uitgeverij Coriarius
  • Het betere boek
    Archief per maand
  • 01-2026
  • 12-2025
  • 11-2025
  • 10-2025
  • 09-2025
  • 08-2025
  • 07-2025
  • 06-2025
  • 05-2025
  • 04-2025
  • 03-2025
  • 02-2025
  • 01-2025
  • 12-2024
  • 11-2024
  • 10-2024
  • 09-2024
  • 08-2024
  • 07-2024
  • 06-2024
  • 05-2024
  • 04-2024
  • 03-2024
  • 02-2024
  • 01-2024
  • 12-2023
  • 11-2023
  • 10-2023
  • 09-2023
  • 08-2023
  • 07-2023
  • 06-2023
  • 05-2023
  • 04-2023
  • 03-2023
  • 02-2023
  • 01-2023
  • 12-2022
  • 11-2022
  • 10-2022
  • 09-2022
  • 08-2022
  • 07-2022
  • 06-2022
  • 05-2022
  • 04-2022
  • 03-2022
  • 01-2022
  • 12-2021
  • 11-2021
  • 06-2021
  • 05-2021
  • 04-2021
  • 03-2021
  • 12-2020
  • 10-2020
  • 08-2020
  • 07-2020
  • 05-2020
  • 04-2020
  • 03-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 10-2019
  • 07-2019
  • 06-2019
  • 05-2019
  • 03-2019
  • 10-2018
  • 08-2018
  • 04-2018
  • 01-2018
  • 11-2017
  • 10-2017
  • 09-2017
  • 07-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    10-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Paulus' hooglied van de liefde

    Paulus, 1 Korintiërs 13,1-13

    De liefde

    1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.

    Words, words, words… (Shakespeare, Hamlet, Act 2, scene 2).

    Dat is wat Hamlet antwoordt wanneer Polonius hem vraagt: wat ben je aan het lezen? De mens is het enige dier dat echt spreekt, het enige talige levende wezen. Wat wij met woorden kunnen vertolken is eindeloos, overweldigend, fabuleus. Stel je al de woorden voor, al de zinnen die de mensheid ooit heeft uitgesproken, gezongen, geschreven, geschreeuwd! En toch meent Paulus dat het allemaal niets is, als we de liefde niet hebben. Dan is ons spreken waardeloos, klinkt het luid maar hol. Is dat zo?

    Natuurlijk niet. Mensen praten voortdurend met elkaar zonder dat er liefde mee gemoeid is. Wij voeren zakelijke gesprekken, wij schrijven handleidingen voor het gebruik van elektrische apparaten en technologische gadgets, we luisteren naar wetenschappelijke uiteenzettingen… Je hoeft niet door liefde bevlogen te zijn als je spreekt, het komt er vooral op aan dat je verstaanbaar bent, dat je je gedachten helder kunt formuleren en ze overtuigend overbrengen. Liefde komt er slechts in uitzonderlijke gevallen aan te pas: wanneer je iemand je liefde verklaart, of je diepste zielenroerselen aan het papier of het scherm toevertrouwt; wanneer je afscheid neemt, tijdelijk of voorgoed. Maar dan blijkt pas hoe moeilijk het is om je gevoelens in woorden om te zetten. Dan voelen we aan dat woorden altijd tekortschieten, ontoereikend zijn. Net wanneer we ze het meest nodig hebben, glippen de woorden ons door de vingers en staan we, tot tranen toe bewogen, woordeloos, onmachtig om onze liefde in woorden te uiten.

    Er is nog meer aan de hand met deze beeldspraak van Paulus. Een dreunende gong, de schelle cimbalen, dat is wat een orkest de grootste schittering geeft, de meest indrukwekkende klank! Als een componist werkelijk alles uit de kast wil halen, dan doet hij precies daarop een beroep. De cimbalen zijn het exuberante hoogtepunt van elk machtig orkestraal meesterwerk, het apogeum, het ultieme paroxisme van de spetterende klankrijkdom. De Chinese gong overstemt met zijn doordringend galmende en minutenlang nazinderende klank het hele orkest. Ik wou dat ik met mijn taal een fractie kon bereiken van wat een bescheiden muzikant vermag met de oudste, meest simpele maar machtigste van alle muziekinstrumenten.

    Het spreekwoord zegt: je bent zo vaak mens als je talen kent. En wie bewondert niet een leraar of een spreker of een woordkunstenaar die mensen kan beroeren met zijn woorden? Is lezen niet een van de meest verheven menselijke vermogens? Schrijven wij niet elk jaar een miljoen boeken? Het is wel degelijk belangrijk dat we onze moedertaal kennen, dat we haar spontaan beheersen; dat we ook vreemde talen kennen, levende en zogenaamd dode, om teksten in hun oorspronkelijke bewoordingen te begrijpen. Het grootste gedeelte van de jarenlange opleiding die we onze kinderen geven, bestaat uit het aanleren van taal.

    Lewis Carroll biedt ons in zijn Through the Looking-Glass, ook een verhaal met een spiegel, volgende dialoog aan tussen Alice en Humpty Dumpty:

    `When I use a word,' Humpty Dumpty said in rather a scornful tone, `it means just what I choose it to mean -- neither more nor less.'

    `The question is,' said Alice, `whether you can make words mean so many different things.'

    `The question is,' said Humpty Dumpty, `which is to be master - - that's all.'

    Om het dan met Tina Turner te zeggen: What’s love got to do with it? What’s love but a second hand emotion…`Liefde’ is een weinig elegante kapstok waaraan we alles ophangen wat we niet met zijn eigen naam durven benoemen. Het is een vuig eufemisme, een verbastering van elk eerlijk spreken, de ultieme verleider uit de cataloog van Don Giovanni. Love is a four-letter word.

    2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.

    In de oudheid en nog lang daarna lieten boosaardige lieden hun goedgelovige medemensen geloven dat profetieën werkelijk mogelijk waren, dat bepaalde bijzonder begaafde mensen de toekomst konden voorspellen. Ook vandaag nog vind je mensen die hun horoscoop raadplegen of naar waarzeggers trekken. Maar we weten wel beter: alleen charlatans wagen zich aan dat soort van voorspellingen. Wetenschappers baseren zich op feiten om voorspellingen te doen, zoals de erg accurate weersvoorspellingen die we in de media krijgen. Beursgoeroes verkopen hun voorspellingen voor grof geld, maar als ze het zo goed weten, waarom zijn ze dan niet rijk? Er is dus niet zoiets als de gave van het profeteren, ook al heeft de katholieke kerk daaraan steeds vastgehouden, niet alleen over de voorspellingen in het Oude Testament, maar ook nu nog.

    Wij vertrouwen daarentegen voortdurend en bijna blindelings op onze kennis en die van anderen. We vertrouwen erop dat de brug sterk genoeg is om de trein te dragen of de duizenden auto’s. We rekenen erop dat de harde schijf onze gegevens ongerept zal bewaren. We verdringen elke irrationele vrees dat het vliegtuig misschien zomaar zal neerstorten. Nam et ipsa scientia potestas est (Bacon, Meditationes sacrae, 1579): want de kennis zelf is macht. Wij weten echter ook dat alle kennen, alle weten slechts voorlopig is, tot we weer een stap verder zetten. Of we ooit alles zullen doorgronden is weinig waarschijnlijk. Maar wat we nu al weten, is ronduit indrukwekkend.

    ‘Het geloof verzet bergen’. We lezen hier bij Paulus de bron van dit bekende gezegde. Coaches allerhande weten het: motivatie is alles! Wie overtuigd is dat hij tot iets in staat is, heeft een grotere kans om dat ook waar te maken dan iemand die pessimistisch is over zijn eigen kansen. Toch is dat niet altijd zo. Vaak overschatten we onze mogelijkheden en proberen we iets terwijl we goed weten dat het nooit kan lukken, dat we er niet toe in staat zijn. Vermetelheid, noemen we dat. Overdreven zelfvertrouwen en dat is nergens goed voor.

    Geloof alleen verzet geen bergen, je moet ook de middelen hebben. Een toerist vroeg ooit aan de beroemde pianist Arthur Rubinstein de weg naar Carnegie Hall in New York: “How do I get to Carnegie Hall?” Zijn laconiek antwoord: “Practice, practice, practice…” Oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Wij verzetten onze bergen niet met geloof, maar met dynamiet, enorme graafmachines, bulldozers en trucks die vele tonnen rotsen in een keer kunnen vervoeren. Met hard werken, niet met bidden.

    Liefde, zegt Paulus, dat is wat we nodig hebben. In vergelijking met de liefde is de niet geringe gave van de profetie, het verstand om geheimen te doorgronden, de kennis die macht geeft en zelfs het geloof dat bergen verzet, niets, helemaal niets. Dat maakt ons op zijn minst nieuwsgierig naar wat die liefde dan wel mag zijn. Laten we verder lezen.

    3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.

    Liefde, zegt Paulus, heeft niets te maken met liefdadigheid. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat iemand al zijn bezittingen zou verkopen om de honger te stillen van de armen: het zal niet baten, dat wil zeggen: je hebt er geen verdienste aan, het zal je niet ten goede gerekend worden, als je de liefde niet hebt. Dat is wat dubbelzinnig: moet je goede werken doen én bovendien de liefde hebben, moet je dus de goede werken doen uit liefde voor je medemens? Dat lijkt logisch. Als je het goede doet uit berekening, dan ben je een handeltje aan het drijven, zoals dat in de late middeleeuwen gebruikelijk was in de kerk: aflaten kopen, goede werken doen maar er verder lustig op los leven. Dat is het waartegen Luther in opstand kwam en vele andere ernstige gelovigen met hem. God is niet omkoopbaar, vonden ze. Of bedoelt Paulus iets anders, namelijk dat goede werken onbelangrijk zijn, dat je gewoon (nou ja, gewoon) de mensen moet liefhebben? Maar waarin bestaat dat liefhebben? Ook dat hopen we verder in de tekst te ontdekken.

    Wat bedoelt Paulus met het prijsgeven van ons lichaam en daar trots op zijn? Letterlijk staat er: zelfs al geef ik mijn lichaam over om het op te branden. Mogelijks verwijst hij naar de christelijke martelaars, maar het lijkt ons vreemd dat hij zelfs daarop zou afdingen, op wat Cicero servitutis extremum summumque supplicium,(In Verrem 2.5.169) noemde, en de "wreedste en meest afschuwelijke straf (crudelissimum taeterrimumque supplicium, ibid. 2.5. 165), de glorievolle marteldood, voor het christendom en vandaag ook voor de Islam de meest zekere weg naar de hemel. Misschien dat zijn toehoorders van toen deze allusie begrepen, voor ons en voor de meeste commentatoren, vroege en nu, is ze duister, om niet te zeggen onbegrijpelijk.

    4 De liefde is geduldig en vol goedheid.

    Hier begint Paulus aan de opsomming van de positieve aspecten van de liefde, na eerder benadrukt te hebben wat liefde niet is, of wat onbelangrijk is in vergelijking met de liefde. Vooreerst is liefde geduldig. Dat zal wel, in bepaalde gevallen. Een vader die zijn kind opvoedt, doet er goed aan geduldig te zijn, want met ongeduld komt ie nergens. Hij moet dus wel geduldig zijn, hij kan niet anders, kinderen laten zich nu eenmaal niet dwingen. Dat geldt ook voor andere geliefden. Maar geduld is niet identiek met liefde. Geduld is niet altijd de oplossing, soms moet je er ook eens flink kunnen invliegen. Doortastendheid en ijver zijn zeker zo belangrijk als geduld. Geduld kan ook een ondeugd zijn. Wij moeten ons durven verzetten tegen onrecht, het geeft geen pas om dan verduldig te zijn. Het Belgisch justitiebeleid is een schoolvoorbeeld van overdreven en misplaatst geduld, van schuldig verzuim, met andere woorden. Een overdaad aan geduld maakt meer slachtoffers dan gepast reageren.

    Dat liefde vol goedheid is, daar zal niemand aan twijfelen. Maar wat betekent goedheid hier? Niets. We worden er niet wijzer van, het is een leeg begrip. Laten we verder lezen.

    De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof en niet zelfzuchtig;

    Dit lijkt wel erg evident. Afgunst is zowat het tegenovergestelde van liefde, net zoals oppervlakkigheid, aanstellerij en eigenwaan. Dat we in onze omgang met anderen niet brutaal mogen zijn of egoïstisch, we hebben Paulus niet nodig om dat te weten.

    ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,…

    Dat is al veel moeilijker. Dat liefde zich niet laat opwinden en zomaar het kwaad over zich zou moeten laten gaan, dat geloof ik niet. Wij krijgen hier een beeld van de al te zachtaardige christen, de gelaten, onverstoorbaar lankmoedige gelovige die in alle omstandigheden vertrouwt in de wijsheid, en de liefde, wel te verstaan, van God. Het is een onmenselijk beeld, dat zelfs vloekt met andere Bijbelcitaten. Jezus zelf was allicht behoorlijk opgewonden toen hij de kooplui uit de tempel ranselde met zijn gordel… Dat liefde immuun zou zijn, of moeten zijn, voor alle kwaadwilligheid, dat aanvaarden wij niet. Een echtgenote die moe getergd is door haar bazige echtgenoot doet er goed aan om aan zichzelf en haar kinderen te denken en de onverlaat vaarwel te zeggen. De liefde moet van beide kanten komen. De tijd is gelukkig voorbij dat anderen voor ons beslisten wat huwelijksliefde is. De mens heeft het recht om voor zichzelf op te komen. Een liefde die doodt, fysiek of psychisch, is geen liefde, maar haat. De gedweeë, onderdanige gelovige die zijn plaats weet in de maatschappij en die zich willoos laat onderwerpen door hoogmoedige vorsten, barbaarse krijgsheren, gewiekste kooplui en machtsgeile afgodendienaars, die heeft zijn rug gerecht en kijkt zijn medeburgers vrank en vrij in de ogen. Vergelijk dat met dit citaat uit het deze brief:

    7, 17In het algemeen: laat ieder in de positie blijven die de Heer hem heeft gegeven, blijven wat hij was toen God hem riep. Dat schrijf ik voor aan alle gemeenten. 18Iemand die besneden was toen God hem riep, moet het niet ongedaan laten maken. Iemand die onbesneden was toen God hem riep, moet zich niet laten besnijden. 19Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men de geboden van God in acht neemt. 20Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd. 21Wanneer u als slaaf geroepen bent, moet u dat niets kunnen schelen (hoewel u de kans om vrij te worden zeker moet benutten). 22Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer, zoals degene die als vrij man geroepen is een slaaf van Christus is. 23U bent gekocht en betaald, dus wees geen slaven van mensen. 24Laat, broeders en zusters, ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.

    Merk op dat vers 21 zeer controversieel is. In het Griekse origineel staat er: zelfs als je een vrij man kan worden, mallon chrèsai. Over de vertaling van die twee woorden zijn dikke boeken geschreven. Letterlijk betekent het: maak veeleer (daarvan) gebruik. Dat kan dan alle kanten uit: maak gebruik van de mogelijkheid om een vrij man te worden? Of, zoals de onverdachte Willibrord-vertaling het heeft: ‘blijf dan toch liever slaaf’! Die interpretatie past veel beter in Paulus’ redenering dat iedereen het best blijft wat hij is. Hij voegt er immers aan toe: zelfs als je officieel de manumissio zou krijgen en vrij man worden, dat betekent nog niets in de ogen van God. In de Nieuwe Bijbelvertaling krijgen we een verdacht vrije en modernere interpretatie: ‘hoewel u de kans om vrij te worden zeker moet benutten’. Maar waarom zou Paulus dan vervolgens blijven stellen dat slaaf zijn van mensen niets betekent: wie slaaf is van mensen is vrij voor God en omgekeerd.

    6 ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid.

    Wat is dat nu voor iets! Is er iemand die zich verheugt in onrecht, hetzij tegenover zichzelf, hetzij tegenover anderen? Geen mens die masochisme of leedvermaak zou gelijkstellen met liefde. En dat de waarheid ons meer verheugt dan leugen of misleiding, ook daaraan zal geen mens twijfelen.

    7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.

    Nee, dat doet ze niet. We zegden daarnet al dat liefde absoluut niet alles verdraagt, dat het helemaal geen teken van liefde is om geweld, onderdrukking, mishandeling of vernedering ‘liefdevol’ te verdragen. Waarom zouden we alles geloven wat men ons vertelt? Wat is er verkeerd met enig gezond wantrouwen? Waarom zouden we goedgelovig zijn? En waarom zouden we al onze kaarten op de hoop stellen, in plaats van te vertrouwen op eigen kunnen? Hoop op wat? Op het geluk, het fatum, op God? Wat is er zo goed aan volharden? Wij mogen bijvoorbeeld niet volharden in de boosheid. Overdreven ijver is een zonde. Onvoorwaardelijke trouw is waanzin.

    8 De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt.

    Profetieën zullen verdwijnen, zegt Paulus, nadat hij er zelf een heeft ten beste gegeven: de liefde zal nooit vergaan. Hij is er even zeker van dat onze taal en onze kennis zullen verloren gaan (samen met de onzinnige voorspellingen). Het is een apocalyptisch beeld, dat niet strookt met onze wereld, waarin taal en kennis hoogtij vieren en zorgen dat zeven miljard mensen erin slagen om te overleven, de meesten zelfs in behoorlijke tot ronduit luxueuze omstandigheden.

    Welke liefde is het die nooit zal vergaan? Wij mensen weten dat elke liefde stuk kan gaan. Paulus verbiedt echtscheiding, behalve bij gemengde huwelijken, wanneer de niet-christene partner wenst te scheiden. Blijkbaar is in dat geval de liefde niet zo onvergankelijk, de huwelijksband toch niet zo onverbrekelijk… Ouders hebben hun kinderen verstoten, kinderen hun ouders. De mens is in staat tot liefde, maar ook tot haat. Mensen kunnen elkaars hart breken.

    10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen.

    Ook dit is een irrationele verwijzing naar een aanstaande totale catastrofe, een wereldbrand, het einde van de wereld, de aanstaande terugkeer van Christus op aarde. Maar op welke gronden maakt Paulus deze gratuite, bevreemdende profetie, die overigens niet uitgekomen is?

    11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.

    Dit zijn de woorden die mij en vele anderen het meest beroeren en ook het vaakst geciteerd worden. Paulus vergelijkt de overgang naar de volwassenheid met de sprong die wij zullen maken wanneer wij oog in oog zullen staan met, naar wij vermoeden, God zelf, hij die alles weet, die in het diepste van ons hart kan kijken en die ons weten zal verheffen tot een goddelijke absoluutheid, een ware identificatie tussen kennen en gekend worden. Maar wat als die overgang er niet is? Als er geen God is die op ons wacht?

    Wat is die wazige spiegel waar Paulus naar verwijst? Vooreerst moeten we beseffen dat de heldere spiegels die wij kennen in Europa pas in de Renaissance ontstaan zijn, in Venetië, de glas-stad bij uitstek, op het eiland Murano, waar de glasblazers naartoe verbannen waren wegens de gevaarlijke uitwasemingen in hun ateliers. Toen is men voor het eerst op grote schaal glazen spiegels gaan fabriceren, waarbij op de achterkant van geslepen glas een dunne laag kwik werd aangebracht. Pas rond 1850 heeft Justus von Liebig (die van de Liebig bouillonblokjes, ja) een procedé ontdekt om met het minder giftige zilvernitraat een hoogreflecterende laag aan te brengen op glas. In de oudheid waren spiegels gewoon gladde natuurlijke materialen, zoals obsidiaan en later alle metalen die men kon pollijsten. Korinthe was in de oudheid befaamd om zijn spiegels, zoals Murano later. Maar de kwaliteit van dergelijke spiegels was niet te vergelijken met wat wij nu gebruiken. Binnenshuis waren spiegels onbruikbaar, zelfs met kaarslicht. Het gereflecteerde licht is nauwelijks voldoende om veel meer dan een vage schaduw weer te geven van of voor wie erin kijkt. De vergelijking die Paulus maakt slaat dus op de primitieve spiegels die hij kende.

    Maar wat staat er letterlijk in de tekst? Blepomen gar arti di’ e[i]soptrou en ainigmati. ’Wij kijken nu immers bij middel van (of door) een spiegel naar een raadsel’.

    Wie in een antieke spiegel keek, zag slechts een vage, onduidelijke afspiegeling van zijn aangezicht of van datgene wat erin gereflecteerd werd. Als je niet wist dat het je eigen aangezicht was, dan zou je het niet eens herkennen, het zou een enigma zijn, een raadsel. In het Engels vertaalt men deze zinsnede gewoonlijk als volgt: For now we see through a glass, darkly. We weten inderdaad niet zeker of Paulus een echte spiegel bedoelde, want spiegels waren duur en zeldzaam. Hij kan ook verwezen hebben naar de primitieve half opake glazen of perkamenten ruiten die in de betere huizen gebruikt werden. Hoe dan ook, hij verwijst naar een onbeholpen, onvolmaakte manier om de dingen te zien, die hij contrasteert met het zien van aangezicht tot aangezicht, prosoopon pros prosoopon. Nu zien we slechts een gedeelte van wat er is, omdat de spiegel een onvolledig beeld weergeeft, maar dan zullen we alles zien, want als twee mensen van aangezicht tot aangezicht naar elkaar kijken, zonder dat er iets in de weg staat, dan herkent de ene de andere zoals de andere de ene herkent. Paulus beschrijft hier louter de manier van kijken, niet wát we zullen zien. De vertaling ‘dan zal ik kennen zoals ik zelf gekend ben’ is misleidend, dat staat er niet; de letterlijke tekst zegt: dan zal echter ik herkennen zoals ik ook herkend wordt: epigignooskoo betekent niet ‘door en door kennen, volledig kennen’, maar wel ‘toekijken’ en vandaar herkennen, erkennen, leren kennen, ontdekken, te weten komen. We moeten in de beeldspraak van de spiegel blijven: als we van aangezicht tot aangezicht kijken, dan is de herkenning on-middellijk en onmiddellijk. Het gaat niet over een diep doordringende kennis, maar om het doorbreken van het raadsel, de vage verschijning in de onvolmaakte antieke spiegel.

    13 Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

    Geloof is misschien een erg menselijke karakteristiek, maar het is een deugd die we met mate moeten beoefenen. Geloof mag geen lichtgelovigheid zijn, dat hebben de mensen van vandaag zeer goed ingezien. Zonder hoop kan een mens ook niet leven. Maar ook hier zal niemand een blinde hoop verdedigen, een hoop tegen alle beter weten in. We moeten onszelf niets wijsmaken. Ongegronde hoop is een vorm van wanhoop. Blijft dus enkel de liefde over, de grootste van alle deugden.

    Maar weten we nu meer over die liefde dan tevoren? Hebben we iets bijgeleerd met deze beroemde passage uit de brief aan de Korintiërs, de stad waar uitgerekend de godin van de liefde werd vereerd, vooral onder de vorm tempelprostitutie? Ik niet.

    Het is een onsamenhangende tekst, oppervlakkig, banaal, nietszeggend. De liefde die erin beschreven wordt is er een die de mens vandaag en zeker de moderne vrouw niet meer ernstig kan nemen, niet meer aanvaardt.

    Waar Paulus aanvankelijk nog lijkt te spreken over de relaties tussen mensen hier op aarde, verwijst hij in het tweede gedeelte naar het eeuwigheidskarakter van de liefde tussen God en mens, naar een mystieke vereniging die ons wacht na de spoedige wederkomst van Christus, of na onze dood, een liefde die niet van deze wereld is.

    Gelovigen weten dat deze tekst vooral bij huwelijksmissen gelezen wordt. Hier volgen enkele andere citaten uit dezelfde brief; je zal met mij aannemen dat ze niet bij deze gelegenheden worden voorgelezen… Dat illustreert nog maar eens de ergerlijke gewoonte van de christenen om de Bijbel zeer selectief te gebruiken. Ik heb enkele opvallende passages vetjes weergegeven.

    1 Korintiërs 7

    De gehuwde en de ongehuwde staat

    1 Dan nu de punten waarover u mij geschreven hebt.

    U zegt dat het goed is dat een man geen gemeenschap met een vrouw heeft. 2 Maar om ontucht te vermijden moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. 3 En een man moet zijn vrouw geven wat haar toekomt, evenals een vrouw haar man. 4 Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap over zijn lichaam, maar zijn vrouw. 5 Weiger elkaar de gemeenschap niet, of het moest zijn dat u er wederzijds mee instemt u enige tijd aan het gebed te wijden. Kom daarna echter weer samen; anders zal Satan uw gebrek aan zelfbeheersing gebruiken om u te verleiden. 6 Ik zeg u dit niet om u iets op te leggen, maar om u tegemoet te komen. 7 Ik zou liever zien dat alle mensen waren zoals ik, maar iedereen heeft van God zijn eigen gave gekregen, de een deze, de ander die.

    8 Wat de weduwen en weduwnaars betreft, zeg ik dat het goed voor hen zou zijn alleen te blijven, zoals ik. 9 Maar wanneer ze dat niet kunnen opbrengen, moeten ze trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden van begeerte.

    10 Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik – de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man 11 (is ze al gescheiden, dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag zijn vrouw niet wegsturen.

    12 Verder geef ik zelf nog – niet de Heer – het volgende voorschrift: wanneer een broeder een ongelovige vrouw heeft die bij hem wil blijven, mag hij niet van haar scheiden. 13 Dit geldt ook voor een zuster: wanneer ze een ongelovige man heeft die bij haar wil blijven, mag ze niet van hem scheiden. 14 Want de ongelovige man behoort dankzij zijn vrouw God toe en de ongelovige vrouw dankzij haar man eveneens. Zou dat niet zo zijn, dan zouden uw kinderen onrein zijn. Maar nu zijn ze geheiligd. 15 Maar als de ongelovige partij wil scheiden, moet dat maar gebeuren; in dat geval is de broeder of zuster niet gebonden. Bedenk echter dat u door God geroepen bent om in vrede te leven. 16 Wie weet, u zou uw man toch kunnen redden? En wie weet, u kunt uw vrouw toch redden?

    25Voor de ongehuwden heb ik geen voorschrift van de Heer, dus ik geef mijn eigen mening, als iemand die door de barmhartigheid van de Heer betrouwbaar is. 26Ik meen dat het vanwege de huidige beproevingen voor een mens goed is te blijven wat hij is. 27Hebt u een vrouw beloofd met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet; bent u niet gebonden aan een vrouw, zoek er dan ook geen. 28Het is weliswaar niet zo dat u door te trouwen zondigt, en ook wanneer een meisje trouwt zondigt ze niet, maar het huwelijk wordt een zware belasting die ik u graag zou besparen.

    29Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dat er maar weinig tijd rest. Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt, 30ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, 31ieder die in deze wereld leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder. 32Ik zou willen dat u geen zorgen hebt. Een ongetrouwde man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen. 33Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, 34dus zijn aandacht is verdeeld. Een ongetrouwde vrouw en een meisje dat nog niet getrouwd is, dragen zorg voor de zaak van de Heer, en wel zo dat ze God met heel hun lichaam en geest zijn toegewijd. Maar een getrouwde vrouw draagt zorg voor aardse zaken en wil haar man behagen. 35Ik zeg dit in uw eigen belang, niet om u aan banden te leggen, maar om u tot onberispelijk gedrag en onverminderde toewijding aan de Heer te brengen.

    36Maar wanneer iemand bang is zich tegenover zijn toekomstige vrouw te misdragen, omdat zijn verlangen naar haar te groot wordt, laat hij dan gevolg geven aan zijn wens met haar te trouwen. Dat dient dan te gebeuren. Het is geen zonde. 37Iemand echter die uit overtuiging, dus zonder dwang en uit vrije wil, voor zichzelf besloten heeft niet met haar te trouwen, handelt uitstekend. 38Dus iemand die met haar trouwt handelt goed, maar iemand die niet met haar trouwt handelt beter.

    39Een vrouw is gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij is gestorven, is ze vrij om te trouwen met wie ze wil, mits het een huwelijk is in verbondenheid met de Heer. 40Maar ze is gelukkiger wanneer ze ongetrouwd blijft. Dat is althans mijn mening, en ik meen dat ook ik de Geest van God bezit.

    11

    1Dus volg mij na, zoals ik Christus navolg.

    De hoofdbedekking van de vrouw

    2Ik prijs het in u dat u mij bij alles als voorbeeld neemt en u aan de voorschriften houdt die ik u gegeven heb. 3Ik moet u echter nog het volgende zeggen.

    Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus. 4Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. 5Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies hetzelfde als een kaalgeschoren vrouw. 6Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken.

    7Een man mag zijn hoofd niet bedekken omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man. 8(De man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man; 9en de man is niet omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw omwille van de man.) 10Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben. 11Echter, in hun verbondenheid met de Heer is de vrouw niets zonder de man, en ook de man niets zonder de vrouw. 12Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw – en alles is ontstaan uit God. 13Oordeelt u daarom zelf. Is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? 14Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt, 15terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofdbedekking te dragen.

    16Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen.

    14

    34Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. 35Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst
    09-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdenkers in de USA: Susan Jacoby, Freethinkers
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een keerpunt in mijn houding tegenover godsdienst was ongetwijfeld het boek van Richard Dawkins, The God Delusion (2006), in het Nederlands vertaald als ‘God als misvatting’. Dit was geen obscuur boekje van een of andere gestoorde godsdiensthater, maar een wereldwijde bestseller van een vooraanstaande en alom gerespecteerde wetenschapper. Het gaf voor mij en voor vele anderen aan het atheïsme een vorm van legitimiteit en haalde de discussie over God en godsdiensten naar het voorplan, in het volle licht van de media. Van de Engelstalige versie zijn er al meer dan twee miljoen exemplaren verkocht.

    Sindsdien heb ik zowat alle boeken gelezen die daarover recentelijk verschenen zijn in het Nederlands, het Engels en het Frans. Vooral dank zij de monumentale studies van Jonathan Israel over de Verlichting ontdekte ik dat atheïsme helemaal geen recent fenomeen is, zoals men zou kunnen denken als men enkel Dawkins’ overigens uitstekende boek zou lezen. Atheïsme heeft altijd bestaan. Er zijn altijd mensen geweest die geen boodschap hadden aan het godsdienstig verhaal, die geen geloof hechtten aan het bestaan van een of meer goden die het rustig en zelfzeker hielden op de situatie van de mens hier op aarde. Over de geschiedenis van die alternatieve ideologie las ik al verscheidene werken, die ik hier ook besprak. Mijn aandacht viel een tijdje geleden op het boek van Susan Jacoby, Freethinkers. A History of American Secularism, Owl Books, New York, 2004, 417 pp., notes, selected bibliography, index, officiële prijs $ 18, maar bij Amazon al te koop voor ongeveer € 8 (paperback).

    Susan Jacoby is geboren in het uitstekende jaar 1946, zoals Jonathan Israel, Julian Barnes en Elfriede Jelinek (Nobelprijs literatuur), Cher, Dolly Parton maar ook George Bush en zijn echtgenote, Bill Clinton… Ze begon als journaliste en werkte mee aan talloze tijdschriften en kwaliteitskranten. Ze schreef een tiental goed onthaalde boeken en was zelfs een keer finalist voor een Pulitzerprijs. Ze is een overtuigde atheïste, zeer actief in wat men in Amerika het secularisme noemt, hier bij ons de humanistisch-vrijzinnige beweging.

    In dit boek gaat haar aandacht naar de vrijdenkers die mede de geschiedenis van de Verenigde Staten geschreven hebben, vanaf de Amerikaanse revolutie in de tweede helft van de 18de eeuw en de onafhankelijkheid in 1776, tot op de dag van vandaag. Voortdurend legt zij zinvolle verbanden tussen die geschiedenis van nu al meer dan twee eeuwen en de politieke en maatschappelijke thema’s die vandaag Amerika en de wereld beheersen.           Dat is zeker een van de meest aantrekkelijke aspecten van haar verhaal. Het verleent haar boek een levendigheid en een tastbaar contact met de actualiteit die een louter historische studie deerlijk zou moeten missen. Dat draagt in hoge mate bij tot de leesbaarheid van dit boek, dat overigens in een voortreffelijke taal en stijl is geschreven, zoals je mag verwachten van een door de wol geverfde journaliste en publiciste.

    Haar onderzoek brengt anderzijds toch een aantal belangrijke figuren uit de Amerikaanse intellectuele en sociale geschiedenis naar voren die naar haar zeggen vandaag zelfs in Amerika helemaal niet de aandacht krijgen die ze verdienen, of zelfs helemaal vergeten zijn. Lezers die niet vertrouwd zijn met de geschiedenis van en de huidige situatie in de Verenigde Staten, zullen nog vaker verrast zijn door de indringende portretten die de auteur schetst van figuren uit de strijd voor de onafhankelijkheid van de Amerikaanse kolonie, de vele disputen tussen de godsdiensten en de vrijzinnigen, de burgeroorlog tussen Noord en Zuid en de strijd tegen de slavernij, de burgerrechtenbeweging voor de negerbevolking en voor de vrouwen, de kwestie van de evolutieleer, de maatschappelijke discussies over socialisme en communisme, de rol van Amerika tijdens de twee Wereldoorlogen en de vele internationale conflicten, de Koude Oorlog en de meer recente maatschappelijke discussies onder George Bush, de president die de vergaderingen van zijn kabinet onverbiddelijk begon met een gebed waaraan al zijn ministers werden geacht deel te nemen.

    Sommige van de namen uit deze alternatieve geschiedenis van de Verenigde Staten zijn ons enigszins bekend, zoals die van Thomas Jefferson, een van de Founding Fathers, de belangrijkste auteur van de Declaration of Independence en de derde President (1801-09) en Abraham Lincoln, president tijdens de burgeroorlog. Anderen zijn voor de meesten van ons nobele onbekenden of ons enkel van naam bekend: Robert Ingersoll, Walt Whitman, Elizabeth Stanton Cady, Suzan B. Anthony, Anthony Comstock van de infame Comstock obscenity laws, W.E.B. Dubois, William Loyd Garrison, Emma Goldman, Lucretia Mott, Thomas Paine, om enkel de belangrijkste te noemen uit de lange lijst van integere mensen die zich hebben ingezet voor ‘de goede zaak’ en daar vaak hebben onder geleden, tot gevangenisstraf en deportatie toe. De auteur besteedt veel aandacht aan de rol van de godsdiensten in Amerika, aanvankelijk vooral de protestantse, later de evangelische en in de twintigste eeuw in het bijzonder de primordiale rol die het katholicisme, meegebracht door de Europese immigranten, speelde op religieus, moreel en maatschappelijk vlak. Zij heeft ook voortdurend oog voor de houding van de joodse bevolkingsgroep en de kleurlingen in al de godsdienstige en maatschappelijke controverses. Als vrouwelijk auteur gaat haar belangstelling vaak maar terecht naar de emancipatiebeweging van de vrouw, waarin vrijzinnige en antiklerikale voorvechtsters ongetwijfeld de grootste rol hebben gespeeld, en dat in een tijd toen alle godsdiensten haar onderworpenheid aan de man en haar plaats aan de haard voorhielden.

    Dit is een boeiend boek. Het werpt een helder licht op aspecten van de Amerikaanse geschiedenis en samenleving die wij niet kennen, maar die essentieel zijn als wij proberen om ook maar enigszins de huidige situatie in de Verenigde Staten te begrijpen. Voor ons in Europa is het een uitdagende confrontatie met wat hier gebeurd is (of net niet, of pas zoveel later…) in dezelfde perioden van de geschiedenis, hoe verschillend en gelijkend de evoluties verlopen zijn, bijvoorbeeld in de strijd om het algemeen enkelvoudig stemrecht, de schoolstrijd, de scheiding tussen kerk en staat, ethische kwesties zoals seksuele voorlichting, de pil, abortus, euthanasie.

    In de geschiedenis van de twintigste eeuw heeft ‘Amerika’, de United States een overweldigende rol gespeeld in Europa, op alle gebied. Deze eerlijke, aandachtige en verhelderende studie van het belangrijke aandeel daarin van de vrijzinnigheid is een uitzonderlijk geslaagde bijdrage voor een goed begrip van Amerika en aldus van onszelf.

    Ik heb helaas geen Nederlandse vertaling gevonden.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    08-02-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.God is liefde
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Godsdienst is voor de mens een vorm van opium die hij zichzelf toedient. De rechtvaardigheid die moet bedongen en soms bevochten worden, stelt hij uit tot later, wanneer ze automatisch zal opgelegd worden door God: het nieuwe Jeruzalem. De rituelen en het slaafs volgen van de kerkelijke voorschriften is dan de garantie dat bij de eindafrekening de gelovige aan het langste eind zal trekken. Het godsdienstig verhaal is ook een manier om de plaats van de mens in het universum te duiden en de samenhang der dingen; er is een metafysica die de fysica verklaart. Dat ontslaat de mens van verder nadenken over de materie en de sociale verhoudingen: alles is immers van bij den beginne vastgelegd door een almachtig hoger wezen; wetenschappelijke verklaringen zijn overbodig, zinloos zelfs; economische, sociale en politieke vernieuwing zijn overbodig en contestatie is uit den boze: er is immers niets te winnen in het ondermaanse, alles wordt bepaald door het tijdloze, het hiernamaals. Men moet er dus alles aan doen opdat de godsdienst zou floreren en de maatschappij op theocratische basis inrichten.

    De kerken spelen handig in en bouwen voort op een voorwetenschappelijke manier van denken die de mens spontaan aankleeft. De priesterkaste en vele acolieten parasiteren op die goedgelovigheid. Toch is elke zinnige mens in staat dat primitieve denken te overstijgen, gewoon op basis van het gezond verstand. Het metafysische model is immers onbevredigend, het hangt met haken en ogen aaneen, het zit vol interne tegenspraak en steunt uiteindelijk op een blind aanvaarden van een geopenbaarde waarheid. Ook als inspiratie voor sociale actie is het niet efficiënt: godsdienst moet uiteindelijk steeds aanleunen bij de gevestigde macht, anders kunnen de kerken niet overleven, zij zouden bestreden worden door de burgerlijke macht of door rivaliserende kerken.

    Het religieus discours is dus gekenmerkt door vaagheid, oncontroleerbare apodictische uitspraken, mysteries, metafysische bespiegelingen en een kinderlijk idealisme dat gelooft dat alles in orde zal komen als iedereen zijn best doet, als we elkaar maar graag zien, als we onze aandacht maar richten op het schone, het goede, het nobele. Het grote woord is ‘liefde’. Het is een panacee, een dooddoener. Deus caritas est. Christus heeft de mens zo liefgehad dat hij zijn leven voor hen gegeven heeft. God heeft de mens zo liefgehad dat hij zijn eigen zoon heeft gezonden. Wij moeten elkaar liefhebben zoals onszelf, we moeten zelfs onze vijanden liefhebben. Als we iets willen begrijpen, moet dat gebeuren door liefde. Als mensen samenleven, kan dat alleen goed aflopen als ze elkaar liefhebben. Alles draait om de liefde, lees het maar bij Paulus:

    1 Korintiërs 13,1-13 De liefde

    1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.

    4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, 6 ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.

    8 De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.  

    Dat klinkt misschien goed, maar niet als je het aandachtig leest. Probeer het eens?

    Ik voor mezelf heb er geen enkele moeite mee om te bekennen dat wanneer men over de liefde spreekt, ik geen flauw idee heb waarover men het precies heeft. Liefde is voor mij een zo goed als onbruikbaar begrip. Het dekt zovele ladingen, kent zoveel interpretaties, dat niemand goed weet wat ermee bedoeld is. Een uitdrukking als : God is liefde, Deus caritas est, is voor mij dan ook totaal onbegrijpelijk en irrelevant, het brengt niets bij aan mijn verstaan van God.




    Categorie:God of geen god?
    05-01-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.open brief aan een christelijk gelovige (niet kerkelijk)

    Open brief aan een christelijk gelovige

    Op mijn jongste bericht, dat je hieronder kan lezen, kreeg ik een reactie van een lezer die zich christelijk gelovig noemt, maar eraan toevoegt dat hij niet kerkelijk is. Hij kan zich min of meer vinden in wat ik geschreven heb over godsdienstvrijheid, maar hij is het helemaal niet eens met wat ik vervolgens schrijf over de katholieke kerk.

    Vooreerst wil ik nog even kort mijn eigen standpunt samenvatten. Godsdiensten zijn feitelijke verenigingen van mensen. Als dusdanig kunnen zij genieten van de rechten die alle verenigingen hebben in een bepaald land, maar vallen zij ook onder de wettelijke verplichtingen die verenigingen hebben, bijvoorbeeld ook de fiscale. Wanneer zij strafbare feiten plegen, dan kunnen zij daarvoor vervolgd worden. Zij hebben met andere woorden geen bijzonder juridisch statuut uit hoofde van het feit dat zij godsdienstige verenigingen of organisaties zijn. Ik leid dit alles af uit de grondwet, die zegt dat er vrijheid van vereniging is, vrijheid van godsdienst maar ook een volledige scheiding van kerk en staat.

    Laten we nu eens naar de praktijk kijken. De kerk heeft zich in België (ik beperk me tot wat ik weet) een zeer bijzonder statuut verworven. Ze is een staat in de staat. Het feit dat haar invloed en macht sterk getaand is, verandert daar niet zoveel aan. De aartsbisschop van Mechelen-Brussel is nog steeds de eerste in de protocollaire rij, hoeveel of hoe weinig gelovigen hij ook vertegenwoordigt. De kerkfabriek van een gemeente moet nog steeds opdraaien voor de kosten van de eredienst en het onderhoud van de gebouwen, hoeveel of hoe weinig gelovigen er ook nog naar der kerk gaan. De financies en de leiding en het beheer van katholieke scholen, klinieken, hospitalen, weeshuizen, verzorgingsinstellingen voor ouderen, personen met een handicap enzovoort, van kloosters, abdijen en congregaties enzovoort, zijn gehuld in mysterie. De controle op die ondoorzichtige organisaties is onbestaande. Klachten tegen kerkelijke instanties of bedienaars van de eredienst worden in de regel geseponeerd. De kerk onttrekt zich op alle mogelijke manieren aan elk burgerlijk maatschappelijk toezicht. De kerk is onaantastbaar, zij is immers boven alle verdenking verheven.

    Wie de geschiedenis bekijkt, weet dat de kerk allerminst een dergelijk statuut verdient. Als organisatie van mensen heeft zij zich schuldig gemaakt aan alle vergrijpen en misdaden die mensen en organisaties kunnen begaan. Zij heeft zich, om de woorden van kardinaal Danneels en verscheidene bisschoppen te gebruiken, meer bezig gehouden met het belang van de kerk en haar bedienaars dan met de gelovigen. Zij heeft vanuit haar overheersende positie misbruik gemaakt van die macht en dat op alle domeinen, sinds haar ontstaan en tot op de dag van vandaag. Gedurende tweeduizend jaar heeft zij een theocratisch machtsapparaat uitgebouwd dat zijn gelijke niet kent. All power corrupts, absolute power corrupts absolutely, dat is ook gebleken in de kerk. Hoe zij is omgegaan met ongelovigen, heidenen, anders-gelovigen, ketters, afwijkende meningen en dissidenten, is een afschuwelijke geschiedenis die met bloed en tranen is geschreven. Wat zij heeft aangericht in de hoofden van de mensen, in onze geesten, in onze hersenen, in ons verstand, is zo mogelijk nog erger. Zij heeft geprobeerd, en is daar grotendeels in geslaagd, om de hele wereld te doordringen van haar ideeën, om alle mensen te onderwerpen aan haar invloed en haar gezag. Zij heeft in zeer ruime mate bepaald hoe wij denken en doen. Haar leidraad daarbij was, zoals zij zelf toegeeft, haar eigen belang. De vestiging van het Rijk Gods hier op aarde, dat was en is haar doelstelling, kat’ holen tèn gèn, over heel de wereld, vandaar: katholiek.

    Dat gebeurde door de meedogenloze onderwerping van de mens aan de kerk, door het beknotten van zijn persoonlijke autonomie. De kerk schrijft voor wat goed en slecht is, beslist wat mag en niet mag. De kerk schrijft de wet voor, ze is de wet. De kerk is geen democratie, wenst dat niet te zijn, het is een hiërarchie, een gevestigde orde, waarbij alleen het opperste gezag beslist, onfeilbaar en onaanvechtbaar. Het is een organisatie waarin geen inspraak mogelijk is, waar geen verkiezingen zijn (behalve voor de hoogste functie), waar de gelovigen geen rechten hebben, enkel plichten en waar het interne kerkelijk recht enkel dient om het instituut te beschermen en te vrijwaren. De mens is niets, God, of de kerk, is alles.

    Wanneer ik dan de misdaden, en ik bedoel de burgerlijke misdaden, de strafbare feiten van de kerk vergelijk met die van om het even welke dictator: Hitler, Stalin, Pol Pot, Pinochet, Sadam Hoessein, dan stel ik vast dat zowel in omvang als in ernst van de misdaden de kerk ver boven elk van deze regimes uitsteekt. Het aantal onschuldige slachtoffers is ontelbaar, zoals objectief aantoonbaar is in de geschiedenis. Enkele voorbeelden: 90% van de oorspronkelijke bevolking van het Amerikaans continent, even veel mensen als er toen in Europa woonden, is uitgeroeid door de christelijke veroveraars; in de Dertigjarige godsdienstoorlog in Duitsland en omstreken is een derde van de bevolking uitgeroeid, de helft van de mannelijke bevolking, in veel streken bleef slechts een kwart van de bevolking in leven; van de Katharen is niemand overgebleven; het aantal rechtstreekse en onrechtstreekse slachtoffers van de kruistochten is niet te tellen; op de brandstapels en in de martelkamers van de inquisitie stierven honderdduizenden totaal onschuldige mensen, ook geleerden, intellectuelen en wetenschappers. De rijkdom die opgestapeld was in kerkelijke paleizen, abdijen, kerken en kloosters tot voor de Franse revolutie was onschatbaar. De waarde van de kerkelijke bezittingen oversteeg en overstijgt nu nog elke redelijke schatting. Al die bezittingen zijn op zijn minst op bedenkelijke wijze verworven. Wanneer vandaag een sekte als Scientology dat probeert, valt het gerecht er binnen en worden hun activiteiten terecht verboden of aan banden gelegd.

    Hitler en het Nazisme hebben de wereld gedurende enkele decennia in een hel veranderd, de meeste slachtoffers vielen in een periode van slechts enkele gruwelijke oorlogsjaren. De kerk daarentegen heeft een ononderbroken verschrikkelijke geschiedenis van tweeduizend jaar onderdrukking en schrikbewind. Kan men het mij dan kwalijk nemen dat ik zeg dat we duizend keer meer reden hebben om de kerk voor een internationaal strafhof te slepen en haar te vervolgen wegens misdaden tegen de mensheid en de menselijkheid? Men hoort nu voortdurend stellen, in verband met seksueel misbruik door de kerk en haar bedienaars, dat de feiten verjaard zijn. Stel dat Hitler, zoals sommigen blijven beweren, geen zelfmoord had gepleegd en ergens was blijven leven tot 1979 (hij zou dan 90 geweest zijn), met een grote schat aan juwelen en goud, zoals sommigen beweren. Indien men hem dan zou gevat hebben, zou men hem ook vrijpleiten wegens verjaring van de feiten en hem zijn schatten laten behouden?

    Dat is wat ik beweer: de kerk heeft gruwelijke misdaden begaan tegen de mensheid is daarvoor nooit ter verantwoording geroepen; zij heeft de mensheid bestolen en uitgebuit om zichzelf te verrijken en heeft nooit restitutie gedaan; zij heeft de mensheid misleid en opgezadeld met verderfelijke ideeën, die haar natuurlijke ontwikkeling hebben verlamd en haar voorspoed en ontwikkeling op ontstellende manier hebben afgeremd; zij heeft honger en ziekte in stand gehouden en zelfs bevorderd, zoals zij nog doet met HIV door haar condoomverbod. De huidige bewindvoerders van de kerk huldigen nog steeds dezelfde verderfelijke ideologie. Zij zijn nog steeds in het bezit van onschatbare rijkdommen. Hun geheime archieven zijn ontoegankelijk of vernietigd. Hun wereldse macht is nog steeds zeer aanzienlijk. Het seksueel misbruik is een ware plaag geweest in de kerk, altijd en overal, ook nu nog. De financiële malversaties en de witwaspraktijken, tot in het Vaticaan toe, zijn bewezen. De kerk is nog steeds een wereldlijke macht, met een internationaal erkend staatshoofd en met officiële ambassadeurs.

    Waarom treedt de burgerlijke overheid niet op? Waarom is de kerk onschendbaar? Wat is er zo speciaal aan die vereniging van mensen dat zij zich alles kan permitteren, dat zij geen verantwoording dient af te leggen over wat zij vandaag doet, laat staan over haar misdaden in het verleden?

    Indien de kerk vandaag zou behandeld worden zoals alle andere organisaties, dan was zij op korte tijd bankroet, zoals er nu al verscheidene bisdommen zijn die failliet gegaan zijn na veroordelingen voor seksueel misbruik door priesters. Indien zij controles zou krijgen van de fiscus, dan zou zij enorme sommen achterstallige belastingen moeten betalen. Indien men haar instellingen zou doorlichten, dan zou blijken dat zij inbreuken begaat tegen elke denkbare handelswet, tegen elke administratieve bepaling en elke wet uit het burgerlijk wetboek.

    Ik ben een voorstander van godsdienstvrijheid. Maar dan moet elke godsdienst gelijk behandeld worden, als een menselijke organisatie, geen goddelijke. Godsdiensten mogen geen beschermd statuut hebben, op geen enkel domein. Als men hoofddoeken verbiedt, dan ook Romeinse boordjes en gouden borstkruisen. Als men voetbalverenigingen belast, dan ook kerken en kloosters. De staat moet bedienaars van de eredienst geen wedde geven, moet geen kerken of sekten subsidiëren. Kerken mogen het maatschappelijk leven niet overnemen. Onderwijs, medische dienstverlening, zorg voor zieken, ouderen, personen met een handicap, wezen, armen en daklozen moeten door de staat zelf georganiseerd worden, niet door of via kerken. Kerken moeten zich ver houden van politieke beïnvloeding, ook over morele kwesties en de staat mag zich niet laten leiden door religieuze principes wanneer er beslissingen genomen worden voor alle burgers. En vooral: wanneer kerken of hun leden of bedienaars misdaden begaan, dan moeten zij daarvoor vervolgd en gestraft worden zoals iedereen.

    Ik wil deze open brief besluiten met een rechtstreekse vraag aan mijn christelijk gelovige maar niet kerkelijke lezer.

    Beste L., wat moet ik me voorstellen bij uw christelijk geloof? Hoe kan iemand christelijk gelovig zijn en niet kerkelijk? Wat is de basis van uw geloof? Is dat gesteund op een openbaring door God en Jezus Christus in persoon aan jou persoonlijk? Als dat zo is, dan zijn we uitgepraat, daar kan ik niet tegen op. Maar ik veronderstel van niet, want uit je reactie leid ik af dat je veeleer een redelijke mens bent. Dan heb je je geloof te danken aan de kerk, toch? Die heeft de mythische Christus zelf verzonnen, heeft eerst via Paulus haar boodschap verspreid en op schrift gesteld, heeft vervolgens zijn fictief levensverhaal en zijn vermeende uitspraken in het evangelie vastgelegd, na veel controverses over de inhoud. Die kerk heeft zich dan ontwikkeld over de hele wereld en zeer verstandige mensen hebben hun beste krachten gewijd aan haar verbreiding. De kerk heeft haar principes vastgelegd en onderwezen, overal ter wereld.

    Zonder de kerk is er geen geloof, geen beleving, geen principes, geen ideologie, geen Christus, geen God. Als je langer dan dertig seconden nadenkt, beste L., dan moet je erkennen dat jouw christelijk geloof gebaseerd is op wat andere mensen (de kerk) je gezegd hebben. Is het dan nooit bij jou opgekomen dat die mensen, zoals alle anderen, niet altijd zeer betrouwbaar zijn? Dat het loutere woord van een mens een zeer bedenkelijke basis is om je eigen leven op te verankeren? Hoe kan je afstand nemen van een kerk, haar organisatie, haar bedienaars, haar geschiedenis en toch jezelf christelijk gelovig noemen? Met wel recht?

    Waarin bestaat je geloof, beste L.? Waardoor laat jij je leiden? Hoe beslis jij over goed en kwaad? Over wat je doet en laat? Zijn het regels die je zelf autonoom hebt ontdekt? Dan ben je een vrijdenker. Of zijn het de regels van de openbaring, van het evangelie? In dat geval ben je kerkelijk, ook als je niet naar de mis gaat, want zonder de kerk is er geen evangelie, geen openbaring.

    Is je geloof dan misschien een diep ontzag voor het universum, een heilige overtuiging dat wij mensen elkaar als gelijke moeten liefhebben en ons milieu moeten respecteren, dat niemand zijn wil met geweld mag opleggen aan anderen en dat wij vreedzaam moeten samenleven met elkaar?

    Dan heet ik je van harte welkom in de kring van de vrije, gelijke en solidaire maar ongelovige mensen.



    Categorie:God of geen god?
    Tags:maatschappij
    31-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Koenraad Tinel in Leuven
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ik had gehoopt het einde van 2010 en het begin van 2011 hier in mijn Kroniek te kunnen inkleden in een ietwat feestelijk kleedje. Maar de omstandigheden lenen zich daartoe nauwelijks. De winter houdt ons opgesloten in de huiskamer. De politiek verkeert nog maar eens in diepe crisis, het einde is niet in zicht, misschien is er helemaal geen oplossing meer voor het Belgisch probleem. De economie is nog niet hersteld van de bankencrisis, onze euro wankelt en Europa evenzo. Het probleem van de asielzoekers is prangend, voor ons en voor hen. De katholieke kerk strompelt van het ene incident naar de volgende onthulling van seksueel misbruik, ook daar komt er geen einde aan de miserie en dat wekt bij deze atheïst niet eens leedvermaak. De vrijzinnigheid, het humanisme, het bewust beleefde atheïsme gaat er niet echt op vooruit in de maatschappij. En als gepensioneerde ervaar ik wat vereenzaming en uitsluiting betekent voor wie niet meer in het economisch leven actief is.

    Gelukkig is niet alles kommer en kwel. Ik mag niet klagen over mijn gezondheid, ik heb geen materiële zorgen, geen problemen in de familie, ik heb een geliefde partner met wie ik mijn leven intens deel. Ik kan me uitleven in mijn Kroniek, ik heb mijn boeken om mij heen en mijn muziek. En bovendien zijn, zoals het spreekwoord zegt, de beste dingen in het leven volkomen gratis.

    Dat ondervonden we gisteren. Enige tijd geleden had Lut zich het boek Scheisseimer aangeschaft, met ‘tekeningen’, eigenlijk grafische werken met verscheidene media van Koenraad Tinel (Gent, °1934), waarin hij zijn oorlogservaringen als kind gestalte geeft. Het M-Museum Leuven en 30CC organiseren dezer dagen een reeks aan elkaar verwante initiatieven rond deze kunstenaar. Gisteren bezochten we twee daarvan. In het mooie nieuwe M-Museum bezochten we zijn tentoonstelling Flandria Catholica. En ja, tot onze niet geringe verbazing hoefden we daarvoor niets te betalen: gratis toegang! Denk nu maar niet dat het aanbod daarom niet de moeite zou zijn. Er zijn enkele imposante beeldhouwwerken te bewonderen. Op tv-schermen kan je een interview met de kunstenaar in zijn huis en atelier volgen. En dan is er in de besloten antichambre de overweldigende tentoonstelling van bijna tweehonderd grafische werken van hetzelfde formaat rond het thema van het katholicisme in Vlaanderen net na de oorlog. Bereid je voor op een schokkende, ontluisterende, schrijnende maar ook hilarische confrontatie met het verleden, in mijn geval mijn eigen verleden, ik ben niet zoveel jonger dan de kunstenaar, alles was maar al te herkenbaar voor mij en ook voor Lut. Hoe jongere mensen daarover denken, hoe zij die beelden aanvoelen en verwerken, ik weet het niet. Er waren enkele jonge gezinnen met kinderen aanwezig en ik hoorde hoe de jonge moeders enige duiding probeerden te geven, maar hoe leg je een biechtstoelscène uit aan kinderen van vandaag, een priester te voet onderweg voor het heilig oliesel?

    Naast de inhoudelijk ontroerende, schokkende ervaring is er natuurlijk ook de bewondering voor het metier van de artiest, voor de zelfzekerheid waarmee hij met uiterst eenvoudige middelen en een wonderbaarlijk vaste hand de beelden tot leven brengt. Sommige taferelen blijven ongetwijfeld voor altijd in je geheugen gegrift, het zijn iconen van onze prille jeugd, archetypes van een getormenteerde, schuldbeladen, maar grondig valse opvoeding.

    Niet te missen, dus: je kan er nog terecht tot 13 februari 2011. Er is ook een boek met een ruime selectie van de tentoongestelde werken, daar en in de betere boekhandel te koop (30€).

    Ook in Leuven vind je een in omvang meer bescheiden tentoonstelling, onder de titel ‘Dévoilée: Prima Mater’, eveneens van Koenraad Tinel, in de Cypresgalerie, Vaartstraat 131. Zoals de titel aangeeft, staat daar de ont- of versluierde vrouw en moeder in de kijker in grafisch werk en in beeldhouwwerk in verscheidene materies en verschillende formaten, van minuscuul tot monumentaal. Eveneens gratis en vaut le détour.

    Op 7 januari 2011 om 20 uur vertelt Koenraad Tinel in het Wagehuys zijn Scheisseimer-verhaal, reserveren is noodzakelijk, er is veel belangstelling.

    Alle informatie vind je op de websites van M-Museum en van 30CC.

    En zo is het toch nog een beetje feest op deze laatste dag van het jaar, met een tip voor een boeiende (en goedkope) uitstap en suggesties voor een origineel cadeautje dat zeker zal gesmaakt worden, de boeken Scheisseimer en Flandria Catholica.

    Als je vanavond of morgen feest viert, dan wens ik je veel gezelligheid toe, in aangenaam gezelschap, genietend van de goede dingen des levens, wat dat voor jou en de uwen ook mag zijn. Tot volgend jaar!

    Karel


    Categorie:God of geen god?
    Tags:maatschappij
    14-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kerstmis, het feest van het Licht
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Hypostase… Weeral een moeilijk woord, zal je denken. Ik heb het hier al eerder gebruikt en ook uitgelegd waar het vandaan komt en wat het betekent. Oorspronkelijk is het een zeer oude medische term voor een residu in een vloeistof, bijvoorbeeld in de urine. In de Griekse filosofie duidt men met die term de diepste grond aan van iets of iemand, wat we in het Latijn letterlijk vertalen als substantia, dat wat overblijft als al het bijkomstige wegvalt. Plotinus gebruikte het in de derde eeuw om de drie personen van de Triniteit of de Drievuldigheid te onderscheiden: er is maar één God, maar er zijn drie verschillende hypostasen: Vader, Zoon en Geest. Later heeft de filosofie de term hypostase gebruikt voor het onterecht toekennen van werkelijkheid en betekenis, van substantie, aan een fictief gegeven.

    Een voorbeeld maakt dat duidelijk: elfjes bestaan niet en kabouters evenmin, dat zijn fictieve wezens. Wie beweert dat ze echt bestaan, maakt ze tot een hypostase, hypostaseert ze. Net zo voor de Griekse mythologie: de bonte verscheidenheid van goden, halfgoden, helden en dies meer moet je in een strikt mythologische context zien, als symbolen, als een fictieve realiteit. Als je Zeus letterlijk neemt, dan hypostaseer je hem, je kent hem onterecht een reëel bestaan toe, terwijl het om een mythe gaat, een verbeeldende manier van spreken. De Grieken waren zich zeer goed bewust van dat onderscheid. De literaire manier om in het Grieks te zeggen: het regent, was: huei Zeus, letterlijk: God watert, of pist, of zeikt… Niemand die werkelijk dacht dat het water dat uit de hemel viel in feite afkomstig was van een zeer menselijke Zeus die zijn reusachtige blaas ledigde over de wereld. Net zo met de bliksems die hij als schichten naar beneden slingerde. De ‘oude’ Grieken waren geen ezels en geen kinderen; misschien wisten ze niet precies hoe regen en donder en bliksem werkten, maar de rol die ze daarvoor aan de goden toewezen was figuurlijk, niet letterlijk, een manier van spreken, niet meer dan dat.

    Wat een verschil met het christendom! Met Paulus komt er een einde aan de mythologie en aan de goden van de Griekse en Romeinse oudheid en zelfs de God van het Oude Testament is aan vervanging toe. Met de missionarissen van de vroege Middeleeuwen stuurt Rome die boodschap de wijde wereld in en ook de Germaanse goden moeten eraan geloven. Alles moet wijken voor het geweld van de voorstanders van de ene echte en ware God, een die echt bestaat, die geen verzinsel is, geen mythologische figuur, geen allegorie, geen symbool, geen fictie: hij is de Waarheid, de Weg en het Leven. Hij Bestaat, hij Is. Dat is de grote hypostase en wij lijden nog steeds onder die zinsbegoocheling, die illusie, die waan-zin, die Richard Dawkins zo treffend genoemd heeft: the God Delusion.

    Het christendom vertrekt, zoals elke godsdienst die enig succes verhoopt, van diepmenselijke ervaringen en inzichten: de wereld om ons heen is een merkwaardig schouwspel, zo veelzijdig en complex en wellicht nooit helemaal te verklaren. Er zijn krachten in de natuur die onze menselijke vermogens ver te boven gaan, die wij met groot ontzag ervaren en die we zelfs in onze meest geavanceerde wetenschappen slechts schroomvol kunnen benaderen. De plaats van de mens in dat alles, zijn rol en betekenis in de geschiedenis van het universum vervult ons met een gevoel van verpletterende nietigheid en ontwapenende onmacht. Het samenleven hier op aarde, met onze medemensen en met de hele natuur, tart elke poging tot volledig inzicht of beheersing. Dat alles roept in de mens emoties op die wij nauwelijks begrijpen en die nochtans ons samenleven vanuit de diepste diepten van ons brein aansturen. Zelfs in onze meest lucide momenten weten wij dat wij beperkt zijn in onze mogelijkheden om te begrijpen, om te handelen, om onze verlangens te bevredigen of onze doelstellingen te verwezenlijken. Wij voelen ons vaak machteloos, een speelbal van het lot, afhankelijk van het toeval en van krachten die wij niet zelf beheersen. Maar wij ervaren ons korte leven op deze aarde toch ook dikwijls als waardevol, als een unieke kans om te genieten van de vele heerlijke mogelijkheden die de wereld ons biedt. Wij staan vol bewondering voor de verbluffende complexiteit van de natuur en van het universum, die we steeds dieper doorgronden en zelfs beheersen om onze beschaving en de zeven miljard mensen op aarde in stand te houden.

    Ik herhaal het: het christendom vertrekt van die algemeen menselijke ervaringen en grote geesten hebben die inzichten door de eeuwen heen vertolkt in ontelbare diepzinnige en poëtische geschriften, in heerlijke afbeeldingen en prangende muzikale creaties. Maar er ligt een fundamentele dwaling te gronde aan het christendom: men probeert alles te verklaren vanuit een principe dat het universum en al wat is, volledig overstijgt. Men creëert een transcendente God die naast en buiten en boven het universum staat, die de oorsprong en de verklaring is van alles en die als een liefdevolle vader zorgt voor zijn kinderen. Die God, zo stelt het christendom, is helemaal niet onze creatie, is niet het resultaat van onze verbeelding, is geen mythe, geen symbool: hij bestaat echt!

    Vervolgens heeft de christelijke beschaving, net als alle beschavingen en volkeren voor haar, een onvoorstelbaar ingenieus uitgewerkte constructie opgebouwd rond die God. Als we over andere culturen en godsdiensten spreken, noemen we dat ietwat smalend mythologieën, zoals de Egyptische, de Griekse, de Romeinse, die van de Azteken en andere oer-Amerikaanse volkeren, die van primitieve stammen. We spreken daar dan luchthartig over of we bestuderen de materiële en folkloristische aspecten daarvan in de antropologie en de kunstwetenschap. Maar als we over de ontstellend wonderlijke christelijke ‘mythologie’ hebben, dan beweren we dat die, in tegenstelling tot alle andere, helemaal geen mythologie is maar de waarheid. We kennen aan onze verzinsels en hersenspinsels een reëel bestaan toe, we hypostaseren.

    Naast de ene God verschijnt een tweede, die uit de Vader is voortgekomen voor alle tijden en evengoed helemaal God is, de ene God en toch ‘slechts’ de Zoon; en een derde, die ooit op een of andere manier uit Vader en Zoon is ontstaan, de Heilige Geest, de mysterieuze maar niet mindere God, onbegrijpelijk, nutteloos en totaal ongrijpbaar. En dan is er ook nog Maria, de menselijke maar ook goddelijke Moeder van God, van de Zoon, maar omdat de Zoon ook echt God is ook van de Vader en de Geest? Vervolgens hebben we de hemel en de aarde bevolkt met een eindeloos diverse en bonte collectie van de meest merkwaardige creaturen, engelen, duivels, geesten, heiligen, allemaal met een eigen zijnswijze, met eigen krachten en mogelijkheden. We hebben een kerk opgericht, bekleed met wereldlijke en spirituele macht, om dat alles in goede banen te leiden. We hebben in de theologie, de kerkelijke filosofie, de volksdevotie en de folklore en in alle vormen van kunst en cultuur een overweldigend machtig verhaal opgebouwd en dat verhaal hebben we verteld, beleden, opgelegd en verdedigd met al de vreselijke middelen die de mens te zijner beschikking heeft. Dat christendom heeft grote delen van de wereld veroverd en is daar nog steeds wanhopig mee bezig. Het heeft ondertussen vele vormen aangenomen, schisma’s ondergaan, groei en verval gekend. Er zijn rivalen opgestaan of ontdekt, andere wereldgodsdiensten die we bestreden hebben maar die we niet allemaal hebben kunnen vernietigen en die nu op hun beurt zweren bij hun universele waarheid, die nog meer waar is en nog meer letterlijk dan het christendom.

    Er zijn echter in de loop van de geschiedenis steeds weldenkende mensen geweest, zowel binnen de kerkelijke gemeenschap als daarbuiten, die gewaarschuwd hebben voor teveel ‘hypostaseren’, voor bijgeloof, voor superstitie, uitspattingen, dwalingen en afgoderij, menselijke hebzucht en machtswellust; die zich verzet hebben tegen de al te wereldlijke arm van wat een spirituele kracht moest zijn. Soms heeft dat geleid tot grote hervormingen in de kerk, soms ook tot verscheurdheid en godsdienstoorlogen.

    Steeds weer zijn er eerlijk twijfelende mensen gekomen, individuen en kleine groepen, die zorgvuldig en met veel geduld de vele hypostasen van de religie hebben blootgelegd, die gewezen hebben op de ene fundamentele hypostase, de diepe dwaling van elke godsdienst die zichzelf verheft boven het mythologische en klakkeloos beweert dat er een God is die echt bestaat, dat er meer is in het universum dan wat wij kunnen bevroeden in onze filosofieën en onze wetenschap. Zij hebben geprobeerd, door afstand te nemen van de mythologische verhalen, van de tijdsgebonden culturele vormgeving en van de onvrije maatschappelijke structuren van de godsdienst, om terug te keren naar de essentie, de fundamentele ervaring van de mens in zijn gemeenschap, op deze wereld, in dit universum. Een terugkeer dus naar de emoties, de verlangens, de twijfels, het ontzag, de verwondering en de bewondering die elke mens niet anders kan dan ervaren, zijn condition humaine. Zij hebben zich losgemaakt van de gecumuleerde ballast van eeuwen goedbedoelde en minder oprechte menselijke ideeën, fantasieën, verzinsels en waanbeelden, om terug te keren naar het onverholen zuivere en primitieve begin van alles: de natuurlijke mens in al zijn eenvoud en al zijn complexiteit.

    In onze straten is de officiële feestverlichting al volop aanwezig en ook veel gewone mensen tooien hun huis van binnen en van buiten met kleurrijke versierselen en vooral veel licht. Voor het christendom is dat ter voorbereiding van het kerstfeest, de jaarlijkse herdenking van de geboorte van Jezus, de Zoon van God, God zelf, in een kribbe in een stal in Bethlehem, in een land dat sinds mensenheugenis geteisterd is door geweld en oorlog. Daar begon ooit het grote christelijke verhaal. Op onze dagen en in onze streken zijn er echter nog maar weinig mensen die dat ernstig nemen. Het zijn vermolmde tradities die zijn overgebleven uit onze jeugd, toen de kerk en de godsdienst ons hele leven beheersten en we met zijn allen het simplistisch romantische verhaal beleefden als was het echt, of toch niet helemaal verzonnen…

    Steeds meer mensen nemen rustig en zelfverzekerd afstand van de bedenkelijke vormen die de traditie had aangenomen. De kitscherige kerststalletjes zijn verdwenen uit de huiskamers, de pronkerige kerstbomen en vooral de uitbundige verlichting zijn gebleven en krijgen nu alle aandacht. De eindeloze middernachtsmis is vervangen door concerten in de vooravond. Pakjes geven we vooral met Nieuwjaar en dan feesten we pas echt en zonder vervelende religieuze bijgedachten. We weten niet goed wat aanvangen met het feest van kerstmis, het verliest steeds meer zijn betekenis omdat we niet meer geloven in de grond van de zaak: het oude kerstverhaal is ongeloofwaardig geworden voor ons als volwassenen en voor kinderen is het een vreemde mythe waarvan ze geen snars begrijpen omdat we niet meer de moeite doen om het hen te onderwijzen of uit te leggen, omdat we het niet meer de moeite vinden dat ze het weten, omdat we er zelf niet meer in geloven. Wat eens een hoogdag was, het grootste feest van het kerkelijk jaar, is totaal onbelangrijk geworden.

    Waarom dan niet terugkeren naar de echte grond van de zaak? Wat valt er te vieren in deze tijd? Het christendom zegt, of zei: de geboorte van Jezus, de Zoon van God, het Licht der wereld, door de Vader gezonden om als mens door zijn kruisdood de mensheid te bevrijden van de erfzonde; het begin van het Rijk Gods hier op aarde voor de mensen de blijde boodschap aanvaarden en leven zoals God het voorschrijft, om zo de dood te overwinnen en het gelukzalige eeuwig leven te bereiken. Maar wij hebben niet het gevoel dat wij zo nodig moeten bevrijd worden van een erfzonde, wij voelen ons niet schuldig aan onze menselijkheid of met een vreemde erfschuld uit een ver verleden beladen, dat is niet wat wij aan onze kinderen willen vertellen. Wij hebben ons afgekeerd van de zogenaamd blijde boodschap en van hen die ze brengen, want die boodschap heeft de wereld verdeeld en mensen tegen elkaar opgezet, ontelbaar zijn de slachtoffers die gevallen zijn voor de haat, de waanzin en de machtswellust van kerk en godsdienst. Wij willen wel een behoorlijk leven leiden, maar we hoeven daarbij van niemand lessen te krijgen en zeker niet van kerken en bedienaars van de eredienst, die zich in niets onderscheiden van andere mensen, behalve misschien in de excessen van hun hebzucht en hun seksuele perversies. En ten slotte zijn we niet meer geïnteresseerd in een vaag en finaal onaantrekkelijk hiernamaals, we beseffen dat dit leven hier op aarde het enige is en dat we er het beste moeten van maken, voor onszelf, voor onze kinderen en voor de komende generaties.

    Is er dan nog enige reden om precies dezer dagen te vieren en feestverlichting aan te steken? Jazeker! Vieren is een zeer menselijke bezigheid. Af en toe moeten we de riem eens kunnen afleggen, de dagelijkse zorgen en drukte vergeten en samen genieten van de goede dingen des levens. Sinds de mens bestaat als denkend wezen hebben we bepaalde momenten van het jaar uitgekozen voor dergelijke feestelijke vieringen. We hebben ons voor de keuze van de datum daarbij steeds laten leiden door wat echt belangrijk is. Niet een of ander arbitrair bepaald kerkelijk feest van een of andere godsdienst, maar een jaarlijkse gebeurtenis van immense omvang en belang die elke mens, waar ook ter wereld, aan den lijve ondervindt. Ik heb het natuurlijk over de winterzonnewende, dit jaar op 21 december om 23u28. Dan beleven we het putteke van de winter, de langste nacht, volle 16 uur, de kortste dag, amper acht uur. Vanaf dan beginnen de dagen weer te lengen en kijken we weer uit naar het nieuwe jaar, naar de lente en de zon. Alle godsdiensten die er ooit geweest zijn, hebben dat gevierd. De terugkeer van het licht en de warmte van de zon, die het leven hier op aarde voedt en in stand houdt, biedt ons een veel betere reden tot vieren dan de verzonnen geboorte, uit een maagd nog wel, van een fictieve goddelijke redder van de mensheid, die overigens zijn ambitieuze rol niet heeft kunnen waarmaken, een povere, pijnlijk falende Prince of Peace, die zelfs geen vrede heeft kunnen brengen aan alle mensen van goede wil.

    In ons gezin zullen we kerstmis vieren, maar dan als een menselijk feest, een gelegenheid om samen te komen in het diepst van de winter, maar met de zekerheid dat de aarde haar tocht rond de zon onverstoorbaar zal verder zetten, dat er na de donkere koude weer een heerlijke lente komt, dat de cyclus van het leven zal doorgaan zolang dit zonnestelsel bestaat. Wij hebben afscheid genomen van de religieuze invulling die onze jeugd zo indringend heeft getekend. We zijn teruggekeerd naar de meer realistische en niet minder poëtische grond van de zaak, de oermenselijke angst voor koude en duisternis en teloorgang enerzijds en anderzijds het verblijdende inzicht en vertrouwen dat wij niet zomaar overgeleverd zijn aan onvoorspelbare boze krachten of de bedenkelijke al dan niet welwillendheid van een oppermachtige heerser, maar dat de gestage geruisloze gang van de majestueuze aarde om de machtige zon onze seizoenen maakt en ons leven vorm en gestalte geeft. Wij mensen mogen van de geboden kansen op elk tijdstip van het jaar en wat het weer ook brengt, steeds het beste proberen te maken. Laten we genieten van elkaar en van dit korte, broze maar o, zo dierbare lieve, lieve leven.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst
    06-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.christelijke martelaars
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een trouwe lezer vroeg me enige toelichting bij de afbeelding bij mijn bespreking van het boek van Christopher Hill, The World Turned Upside Down. Het is duidelijk dat er iets gebeurt met de tong van de gefolterde man. Maar wat precies?

    De straffen op blasfemie of godslastering bestonden al langer in Engeland, maar tijdens de Britse revolutie (1640-1660) zijn ze in al hun verschrikkelijke duidelijkheid vastgelegd in de Blasphemy Act van 1650, in een poging om met geweld en intimidatie een einde te maken aan de vele publieke afwijkingen en zelfs afwijzingen die zich toen voordeden van de gevestigde godsdienst, in woord of in geschrifte. De straf voor blasfemie was niet min: men werd gegeseld, men brandde een letter B in je voorhoofd, je belandde aan de schandpaal en daar doorboorde de beul van dienst je tong met een gloeiende ijzeren pook; de geseling kon men herhalen in elk van de plaatsen waar men zich had schuldig gemaakt aan het vergrijp. Als je dat allemaal had overleefd, dan sloot men je sine die, dat wil zeggen definitief op in de gevangenis. De kans dat je het daar langer dan enkele jaren uithield, was onbestaande.

    De marteling die we op de afbeelding zien is het doorboren van de tong: de beul greep die vast met een tang en vervolgens boorde hij er een gat in met een gloeiend ijzer.

    Het was een straf die meestal voorbehouden was voor min of meer geletterde godloochenaars, niet voor het plebs. Men probeerde de aanstichters van het kwaad te treffen, de lekenpredikanten en de auteurs van kerkkritische en atheïstische traktaten en pamfletten.

    De tijden zijn veranderd, gelukkig maar. Vandaag kan iedereen zijn gedacht zeggen over God en godsdienst en dat gebeurt ook volop. Atheïstische boeken zijn heel populair, soms zelfs bestsellers, er is dus een gretig publiek voor. De kerk heeft haar macht op de maatschappij verloren en de wereldlijke macht, politiek en gerecht, neemt officieel een neutraal standpunt in. Er is op dit ogenblik in België geen enkele wet meer die blasfemie verbiedt.

    Maar er zijn nog genoeg landen waar dat wel het geval is, zowel christelijke als islamitische. Er zijn ook hardnekkige pogingen om het beschermde statuut van godsdiensten in te schrijven in nationale en internationale wetgevingen, onder meer in de Europese Unie en in de Verenigde Naties. Zo probeert men het nu weer verboden te maken om godsdiensten te beledigen, wat dat ook moge betekenen.

    Laten we ook niet vergeten dat godsdiensten bijna overal een beschermd statuut hebben, onder meer fiscaal, ook in België. Als we de zaak echter op de keper beschouwen, zijn godsdiensten gewoon verenigingen van mensen. Er is niets goddelijks mee gemoeid, objectief gesproken; het zijn enkel de gelovigen die er iets bovenmenselijks in zien, er is geen enkel geloofwaardig bewijs voor het bestaan van een god. Het is dan op zijn minst vreemd dat zelfs een neutrale moderne rechtsstaat als België toch nog een aantal godsdiensten erkent en financieel ondersteunt met geld afkomstig van de algemene belastingen, waarvoor wij dus allemaal betalen, terwijl het aantal gelovigen spectaculair daalt: nog maar vijf procent regelmatige katholieke kerkgangers, gemiddelde leeftijd?

    Wanneer men een godsdienst niet oplegt, wanneer de staat de godsdienst niet verplicht onderwijst en propageert, wanneer de bedienaars niet vrijgesteld zijn en bezoldigd door de staat, wanneer men religieuze organisaties behandelt en belast zoals alle andere, wanneer men niet meer toelaat dat mensen gruwelijk bestraft en vermaledijd worden als ze zich van het geloof afkeren, dan is de kans dat een godsdienst standhoudt werkelijk onbestaand. Onze eigen geschiedenis en die van elke ander godsdienst, bijvoorbeeld de Islam, toont overduidelijk aan dat godsdienst enkel mogelijk is via dwingelandij, religieuze dictatuur. Wanneer dat wegvalt, dan verdwijnt spontaan ook de godsdienst. Dat is wat wij hier nu bij ons meemaken en wat in de meeste beschaafde landen ook gebeurt.

    De Verenigde Staten vormen daarop ogenschijnlijk een opmerkelijke uitzondering. Maar wat de echte diepgang van de vermeende godsdienstigheid van de gemiddelde Amerikaan is, daarbij kan men zich veel vragen stellen. Het is in alle geval niet zo dat al die christenen van al die verscheidene kerken zouden opvallen door hun christelijk gedrag, op wel gebied dan ook. Neem gewoon het voorbeeld van de familie Bush en beoordeel hun daden, hun rijkdom, hun connecties en hun IQ, en dan heb je al een groot deel van het antwoord.

    Als we over God en godsdienst spreken, laat ons dan nooit al het gruwelijk leed vergeten dat mensen elkaar hebben aangedaan en nog steeds aandoen, in naam van hun godsdienst, in naam van hun god.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst
    22-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijmetselarij en Verlichting, vroeger en nu
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Margaret C. Jacob, The Radical Enlightenment. Pantheists, Freemasons and Republicans, xx + 277 pp., second revised edition, Cornerstone, Lafayette USA, 1981, 2006².

    In het vooruitzicht van de lezing die de auteur binnenkort houdt op de conferentie van de VUB over de rol van de Vrijmetselarij in de Verlichting, las ik haar boek dat destijds, bij de eerste publicatie in 1981, enige aandacht kreeg wegens de nieuwe gegevens die het aanbracht na grondige studie in allerlei nauwelijks ontsloten archieven, vooral in Nederland. Deze tweede uitgave is naar verluidt grondig herzien en hier en daar bijgewerkt op basis van de literatuur die sindsdien zo opvallend uitvoerig verschenen is over de Verlichting.

    Als ik eerlijk ben, en dat probeer ik toch altijd, dan moet ik toegeven dat dit boek een ontgoocheling was. Ware het niet van de conferentie die ik op 9 en 10 december 2010 bijwoon, dan had ik het boek na een twintigtal bladzijden opzij gelegd. Dat ligt niet aan het onderwerp: zowat alles wat over de Verlichting verschijnt, geniet mijn volle aandacht; ook het feit dat het een zogenaamd wetenschappelijk, niet-vulgariserend boek is, maakt niets uit: als je Jonathan Israel gelezen hebt, en Pintard, Hazard, Kors en Nadler, dan ben je wel wat gewoon op dat punt. Wat viel me dan zo tegen? Ik weet het niet goed. Is het de, hoe zal ik het zeggen, loslippige stijl van de auteur, een zeker gebrek aan transparante logische opbouw en samenhang? Is het haar nauwelijks onderdrukte neiging tot afdwalen en tot wijdlopige uitweidingen? Of de omfloerste, aarzelende manier om haar pointes te maken? Wellicht een beetje van dat alles, maar het is zeker een stijl die me niet ligt.

    Bovendien werd ik voortdurend gehinderd door het werk van de zetduivel: deze heruitgave is gebaseerd op een gescande versie van de eerste uitgave; helaas heeft men het noodzakelijke controlewerk niet met de nodige nauwgezetheid verricht. Ik weet uit eigen ervaring dat dit een saai en oninteressant werkje is: zelfs goede scanprogramma’s zijn slechts voor ongeveer 95% adequaat. Dat wil dus zeggen dat er ongeveer op elke regel een fout staat… En groot deel daarvan kan je wegwerken met een goede spellingcontrole. Maar zeker in wetenschappelijke teksten met citaten, voetnoten en verwijzingen in vreemde talen, blijven er nog genoeg addertjes in het gras om enkele dagen zoet mee te zijn. Vervelend was ook dat bijna op elke bladzijde woorden on-nodig ge-splitst (sic) staan, ook storende overblijfsels uit het scannen. Ik heb me dus door de 277 overigens verzorgd gedrukte pagina’s geworsteld, omdat her en der toch heel wat interessante informatie te vinden is die je nergens anders gemakkelijk aantreft.

    Wat is dan de centrale stellingneming van de auteur? Wat is de betekenis van de Vrijmetselarij in het ontstaan en de ontwikkeling van de Verlichting in Groot-Brittannië en in Nederland? Op basis van dit boek durf ik daarover geen conclusies trekken, dat doet de auteur trouwens ook niet, en dat is misschien wel het meest ernstige verwijt dat men haar kan maken. Zij had nochtans met deze heruitgave een uitgelezen kans om, in haar nieuwe inleiding of in een niet-geschreven nieuwe conclusie, summier haar eigen opvattingen hierover aan de lezer voor te stellen, in contrast met andere auteurs zoals J. Israel bijvoorbeeld, die zelf bijzonder weinig aandacht besteedt aan de rol van de Vrijmetselarij. De kans die ze hier gemist heeft, kan ze misschien dan toch nog grijpen tijdens de conferentie aan de VUB. Ik zal niet nalaten daarover uitvoerig te berichten.

    Tussen het lezen door heb ik vaak zitten nadenken over de huidige situatie van de ongelovige. De meesten onder ons hebben een intense religieuze opvoeding gekregen. Wij zijn dus vertrouwd met riten en rituelen, maar omdat we afstand hebben genomen van de kerk, vooral om etisch-ideologische en filosofische redenen, moeten we het nu ook zonder de wekelijkse bijeenkomsten doen en zonder de feestelijke religieuze inkleding en duiding van belangrijke gebeurtenissen in ons leven. Dat is dezelfde situatie als die zich voordeed in de Verlichting.

    Men had zich terecht afgekeerd van het bijzonder bijgelovig, corrupt en pompeus katholicisme en nadien ook van de verschillende vormen die het protestantisme aannam. Maar voor wie opgevoed is met rituelen, en misschien zelfs voor elke mens, blijft er een verlangen naar een niet-banale vormgeving van kernmomenten uit ons leven. In dat perspectief kan het zijn dat de Vrijmetselarij een poging was om de oude gewaden waarlijk af te leggen en in plaats van de verfoeide godsdienst en kerk een nieuwe organisatie tot stand te brengen die niet zou vervallen in de praktijken die men net zo fanatiek had afgezworen. De Vrijmetselarij dus als een niet-godsdienstige vorm van gezamenlijke viering en beleving, gebaseerd op de rede, niet op openbaring of kerkelijk leergezag.

    Het weinige dat ik over de Vrijmetselarij vandaag weet, doet me vermoeden dat deze poging uiteindelijk mislukt is, of althans niet doorgedrongen in de ruime maatschappij.

    Wat me wel is opgevallen is dat we stilaan meer seculiere plechtigheden zien. Ook ouders die niet bepaald rabiate papenvreters zijn laten hun kinderen niet meer dopen, eerste en plechtige communie doen; ze kiezen dan voor de alternatieve feesten die neutrale scholen aanbieden. Heel wat koppels trouwen niet meer in de kerk; begrafenissen kunnen nu ook buiten de kerk, bijvoorbeeld in crematoria of aangepaste zalen van begrafenisondernemers. Ik hoor dat de seculiere diensten voor huwelijken en begrafenissen een stijgend succes kennen. Onlangs vernam ik dat een dergelijke seculiere begrafenis, met een lekenconsulent als ‘voorganger’, plaats vond in een kerk. Dat lijkt me niet ideaal, maar het is in alle geval beter dan de klassieke kerkelijke begrafenissen, waarbij zo nodeloos veel nadruk gelegd wordt op het hiernamaals, op de hemel, en zo weinig op de gevoelens van de nabestaanden of de realiteit van het definitief afscheid.

    Staan we hier voor een nieuwe ontwikkeling? Ik vermoed van wel. In verscheidene bisdommen zijn er niet genoeg priesters meer om zelfs maar alle gelovigen een uitvaart met eucharistieviering te geven. Kerkelijke begrafenissen worden dan geleid door leken. Helaas houden die, onder druk van de kerkelijke hiërarchie, vast aan de 19de-eeuwse gebruiken, in plaats van de gelegenheid aan te grijpen om nieuwe, gepaste wegen te bewandelen. Het ligt dus voor de hand dat de kerkelijke rituelen stilaan of zelfs zeer snel de plaats zullen moeten ruimen voor de seculiere alternatieven, die niet gehinderd zijn door een uniform verplicht tridentijns liturgisch verleden of door het dwangbuis van een geriatrische kerkleiding. Het is dan maar te hopen dat de mensen die instaan voor deze alternatieve diensten de nodige opleiding en het vereiste talent zullen hebben om hun belangrijk werk tot een goed einde te brengen. Misschien moeten we onze hoop ook daar stellen op de vrije markteconomie: begrafenisondernemers en andere organisaties die diensten aanbieden die in de smaak vallen, zullen daardoor ongetwijfeld nieuwe klanten aantrekken, zelfs als men daarvoor een redelijke prijs moet betalen. Het wordt voor de wegkwijnende kerk wellicht een onoverkomelijke opdracht om daarmee de concurrentie aan te gaan. Goed zo!


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst
    16-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A History of Atheism in Britain
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dat moet ik de voorlopig nog ‘katholieke’ universiteit te Leuven, mijn enige werkgever tijdens mijn veertigjarige loopbaan, toch toegeven: in de bibliotheken van deze eerbiedwaardige instelling vind je een ware schat aan publicaties over atheïsme, ongeloof, secularisatie, ketterijen, schisma’s enzovoort. Ik maak daarvan dankbaar gebruik. 

    Het meest recente boek dat ik ontleende (aan het HIW) is David Berman, A History of Atheism in Britain: from Hobbes to Russell, x + 253 pp., notes, index, Croom Helm, London, 1988. Er is geen Nederlandse vertaling en het boek is zelfs antiquarisch nog nauwelijks te vinden, prijzen lopen op tot enkele honderden euro’s. Professor Berman (°1942) is Associate Professor in de filosofie aan Trinity College, University of Dublin. Zijn naam is niet zeer bekend, je vindt hem niet op Wikipedia. Zijn lijst van publicaties is niet indrukwekkend, de boeken die hij schreef gaan over George Berkeley (1685-1753), de bisschop-filosoof die het immaterialisme verdedigde. Maar hij zal in de geschiedschrijving ongetwijfeld vooral herinnerd worden tot in lengte van dagen omwille van dit uitzonderlijke boek dat hij schreef over de geschiedenis van het atheïsme in Groot-Brittannië. 

    Let wel, dit is niet het definitieve boek over dat onderwerp en het is ook geen exhaustieve geschiedenis, noch van het atheïsme als levenshouding, noch als filosofische strekking. Op het eerste, het atheïsme als een ideologie met maatschappelijke weerklank, gaat de auteur nauwelijks in; hij vermeldt ten hoogste dat een of andere auteur in de gevangenis beland is. Zoek dus hier niet naar het wedervaren van de hoofdfiguren uit het atheïsme en zeker niet naar de invloed die het heeft gehad op de gewone bevolking. Als een overzicht van de atheïstische filosofie is het evenmin volledig. Berman concentreert zich op een al bij al beperkt aantal figuren en dan nog uitsluitend op hun publicaties. Het is dus veeleer een filosofische geschiedenis van het atheïsme, of een geschiedenis van het filosofisch atheïsme, als het ware. Maar als dusdanig is het een waarlijk meesterwerk.

    Wat me het meest plezier heeft bezorgd is de heerlijke, typisch Angelsaksische betoogtrant: een beetje aan de droge kant, met een uiterst subtiel gevoel voor humor of wat daarvoor doorgaat, zakelijk in de uiteenzetting maar met een duidelijk voelbaar onderliggend enthousiasme en engagement. Professor Berman is een rasfilosoof. Hij zal nooit een argument aanvatten zonder alle aspecten ervan, ook de meest controversiële, aan te pakken, uiteen te zetten en te weerleggen of te verklaren. Hij denkt veel verder dan dat je dat zelf zou doen en komt zo tot inzichten en conclusies die je zonder hem nooit zou bereiken. Hij neemt zijn tijd en is niet te beroerd om af en toe iets te herhalen, om een losse draad die hij bewust had achtergelaten in één hoofdstuk even later in een ander handig en met verhelderend succes weer op te rapen, of om na een lange gedetailleerde uiteenzetting de grote lijnen voor jou neer te zetten in een concieze maar omvattende synthese. Mijn plezier groeide gestaag tijdens het lezen, zodat ik halverwege bij het gretig omslaan van elke volgende pagina tevens pijn in het hart kreeg in het vooruitzicht van het onomkeerbaar slinken van het resterende aantal boeiende en geestverruimende pagina’s.

    Hoewel Prof. Berman zich beperkt tot de geschreven bronnen, geeft hij zelf herhaaldelijk aan dat, zeker in de vroegste periodes, het atheïsme zeker ook een levendig ongeschreven bestaan heeft geleid. Wij mogen daarbij immers niet vergeten dat wie zich uitte als atheïst zonder pardon werd aangehouden, opgesloten en zelfs ter dood gebracht, ook in Groot-Brittannië. Geen wonder dus dat ook daar allerlei individuen en beperkte bewegingen een clandestien bestaan leidden en enkel met vertrouwde geestesgenoten over hun ongelovige overtuigingen konden praten.

    Een ander verschijnsel, dat ook door andere auteurs voor en na hem is belicht, is de verdoken manier om over atheïsme te schrijven of lucht te geven aan allerlei kritiek op het wereldse en religieus gezag. In de aller-vroegste periode, vanaf 1650, zeg maar, vindt men het atheïstische gedachtegoed enkel terug in publicaties die deze ideeën bestrijden, dus in agressieve pamfletten en overtuigde en volumineuze theologische traktaten van bisschoppen en geleerden die zich met heilige verontwaardiging verzetten tegen al wat het geloof af- of aanvalt. Merkwaardig daarbij is dat deze auteurs voortdurend beweren en trachten te bewijzen dat er niet zoiets als het atheïsme is, dat niemand die bij zijn verstand is kan volhouden dat hij een atheïst is. Er zijn geen atheïsten! Dit is des te merkwaardiger als stelling als men beziet hoeveel moeite men doet om een verschijnsel en een ideologie te bestrijden waarvan men het bestaan zelf ontkent… Men maakt van het atheïsme iets zo onwaarschijnlijk, dat men zich niet kan voorstellen dat er ooit iemand geweest is, is of zal zijn die aan die onmogelijke voorwaarden voldoet: men moet als atheïst geboren worden, dat altijd blijven, totterdood, vooral dat; bovendien moet men niet zomaar wat twijfels koesteren, nee, men moet rabiaat zijn in zijn afwijzing, niet alleen van enkele minder belangrijke nevenverschijnselen van bijvoorbeeld het Roomse katholicisme, maar het bestaan van God zelf ontkennen, van de Drie-eenheid, van Maria, de apostelen, de heiligen, de evangelisten, wonderen, hemel, hel en vagevuur, biecht en vergeving, de sacramenten en wat dies meer zij.

    En toch is dat wat er uiteindelijk gebeurd is: er zijn mensen opgestaan die de intellectuele moed en de niet geringe durf hebben gehad om te verklaren: inderdaad, ik weiger dit te geloven, ik kan dit niet aanvaarden, het kan niet zijn dat dit bestaat, dit is verzonnen, dit is niet echt, de wereld zit zo niet ineen. Wij kunnen ons vandaag nog nauwelijks voorstellen wat dit betekende, zowel voor de onverlaten die zich zo dierven prononceren, noch voor de verbaasde theologen, de verveelde kerkelijke en burgerlijke gezagsdragers en de geamuseerde of verontwaardigde goegemeente. De auteur brengt ons deze eerste vroege manifestaties van ongeloof die hij teruggevonden heeft in geschriften die ook nu nog nauwelijks te vinden zijn en die zeker niet de aandacht krijgen die ze verdienen, zowel door hun vroegtijdigheid in de geschiedenis als door hun originaliteit en de ernst waarmee zij de argumenten tegen het geloof en voor een atheïstische levenshouding verdedigd hebben. Zeker vanaf het begin van de 18de eeuw is er zo een vrijwel ononderbroken rij van historische figuren en niet van de minste, die zich openlijk hebben uitgesproken tegen de gangbare opvattingen en tegen een maatschappij die diep doordrongen was van de ideeën en van de macht van de kerk. In Groot-Brittannië kwam daar nog bij dat de Anglicaanse kerk een staatskerk was, met de koning of de koningin als hoofd van de kerk. Elke aanval op het gezag van de kerk was dus meteen ook lèse-majesté en als dusdanig strafbaar met de dood.

    Ik zal niet ingaan op de concrete voorbeelden die de auteur voor ons zo nauwgezet en in scherp detail schetst. Ik beperk me ertoe mijn bijzonder groot genoegen uit te drukken bij dit historisch panorama. Het is voor mij en voor ons allen, gelovigen en ongelovigen een machtig en onweerlegbaar bewijs voor de onverwoestbare kracht van de vrij denkende mens. Zelfs indien we met de auteur moeten toegeven dat een publiek geuit atheïsme niet verder teruggaat in de geschiedenis dan een goede tweehonderd jaar, dan toch blijft het zo dat het atheïsme ouder is dan elke godsdienst en dat het steeds is aanwezig is gebleven in elk verzet tegen onrechtmatig verkregen gezag, tegen elke maatschappelijke of intellectuele onderdrukking en elke vrijheidsberoving. 

    Met een waardige geschiedenis van zo’n uitzonderlijk intellectueel gehalte mag het atheïsme zich zonder schroom naast elke andere overtuiging uit onze beschavingsgeschiedenis plaatsen. Meer nog, vanaf het verschijnen van de eerste atheïstische geschriften zijn het de vrijdenkers geweest die aan de basis hebben gelegen van elke belangrijke ontwikkeling, op welk gebied dan ook, in onze samenleving, in de wetenschappen en in de kunsten. Onze moderne maatschappij is niet denkbaar zonder hun inbreng. De nefaste invloed van kerk, geloof en godsdienst is sindsdien steeds verder afgebrokkeld en op onze dagen maken wij hier bij ons althans wellicht het begin van de doodstrijd mee van wat men ooit zal erkennen als een zwarte, onmenselijke periode uit onze geschiedenis.

    Lieve lezers, ik wou dat ik jullie kon aanraden om dit boek onverwijld ter hand te nemen. Het is helaas zo goed als onvindbaar. Dat bedroeft me zeer. Er worden elk jaar miljoenen boeken gedrukt. Kookboeken als SOS-Piet gaan de deur uit als zoete broodjes. Bedenkelijke mystificaties à la Dan Brown leveren hun auteurs fortuinen op. Maar een magistraal werk als dit boek van David Berman wacht tevergeefs op een heruitgave of een vertaling. Zo gaat het nu eenmaal in deze wereld.

    Weet je wat? Ik schrijf de professor straks een mooie mail om hem te danken voor zijn noest speurwerk en zijn briljante presentatie. Ik vermoed dat hij daar in Dublin wellicht niet veel fanmail krijgt. Misschien doet mijn bedankje hem wel plezier.

     

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    15-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.christelijke naastenliefde?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wanneer ik met familieleden, vrienden of kennissen of zelfs mensen die ik toevallig ontmoet soms als eens een gesprek aanga over levensbeschouwelijke onderwerpen, dan komt al gauw mijn atheïstische overtuiging naar voren. Dat noopt, verrassend genoeg, sommige van mijn gesprekspartners ertoe om prompt de verdediging op zich te nemen van het christelijk geloof, als was mijn atheïsme een onvermijdelijke bedreiging van hun opvattingen en als behoorden zij zelf tot de kleine kern van kerkelijk getrouwen. Wie zich hier in Vlaanderen openlijk als atheïst voorstelt, kan onveranderlijk en voorspelbaar op niets dan onbegrip, wantrouwen en openlijk verzet rekenen.

    Ik heb de neiging om daarop aan mijn zogenaamd gelovige gesprekspartners enkele vervelende vragen te stellen. Dan blijkt dat zij om te beginnen helemaal niet zo gelovig zijn als ze zich voordoen; dat ze over hun geloof vrijwel niets weten en zeker niet zoveel als ik; dat hen dat evenwel niet deert: zij geloven wat ze willen en wat hen niet aanstaat in het geloof, dat verwerpen ze koudweg; dat ze enkel de ‘grote principes’ van het geloof aannemen, al de rest is toch maar onzin.

    Gevraagd naar die grote principes, blijven ze nogmaals een ernstig antwoord schuldig: ze spreken vaag over de grote inspiratie en de waarden van het christendom, over de fascinerende figuur van Jezus, over het evangelie, de Bijbel, de Tien Geboden… Over welke waarden gaat het zoal, vraag ik dan? En wat weten ze over Jezus? Over het evangelie, de Bijbel? Kunnen ze misschien de tien geboden even reciteren? Dan blijkt hun gelovige intellectuele armoede pas echt.

    Vlaamse gelovigen zijn niet erg Bijbelvast, niet heel recht in de leer. Ze hebben ongeveer alles vergeten wat ze in hun jeugd geleerd hebben, maar ze blijven om een of andere duistere reden wel emotioneel trouw aan enkele heel verre, vage herinneringen. Als je ze nog wat meer aanport, komen steevast deze twee ‘grote christelijke principes’ naar boven: Gij zult niet doden, en: Bemin uw naaste zoals uzelf.

    Dat is voor mij dan de gelegenheid om hen erop te wijzen dat we dat toch echt niet als specifiek christelijke principes kunnen omschrijven. ‘Gij zult niet doden’ komt uit het Oude Testament, een verzameling joodse teksten waarin het grootste gedeelte van de personen die ten tonele gevoerd worden elkaar naar het leven staan en onvermijdelijk een of andere gruwelijke dood sterven.

    Maar wat met het gebod van de naastenliefde? IK had het daarover al eerder, lees misschien eerst eens na wat ik toen schreef, klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=644127.

     

    Het gebod van de naastenliefde staat het meest uitgebreid te lezen bij Matteus, 5de hoofdstuk, aansluitend bij de Bergrede. Ik nodig je uit om ook de tekst die ik daarover schreef nog eens te lezen voor we verder gaan, klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=398676.

     

    En dit is dan het vervolg van de Bergrede:

     

    13 Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

    14 Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15 Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. 16 Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

     

    17 Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18 Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19 Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. 20 Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.

    21 Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22 En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23 Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24 laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25 Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26 Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.

    27 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28 En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29 Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30 En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.

    31 Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.” 32 En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.

    33 Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” 34 En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, 35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; 36 zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. 37 Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.

    38 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39 En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. 40 Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41 En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42 Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.

    43 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44 En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47 En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48 Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.

     

    Het zijn woorden die ons zeer bekend in de oren klinken, we hebben ze zo vaak gehoord en gelezen, maar ik vrees dat we er niet lang genoeg bij stilgestaan hebben; precies omdat ze zo vertrouwd zijn, luisteren we er niet meer naar.

     

    Aan de hand van verscheidene voorbeelden wijst Jezus erop dat de wet dient nageleefd te worden, maar dat dit niet voldoende is. De wet is slechts het begin, het is maar een vertrekbasis. Zelfs ‘Gij zult niet doden’ is niet voldoende als ‘groot christelijk principe’: je mag je medemens zelfs niet eens voor dwaas uitschelden! En Jezus vermeldt ook expliciet het gebod van de naastenliefde, dat reeds in het Oude Testament gold: er staat geschreven dat je je naaste moet liefhebben en je vijand haten. Hier blijkt zeer duidelijk wat de Schrift bedoelde met ‘je naaste’: je vrienden, niet je vijanden. Voor Jezus is dat niet genoeg: je moet ook je vijanden liefhebben, liefde moet inclusief zijn, ze strekt zich uit over de hele wereld. Wij moeten volmaakt zijn, zoals onze hemelse Vader.

    De reden daarvoor komen we te weten in de volgende twee hoofdstukken, die ik eveneens graag ter lezing aanbeveel. Het is namelijk zo, dat God ons zal behandelen zoals wij onze naaste hebben behandeld. In hoofdstuk 6 staat het letterlijk:

    12 Vergeef ons onze schulden,

    zoals ook wij hebben vergeven

    wie ons iets schuldig was.

    13 En breng ons niet in beproeving,

    maar red ons uit de greep van het kwaad.

    14 Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. 15 Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven.

    Onze naastenliefde moet dus volmaakt zijn, zoals Gods liefde voor ons. Elke onvolmaaktheid zal ons worden aangerekend: God houdt de rekening bij en als wij tekortgeschoten zijn, zal Hij onverbiddelijk zijn bij het Laatste Gericht.

     

    Kijk, daar heb ik het dan moeilijk mee. Men verwijt mij mijn atheïsme, dat slechts een armzalig nihilisme is en men geeft hoog op met het moreel zoveel meer hoogstaande principe van de universele en onvoorwaardelijke naastenliefde, die zo typisch is voor het christendom. Maar is dat wel zo?

     

    Dat universele, onwrikbare en meedogenloze gebod van de naastenliefde is een onmogelijke opgave. Je hebt de Bergrede nu helemaal gelezen. Wat denk je, zal het je een beetje lukken om ze ook in de praktijk te brengen? Zal je niet alleen de wet naleven, de hele wet, maar ook nog al de extreme consequenties van het gebod tot universele naastenliefde?

    Ik voor mijn part geef graag toe dat het me niet lukt.

    Ik beken dat ik mijn broers herhaaldelijk heb uitgescholden en verwenst en niet allen hen, maar in de loop van mijn leven ook nog een hele resem anderen en ik kan niet garanderen dat ik dat na vandaag nooit meer zal doen. Ik heb me niet steeds snel verzoend met de mensen met wie ik ruzie had gemaakt en met enkelen onder hen zal ik me wellicht nooit verzoenen, in tegendeel, ik zal hen geen blik waardig achten, als ik hen ontmoet zal ik hen straal voorbij lopen. Dat zijn er niet veel, maar toch. Als ik met iemand een ernstig conflict heb, dan eis ik dat er gerechtigheid geschiedt en als ik meen dat mij tekort wordt gedaan, dan zal ik zelf de tegenpartij voor de rechter sleuren, wees maar gerust. Ik ben, zeker op mijn leeftijd, geen seksueel roofdier, maar ik beken volgaarne dat ik nog altijd een zekere opwinding voel en een verlangen naar intense tederheid als ik sommige andere mensen zie en ik ben niet bereid om dat af te leren of om mij daarover te schamen, laat staan dat ik mijn oog zou uitrukken! Ik ben gescheiden en ik leef samen met een gescheiden vrouw en ik heb daarover geen enkel schuldgevoel, alleen veel spijt dat mijn eerste huwelijk niet heeft standgehouden omdat we niet echt samen hoorden. Ik denk dat het een goed idee is om niet te veel dure eden te zweren, maar precies dat is tot op vandaag wat wij in onze samenleving nog steeds doen, op de Bijbel, of met de toevoeging: zo helpe mij God. Men heeft atheïsten bij wet verboden om eden te zweren, precies omdat men enkel bij God betrouwbaar kan zweren, want God zal meineden straffen…

    Ik heb in mijn volwassen leven maar één keer iemand een oplawaai verkocht en ik heb daarover tot op vandaag geen spijt van: hij had het uitgelokt, jarenlang en op een dag kon ik me niet meer inhouden… Wie mij voor het gerecht wil slepen, moet er niet op rekenen dat ik me zal laten doen, ik zal me met hand en tand verzetten tegen al wie mij wil uitkleden of mij wil dwingen om iets tegen mijn wil te doen. Als iemand mij zomaar een klap geeft, dan kan ie zich beter uit de voeten maken, want in plaats van mijn andere wang zal ik mijn vuist aanbieden, zowel letterlijk als figuurlijk. Als het over geld gaat, dan maken goede rekeningen goede vrienden. Lenen doe je het best bij een bank, daar komen het minst problemen van. Zelfs mijn boeken leen ik ongaarne uit, je ziet ze immers niet terug, tenzij na lange tijd en beduimeld of verhakkeld. Ik zal dus ook mijn vijanden niet liefhebben, bijvoorbeeld wanneer ze me van de weg rijden, of mijn eigendom of gezin belagen, of zelfs maar weigeren om voorrang van rechts te verlenen.

    Ben ik dan een koud en harteloos mens? Wat denk je? En hoe reageer je zelf?

    Ik ken geen christenen die volgens de Bergrede leven, geen, punt. Het is geen redelijke boodschap, het is waanzin. Niemand kan zo leven. Zelfs Damiaan maakte zich boos, bijvoorbeeld op zijn oversten, niet eens echte vijanden… De Bergrede is een literaire tekst, geen wettekst. Het zijn geen realistische voorschriften. Welke betekenis hebben ze dan wel? Ach, dat voelen we allen wel aan, ook zonder die tekst. Het heeft niet veel zin om haatdragend te zijn voor een prul, je moet je ook al eens iets laten welgevallen, en je moet inderdaad niet elke vrouw bekijken als wou je ze node bespringen. Maar wij gedragen ons meestal toch al zo, we zijn immers geen extreme mensen; radicaal gedrag straft zichzelf af, meestal, dat leer je met vallen en opstaan.

    Aan dat extreem bevel tot universele liefde heb je uiteindelijk niets. Niemand kan iedereen liefhebben. Wij bewaren dat uitzonderlijke woord terecht voor uitzonderlijke gevallen. Wij hebben onze levensgezellen lief, daarnaast nog een beperkt aantal anderen, maar dan is het wel gedaan. De anderen hebben we niet lief, we behandelen ze met respect, want het zijn mensen zoals wij en wij moeten met hen samenleven, we zijn met hen op duizend manieren verbonden, we zitten met hen in dezelfde boot. We kunnen dus maar beter vriendelijk zijn voor hen, als het effe kan. Maar liefhebben? Nou nee, toch maar niet.

    Elke poging om een maatschappij te vestigen op universele liefde is gedoemd om te mislukken, dat leert ons de geschiedenis. Misschien was het vroege christendom zoiets, zo staat het althans in Handelingen, hoofdstuk 4: 32 De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. 33 De apostelen bleven met grote kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus, en God begunstigde allen rijkelijk. 34 Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen 35 en legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen werd verdeeld.

    36 Een van hen was Josef, een Leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen, wat in onze taal ‘zoon van de vertroosting’ betekent. 37 Hij bezat een akker, die hij verkocht, waarna hij het geld naar de apostelen bracht.

    Maar of het lang geduurd heeft?

    Ook de eendrachtig christelijke middeleeuwse samenleving was allesbehalve egalitair, noch het vorstelijk absolutisme, noch het extreem kapitalisme, noch het even extreem socialisme en communisme. Enkel de democratie kan als een moreel verantwoord samenlevingsconcept aanvaard worden, omdat ze gebouwd is op deze écht grote principes: vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

    Als we dus wat dieper ingaan op wat de Bijbel bedoelt, dan zien we dat we de naastenliefde niet zomaar een typisch christelijk principe kunnen

    noemen; het stamt (onder meer) uit het Jodendom en was een zeer restrictief begrip, want het gold enkel voor je echte naasten, die het dichtst bij jou stonden. De uitbreiding die de Bergrede ervan maakte, blijkt een onmogelijke opgave te zijn, zo dwaas als je ze letterlijk neemt dat het ongetwijfeld niet de bedoeling kan geweest zijn dat je dat zou doen. De onderliggende boodschap is dan weer zo algemeen, dat je ook daarop geen huizen kan bouwen. Je vindt dezelfde principes, soms zelfs in dezelfde bewoordingen overigens ook in allerlei andere teksten en in ander culturen terug. Behandel de anderen zoals je ook wil dat de anderen jou behandelen (Mt 7, 12) is een Gulden Regel, niet van de Bijbel of van het christendom, maar van de menselijke soort. Je hebt geen profeten nodig om dat duidelijk te maken.

    Voor veel van mijn (min of meer) gelovige gesprekspartners is het een ontnuchterende ervaring om vast te stellen dat hun kerk dan toch niet op zo’n vaste rots is gebouwd. Dat zou hen echter niet mogen verwonderen: zij hebben al te weinig aandacht besteed aan de fundamenten waarop zij hun leven hebben gebouwd. Ze hebben gedacht dat ze voldoende hadden aan de ‘grote christelijke principes’ die hen in hun jeugd zijn aangereikt door meestal gebrekkige voorbereide en weinig overtuigde leraren. Ze hebben zelden de behoefte gevoeld om een en ander in vraag te stellen, ze voelden zich geborgen in het veilige huis dat hen werd aangeboden, in een kerk die macht en gezag uitstraalde en die garanties bood voor het leven hier op aarde en ook daarna, op voorwaarde dat je tot die kerk behoorde, al was het maar in naam, al was het maar zonder goed te weten wat je deed.

    Maar zo werkt het niet. Als je echt tot die kerk wil behoren en er echt de vruchten wil van plukken, dan zal je, zoals Ratzinger en Léonard niet nalaten te herhalen, wat meer moeite moeten doen, wat meer evangelisch moeten leven; je mag dan niet schrikken als deze gestrenge leermeesters je eraan herinneren dat de Bergrede wel degelijk te nemen of te laten is. Wie niet met mij is, zeggen ze, is tegen mij (Mt 12,30). Oppervlakkig christen zijn, dat wil zeggen hooguit enkele keren per jaar naar de kerk gaan als het niet anders kan, of leven volgens vage ‘christelijke principes’, dat is niet genoeg. Zo staat het in de Openbaring, hoofdstuk 3: 15 Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! 16 Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u uitspuwen.

    Lauwe of flauwe gelovigen doen er goed aan zich toch eens af te vragen of ze bij de heilige rest willen behoren, de happy few, de kleine groep van getrouwen, het zout der aarde; maar ook of ze zich willen scharen onder de witgele vlag van het Vaticaan, of ze de herders willen volgen die de kerk aanstelt, tegen de wil van de gelovigen in en zonder hen zelfs maar te raadplegen, of ze echt wel willen leven volgens de principes die de katholieke kerk oplegt, álle principes en niet zomaar een eigen selectie, of ze de hele Bijbel willen lezen en niet alleen die paar citaten die hen goed uitkomen. Misschien ontdekken ze op een dag wel dat ze misschien meer gemeen hebben met die zonderlinge atheïst met zijn vervelende vragen en gaan ze zelf op zoek naar algemeen menselijke waarden om hun leven op te bouwen. Ver moeten ze daarvoor niet lopen: probeer het eens met vrijheid, gelijkheid en solidariteit; met amper deze drie woorden kom je al een heel eind.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    09-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geen argument voor atheïsme
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Godsdienstfilosofie is die branche van de filosofie die zich bezighoudt met het verschijnsel godsdienst. Of dat zou je toch mogen veronderstellen. Het boekje van Robin Le Poidevin, Arguing for Atheism. An introduction to the Philosophy of Religion, xxiii + 159 pp., Routledge, London & New York, 1996, dat ik ontleende in de bibliotheek van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, heeft me daaraan doen twijfelen. De auteur richt zich mijns inziens helemaal niet op het historisch of sociologisch verschijnsel van godsdiensten in de samenleving, maar op het bestaan van God, zoals het verdedigd wordt door de theologie en door sommige wetenschapsfilosofen. Dat is natuurlijk zijn goed recht, maar het is goed dat op voorhand te weten. De titel van het boek is immers misleidend in die zin, want het is helemaal geen argument voor atheïsme als een levenshouding, maar wel voor atheïsme als de filosofische houding die er overschiet wanneer elk filosofisch bewijs voor het bestaan van God is weerlegd.

    De analyse van de godsbewijzen en hun weerlegging, dat doet de auteur als de beste. Maar hij doet dat als beroepsfilosoof, dat wil zeggen met een overvloed aan subtiele argumenten, gesteund op het logisch en rationeel redeneren. Gelovigen zullen derhalve dit boekje na enkele bladzijden naast zich neerleggen als niet ter zake. De auteur is zich daarvan bewust, maar stoort er zich verder niet aan.

    Het viel mij op dat Le Poidevin hier net het tegenovergestelde doet van wat gebruikelijk was in de 17de en 18de eeuw. Omdat openlijk atheïsme toen maatschappelijk onmogelijk was – men stelde zich bloot aan gerechtelijke vervolging, tot de doodstraf toe – nam men zijn toevlucht tot het etaleren van atheïstische standpunten onder de vorm van het bestrijden ervan, Waarbij de hele aandacht ging naar het etaleren en slechts een flauwe inspanning werd geleverd in het bestrijden. Onze auteur doet vooral zijn best voor het weergeven van de argumenten voor het bestaan van God, zijn weerleggingen zijn accuraat, maar ze missen naar mijn aanvoelen vooral door zijn zeer zakelijke, wetenschappelijk-filosofische benadering, de overtuigingskracht die je zou mogen verwachten op basis van de titel van het boek: argumenteren voor het atheïsme.

    De tekst is ongetwijfeld gegroeid uit de colleges die professor Le Poidevin aan dit onderwerp heeft gewijd aan de Universiteit van Leeds. Het zijn dus ietwat veredelde cursusnotities, bestemd voor de studenten. Als dusdanig kan het wellicht goede diensten bewijzen. Op de achterflap staat inderdaad te lezen dat, terwijl het een ideaal tekstboek is voor universiteitscolleges over godsdienstfilosofie of metafysica, het ook bedoeld is om toegankelijk te zijn, door zijn stijl en de talrijke verduidelijkingen, voor een ruimer publiek. Dat laatste is zeker waar, toegankelijk is het zeker, maar of het de lezer die niet verplicht is om het te lezen (zoals de studenten) ook zal boeien, daar heb ik zo mijn bedenkingen over. Het boek mist de flamboyante overtuigingskracht van een Dawkins of Dennett; het weerlegt meer dan het aanbrengt. Wat het zegt is correct en zelfs goed gezegd, maar het blijft altijd op de vlakte wanneer het gaat om de conclusies voor het leven zelf. Alle filosofie die te theoretisch blijft is onvolkomen filosofie, dat kon je hier onlangs nog lezen toen ik het had over de Phi Beta Kappa Society: de filosofie is de leidraad voor het leven. In die zin kan de auteur de claim van zijn titel niet waarmaken. Atheïsme is immers veel meer dan gewoon maar de vaststelling dat er geen God is en dat godsdienst dus een vergissing is. Atheïsme begint in feite pas wanneer die evidente vaststellingen voldoende doorgedrongen zijn in een mens. Geen mens zal zich door zijn filosofische argumenten, hoe spitsvondig ook, laten overtuigen van zijn gelijk. Atheïst word je niet door het lezen van dit soort boekjes. Er is een Damascus-ervaring voor nodig, dat is mijn aanvoelen. Op een dag moet je, onderweg naar ik weet niet waar, als het ware van je paard vallen bij een donderslag bij heldere hemel. Je moet plots met een verpletterende klaarheid inzien dat het verhaal dat men je probeert te vertellen niet klopt, dat al de dingen waarvan men zegt dat ze bestaan, in feite verzonnen zijn; dat je ze ook niet nodig hebt, voor niets, dat je veel beter af bent zonder.




    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    08-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Censuur op de VRT
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Af en toe laat ik me verleiden tot een reactie op een of ander forum op internet, vooral die van de nieuwspagina’s van de VRT. Vandaag reageerde ik op een tekst van Mia De Schamphelaere, klik hier: http://opinie.deredactie.be/2010/11/07/evangeliseren-heeft-niets-te-maken-met-provoceren/

    Tot mijn verbazing en ergernis werd een deel van mijn tekst geschrapt, als niet-beschaafd en beledigend, volgens de moderator. Merkwaardig is dat hierover, volgens het intern reglement van de VRT, niet wordt gecommuniceerd. Dat noemt men censuur en dat is verboden in België.

    Om mijn lezers zelf te laten oordelen of ik inderdaad beledigend en/of onbeschaafd ben geweest, druk ik hier de oorspronkelijke tekst van mijn reactie af. Zij kunnen dan zien welke teksten op de VRT niet mogen verschijnen en kunnen daaruit hun conclusies trekken.

     

    Mevrouw de eresenator werkt op mijn zenuwen. Vooreerst zou ik even willen stilstaan bij de titel die ze voert. Eresenator. Dat is dus iemand die ooit senator is geweest en dat nu niet meer is. Waarom is ze geen senator meer? Omdat ze niet meer verkozen is. Is dat een eer?

    Ze werkt ook op mijn zenuwen omdat ze niet weet waarover ze het heeft. Evangeliseren is wel degelijk provoceren, dat staat letterlijk in het Evangelie, Lukas 12, 49:  Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde! 50 Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. 51 Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg ik jullie, ik kom verdeeldheid brengen. 52 Vanaf heden zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. 53 De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.

    De bijbel staat ook vol verhalen die helemaal niet zachtzinnig of mensvriendelijk zijn. Ofwel heeft de ex-senator de bijbel niet gelezen, ofwel heeft ze hem zeer gedeeltelijk en selectief gelezen, zoals gebruikelijk bij gelovigen, en maakt ze zich dus schuldig aan het verspreiden van zeer onvolledige en dus onjuiste informatie.

    De ex-senator vergist zich echter nog veel grondiger dan dat. Er is namelijk geen God, geen hemel, geen hel, geen vagevuur, geen genade, geen erfzonde, geen leven na de dood; bidden helpt niet, de sacramenten evenmin; Christus is niet aanwezig in het brood of de wijn; er is geen vergeving voor onze zonden, er zijn immers geen zonden; er zijn geen engelen of duivels; er zijn geen heiligen en geen martelaars (behalve misschien de miljoenen onschuldige mensen die vermoord zijn door godsdienstfanatici). Het hele verhaal van het christendom is niet meer dan dat, een verhaal, een verhaal van mensen, sommige met goede, maar de allermeesten met heel wat minder fraaie bedoelingen, zoals uit de kerkgeschiedenis mag blijken en zoals wij ook vandaag kunnen vaststellen.

    Niet het instituut is van belang, zegt ze, maar de kerk. Maar de kerk is wel degelijk het instituut; het instituut heeft de kerk uitgevonden. Neem het instituut weg, en wat blijft er over? Hoeveel gelovigen zouden er in de wereld zijn als het instituut er niet was geweest?

    Hoe durft ze, om het met Elio Di Rupo te zeggen, hoe durft ze in deze dagen Augustinus citeren, uitgerekend met zijn 'ama et fac quod vis', je mag doen wat je wil, zolang je maar liefhebt... Het zou het motto kunnen geweest zijn van de ex-bisschop (of moeten we misschien ook hier zeggen: ere-bisschop?) van Brugge en van alle priesters en religieuzen die zich hebben schuldig gemaakt aan het verkrachten van kinderen en het misleiden van vrouwen.

    Schandelijk, mevrouw de ex-senator, is wat je doet met je misplaatste verdediging van misdadigers. Ofwel weet je wel beter, en dat is dan heel erg, ofwel weet je niet beter en dat is dan jammer.

     

    Karel

     

     

    Mijn conclusie is dat ik van nu voort de VRT-forums zal mijden als de pest.

     

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    07-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De weinig fraaie fratsen van Ratzinger en Léonard
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dat het in de katholieke kerk niet goed gaat, dat moet ik je niet vertellen.

    In eigen land zijn het uitgerekend de bisschoppen, de priesters en de religieuzen zelf die, hetzij door persoonlijk kinderen en vrouwen te verkrachten en te misbruiken, hetzij door daarover schokkend ongevoelige verklaringen af te leggen, voor veel gelovigen de laatste religieuze strohalm wegnemen en op die manier de al zo weinig talrijke misgangers de kerk uitjagen. De bisschop van Rome en zelfverklaard hoofd van de kerk, doet er nog een schepje bovenop. Om een boutade uit de Sovjettijd te parafraseren: de kerk stond aan de rand van de afgrond, maar sinds de wereldwijde aanstelling van conservatieve en fundamentalistische leiders heeft ze een grote stap voorwaarts gezet…

    Tegen het recent pausbezoek aan Engeland was er te allen kante verzet, niet alleen omwille van de vele miljoenen ponden die daarvoor werden uitgetrokken in een tijd van ongelooflijk pijnlijke besparingen voor de man in de straat, maar ook omwille van de nauwelijks verdoken pogingen van Rome om de Anglicaanse kerk haar meer conservatief geaarde priesters te ontfutselen. Men verzette zich ook tegen de nationale eer die aan Ratzinger werd bewezen, onder meer door het koningshuis. Niemand kan vandaag immers nog de fictie bijtreden dat de bisschop van Rome een echt staatshoofd is. Er was een grote manifestatie van tegenstanders, met belangrijke sprekers, onder wie natuurlijk Richard Dawkins, de auteur van de wereldwijde bestseller The God Delusion, ‘God als misvatting’. De rede die hij bij die gelegenheid wou uitspreken moest sterk ingekort worden omdat de stoet door het grote succes ver over tijd was gelopen. De volledige Engelse tekst kan je hier nalezen: http://richarddawkins.net/articles/521113-updated-ratzinger-is-an-enemy-of-humanity.

    Speciaal voor mijn lezers die liever Nederlands lezen, geef ik hieronder mijn vertaling.

     

    “Dit is de volledige tekst van de toespraak die ik gepland had voor de rally tegen de paus, op 18 september 2010. De toespraak zoals die in feite gehouden werd in Whitehall was veel korter, vooral omdat de betoging zo enorm was (naar schatting 15.000 deelnemers), dat de toespraken laat begonnen en dus moesten ingekort worden.

    Moest Joseph Ratzinger verwelkomd worden met al de plechtstatigheid en ceremonie die men verschuldigd is aan een staatshoofd? Neen. Zoals Geoffrey Robertson heeft aangetoond in The Case of the Pope, is de claim van het Vaticaan op het statuut van ‘staat’ gebaseerd op een Faustiaanse deal waarbij Mussolini enkele hectaren in het centrum van Rome ter beschikking stelde in ruil voor de steun van de kerk voor zijn fascistisch regime. Onze regering koos de gelegenheid van het staatsbezoek uit om haar intentie aan te kondigen om ‘God te doen’. Zoals een vriend van mij zei, moeten we ons misschien klaarmaken voor een overdracht van Hyde Park aan het Vaticaan, om die deal te sluiten…

    Moest Ratzinger dan onthaald worden als het hoofd van een kerk? Geen bezwaar; indien de individuele katholieken bereid zijn om zijn vele misstappen over het hoofd te zien en de rode loper uit te rollen voor zijn rode designer pantoffels, ze doen maar. Maar vraag aan de rest van ons niet om daarvoor te betalen. Vraag aan de Britse belastingsbetaler niet om de propagandamissie te subsidiëren van een instelling waarvan de rijkdom geschat wordt op vele tientallen miljarden; een rijkdom overigens waarvoor de uitdrukking ‘onrechtmatig verkregen’ wel speciaal uitgevonden lijkt. En bespaar ons het misselijk makend spektakel van de koningin, de hertog van Edinburgh en een zootje Lord-luitenanten en andere dignitarissen die kruiperig voor hem door het stof gaan als echte pluimstrijkers, als gold het iemand waarvoor we respect zouden moeten opbrengen.

    Het spijtige kleine detail dat Ratzinger in zijn jeugd lid was van de Hitlerjugend is het voorwerp geweest van een wijd verbreide doofpotoperatie. Tot nog toe heb ik me daarbij aangesloten. Maar na de ongehoorde toespraak van de paus in Edinburgh, waarin hij de schuld voor Hitler bij het atheïsme legt, kan men niet anders dan besluiten dat de tijd voor beleefdheden voorbij is. Weet je wat hij zei?

    “Zelfs in onze eigen levensspanne kunnen we ons herinneren hoe Groot-Brittannië en haar leiders geconfronteerd waren met een Nazi-tirannie die de bedoeling had om God uit te roeien uit de samenleving en die onze gemeenschappelijke menselijkheid ontkende tegenover zovelen, vooral de Joden… Wanneer we nadenken over de ontnuchterende lessen van het atheïstisch extremisme van de 20ste eeuw…”

    Men kan zich vragen stellen over PR-kwaliteiten van de adviseurs die een dergelijke paragraaf lieten passeren. Maar nee, ik was vergeten dat zijn voornaamste adviseur die kardinaal is die één blik wierp op de immigratiebedienden op Heathrow en tot de conclusie kwam dat hij in de Derde Wereld geland was. Wellicht kreeg de brave man een resem Weesgegroeten opgelegd, bovenop zijn haastige aanval van diplomatisch jicht. De voet in kwestie was waarschijnlijk dezelfde die hij zo vrolijk in de ‘plat’ had gezet.

    Eerst was ik gestoord door de ontluisterende aanval van de paus op atheïsten en secularisten, maar dan zag ik het eerder als een geruststelling. Het betekent dat wij hen het leven zo moeilijk gemaakt hebben, dat ze nu zo ver gaan dat ze ons beginnen uit te schelden, in een wanhopige poging om de aandacht af te leiden van het schandaal van de kinderverkrachtingen.

    Het is waarschijnlijk teveel gevraagd dat de 15-jarige Ratzinger destijds de Nazi’s doorzien zou hebben. Als een vrome katholiek moet hij in zich ingestampt gekregen hebben, samen met de Catechismus, het verfoeilijke idee dat al de Joden verantwoordelijk moeten gehouden worden voor het ombrengen van Jezus, de bekende valse beschuldiging van de Jezus-moord, die pas in het Tweede Vaticaans Concilie werd herroepen (1962-65). De Duitse Rooms-katholieke ziel was in die tijd nog vol van het eeuwenoude antisemitisme.

    Adolf Hitler was rooms-katholiek. Of ten minste toch even rooms-katholiek als de vijf miljoen rooms-katholieken in dit land vandaag. Want Hitler heeft nooit het katholicisme van zijn doopsel herroepen, en dat is toch ongetwijfeld het criterium waarbij men de vijf miljoen Britse katholieken vandaag heeft geteld. Het is het een of het ander. Ofwel zijn er vijf miljoen katholieken, maar dan heb je Hitler er ook bij. Ofwel was Hitler geen katholiek, maar dan moet men ons een eerlijker cijfer opgeven voor het aantal echte katholieken in Groot-Brittannië vandaag: het aantal dat werkelijk gelooft dat Jezus zich omtovert in een koekje, zoals de vroegere professor Ratzinger allicht doet.

    Hoe dan ook, Hitler was zeker geen atheïst. In 1933 maakte hij zich sterk dat hij het “atheïsme had uitgeroeid”, doordat hij de meest atheïstisch organisaties had verbannen uit Duitsland, inclusief de Liga van Duitse Vrijdenkers, wiens gebouw dan werd omgevormd tot een informatiekantoor voor kerkelijke aangelegenheden.

    Op zijn allerminst geloofde Hitler in een persoonlijke Voorzienigheid, een die allicht verwant was aan de Goddelijke Voorzienigheid die werd ingeroepen door de Kardinaal Aartsbisschop van München in 1939, toen Hitler ontsnapte aan een aanslag en de Kardinaal een speciaal Te Deum liet opdragen in de kathedraal van München, ‘om de Goddelijke Voorzienigheid te danken, namens het Aartsbisdom, voor de goede afloop voor de Führer’.

    We zullen nooit te weten komen of Hitler zijn ‘Voorzienigheid’ identificeerde met de God van de Kardinaal. Maar Hitler wist verdomd goed dat zijn achterban overweldigend christelijk was, de miljoenen goedchristelijke Duitsers met de leuze ‘Gott mit uns’ op de gesp van hun riem die in feite het vuile werk voor hem opknapten. Hij kende zeer goed de basis waarop hij steunde. Hitler heeft zeer zeker ‘God gedaan’. Dit is een citaat uit een rede die hij hield in München, het hartje van katholiek Beieren, in 1922: ‘Mijn gevoelens als een christen wijzen mij naar de Heer en Verlosser als een vechter. Ze tonen me een man die ooit in diepe eenzaamheid, omringd door slechts enkele volgelingen, de Joden herkende voor wat ze waren en de mensen opriep om tegen hen te strijden en die, zo helpe mij God, de grootste was niet als een lijder maar als een vechter. In grenzeloze liefde als een christen en als een man lees ik de passage waarin de Heer eindelijk oprees in al zijn macht en naar de zweep greep om het addergebroed uit de tempel te verjagen. Hoe verschrikkelijk was zijn gevecht tegen het Joodse vergif. Vandaag, tweeduizend jaar later, herken ik met de diepste emotie grondiger dan ooit tevoren het feit dat het voor die reden was dat hij zijn bloed moest vergieten aan het Kruis’.

    Dit is maar één van de vele toespraken, en passages in Mein Kampf, waarin Hitler zijn christen-zijn inroept. Geen wonder dat hij met zoveel warme steun onthaald werd door de Duitse katholieke hiërarchie. En Benedictus’ voorganger, Pius XII, is niet zonder schuld, zoals de katholieke auteur John Cornwell zo verpletterend heeft aangetoond in zijn boek ‘Hitlers Paus’.

    Het zou onvriendelijk zijn om hier nog langer bij stil te staan, maar de toespraak van Ratzinger in Edinburgh vorige donderdag was zo schandelijk, zo hypocriet, zoveel ‘de pot verwijt de ketel’ dat ik wel moest antwoorden.

    Zelfs indien Hitler een atheïst was geweest, zoals Stalin er zeker een was, hoe durft Ratzinger het aan om te suggereren dat het atheïsme ook maar iets zou te maken hebben gehad met hun beider verschrikkelijke misdaden? Zij geloofden niet in God, maar evenmin in elfjes of in eenhoorns, dus wat heeft dat ermee te maken? Ze hadden ook allebei en snor, net als Franco en Sadam Hoessein, wat al even weinig relevant is. Er is geen logische weg die leidt van atheïsme naar verdorvenheid. Tenzij je natuurlijk vervuld bent van de walgelijke obsceniteit die ten grondslag ligt van de katholieke theologie. Ik verwijs hierbij, met dank aan Paula Kirby, naar de doctrine van de Erfzonde. Die mensen geloven, en leren dat aan aan kleine kinderen, samen met de vreesaanjagende leugen van de hel, dat elke baby geboren wordt met de erfzonde. Dat is, terloops gezegd, de zonde van Adam, dezelfde Adam die, zoals ze nu zelf ook toegeven, nooit bestaan heeft. Erfzonde betekent dat we, vanaf het ogenblik dat we geboren worden, kwaadaardig zijn, ontaard, verdoemd. Tenzij we in hun God geloven. Of tenzij we ons laten leiden door de wortel van de hemel of de stok van de hel. Dit, dames en heren, is de walgelijke theorie die hen ertoe gebracht heeft te veronderstellen dat het goddeloosheid was die Hitler en Stalin tot de monsters heeft gemaakt die ze geweest zijn. Wij zijn allen monsters tenzij we gered worden door Jezus. Wat een afschuwelijke, ontaarde, onmenselijke theorie is dat toch om je leven op te baseren.

     

    Joseph Ratzinger is een vijand van de mensheid

    Hij is een vijand van kinderen, want hij heeft toegestaan dat hun lichaam werd verkracht en hij heeft erop aangedrongen dat hun geest werd besmet met schuldgevoelens. Het is ontstellend klaar dat de kerk veel minder begaan is met het redden van kinderlichamen uit de handen van verkrachters dan met het redden van de zielen van priesters van de helse verdoemenis, en nog het meest van al bezorgd is om de lange-termijn reputatie van de kerk zelf.

    Hij is een vijand van homoseksuelen, die hij met het soort kwezelachtigheid bejegent die vroeger door hem voorbehouden was voor de Joden.

    Hij is een vijand van de vrouw, die hij uitsluit van het priesterschap, alsof een penis een onmisbaar instrument is voor pastorale taken. Is er één andere werkgever die het zich kan veroorloven om te discrimineren op basis van geslacht, specifiek voor taken die geen fysieke kracht vereisen of enige andere kwalificatie die alleen mannen worden verondersteld te hebben?

    Hij is een vijand van de waarheid, want hij promoot, vooral in Afrika, onmiskenbare leugens over condooms: dat ze geen bescherming bieden tegen aids.

    Hij is een vijand van de armste mensen op aarde, want hij veroordeelt hen om te leven in overbevolkte gezinnen die ze niet kunnen voeden, en houdt hen zo in verslaving en blijvende armoede. Een armoede die in schril contrast staat met de obscene rijkdom van het Vaticaan.

    Hij is een vijand van de wetenschap, want hij verzet zich tegen noodzakelijk stamcellenonderzoek, niet op grond van enige morele overweging maar op basis van voorwetenschappelijk bijgeloof.

    Wat minder belangrijk is vanuit mijn standpunt, Ratzinger is ook een vijand van de kerk van de Koningin zelf, want hij beaamt op arrogante wijze het misprijzen van zijn voorganger voor de Anglicaanse wijdingen als ‘van nul en generlei waarde’, terwijl hij ondertussen op een schaamteloze manier probeert om haar Anglicaanse pastoors af te snoepen in een poging om het jammerlijk tanend aantal van zijn eigen priesters te compenseren.

    Ten slotte, en dit is voor mij persoonlijk het belangrijkste, hij is een vijand van opvoeding. Nog los van de levenslange psychologische schade die veroorzaakt is door de schuldcomplexen en de angst die het katholiek onderwijs berucht gemaakt hebben de wereld rond, nog los daarvan, zeg ik, huldigen hij en zijn kerk de opvoedkundig vernietigende leerstelling dat bewijzen een minder betrouwbare basis vormen voor iemands overtuiging dan geloof, traditie, openbaring en gezag, zijn gezag.”

     

    Tot zover deze welsprekende rede. Ik wil daarbij aansluitend inpikken op de zoveelste gaffe van Ratzinger; blijkbaar is het in de katholieke kerk tegenwoordig zo dat, hoe hoger je op de ladder staat, hoe vaker en hoe dieper je de vinger in je eigen oog moet steken.

    In het vliegtuig op weg naar Santiago de Compostela sprak hij de verzamelde meereizende pers toe, nadat die zijn apostolische ring hadden gekust, sommige met kennelijk misbaar. In niet mis te verstane en goed voorbereide bewoordingen sprak hij over het agressieve antiklerikalisme en atheïsme in Spanje vandaag en verwees daarbij, net zoals in Edinburgh, naar het recente verleden, zijn verleden, namelijk de Spaanse burgeroorlog in de jaren dertig. Nu wil ik nog toegeven dat die burgeroorlog voor de meesten van ons een blinde vlek is in ons inzicht en onze kennis van onze recente geschiedenis, mede dank zij ons puik katholiek onderwijs. Maar we moeten toch beseffen dat de burgeroorlog in gang is gezet door generaal Franco en zijn leger, tegen de democratisch verkozen regering; dat het Duitse Stuka’s waren die zijn muitend leger ondersteunden, bijvoorbeeld door een vernietigende aanval op het onschuldige en onooglijke dorp Guernica; dat Franco een ware jacht heeft georganiseerd op al wat links, communistisch, liberaal, artistiek, kritisch, vrijzinnig of atheïstisch was; dat de kerk zich volledig heeft aangesloten bij Franco, die niet voor niets wereldwijd als ‘de bloedhond Franco’ bekend staat, die de trouwe bond- en zielsgenoot was van Hitler zelve. Met andere woorden, Ratzinger schaart zich achter Franco en zijn extreemrechtse rabiaat fascistische en nietsontziende moordzuchtige falange. Om het met Di Rupo te zeggen: comment on ose, comment on oooooose! 

    Afsluiten doe ik met een citaat van een dame die in Sint-Lambrechts-Woluwe een eredienst bijwoonde waarin aartsbisschop Léonard voorging. Zij uitte haar steun en bewondering voor haar grote voorbeeld op deze manier: ‘Hij heeft gelijk. Als er mannen zijn die zomaar overal gaan rondneuken, dan moeten die maar ‘le sida’ krijgen, dat is hun terechte straf’.

    Toen ik dat hoorde, ging er bij mij een licht op. Plots begreep ik de pointe van de uitspraak van Léonard over de immanente gerechtigheid van aids. Deze oudere dame, net zoals de oudere heer Léonard, heeft waarschijnlijk een leven lang kuis geleefd, zonder ooit aan seks te doen of, indien dan uitzonderlijk toch eens, dan op een louter kerkelijk gesanctioneerde manier, namelijk een die utsluitend op de voortplanting is gericht. Zij moeten allebei, het klopje en haar aartspriester, al die jaren een diepe verontwaardiging en haat gekoesterd hebben, geboren uit hun eigen verdrongen lustgevoelens, tegenover al die anderen die totaal ongestraft ‘zomaar wat rondneukten’, die daaraan zelfs danig plezier beleefden en wellicht ook schonken en die, hoewel ze God noch gebod kenden, toch een lang en gelukkig leven leidden. Welnu, met ‘le sida’, aids dus, is daaraan eindelijk een einde gekomen! Immanente gerechtigheid is het die al die hoererende viespeuken eindelijk treft en die precies daardoor de vrome rechtvaardigen, de gerechtigen, gelijk geeft in hun seksuele abstinentie en hun erotische ascese. Zie je wel dat het de moeite was om je niet te buiten te gaan aan al die uitspattingen? Zie je nu wat ervan komt?

    Het is een typisch christelijke deugd om leedvermaak te hebben, het woord komst zelfs niet voor in de talen van niet-christelijke landen of bevolkingsgroepen. Het is niet zozeer dat zij zelf gelukkig willen zijn, verre vandaar: genot is immers uit den boze. Nee, ze willen alleen maar dat de anderen, de zondaars, hun terechte straf niet ontlopen, dat is hen genoeg, dat is al het genot dat ze betrachten. Ze hoeven niet zozeer zelf naar de hemel, als de anderen maar in de hel belanden. Dat is het opperste hemelse genot van Lazarus, dat hij kan toekijken hoe de rijke man voor eeuwig afziet in de hel, hoewel die volgens de Bijbel zelf geen andere zonden heeft begaan dan rijk te zijn, zich mooi te kleden en te genieten van het leven. Lees wat Lukas erover vertelt, hoofdstuk 16.

    19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt,28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.”29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’

     

    Het is een verschrikkelijke parabel, die ons Jezus toont als revendicatieve, revanchistische aartssocialist en zijn hemelse Vader in al zijn majestueuze, onverzoenlijke, onmenselijk wrede wraaklustige gerechtigheid. Ik vermoed dat deze tekst tot de geliefkoosde lectuur behoort van de vrome vrouw in Sint-Lambrechts-Woluwe en dwaze maagden overal ter wereld, daarin bijgetreden door deze ware toonbeelden van Gods liefde, zijn plaatsvervangers op aarde, de heidens dwaze bisschop van Rome en zijn ijverige dienaar, de aartsdomme bisschop van Mechelen-Brussel.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    08-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.advocaat van de duivel: Michael J. Buckley, Denying and Disclosing God
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Een theologisch geschoolde kennis van mij zei me ooit dat niemand zoveel met God bezig is als atheïsten. Hij bedoelde het niet eens als een boutade, hij meende het echt en ik denk dat hij gelijk heeft. Het is in alle geval mijn stellige indruk dat ikzelf, als overtuigd atheïst, veel vaker en intenser met de godsvraag bezig ben dan de gelovigen uit mijn omgeving. Voor hen lijkt God en godsdienst niet problematisch, voor mij wel. Zij stellen zich weinig vragen bij hun godsdienstige praktijk, de rituelen, de liturgie, ik wel. Zij storen zich blijkbaar niet aan allerlei standpunten van de kerkelijke hiërarchie, zoals laatst nog over in vitro fertilisatie, de proefbuisbaby’s; ik wel.

    Tijdens een van de interviews die aartsbisschop Léonard gaf in de nasleep van het geval Vangeluwe klik hier en de stortvloed van klachten over seksueel misbruik binnen de kerk, sprak hij de hoop uit dat de kerk deze moeilijkheden spoedig achter zich zou kunnen laten om zich volop bezig te houden met haar kerntaken. Hij liet ons echter in het ongewisse over wat dat dan wel zou zijn. Wat is religie, wat is godsdienst, wat is kerk? In de loop van de geschiedenis zijn daarop talloze antwoorden gegeven. We kunnen dus niet van een vaste definitie vertrekken.  

    Het lijkt me nuttig voor elk verder gesprek daarover, dat we een onderscheid maken tussen het leerstellige, het dogmatische enerzijds en de concrete beleving anderzijds. Het zijn twee aspecten die we overduidelijk terugvinden in het christendom, de godsdienst waarmee we (ik) het meest vertrouwd zijn.

    Gelovig zijn, is voor de meeste gelovigen in de eerste plaats een praktijk, gesitueerd in een gemeenschap. Op geregelde tijdstippen neemt men deel aan de liturgische vieringen van de gemeenschap; men maakt maatschappelijke keuzes op basis van die gemeenschap, bijvoorbeeld voor de keuze van de school, het ziekenhuis, de sociale en vrijetijdsverenigingen enzovoort. De christelijke dogma’s komen daar nauwelijks ter sprake, ze zijn impliciet, verondersteld. Zelfs in de liturgie komen ze niet als dusdanig aan bod. Wanneer men bijvoorbeeld het ‘Symbolum des geloofs’ reciteert, de apostolische geloofsbelijdenis, de Twaalf Artikelen van het Geloof, is er geen mens die stilstaat bij wat men aan het zeggen of aan het zingen is: het is een ritueel, iets dat men ‘van buiten’ kent en half onbewust, automatisch opzegt. Niemand die ook maar een ogenblik stilstaat bij het feit dat er verschillende versies zijn. Zo hebben wij jarenlang de Latijnse tekst gezongen en gebeden en dat is die van het Concilie van Nicea (325), aangevuld door het concilie van Constantinopel (381) voor de Heilige Geest en gewijzigd op het derde concilie van Toledo (589) voor het filioque. Die tekst verschilt vrij grondig van de Nederlandse tekst die men vandaag in de kerk gebruikt. Voor de Gregoriaanse gezangen, waar ook ter wereld, is het nog steeds de oude tekst die in voege is. We kunnen dus met enig recht zeggen dat de concrete inhoud van de samenvatting van de geloofsinhoud tijdens de liturgische bijeenkomsten niet de meeste aandacht krijgt: de viering, het beleven in gemeenschap is het belangrijkste.

    Jezus Christus is het hoogtepunt van de goddelijke openbaring. In het Evangelie, letterlijk de blijde boodschap, vinden we zijn Woord terug. Dat is de basis van het geloof. Het is een simpele boodschap: heb uw naaste lief; als je dat doet, dan bemin je ook God; wie zo leeft, zal de hemelse zaligheid bereiken. Dat is de essentie, al de rest is bijkomstig. De volgelingen van Christus hadden het daarbij kunnen laten (en ook aartsbisschop Léonard en paus Ratzinger zouden dat misschien beter doen).

    Na de dood van Jezus van Nazareth hebben anderen zich geroepen gevoeld om die boodschap uit te dragen en ook uit te breiden. Er stelden zich immers allerlei vragen: aan wie moest de blijde boodschap gebracht worden: aan de joden, of ook aan de heidenen? Moest men vertrekken van de joodse wet, zoals Jezus had gedaan (hij wou er geen tittel of jota aan veranderen, Mt. 5, 18) en die onverminderd opleggen aan de nieuwe bekeerlingen? Dat bleek al snel ondoenbaar: de joodse reinheidsgeboden en dieetvoorschriften waren uiterst streng, om nog te zwijgen van de verplichte besnijdenis van de mannen. Het was in die eerste jaren ook niet duidelijk wat Jezus precies gezegd had, hij had immers geen geschriften nagelaten. Stilaan verzamelde men, op basis van min of meer betrouwbare getuigenissen en overleveringen, een aantal uitspraken die aan hem werden toegeschreven, de zogenaamde logia en daaruit zijn nadien de evangelies ontstaan.

    Paulus zelf, de apostel van de heidenen, heeft Jezus niet gekend; hij moest het doen met wat hij wist van horen zeggen, want de evangelies dateren van na zijn tijd. Toch moest hij allerlei beslissingen nemen over de concrete organisatie van de gemeenten die hij her en der stichtte. Zijn Brieven vormen de basis van de christelijke leer, veel meer dan het evangelie.

    Na Paulus heeft men die leer steeds verder uitgewerkt, ook al om een samenhangend verhaal te hebben dat men kon gebruiken bij de geloofsverbreiding, bij het uitdragen van het geloof over de wereld. Hoe belangrijker het christendom werd, hoe meer men ook de confrontatie moest aangaan met andere religieuze, filosofische en ethische opvattingen, bijvoorbeeld in het Romeinse Rijk. Dat leidde tot ernstige conflicten en vervolging; de laatste, grootste en meest bloedige was die in de jaren 303-311, onder Diocletianus, overigens een van de beste keizers die Rome ooit gekend heeft op organisatorisch vlak. Enkele jaren later, vanaf 324, maakte Constantijn van het christendom de staatsgodsdienst. Toen was er nog meer reden om de geloofsleer vast te leggen in officiële teksten, zoals de Geloofsbelijdenis van Nicea van 325. De soms zeer wijd uiteenlopende opvattingen over allerlei punten van het geloof moesten weggewerkt worden. Het gaf immers geen pas dat binnen het ene, universele christendom, de meningen over essentiële punten sterk verschilden. Het was echter Constantijn zelf die een voorlopig einde moest maken aan de niet te stelpen discussies van de theologen.

    De hoeveelheid inkt die sindsdien gevloeid is over de christelijke leer wordt slechts overtroffen door het onschuldig bloed dat ervoor vergoten is… Denken we aan het grote Oosters schisma, dat in 1054 de definitieve scheiding bevestigde tussen de Westerse kerk van Rome en de Oosterse van Constantinopel; aan het Westers schisma (1378-1417), toen er in Avignon een tegenpaus was tegen die van Rome; aan het conflict met Henry VIII en het ontstaan van de Anglicaanse kerk, aan het Protestantisme met Luther en Calvijn; aan het Jansenisme in Frankrijk… Ook vandaag nog schrijven christelijke theologen dikke boeken vol en houdt Rome alles nauwlettend in de gaten, met veroordelingen en ontzetting uit het ambt voor wie afwijkt van de ware katholieke leer (Küng, Schillebeeckx, Curran).

    De kerk heeft zich altijd moeten verweren tegen kritiek van binnenuit. Zolang de maatschappij in haar geheel zo goed als samenviel met die kerk was er ook geen kritiek van daarbuiten. Dat veranderde hier in het Westen vooral vanaf de zestiende eeuw. Er waren de protestanten, die Rome scherp op de korrel namen op religieus gebied en al gauw een eigen kerk opzetten. Spoedig kregen zij steun van Duitse keurvorsten, prinsen en andere plaatselijke machthebbers, die zich wensten los te maken van de wereldlijke invloed van de Romeinse kerk. Dat betekende het einde van het Heilige Romeinse Rijk. Vanaf nu was de ideologische, leerstellige en ook de politieke christelijke eenheid echt en voorgoed verbroken.

    Rond die tijd hebben de erfgenamen van de Renaissance, op grond van hun hernieuwde kennismaking met de Griekse en de Romeinse oudheid, een begin gemaakt met uitgesproken kritiek op de fundamentele leerstellingen van de kerk en op de Bijbel. De nieuwe wetenschappen kwamen onvermijdelijk in conflict met een theologie en een wereldbeeld die ontstaan waren in een andere wereld. Voor het eerst durfde men de meest fundamentele vragen stellen. De Bijbel was niet het onfeilbare woord van God, want er staan ontelbare tegenstrijdigheden in, zowel interne als met de stand van de nieuwe wetenschappen. Wie was Jezus van Nazareth, over wie we zo weinig concreets weten? Wat moeten we met de theologie van de Scholastiek, die voortbouwde op Aristoteles, een heidens filosoof uit het oude Griekenland en op Thomas Aquinas, een middeleeuwse pater die stierf in 1274, maar die zelf ook al de ultieme vraag had gesteld in zijn Summa Theologiae: bestaat God?

    Het is altijd in de confrontatie met kritiek geweest dat de kerk haar dogmatiek heeft uitgewerkt, in het afwijzen van nieuwe opvattingen, veeleer dan in het uitleggen van wat zij zelf voor waar houdt. Zoals Paul Hazard, René Pintard, Charles Kors, Jonathan Israel en Steven Nadler zo overtuigend hebben aangetoond (je vindt ze allemaal hier besproken), zijn het tot ver in de 19de eeuw de christelijke auteurs, theologen, filosofen en apologeten zelf, die op een of andere manier uiting gegeven hebben aan antiroomse, antiklerikale, antigodsdienstige en atheïstische ideeën. In de publicaties van de meest vooraanstaande en gezagsgetrouwe christelijke auteurs vinden we een ware encyclopedie van de kritiek op het geloof en op de kerk. Men heeft er altijd een bijna diabolisch genoegen in gevonden om de typisch scholastieke rol van de advocaat van de duivel te spelen, om op een verbijsterend uitdagende manier de stellingen van de goddeloze tegenspeler uiteen te zetten, terwijl de weerlegging ervan vaak totaal ongeïnspireerd, fut- en krachteloos was en de vlam van de heilige overtuiging flagrant miste.

    Deze gedachten kwamen me voor de geest bij het lezen van Michael J. Buckley, S.J., Denying and Disclosing God. The Ambiguous Progress of Modern Atheism, Yale UP, 2004, xviii + 173 pp., notes, indexes, $ 40 (hardcover), ontleend in de bibliotheek van het H.I.Wijsbegeerte van de Leuvense (Katholieke?) Universiteit.

    Ik had de bedoeling om een vroeger werk van hem te lezen: At the Origins of Modern Atheism, Yale UP, 1987, 460 pp., maar dat bevond zich in het gesloten magazijn en ik wou de vriendelijke bediende niet nog eens daarheen sturen. Toen ik zijn meer recent werk op de open rekken vond, heb ik me daarmee tevreden gesteld en dat bleek geen slechte keuze, want in dit nieuwe boek herneemt de auteur het thema van zijn vorig werk, namelijk dat de kritiek op de christelijke dogma’s het rechtstreeks gevolg is van de (filosofische en theologische) uiteenzetting en verdediging ervan. Ook hier zien we dat deze christelijke apologeet of verdediger van het geloof vijf van de zes hoofdstukken wijdt aan het uiteenzetten van de atheïstische kritiek op het christendom en pas aan het einde van het laatste hoofdstuk enige schuchtere pogingen doet om aan te duiden wat er dan wel goed is aan het christendom, waar God wel te vinden is. Maar dat gebeurt op een vage, bijna stamelende manier, in mankende vergelijkingen en melige metaforen.

    Het is duidelijk dat deze auteur meent dat de kritiek van de atheïsten onterecht is, dat ze een God verwerpen die niet de echte God van het christendom is, dat ze zich laten misleiden door de misplaatste methodes van de christelijke auteurs, die meenden dat ze God konden bewijzen vanuit de natuur of vanuit de wetenschap, of vanuit filosofische theoretische principes.

    Die argumentatie zou overtuigender zijn, indien de auteur erin geslaagd was om een eigen argumentatie op te bouwen voor het bestaan van God, indien hij ons ten minste de weg zou getoond hebben die we moeten volgen om hem te ontdekken of hem in ons leven toe te laten, indien hij de christelijke dogma’s ofwel had toegelicht ofwel als overbodig had afgewezen. Ik heb echter niets van dat alles gevonden, of toch niets dat enige echte overtuigingskracht bezat. Wat moet je immers aanvangen met de zoveelste verwijzing naar de mystiek van Theresa van Avila en Johannes van het Kruis, of dichter bij ons de onvermijdelijke joods-christelijke martelares Edith Stein? Met verwijzingen naar een kerkelijke gemeenschap die hier bij ons de laatste decennia herhaaldelijk gedecimeerd en op sterven na dood is? Naar een liturgische praktijk die door jarenlange verwaarlozing en veroudering totaal verschaald is? En waarom zo hardnekkig zwijgen over de controversiële uitspraken van de kerk en over het seksueel en ander machtsmisbruik?

    Er is ook een verwijzing naar de heiligen, als voorbeelden en inspiratiebronnen van bekering en van deugdzaam leven. Nu heb ik sinds verscheidene jaren de gewoonte om na het ontbijt mijn dag te beginnen met de uitstekende Oxford Companion to the Year: An Exploration of Calendar Customs and Time-Reckoning van Bonnie J. Blackburn en Leofranc Holford-Strevens. Daarin staan voor elke dag allerlei interessante gegevens, met onder meer ook de heilige(n) van de dag en de grote kerkelijke feesten. Wat je daar allemaal vindt aan legenden, mirakels, wondere toestanden en regelrecht bijgeloof, dat is werkelijk onwaarschijnlijk. Het kan zijn dat de middeleeuwse Jan met de pet daar vrede mee nam, maar zelfs dat durf ik te betwijfelen. Enkel voor de meest twijfelloze devote zielen kan dat nog enige emotioneel soelaas brengen.

    De Jezuïet Michael J. Buckley doceert aan de theologische faculteiten van vooraanstaande katholieke universiteiten in Amerika en Europa. Het is een zeer verstandig man, zoals het Jezuïeten betaamt en hij schrijft ook goed, al heb ik me af en toe wel eens gestoord aan moedwillig geleerde woorden (ideational, illative…) en een ietwat hoogdravende ‘wetenschappelijke’ stijl.

    Zijn basisgedachte in deze beide boeken is dat de kritiek van het atheïsme een logische tweede stap is in de dialectische evolutie die vertrekt van de redelijke en wetenschappelijke verklaring van God en geloof. Hij probeert, in de lijn van Hegel, een derde, verzoende stap te ontdekken, die de negatie is van de negatie en die dus positief zou moeten zijn. Maar zo goed als zijn uiteenzetting van de eerste twee stappen is, zo onbeduidend en schamel is zijn poging om enig licht te werpen op wat God, geloof en godsdienst kunnen betekenen voor de intellectueel van vandaag. Zoals zoveel christelijke auteurs voor hem is hij, als de spreekwoordelijke Jezuïet, een betere advocaat van de duivel dan van God, beter in denying dan in disclosing God.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    28-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zoeken naar God, Carl Sagan
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ik had het hier al eerder over de Gifford Lectures, klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=697991 en hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=737118. Voor de bespreking van William James’ Gifford Lectures in Edinburgh in 1901-2 klik je hier.

    In 1985 was Carl Sagan aan de beurt in Glasgow. Hij was toen immens populair, dank zij zijn ongelooflijk succesvolle Tv-reeks Cosmos, uitgewerkt in een gelijknamig boek, dat meteen het best verkochte wetenschappelijk boek ooit werd in het Engels. Hij lokte dan ook volle zalen. Het lag in de bedoeling van Sagan om die lezingen uit te werken tot een boek, maar dat is er toen niet van gekomen. In 1996 stierf hij, amper 62 jaar oud, aan longontsteking. Het manuscript van de lezingen bevond zich ergens in de duizenden laden van zijn onmetelijk archief. Zijn weduwe en jarenlange medewerkster, Ann Druyan, kon het niet terugvinden. Het was een anonieme vriend die het uiteindelijk weer kon opdiepen. In 2006 verscheen dan eindelijk de tekst, opgesmukt met de oorspronkelijke dia’s van de lezingen, waar nuttig en mogelijk vervangen door schitterend meer recent beeldmateriaal. Het is een heel nette uitgave, heel mooi ingebonden en gedrukt; ik had de interlinie liever wat kleiner gehad en de letter wat groter, maar dat is een detail.

    Carl Sagan, The Varieties of Scientific Experience. A Personal View of the Search for God, edited by Ann Druyan, London, 2006, xvi + 284 pp., hardcover, nieuw $27,95 maar tweedehands gekocht bij Amazon, waar de nieuwprijs nu $7,50 is; een tweedehands exemplaar koop je al voor amper $2,50…

    Het verschil met het boek van Iris Murdoch is zeer aanzienlijk. Murdoch heeft na de lezingen nog jarenlang intensief gewerkt aan haar tekst en het resultaat is een moloch van een boek geworden. Een boosaardig biograaf zag in haar obsessie met dat boek zelfs een aanleiding voor haar verval in de ziekte van Alzheimer, die haar enkele jaren later zou treffen. De tekst van Sagan daarentegen is onaangeroerd in zijn archief blijven liggen en is nadien vrijwel onveranderd door zijn weduwe uitgegeven. Zijn boek staat dan ook veel dichter bij de lezingen zelf, is veel korter en meer gevat, meer levendig ook en beter verteerbaar. Als appendix krijg je zelfs een selectie uit de vragen en de guitige, geestige en soms scherpe antwoorden van de auteur. Zeker, er is veel gebeurd in Sagans domein, de astronomie en de astrofysica, sinds 1985 en ook in zowat alle andere domeinen van de wetenschap, de positieve zowel als de menswetenschappen, en de samenleving in haar geheel. Toch is deze publicatie, die de lezingen van destijds onder onze aandacht brengt van een nieuw publiek, een weldaad voor de mensheid.

    Niet dat Carl Sagan toen wereldschokkende nieuwe inzichten bracht, of dat ze dat nu na 25 jaar plots wel zouden zijn. Naast zijn wetenschappelijk werk en zijn betrokkenheid bij het Amerikaanse ruimteprogramma was hij erg begaan met het populariseren van de wetenschap en haar resultaten, zoals in Cosmos, het boek en de Tv-reeks. Dat is ook wat hij hier doet en met even groot succes. Men moet daarbij bedenken dat het in 1985 veel minder evident was om uitgerekend in de Gifford-lezingen aan de Schotse universiteiten een rigoureus atheïstisch standpunt te gaan verdedigen, dan bijvoorbeeld Richard Dawkins deed met zijn The God Delusion in 2006. Het valt mij op dat er zoveel meer te doen geweest is over Dawkins’ boek dan over dat van Sagan, terwijl ze toch in hetzelfde jaar verschenen zijn. Het feit dat Carl Sagan toen al tien jaar overleden was, zal daar wel voor veel tussen zitten. Wij vergeten zo gemakkelijk…

    De Gifford-lezingen hebben als algemeen thema de redelijke verklaring van het geloof, de aanwijzingen in de natuur voor het bestaan van God. Wat Sagan doet, is een hedendaagse beschrijving geven van de kosmos, om daaruit lessen te trekken voor onze samenleving.

    Uit een schitterende diavoorstelling van het zichtbare universum blijkt, in zijn eerste hoofdstuk, dat onze aarde slechts een detail is in het geheel. Hij wijst erop dat de onvoorstelbare omvang van het universum iets is waarmee geen enkele aardse godsdienst ooit heeft rekening gehouden. Onze zeer beperkte plaats in het geheel der dingen zou nochtans een les in nederigheid moeten zijn, ook voor de godsdiensten; de God die zij aanroepen is slechts de God van deze aarde, of van de mensen op die aarde, of van een groep van die mensen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd. Het opentrekken van dat beeld tot een dimensie in tijd en ruimte die de oneindigheid benadert, heeft ontnuchterende gevolgen voor elk spreken over God.

    In hoofdstuk twee overloopt Sagan de geschiedenis van de kosmologie: hoe dacht men in de oudheid over de zon, de aarde, de maan, de sterren, de planeten, de kometen? Zo komt hij onvermijdelijk bij Copernicus, Kepler en Galilei uit en dan bij Newton, Laplace en Kant en de moderne, wetenschappelijke benadering, waarbij de noodzaak aan een Schepper en een Eerste Onbewogen Beweger steeds minder evident wordt.

    De derde lezing was gewijd aan de organische wereld. De vooruitgang van de wetenschap dringt de rol van God steeds verder achteruit. Dat is vooral zo sinds Darwin een principe ontdekte dat kon instaan voor het ontstaan van het leven en de evolutie van de soorten. Daarvoor was het nodig dat de aarde veel, heel veel ouder was dan de vierduizend jaar die de Bijbel stelde. De fossiele resten van vroege levende wezens zijn daarvoor een concreet bewijs. Terloops merkt de auteur op dat de meeste soorten die ooit geleefd hebben vandaag uitgestorven zijn. Extinction is the rule. Survival is the exception. (p. 66). Voor de oorsprong van het leven gaat Sagan op zoek naar organisch materiaal in het universum en dat blijkt abundant aanwezig te zijn in ons zonnestelsel en dus waarschijnlijk ook daarbuiten.

    Toch hebben wij tot nog toe geen sporen gevonden van leven buiten de aarde. Statistisch gezien kan men twee kanten uit. Men kan met een grote graad van geloofwaardigheid aantonen dat de voorwaarden om tot (onze vorm van) leven te komen zo uitzonderlijk zijn, dat er slechts één mogelijkheid is, en dat zijn wij. Maar anderzijds is het even goed doenbaar om aan te tonen dat de mogelijkheden van ruimte en tijd in het universum zo groot zijn, dat het vrijwel ondenkbaar is dat het enige leven hier op aarde zou bestaan. In beide redeneringen is er geen enkele reden om uit te gaan van een Schepper, maar het is wel een interessante denkpiste om over die Schepper na te denken, vanuit die beide veronderstellingen.

    Het vierde hoofdstuk sluit daarbij aan: is er intelligentie buiten de aarde? Sagan vertelt ons over de ‘ontdekking’ van de ‘kanalen’ op Mars in 1877, die aanleiding gaf tot allerlei veronderstellingen over een uitgestorven ras van Marsmannetjes. Sindsdien is gebleken dat die kanalen er niet zijn. Wij zijn op Mars zelfs geland (onbemand) en we hebben vastgesteld dat er geen leven is. We speuren het heelal af, met zeer verfijnde technische middelen, maar wij hebben nog geen zinvol spoor opgevangen. Dat lijkt aannemelijk, als men ervan uitgaat dat een andere beschaving, ander leven, totaal verschillend zou kunnen zijn van wat zich hier op aarde heeft ontwikkeld. Maar de wetten van de natuurwetenschap zijn overal van toepassing, in alle uithoeken van de kosmos en als er ergens enig intelligent leven is, dan kan het niet anders dan dat zij die wetmatigheden ook ontdekken en dus een wetenschap ontwikkelen, vroeg of laat, die hen in staat stelt met ons in contact te treden. Maar dat is (nog) niet gebeurd.

    In het vijfde hoofdstuk rekent Sagan af met wat hij buitenaardse folklore noemt: Ufo’s, vliegende schotels, Erich von Däniken en zijn fantasieën over buitenaardse bezoekers aan de Aarde: het zijn verhaaltjes, er is nooit ook maar enig bewijs gevonden, terwijl er voor alle aangehaalde zogenaamd onverklaarbare verschijnselen telkens zeer goede logische en redelijke wetenschappelijke verklaringen gevonden zijn. Men wist dat al in de 18de eeuw. Hume stelde het zeer duidelijk: als men het over een mirakel heeft, dan moet je de keuze maken; wat is het meest waarschijnlijke: dat het mirakel echt gebeurd is, of dat de ‘getuigen’ liegen of zich vergissen? Het is een feilloos middeltje tegen onzin.

    In de volgende lezing paste Sagan deze redenering toe op de hypothese van het bestaan van God. Telkens wanneer iemand het bestaan van God inroept om een natuurverschijnsel te verklaren, zoals de Bijbel doet en zoals de kerk ook voorhoudt, kan men vrij gemakkelijk afdoende natuurlijke verklaringen vinden. Trouwens, wanneer wij over de God van het Westen spreken, wat is dat dan? De Grieken hadden hun opvattingen, de Romeinen ook, de Joden evenzeer en de christenen op hun beurt. Moderne theologen zoals Tillich zeggen dat er geen God is met bovennatuurlijke macht. Spinoza, daarin gevolgd door Einstein ziet God als de natuurwetten die het heelal beheersen, niet als een persoonlijke God die zijn almacht gebruikt om het heelal te doen draaien zoals hij wil, tot in het kleinste detail.

    De zogenaamde godsbewijzen hebben in Sagans ogen afgedaan, indien ze ooit al enige bewijskracht hadden. Hij begint met een Indische filosoof uit de elfde eeuw, Udayana, die zeven ingenieuze godsbewijzen bedacht en weerlegt die handig en simpel. Dan neemt hij de Westerse godsbewijzen onder de loep: het kosmologisch argument, het argument from design (ID, Intelligent Design), het morele argument (Kant), het ontologisch bewijs (Anselmus), het bewijs vanuit het bewustzijn (Descartes), het bewijs vanuit de religieuze ervaring (met een verwijzing naar zijn voorganger in de Gifford-lezingen, William James). Wat hij daarover te zeggen heeft, is telkens zeer verhelderend in zijn bondigheid. Dat geldt ook voor de klassieke bezwaren tegen het bestaan van God: de onvermijdelijkheid van het geweld en het kwaad in de wereld en in het universum, geconfronteerd met de oneindige goedheid, het medelijden, de liefde en de almacht van God.

    Hij gaat ook in op de afwezigheid van duidelijke bewijzen in de natuur voor het bestaan van God en daar permitteert hij zich wel enkele grapjes: God had bijvoorbeeld een enorm kruis in een baan rond de aarde kunnen laten draaien, of de tien geboden in de maan beitelen… Of hij had de natuurwetten in de Bijbel kunnen zetten, in plaats van de verhaaltjes die helemaal niet kloppen met de natuurwetten.

    In het zevende hoofdstuk neemt Carl Sagan ons mee naar de vroegste samenlevingen op aarde en naar de overblijfselen daarvan in primitieve stammen, op zoek naar de oorsprong van godsdienst, religie. Hij wijst op het traditioneel gebruik van alcohol en andere drugs bij het opwekken van religieuze gevoelens; op het onderscheid tussen agressieve ‘jagers’ en vreedzame ‘verzamelaars’; op de rol van godsdienst en priesters en de vraag naar de efficiëntie van het smeekgebed en offers. Zo komt hij als vanzelf uit bij Freud (Totem und Tabu), maar ook bij het gebruik van chemische middelen om het bewustzijn te manipuleren, zoals LSD en het nu massaal gebruikte Prozac. Wat Marx daarover zei is duidelijk: godsdienst is de opium van het volk. Het volk is zich daarvan echter veel minder van bewust dan degenen die het volk bewust de opium toedienen.

    In de achtste lezing gaat de auteur in op wat hij ‘misdaden tegen de Schepping’ noemt. Vetrekkend van de onooglijkheid en de kwetsbaarheid van de aarde, bespreekt hij eerst de mogelijkheid en de gevolgen van een natuurramp zoals de inslag van een grote komeet of een asteroïde, klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=429. In 1985, in volle, late Koude Oorlog, was de dreiging van de atoomwapens emotioneel veel concreter dan nu, hoewel het fysieke gevaar ervan vandaag niet minder is. Sagan is steeds een voorvechter geweest (als we dat woord mogen gebruiken) van de vernietiging van het militair nucleair materiaal in de wereld. Hij wijst erop dat geen enkele godsdienst zich met enige overtuiging heeft uitgesproken tegen het bestaan en het gebruik van atoomwapens, terwijl die toch de hele schepping kunnen vernietigen.

    Het laatste hoofdstuk is getiteld The Search, de zoektocht en handelt over de plaats van de mens op aarde en in de kosmos. Wij mensen beschikken over een verstand dat veel krachtiger is dan andere diersoorten. Wij zijn steeds op zoek naar inzicht, enerzijds in het groter geheel, het heelal en anderzijds naar inzicht in onszelf. De zoektocht naar wie en wat wij zijn stoot op weerstand doordat een groot deel van onze mentale activiteit onbewust is, spontaan, automatisch, oncontroleerbaar. Wij zoek naar waarheid, de waarheid en we bestrijden anderen die een andere waarheid nastreven of beweren gevonden te hebben. We bevechten elkaar op deze aarde, we trekken duidelijke grenzen tussen wij en zij, grenzen die vanuit de ruimte onzichtbaar zijn. De mensheid bedreigt zichzelf met algehele uitroeiing, bedreigt het milieu, bedreigt misschien, wellicht, het enige leven dat er in het heelal is. Wij hebben geen oog voor het groter perspectief, ruimtelijk en in de tijd, die al dertien miljard jaar loopt, grotendeels zonder de mens. Wij verdoen onze tijd met elkaar te bestrijden, meestal omwille van dwaze religieuze en ideologische overtuigingen, en de aarde in gevaar te brengen, terwijl we goed weten dat we zonder een gezond milieu niet kunnen bestaan. Waarom?

    Wij moeten leren lessen te trekken uit wat de mens is in het geheel der dingen.

    Deze samenvatting doet natuurlijk geen recht aan de spontaneïteit, de scherpzinnigheid, de humor en de overtuigingskracht van het boek van Carl Sagan, daarvoor moet je het maar zelf lezen en dat kan ik je alleen maar aanraden. Ik heb herhaaldelijk zitten denken, tijdens het lezen: ik wou dat ik die negen lezingen had kunnen bijwonen, toen in 1985! Hoe zou dat mijn leven ingrijpend veranderd hebben… Maar ik ben al blij dat ik het boek nu gelezen heb en dat ik het eventjes onder uw aandacht heb mogen brengen. Een zeer goed idee trouwens voor een mooi en zinvol eindejaarsgeschenk, voor uzelf of voor anderen; voor de prijs moet je het voorwaar niet laten.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:wetenschap
    25-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Secularism, Mike King
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het is voor een gewone burger soms moeilijk om de vrije markteconomie te begrijpen. Ik heb het nu niet over de vlucht van bedrijven naar lagelonenlanden: het onmiddellijk voordeel daarvan is ook voor een leek duidelijk. Nee, het zijn eerder kleine, onopvallende zaken die me intrigeren. Ik was op zoek bij Amazon, de grootste internetboekhandel ter wereld, naar boeken over, je raadt het nooit: atheïsme, secularisatie, ongeloof, vrijzinnigheid. Een trok mijn aandacht: Mike King, Secularism. The Hidden Origins of Disbelief, 323 pp., index, bibliografie, Cambridge, 2007. Maar nog meer dan de titel was het de prijs die me opviel: $52,50 doch afgeprijsd naar $1,67 en dat voor een nieuw boek. Bij het Britse filiaal kost het zelfde boek £25. Ik heb het besteld in Amerika, samen met nog enkele andere, zodat de verzendingskosten verspreid over drie of vier boeken bijna verwaarloosbaar waren. De auteur is Mike King, docent (computergrafiek, maar dat moet je wel even opzoeken) aan de London Metropolitan University. Het boek telt 323 pagina’s van vrij groot formaat, behoorlijk gebonden, met een slappe maar vrij stevige kaft en een knappe omslagfoto, waarop computergrafiek van de auteur leuk gecombineerd is met klassieke foto’s van Darwin, Marx en Freud. 

    Bij nader toezien merk je dat het niet om ‘echt’ professioneel drukwerk gaat: de inkt glanst, wat op een printer wijst; het zetwerk is verzorgd, maar mijn door jaren DTP geoefend oog ziet ook daar sporen van Word: de uitvulling is onregelmatig, de hoofdletters zijn te groot in vergelijking met de ‘kleine’ letters, de pagina’s ‘registreren’ niet: de lijnen waarop de letters van de woorden staan op de recto- en de versozijde van het blad komen niet overeen en dat geeft een grijze doorkijkschaduw tussen de regels.

    Wat de inhoud betreft: ik heb veel moeite gehad met dit boek. De reden is, dat je niet weet waar de auteur naartoe wil; ik denk dat hij het zelf ook niet weet. En nu ik het boek uit heb, weet ik het nog niet. Er is ondertussen een vervolg verschenen: Postsecularism: the Hidden Challenge to Extremism, ($52,50!), maar ik ben niet geneigd om het mij meteen aan te schaffen, misschien wel als het afgeprijsd wordt tot 1 dollar.

    De basisgedachte van het boek is niet echt origineel, maar best wel interessant. De recente opflakkering van atheïstische boeken richt zich vooral op het christendom, meer bepaald het katholicisme, nog meer bepaald het conservatief dogmatisch rooms katholicisme van de 19de eeuw en de overblijfselen en doorwerking daarvan in de 20ste en 21ste eeuw, om nog te zwijgen van de voorgeschiedenis: de ‘duistere’ middeleeuwen, de kruistochten en de Inquisitie. De auteur meent dat die boeken in de eerste plaats antiklerikaal zijn, veeleer dan atheïstisch. Zij verzetten zich tegen de uitwassen van de wereldse machtsstructuren van de katholieke kerk, tegen haar inmenging in de politiek, de maatschappij en de cultuur. Ook binnen de kerk is dat een constant proces sinds haar ontstaan. De auteur stelt dus dat daar niets verkeerds mee is, dat Richard Dawkins groot gelijk heeft met zijn kritiek, maar de verkeerde conclusie trekt: uit de vaststelling dat de kerk van Rome verkeerd bezig is, volgt nog niet dat God niet bestaat!

    Het boek is een omvangrijke poging om enerzijds atheïstische stellingen uit het verleden en het heden in die zin te analyseren en zo te ontkrachten, anderzijds een even ambitieuze inspanning om uit de geschiedenis van de filosofie (en de theologie) een andere religie te distilleren, of aanzetten en pogingen daartoe en ook een andere ‘God’ dan de ‘valse’ God die de atheïsten verketteren.

    Dat is inderdaad een best aardige gedachte, die we ook bij Ken Wilber lezen (klik hier: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=449263) en die ik hier al herhaaldelijk naar voren heb gebracht.

    Het beeld van God heeft door de eeuwen heen allerlei gedaanten aangenomen, in alle uitingen van de menselijke beschaving: het volksgeloof, de magie, de superstitie, de kunst en de literatuur, de theologie en de filosofie, de politiek… De huidige Catechismus van de Katholieke Kerk heeft vrijwel niets te maken met wat de ‘katholieke kerk’ gelooft en nauwelijks iets met wat ‘Rome’ zelf gelooft. Wie dus de strijd aanbindt met ‘God’, vecht tegen windmolens zoals Don Quichote, of tegen een Hydra: voor elke kop die je afhouwt, komen er twee in de plaats. God is zo overal, dat hij nergens is. Ieder heeft zijn hoogsteigen persoonlijk godje.

    Dat is één manier om het te bekijken. Daarmee gaan we evenwel voorbij aan het verschijnsel van de georganiseerde godsdiensten, die wel degelijk dogmatisch vastleggen wat men moet geloven en die daaraan ook streng de hand houden, of hielden. Antiklerikalisme mag men het best niet te nauw interpreteren: het is niet enkel een verzet tegen de onterechte inmenging van de kerk in het wereldse, maar ook het afwijzen van alle ondemocratische machtsstructuren binnen het instituut van de kerk zelf. Atheïsten zoals Dawkins zijn evenzeer gekant tegen de streng hiërarchische opbouw van de kerk en wat dat doet met mensen, bedienaars en gelovigen, als tegen de uitspraken van die kerk over maatschappij, moraal en samenleving.

    Het is echter zeer de vraag of we door een scherpzinnige analyse van de geschiedenis van de theologie, de filosofie en zelfs de hele beschaving tot een beeld kunnen komen van wat godsdienst zou zijn zonder de uitwassen, de aberraties, de misdaden, het machtsmisbruik, het geweld, de kathedralen, de kerken, de kloosters, de kunstschatten… Blijft er wel iets over? Mike King meent van wel en probeert dat krampachtig aan te tonen bij een hele reeks van auteurs, van het vroegste begin van het christendom tot op onze dagen. Hij verwijst ook voortdurend naar en gaat diep in op de Oosterse tradities: Boeddhisme, Taoïsme, Hindoeïsme, Zen.

    Maar het mag, wat mij betreft, allemaal niet baten. Zelfs als we een heel eind weegs gaan met de auteur, en daartoe zal elke lezer wel bereid zijn, ook deze, toch meen ik dat wat overblijft na het wegsnijden van alle gezwellen en aanwassen niets meer te maken heeft met wat men gemeenlijk verstaat onder God, god, godsdienst of religie.

    De geschiedenis (en het gezond verstand) leert ons dat alle pogingen om de kerk van binnen uit te hervormen faliekant aflopen: ze leiden tot bloedige vervolging, schisma, verdeeldheid en broedertwist, of ze worden in de kiem (en het bloed) gesmoord. En alle theologen zijn het erover eens: wie twijfelt aan de basisprincipes van ‘het geloof’: een persoonlijke God die zich via zijn kerk openbaart, ingrijpt in de wereld en goed en kwaad vergeldt, nu of later; een onsterfelijke ziel voor de mens en leven na de dood; wie daaraan ook maar enigszins twijfelt, die eindigt niet alleen buiten de kerk maar uiteindelijk als antiklerikaal atheïst, al dan niet virulent.

    Ook Mike King moet het toegeven: hier in het Westen is niemand, maar dan ook absoluut niemand van de lange rij auteurs die hij naar voren schuift, erin geslaagd om zelfs maar een aanzet te geven voor dat andere geloof, die andere ‘religie’, die andere ‘Ene’ of ‘…’. Er zijn enkel een aantal sekten en daarover valt even weinig goeds te zeggen als over de traditionele godsdiensten, en wel om identiek dezelfde redenen.

    In de ogen van de auteur vindt blijkbaar enkel de diepste westerse erotische mystiek en de meest verregaande oosterse meditatie genade. Ik deel zijn respect voor die oplossingen, maar ze zijn enkel weggelegd voor zeer uitzonderlijke persoonlijkheden en zelfs bij hen leiden ze vaker naar de waanzin dan naar de harmonie die ze zo vurig betrachten.

    Dit is een meestal boeiend boek, maar uiteindelijk is het teleurstellend. De auteur kan niet waarmaken wat hij belooft of toch nastreeft: aantonen dat er een alternatieve traditie is, of een mogelijkheid om iets tot stand te brengen dat het beste uit alle mislukte pogingen combineert. In feite maakt Mike King dezelfde fout als die hij de atheïstische auteurs van vroeger en nu aanwrijft: zij vergissen zich van vijand, door God aan te vallen en af te wijzen terwijl ze de misvattingen van de kerk op het oog hebben. Van zijn kant meent hij immers dat er onder al het belastende en betreurenswaardige van de concrete godsdiensten toch een zuivere kern van menselijke religiositeit schuilt, het sacrale, en dat er achter al de verkeerde godsbeelden toch muss ein lieber Vater wohnen.

    Hij kan of wil zich met andere woorden niet losmaken van de religieuze traditie, hij probeert ze te redden, kost wat kost. Maar hij vergist zich waar hij stelt dat de atheïsten geen oog hebben voor de ‘rest’, het residuaire dat hem zo na aan het hart ligt. Zo spreekt hij herhaaldelijk zijn verwondering uit over Dawkins’ onverbloemd ontzag voor de schoonheid van het universum; het is iets dat Mike King niet begrijpt, ook niet bij andere auteurs. Bij Antonio Damasio zou hij de oplossing kunnen vinden, maar zijn vooringenomenheid belet hem dat en dus breekt hij Damasio tot op de grond af.

    Is er iets anders dan het materiële? Maar natuurlijk! Alle atheïsten begrijpen dat, alleen Mike King en de fundamentalisten van alle slag niet. Het is nochtans niet moeilijk, vind ik. Kijk: onze gedachten gebeuren in onze hersenen, die intens en diep verbonden zijn met gans ons lichaam. Als je dus zegt dat die gedachten een fysieke gebeurtenis zijn, dan is dat juist: zonder die fysieke gebeurtenissen in onze hersenen zijn er namelijk geen gedachten. Damasio heeft overtuigend aangetoond dat beschadigingen van bepaalde hersencentra onvermijdelijk gevolgen hebben voor specifieke aspecten het denkvermogen (in de ruimste zin van het woord, dus inclusief de emoties). Maar geen enkele materialistische denker zal zeggen, zoals Mike King wel doet, dat de gedachten zelf in die veronderstelling ook materieel zijn. De hersenactiviteit is een tastbaar, meetbaar gebeuren, daarover is iedereen het eens. De meningen beginnen pas uiteen te lopen als we de inhoud, de betekenis van die hersenactiviteit gaan bekijken, voor de persoon in wie ze voorkomen, maar vooral ook als we de gevolgen van die denkactiviteit bekijken in het gedrag van de persoon en de invloed die hij of zij daardoor heeft op zijn of haar omgeving.

    Hersenactiviteit alleen, als een reeks elektrochemische verschijnselen, heeft geen enkele betekenis op zich. Er moet een persoon aan te pas komen voor wie die flitsen een concrete betekenis krijgen in zijn handelen. Wanneer een persoon ophoudt hersenactiviteit te vertonen, verklaren we hem of haar (hersen-)dood. Hersenactiviteit zonder een persoon die ze beleeft, is onmogelijk, zo stelt Damasio zeer duidelijk. Er is dus geen tweedeling, op geen enkele manier. Wie denkt, leeft, wie leeft, denkt en wie niet, niet.

    Er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat Dawkins, Dennett en anderen pure materialisten zijn, zoals Mike King blijkt te denken. Onze genen bepalen niet, echt niet wat we denken en doen, dat zegt ook Dawkins herhaaldelijk heel duidelijk. Wij zijn geen machines, dat is niet de pointe van het atheïsme. Hoe kan je overigens van ronduit geniale auteurs als Dawkins en Dennett, maar zeker van Stephen Hawking en zelfs van Darwin en Einstein zeggen dat ze ‘pure materialisten’ zijn? Kan een louter fysiek brein als in een soort stream of unconsciousness, volledig gedetermineerd door het verleden en de omgeving, zomaar gedachten genereren als die van deze genieën? Waarom gebeurt het dan precies bij hen (en niet bij Mike King)?

    De fundamentele vergissing van Mike King blijkt in zijn formele verwerping van de (klinisch ondersteunde) bevindingen van mensen als Antonio Damasio. Er is wel degelijk een wereld van onze hogere geestelijke vermogens, daar twijfelen ook de ‘materialisten’ niet aan, noch de atheïsten. Maar die wereld is onlosmakelijk verbonden met mensen, met hun lichaam, inzonderheid hun hersenen. De mens is zo geëvolueerd; zijn proportioneel buitenmaatse hersenen hebben ons gaandeweg een evolutionair voordeel bezorgd en dat is duidelijk te merken hier op aarde. Maar er is geen enkele reden om te spreken van een hogere dimensie, om met andere woorden de wereld van de gedachten, de gevoelens, de emoties in de meest ruime zin, los te maken van het materiële: zonder de materiële hersenen is er geen hogere dimensie, punt uit. Er valt dus niets te zoeken achter, boven of onder de mens en zijn gedachten, er is geen spirituele nevenwereld, geen bovennatuurlijke wereld, geen hiernamaals, geen hemel en geen hel en ook geen God, god of ‘…’.

    Er valt dus niets te ‘redden’. Kunst is kunst, het is geen dimensie van ‘het religieuze’. Dat geldt ook voor literatuur, wetenschap, filosofie en ‘theologie’ (die dan godsdienstwetenschap wordt), poëzie, mystiek, meditatie, naastenliefde, erotische liefde, maatschappelijk engagement en wat nog meer: die zijn allemaal wat ze zijn en geen uitdrukking van iets anders, iets ongrijpbaars, iets heiligs, sacraal.

    Maar het is niet omdat we God en godsdienst verwerpen als op zijn minst nutteloze en op zijn slechtst schadelijke menselijke ideeën, dat er geen plaats is voor al die diepste kenmerken van ons menselijk bestaan die we zojuist opgesomd hebben. Er is geen enkele reden waarom materialistisch evolutionaire atheïsten geen poëzie zou kunnen smaken of schrijven, waarom zij hun medemens minder graag zou zien, waarom zij niet zouden kunnen verliefd worden, trouw blijven of juist niet, waarom ze niet zouden kunnen mediteren, of aan filosofie en zelfs theologie doen. Integendeel: het is mijn heilige overtuiging dat ze dat des te beter kunnen doen in de mate dat ze zich hebben bevrijd van alle onredelijk bijgeloof in bovennatuurlijke krachten en wezens. Atheïsme, Darwinisme, Freud en de evolutionaire psychologie, wetenschappelijk materialisme zijn niet de oorzaak van de secularisatie, de ontkerkelijking of de ontheiliging, the disenchantment van de wereld, ze zijn integendeel zelfs de enige garantie daarvan. De secularisatie, de profanatie en de verregaande banalisering van de wereld is veeleer het resultaat van religies die op stupide waanbeelden berusten.

    Immers, wanneer mensen ontdekken dat hun geloof alle redelijke grond mist, zijn er drie mogelijkheden. Ofwel wordt men totaal onverschillig en geniet van het leven zonder omzien, zoals de overgrote meerderheid van de mensen; ofwel denkt men na, geniet bewust van het leven in volle respect voor de medemens en het milieu, zoals een veeleer kleine minderheid doet; ofwel verheft men de eigen religie tot godsdienstwaanzin en religieus terrorisme. Het is zeer te hopen dat die laatste groep niet weer groter wordt, maar steeds kleiner.

    Laatst vroeg een Vlaamse krant de lezers om zich uit te spreken over de vraag of er een God is die het Universum heeft geschapen. Van de meer dan 21.000 antwoorden zijn er 76% negatief, 24% positief. Wetenschappelijk is zo’n krantenpoll niet, maar ik was toch blij dat het resultaat niet net andersom was.

     

     

    Postscriptum: zoals wel meer auteurs die nooit Latijn geleerd hebben, slaat Mike King flagrant de Bal mis in die taal. Maar zelfs als je geen woord Latijn kent, zou je moeten weten dat Descartes spreekt over res cogitans en res extensa, en niet het door Mike King telkens weer schaamteloos herhaalde gruwelijke res extensans.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    16-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Don Cupitt en de toekomst van religie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Don Cupitt, After God. The Future of Religion, Weidenfeld & Nicolson, 1997, Phoenix Paperback 1998, xv + 143 pp., Bibliography, Index. £ 6,99, tweedehands gekocht voor € 3.

    Don Cupitt (°1934) is een buitenbeentje. Zoals hij in de inleiding tot dit boekje zelf zegt: In 1952 I left an English boarding school and entered Cambridge University to study Natural Sciences. Within weeks I was converted to Christianity, and in just under seven years I was ordained into the ministry of the Church of England.

    Hij studeerde ook nog theologie en godsdienstfilosofie. In 1965 werd hij fellow en Dean of Emmanuel College, Cambridge. In 1968 kreeg hij een leeropdracht Godsdienstfilosofie aan de Universiteit, een functie die hij bekleedde tot in 1996, toen hij ontslag nam om gezondheidsredenen. Vanaf dan kreeg hij een Life Fellowship in zijn college. Hij is getrouwd, drie kinderen, vijf kleinkinderen. Hij begon te publiceren rond 1970, maar werd vooral bekend door drie BBC televisieprojecten: Open to Question (1973), Who was Jesus? (1977), and The Sea of Faith (1984).

    In 1980 verscheen zijn meest controversiële boek: Taking Leave of God. Dat betekende het einde van zijn officiële carrière binnen de Anglicaanse kerk. Vanaf 1990 ging hij niet meer voor in de eredienst en in 2008 beëindigde hij officieel zijn lidmaatschap van de Anglicaanse kerk.

    Waar hij aanvankelijk nog bekend stond als een zeer radicale Anglicaanse theoloog en godsdienstfilosoof, werd hij gaandeweg in de pers en in zijn eigen kerk bestempeld als een atheïst. Hijzelf is steeds blijven ijveren voor een radicaal herdenken van de christelijke leer en de theologie, aan de hand van een godsdienstfilosofie die rekening houdt met de algemeen verspreide opvattingen van de moderne mens: het verlies van het geloof in buitenwereldse wezens en in een God die tussenkomt in het leven van de mensen en het aanvaarden van wetenschappelijke verklaringen van alle verschijnselen.

    Dit boekje is een vlijmscherpe analyse van de overgang die de meesten onder ons hebben meegemaakt vanaf de jaren 1960: het strenge geloof waarin we zijn opgevoed verloor op korte tijd alle aantrekkingskracht en sloeg om in een algehele onverschilligheid of zelfs vijandigheid tegenover de vroegere religieuze overheersing. Dat leidt de auteur niet tot de conclusie dat godsdienst, religie zinloos zou zijn. De argumenten die hij aanhaalt om te komen tot een nieuwe ‘godsdienst’ zijn echter verre van overtuigend en hebben ook in de praktijk niet geleid tot een beweging van enige omvang in die richting. Laten we even stilstaan bij wat hij ziet als elementen van die vernieuwing.

    Om te beginnen moeten we vaststellen dat Cupitt niet meer gelooft in het bestaan van een persoonlijke, bovennatuurlijke scheppende God of in Jezus als een van de drie goddelijke personen. Ook het hiernamaals, waarin de goeden zullen beloond worden en de kwaden bestraft, behoort niet meer tot zijn geloof. Dat leidt tot paradoxale uitspraken, zoals: I actually think I love God more now that I now that God is voluntary. I still pray and love God, even though I fully acknowledge that no God actually exists. Perhaps God had to die in order to purify our love for him. I am seriously suggesting that one can still love God after the death of God. (p. 85)

    Om dat enigszins begrijpelijk te maken, gebruikt hij een wel zeer merkwaardige vergelijking (p. 84): mannen begrijpen niets van vrouwen en leggen zich daar ook bij neer. Vrouwen daarentegen hebben mannen helemaal door; zij zijn zich bewust van hun impact op mannen, hoe mannen op hen reageren. A man’s being around makes woman more alert and self-aware, so God’s being around made the Western believer much more vigilant and self-conscious. Man’s being around makes woman think about how she appears in his eyes, and God’s being around made the believer wonder: “How do I appear in his all-seeing Eye?”

    Behalve een onmogelijke seksistische redenering is dit ook een heel flauwe. Het alziend oog van God is zoals de blik van de man die de vrouw op zich gevestigd voelt. Als godsbewijs is dit wellicht het meest dwaze dat ik in jaren gelezen heb, ware het niet dat Cupitt nog een tweede voorbeeld in petto heeft: in bepaalde vormen van psychotherapie zegt de therapeut helemaal niets. Hij zit daar, met een donkere bril op en geeft op geen enkel ogenblik ook maar enigszins te kennen dat hij zich bewust is van de aanwezigheid van de patiënt. Er zou evengoed een mannequin kunnen zitten. En toch werkt het: de patiënten beginnen uiteindelijk te praten. Zo dus ook God: hij zwijgt, reageert niet, en toch blijven de mensen bidden en aanbidden. Dat is wat Cupitt zegt: er is geen God, maar laat ons doen alsof er een is, dat helpt. Er hoeft geen God te zijn om een religie te hebben, de liturgie kan gewoon doorgaan, de kerk kan rustig verder bestaan, de heiligenverering evenzeer…

    Ik vraag me af of dat werkelijk zo is, zeker op termijn. Ik weet het wel: de meeste gelovigen zijn helemaal niet zeker of zelfs op de hoogte van al de belangrijkste geloofspunten en ze liggen daar ook niet van wakker; ze blijven kerkelijk op een zeer oppervlakkige manier. Ik ken ook enkele intellectuelen die filosofisch gezien glasheldere atheïsten zijn, maar toch kerks blijven, uit gewoonte of zelfs omdat ze de liturgie en het toebehoren tot een (verdwijnende) gemeenschap nu eenmaal ‘aangenaam’ vinden. Maar dat kan moeilijk blijven duren, meen ik. Vanaf het ogenblik dat de kerk zelf zou beginnen toegeven dat het hele christelijk verhaal niet meer is dan dat: een verhaal(tje), een allegorie, een metafoor, dat er echt geen God bestaat, dat Jezus wellicht niet echt geleefd heeft en zeker geen God is, dat de Heilige Geest maar een symbool is, dat we niet echt een onsterfelijke ziel hebben, dat Maria en de heiligen niet voor ons kunnen tussenkomen bij God, dat bidden niet helpt, dat er geen hemel en geen hel is, dat God (aangezien hij niet bestaat) ook geen ene moer om ons geeft…

    Zouden de mensen dan nog naar de kerk gaan en bidden: Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij uw naam, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel? Wat denk je? Dit is wat Don Cupitt zegt: Love for a God who is dead is a very pure – and religious – kind of love. Het is mogelijk dat een of andere mystieker dat begrijpt, maar als je daarop een kerk moet bouwen, dan vrees ik voor het succes bij de gewone mens.

    Een tweede principe, naast de onbestaande maar functionele God, is the Blissful Void, de Gelukzalige Leegte. Het is wellicht het oceanisch gevoel dat Freud zo goed beschrijft, een overweldigend gevoel van zweverigheid dat de mens bekruipt wanneer hij beseft dat er geen God is, geen zekerheid, dat niets vastligt, dat alles in vraag gesteld kan worden, dat een mens niets is in een onmetelijk en eeuwigdurend universum. Cupitt: the Blissful Void, sunyata, can thus replace the old metaphysical God (p.  89). Zonder commentaar.

    Het derde principe is Solar Living (ibid.). Wij moeten niet ordelijk leven, als kruideniers, maar we moeten worden als de zon, één bol energie die zich op elk ogenblik helemaal geeft in sublieme intensiteit, zonder zich in te houden, zonder te denken aan morgen of aan het zelfbehoud…Cupitt: That is solarity – to live by dying all the time, heedless, like the sun and in the spirit of the Sermon of the Mount. Solar ethics is a radically emotivist and expressionist reading of the ethics of Jesus. (p. 90)

    Gelukkig is niet alles in dit boekje zo, hoe zal ik zeggen, poëtisch? Cupitt zelf spreekt ook van een poëtische theologie, die de filosofische moet vervangen, van artistiek en esthetisch denken in plaats van metafysisch. Bij mij slaat dat niet aan, helaas. Niet dat ik niet poëtisch ben, of artistiek, dat hoop ik althans: ik ken weinig mensen die zoveel poëzie lezen als ik, die zoveel naar muziek luisteren, die zoveel belangstelling hebben voor het esthetische. Maar men moet de dingen niet door elkaar halen, vind ik. Als wij ons voor de grote levensvragen gaan baseren op poëtische en esthetische gronden, op ingevingen, op aanvoelen, enthousiasme, melancholie en wanhoop, dan belanden we bij romantische schwärmerei, in het beste geval, of bij de excessen van de nationalistische dictaturen van de eerste helft van de 20ste eeuw in het slechtste.

    Lees dit boekje dus voor de ongemeen scherpe maar lucide kritiek op het oude geloof, maar verwacht niet al te veel van de suggesties die Don Cupitt aanreikt voor de vernieuwing. Ik deel nochtans zijn bezorgdheid, vertolkt in de laatste regels van zijn boekje. Nu we zien hoe het christendom een ware implosie meemaakt, moeten we ons zeer ernstig de vraag stellen: wat nu? Is het voldoende dat het Christendom en het Jodendom al vrijwel verdwenen zijn, moeten we ook rekenen op een spoedige modernisering van de Islam, en ligt er dan een nieuwe wereld blakend voor ons open, bevrijd van alle kluisters? Of moet er iets in de plaats komen, een religie in de stijl van Cupitt, of van oosterse ‘religies’?

    Ik vermoed dat voor mensen van onze generatie een overgangsregeling nuttig kan zijn. Wij zijn nu eenmaal zo opgevoed, geconditioneerd, dat wij een blijvende nostalgie voelen naar het religieuze. Ik denk dat het slechts enkelingen gegeven is om zich daarvan nu al helemaal los te maken, mentaal en in de praktijk. De echte vraag is hoe de volgende generaties het zullen doen, die de disciplinaire, totalitaire godsdienst van onze jeugd niet meegemaakt hebben. Zullen zij rustige ongelovigen, atheïsten worden, zoals in de meest ontwikkelde landen in de praktijk al het geval is? Of maken fundamentalisten, christelijke, joodse of moslim, of scientologische, nog enige kans op spectaculair succes, op een heropleving van het oude geloof?

    Ik denk het niet. De klok kan niet teruggedraaid worden.

     

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    23-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Sir Leslie Stephen, An Agnostic's Apology
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Enkele weken geleden besprak ik hier Varieties of Unbelief van Susan Budd, klik hier voor de bespreking: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=697991. In het verhaal dat zij vertelt over ongeloof en atheïsme in Engeland van 1850 tot 1960, speelt de RPA een belangrijke rol, the Rationalist Press Association. Zij verzorgden de uitgave, tussen 1929 en 1951, van de befaamde Thinker’s Library, een reeks van 140 vrijzinnig-humanistische en wetenschappelijke publicaties in een handig klein formaat, voor een zeer bescheiden prijs: één shilling, 1/20 van een pond. Meestal waren het heruitgaven van bekende werken of verzamelingen van tijdschriftenartikels, bestemd voor het grote publiek. De uitgever was Watts, de naam van een hele familie van vrijdenkers en drukkers van freethought publicaties. Je vindt de volledige lijst van de Thinker’s Library op Wikipedia.

    Een naam die vaak verschijnt in de bibliografieën van (ook recente) werken over vrijzinnigheid en atheïsme is Leslie Stephen. Bij ons is die naam zo goed als onbekend, vrees ik, behalve als de vader van Virginia (nee Stephen) Woolf. Nochtans was Vader Leslie Stephen in zijn tijd veel bekender dan zijn dochter ooit geworden is.

    Sir Leslie Stephen, KCB (1832-1904) werd geboren in een voorname familie van christelijke sociale hervormers. Hij studeerde aan Eton College, King’s College London en Trinity College, Cambridge. Na zijn studies bleef hij gedurende geruime tijd lecturer and fellow van zijn College. Hij trouwde een eerste keer met Harriet Marian, de dochter van Willam Makepeace Thackeray, de auteur van onder meer Vanity Fair en The Luck of Barry Lyndon. Hij had met haar een dochter, Laura Makepeace Stephen (1870-1945). Na de dood van Harriet huwde hij Julia Prinsep Jackson (1846-1895). Met haar had hij vier kinderen: Vanessa (1879-1961), die trouwde met Clive Bell, een van de figuren van de Bloomsbury Group; Thoby (1880-1906); Virginia (1882-1941), de echtgenote van Leonard Woolf, zelf ook auteur, uitgever (The Hogarth Press, tot aan haar dood samen met Virginia), politiek analist en kunstcriticus; Adrian (1883-1948), ook een bekend lid van Bloomsbury en een van de eerste psychanalisten (of psychoanalytici) van Groot-Brittannië.

    Rond 1850 begon Leslie Stephen samen met zijn broer James les te geven aan The Working Men’s College, het eerste programma voor navorming van volwassenen, waar heel wat vertegenwoordigers van het vroegste socialisme doceerden voor eenvoudige lieden.

    Rond 1865 had hij zijn Anglicaans geloof vaarwel gezegd en begon een carrière als journalist, later ook als uitgever van een tijdschrift, The Cornhill Magazine (1860-1975). In zijn vrije tijd was hij een verwoed alpinist; hij beklom als eerste verscheidene Europese bergen, was een van de eerste voorzitters van de Alpine Club en publiceerde in 1871 The Playground of Europe, een klassieker over het bergbeklimmen als sport. Hij schreef twee belangrijke filosofische werken: The History of English Thought in the Eighteenth Century (1876/1881), wat hem het lidmaatschap opbracht van de befaamde Athenaeum Club, en The Science of Ethics (1882). Dit laatste werk werd onmiddellijk een erkend handboek en maakte van de auteur de meest bekende Britse voorstander van evolutionaire ethiek aan het einde van de 19de eeuw. Leslie Stephen was de eerste editor (1885-91) van de DNB, de Dictionary of National Biography, die nu nog steeds bestaat en die in 2004 nog eens helemaal werd uitgegeven als The Oxford Dictionary of National Biography in niet minder dan 60 delen…

    Sir Leslie Stephen was dus professor of don in Cambridge, een vooraanstaand geleerde, een uitstekend sportman, een bekende publieke figuur, een vermaard journalist en uitgever. De vermelding KCB bij zijn naam verwijst naar de adellijke eretitel die hij wegens zijn verdiensten kreeg: Knight Commander of the Bath.

    Leslie Stephen was ook een vrijdenker. In 1873 verscheen van hem Essays on Free Thinking en Plain Speaking, waarin hij zijn ‘agnostische’ opvattingen voor het eerst duidelijk uiteenzet. In 1893 verscheen van zijn hand An Agnostic’s Apology, een verzameling van eerdere bijdragen in tijdschriften en lezingen. Wij moeten apology hier begrijpen, niet als ‘verontschuldiging’, maar in de klassieke betekenis van apologie, een belijdenis van de eigen overtuiging, zoals Plato’s bekende apologie van Socrates, een verweerschrift tegen beschuldigingen, meestal in religieuze kwesties.

    Agnostic vraagt eveneens enige toelichting. Vaak denkt men dat het agnostische standpunt wat milder is dat het nog steeds gehate ‘atheïst’. Men moet daarbij bedenken dat wanneer een agnosticus stelt dat wij over God of het hiernamaals niets kunnen weten, dat onvermijdelijk betekent dat God of godsdienst ook helemaal niets betekent voor de agnosticus in kwestie, behalve dan als historisch of sociologisch verschijnsel. In die zin is het onderscheid tussen een agnost en een atheïst in de praktijk verwaarloosbaar.

    Ik had het geluk via Amazon een exemplaar te vinden van Leslie Stephens An Agnostics Apology, uitgegeven als nr. 19 in The Thinker’s Library door Watts’ Rationalist Press Association, 2de editie, 1937. De eerste editie was in 1931. Al de deeltjes zijn uitgegeven als klein-formaat hardcovers in de typische bruine clothette kaft, een stevig namaak linnen, met zwarte opdruk en een afbeelding van Rodins ‘Denker’ op de voorpagina en de rug. Mijn exemplaar was beschreven als een eerste editie en gaaf; bij aankomst bleek het dus een tweede editie met ernstige waterschade aan de kaft en een gescheurde rug… Na een mailtje daarover naar de verkoper kreeg ik zowel de kostprijs van het boekje als de verzendingskosten volledig terugbetaald: prima service. Ik heb de rug zo goed als mogelijk hersteld en een net bordeaux leeslintje in de rug gekleefd. De tekst zelf was zuiver, gedrukt op goed papier, nauwelijks vergeeld, een klare en niet te kleine letter. Ik vond slechts één zetfoutje: immortality voor immorality (p. 179).

    Dit zijn de titels van de afzonderlijke essays:

    An Agnostics Apology (p. 1)

    The Scepticism of Believers (27)

    Dreams en Realities (55)

    What is Materialism? (81)

    Newman’s Theory of Belief (107)

    Toleration (153)

    The Religion of All Sensible Men (205-231).

     

    Ik zal aan de verleiding weerstaan om hier samenvattingen neer te pennen van deze briljante essays. Ze zijn geschreven in een voorbeeldig verstaanbaar, zakelijk maar beeldend Engels, een plezier voor de geest, zowel door de methodische opbouw als door de sierlijke taal. Wat me vooral verraste was de sprankelende moderniteit van deze essays uit 1893, waarvan sommige zelfs nog enkele jaren ouder zijn, dus meer dan 120 jaar geleden geschreven. Het is totaal onmogelijk om dat te merken. Recente heruitgaven van deze teksten kunnen zonder meer voor de lezer die niet vertrouwd is met de geschiedenis en die de datum van de eerste publicatie over het hoofd ziet, als hedendaagse teksten overkomen. Probeer dat eens met een Nederlandse tekst uit 1886…

    Een ander opvallend kenmerk van deze essays is hun rustige overtuigingskracht, gesteund op zelfzekere levenswijsheid en een grondige vertrouwdheid met de problematiek van godsdienst en atheïsme. Toen ik enkele jaren geleden Richard Dawkins’ The God Delusion las, was dat voor mij een openbaring. Ik heb sindsdien al tientallen andere publicaties gelezen en hier besproken rond deze problematiek.

    Deze essays behoren tot het beste wat ik al gelezen heb; ze bevatten veel van de argumenten die in hedendaagse werken als (min of meer) origineel naar voren gebracht worden.

    Een van de meest bittere verwijten die ik mijn katholieke opvoeders toestuur, is dat zij de ongemeen rijke alternatieve traditie van agnosticisme, atheïsme of hoe je het verder ook noemen wil, zo angstvallig voor ons verborgen hebben gehouden. Ik heb in mijn leven vele honderden boeken gelezen, maar het is pas nu ik gepensioneerd ben dat ik eindelijk aansluiting vind bij de talloze vrije geesten die ons zijn voorafgegaan, zij het niet zonder bijzonder hardnekkige inspanningen van mijn kant en zeker niet geholpen door enige aanmoediging vanuit mijn directe omgeving of de algemene ‘cultuur’ van onze tijd, zeker in Vlaanderen.

    Ik hoop dat ik door bijdragen als deze hier en daar toch iemand ertoe aanzet om eens iets te lezen van waarlijk opmerkelijke auteurs zoals deze Sir Leslie Stephen, KCB. Als je je geroepen voelt, zal je net zoals ik enige inspanningen moeten doen: in de openbare bibliotheken van Vlaams-Brabant vond ik niet één boek van hem; de Leuvense Universiteitsbibliotheek heeft een tiental titels, niets in het Nederlands. Zelf heb ik ondertussen zijn Essays on Free Thinking and Plain Speaking besteld; zijn filosofische werken ontleen ik wel in de Universiteitsbibliotheken; als ze me evengoed bevallen, kan ik ze nog altijd aankopen.

    Het leven van de nieuwsgierige lezer is vol verrassingen. Soms valt een boek behoorlijk hard tegen, zoals laatst nog het verslagboek van een Romeins colloquium over ongeloof. Maar ik kijk met zeer veel genoegen terug op de talrijke boeken die ik de laatste vijf jaar gelezen heb. Ze hebben mijn intellectuele horizon onnoemelijk veel breder gemaakt en mijn nog evident nog steeds beperkt inzicht in wat het is mens te zijn, toch grondig verdiept. Ik ben blij dat ik die jaren op die manier heb ingevuld. Ik koester innige gevoelens van intense dankbaarheid jegens de auteurs, van wie velen lang dood zijn en vergeten, die de intellectuele moed hebben gehad om zich eerlijk vragen te stellen over de essentie van ons bestaan en die hun openhartige antwoorden, ook als ze storend waren of zelfs onaanvaardbaar voor hun omgeving en levensgevaarlijk voor de auteur zelf, toch onbevangen en vrijmoedig aan ons hebben overgeleverd.

    Dit onooglijke boekje uit 1937, nummer 19 uit de volkse Thinker’s Library, met zijn beschadigde band en verkleurde rug, krijgt zo lang ik leef een ereplaats op mijn boekenrekken.




    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme
    15-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.15 augustus, Maria ten hemel opgenomen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    15 augustus. In mijn jeugd was dat een van de belangrijkste hoogdagen van het (kerkelijk) jaar, een vrije dag als het niet op een zondag viel zoals vandaag. De kerk viert dan de ten hemel opneming van Maria, de moeder van Jezus. Laten we daar even bij stilstaan, want evident is dat toch niet.

    Maria heeft steeds een speciale plaats ingenomen in de kerkelijke tradities en in de leer. Zij kan immers, als moeder van Jezus en dus moeder van God, geen gewone mens zijn. Vandaar dat zij niet op de normale manier zwanger is geworden, maar ‘ontvangen is van de Heilige Geest zonder menselijk zaad’ (concilie van Lateranen, 649). Zij is dus maagd gebleven en toch ook moeder geworden.

    Een heel andere zaak is haar onbevlekte ontvangenis; dit heeft niets met haar maagdelijkheid te maken, zoals men meestal denkt, maar met de erfzonde; iedereen is met de erfzonde geboren, zegt de kerk, maar dat kan onmogelijk voor Maria gelden. Zij is dus ‘onbevlekt ontvangen’, ze is was zonder de erfzonde vanaf het eerste ogenblik dat ze in de schoot van haar moeder kwam. Ook tijdens haar leven heeft ze nooit gezondigd. Dit dogma dateert van 1854.

    Maria was een sterfelijke vrouw. Over haar geboorte en dood staat er niets in de Bijbel, wel in de zogenaamde apocriefe literatuur, geschriften die door de kerk niet als authentiek erkend zijn. Maar ook na haar dood moest ze een speciaal statuut krijgen. De kerk heeft haar steeds vereerd als heilig, maar het is pas in 1950 dat Pius XII het dogma afkondigde van haar ten hemel opneming.

    Wat moeten we daaronder verstaan?

    ‘Tenslotte is de onbevlekte Maagd, gevrijwaard van iedere smet van de erfzonde, na het voltooien van haar aardse levensloop, met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid opgenomen en door de Heer verheven tot koningin van het heelal om zo gelijkvormiger te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de overwinnaar van zonde en dood.’ (Lumen Gentium, 59)

    Dit is een uitspraak over een historisch en fysiek feit: het sterfelijk lichaam van Maria is niet hier op aarde gebleven en vergaan, maar is opgenomen in de hemel, samen met haar ziel. Dat is vreemd. De hemel is geen plaats, die bestaat niet ‘ergens’, althans niet volgens onze menselijke normen. De hemel is de “plaats eigen aan God”, waar ook de ‘geestelijke schepselen’, de engelen zich bevinden. Ook Jezus is ten hemel opgestegen en “zetelt daar aan de rechterhand van zijn Vader”; verder is daar uiteraard ook de Heilige Geest.

    Jezus is een speciaal geval: als ‘God’ is hij eeuwig, heeft altijd bestaan en zal altijd bestaan, maar als mens is hij geboren en gestorven. Hij is met zijn sterfelijk lichaam teruggekeerd naar de Vader.

    Maria is nog meer bijzonder: zij is een sterfelijke vrouw, geen God. Toch acht de kerk haar zo speciaal dat men zegt dat zij, zoals Jezus, ook naar de hemel is gegaan na haar dood en zoals Jezus, met haar lichaam.

    De hemel, als een louter geestelijke plaats, bevat dus ook twee ‘lichamen’, die ooit sterfelijk waren, maar die nu ‘verheerlijkt’ zijn, zodat ze nu onsterfelijk en onvergankelijk zijn. Wat we ons daarbij moeten voorstellen, weten we niet: het is een mysterie. Enerzijds verdwijnt het fysieke lichaam, wordt het onttrokken aan alle aards verval; anderzijds kan het niet als sterfelijk, zichtbaar, verouderend &c. lichaam in de hemel aanwezig zijn, en dus moet het een fundamentele verandering ondergaan. Zo is ook onze eigen onsterfelijkheid een mysterie. Ook wij zullen ooit met ons (verheerlijkt) lichaam verrijzen, op de jongste dag. Dat is de Blijde Boodschap: er is een leven na dit leven voor iedereen, of althans voor al wie een deugdzaam leven heeft geleid, want er zal ook een oordeel geveld worden.

    Dat de kerk nog in 1950 een dergelijke uitspraak kon doen en dat zij die volhoudt tot op de dag van vandaag als een essentieel geloofspunt, dat is bevreemdend en kras. Het is een stellingneming over een feit: het lichaam van Maria is verdwenen, er zijn geen fysische resten van haar hier op aarde achtergebleven, het is echt weg. Men heeft echter geen enkele historische grond voor dat ‘feit’. Jezus is na zijn dood herhaaldelijk met zijn lichaam verschenen en uiteindelijk voor de ogen van zijn apostelen ten hemel gestegen (Handelingen, 1), Paulus steunt zijn hele geloof op het getuigenis van die gebeurtenissen (1 Kor, 15): als Jezus niet verrezen is, heeft het geloof geen zin.

    Voor de ‘verrijzenis’ van Maria zijn er echter geen getuigen, het getuigenis dat er was, heeft de kerk verworpen als apocrief, onbetrouwbaar. Het is dus een veronderstelling. Haar verrijzenis heeft ook niet het uitzonderlijk belang dat Paulus aan de verrijzenis van Jezus toeschrijft: het geloof heeft nog altijd zin, ook als men niet gelooft dat Maria met haar lichaam in de hemel is. Maar na 1950 staat het de gelovige katholieken niet meer vrij om daaraan te twijfelen: het is een dogma, een noodzakelijk geloofspunt; wie dat niet gelooft, is een ketter en kan de hemelse zaligheid niet bereiken.

    De ten hemel opneming van Maria is een van die aberraties van theologen en kerkelijke leiders, een vrome wilde waanidee, gesteund op overtuigingen, niet op feiten. Het is iets onbegrijpelijks, omdat het twee werelden vermengt: de fysieke wereld hier op aarde en een transcendente hogere wereld, de hemel, waar fysieke dingen niet bestaan. Men kan zich nog proberen te redden door te zeggen dat het de ‘verheerlijkte’ lichamen zijn van Jezus en Maria die zich in de hemel bevinden. Maar wat is die verheerlijking? Er is iets fysisch gebeurd met die echt wel dode lichamen bij de verheerlijking, want zij zijn integraal verdwenen van de aarde. Welk fysisch proces heeft zich dan voltrokken? Wat zal er met onze totaal vergane en verspreide lichamen gebeuren bij de verrijzenis? Dat is een mysterie…

    Het zijn dergelijke onnodige ‘mysteries’ die het kerkelijk geloof zo onaantrekkelijk maken voor de gewone mens en voor de nuchtere intellectueel. Als men Maria wil eren als de menselijke moeder van Jezus, is dat nog goed te begrijpen. Als men dat wil doen door haar een speciale status te geven en dat uit te drukken in menselijke beelden, legenden en tradities, tot daar nog aan toe. Moeilijker wordt het als men allerlei mirakels aan haar gaat toeschrijven, tot op deze dag.

    Maar waarom zo insisteren op het feit van haar maagdelijke geboorte, terwijl men daarvan geen enkel bewijs heeft? Het zijn twee zinnetjes die enkel bij Lukas en Matteus voorkomen en die slechts een verwijzing zijn naar een profetie van Isaiah (7, 14), niet voor het begin van onze tijdrekening maar voor de tijd van koning Achaz. Waarom stellen dat zij zonder erfzonde geboren is en nooit gezondigd heeft, terwijl de erfzonde een theologische veronderstelling is, steunend op Paulus, maar uitgewerkt door Augustinus en later door Thomas? Waarom beweren dat zij nooit gezondigd heeft, terwijl men daarover toch helemaal niets weet? En waarom, in 1950 nota bene, een fysieke onmogelijkheid tot onaanvechtbaar dogma verheffen, zonder dat dit enig nut of voordeel biedt voor de verbreiding van het geloof, maar een zoveelste steen des aanstoots is voor elk nadenkend mens?

    Het was een van de laatste stuiptrekkingen van een uitzinnig triomfalistisch katholicisme: het beeld van de Moeder Gods, zetelend naast haar Zoon, gekroonde koningin van het heelal voorwaar, gelijkvormig aan haar Zoon, nog net geen vierde persoon van de Goddelijke Eenheid, Heilige Maria, Heilige Moeder van God, Heilige Maagd der maagden, Moeder van Christus, Moeder van de Kerk, Moeder van de goddelijke Genade, Allerreinste Moeder, Zeer kuise Moeder, Maagdelijke Moeder, Onbevlekte Moeder, Beminnelijke Moeder, Bewonderenswaardige Moeder, Moeder van goede raad, Moeder van de Schepper, Moeder van de Zaligmaker, Aller-voorzichtigste Maagd, Eerwaardige Maagd, Lofwaardige Maagd, Machtige Maagd, Goedertieren Maagd, Getrouwe Maagd, Spiegel van gerechtigheid, Zetel van Wijsheid, Oorzaak van onze blijdschap, Geestelijk vat, Eerwaardig vat, Heerlijk vat van godsvrucht, Mystieke roos, Toren van David, Ivoren toren, Gouden huis, Ark van het verbond, Deur van de hemel, Morgenster, Heil van de zieken, Toevlucht van de zondaren, Troosteres van de bedroefden, Hulp van de christenen, Koningin van de engelen, Koningin van de aartsvaders, Koningin van de profeten, Koningin van de apostelen, Koningin van de martelaren, Koningin van de belijders, Koningin van de maagden, Koningin van alle heiligen, Koningin zonder erfsmet ontvangen, Koningin in de hemel opgenomen, Koningin van de heilige rozenkrans, Koningin van het gezin, Koningin van de vrede.

    Zalige hoogdag…


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst
    12-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ongeloof in het Vaticaan anno 1969
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Nog steeds in de prachtige bibliotheek van de Leuvense Theologische Faculteit vond ik het verslagboek van een internationaal symposium, gehouden in maart 1969, aan de Gregoriaanse Universiteit in Rome, onder de titel: The Culture of Unbelief, xx + 303 pp., R. Caporale & A. Grumelli, ed., The University of California Press, 1971.

    De sponsors waren de Agnelli Foundation (Giovanni Agnelli was de stichter van Fiat), de universiteit van Berkeley, California en het Vaticaanse Secretariaat voor de niet-gelovigen.

    Dat Secretariaat voor de niet-gelovigen werd opgericht in 1965, in de nasleep van het Tweede Vaticaans Concilie, naast parallelle organisaties voor de niet-katholieke christenen en voor de niet-christelijke religies. Het heeft slechts een vrij kort leven geleid. In 1993 werd het samengevoegd met de Pauselijke Raad voor de Cultuur, die in 1982 was opgericht en die nog steeds bestaat.

    Het was toen al een hele toegeving vanwege het Vaticaan: er zijn ook ongelovigen en de Kerk is bereid met hen te praten. Veel gesprek is er vanzelfsprekend nooit gekomen. De doelstellingen van de Raad omvat wel deze elementen (ik vertaal):

    De ontmoeting te bevorderen tussen de reddende boodschap van het Evangelie en de culturen van onze tijd, die vaak getekend zijn door ongeloof of religieuze onverschilligheid, opdat zij meer open zouden staan voor het Christelijk geloof, dat cultuur creëert en dat een inspirerende bron is voor de wetenschap, de literatuur en de kunsten (Motu Proprio "Inde a Pontificatus”); uitdrukking te geven aan de pastorale bezorgdheid van de Kerk ten overstaan van de ernstige verschijnselen van de breuk tussen het Evangelie en de culturen. Om die reden bevordert de Raad de studie van het probleem van het ongeloof en religieuze onverschilligheid die men vindt onder verschillende vormen in verschillende culturele middens, door te peilen naar hun oorzaken en de gevolgen ervan voor het Christelijk geloof, met de bedoeling om gepaste ondersteuning te geven aan de pastorale activiteit van de Kerk om de culturen te evangeliseren en het Evangelie te incultureren; de dialoog tot stand te brengen met diegenen die niet in God geloven of die geen geloof belijden, op voorwaarde dat zij open staan voor echte samenwerking.

    Waar er vlak na het Concilie nog plaats was voor een eigen Secretariaat en een open dialoog met de ongelovigen, zonder voorwaarden, zien we in de tekst van 1993 een heel andere benadering. Het is nu weer de duidelijke bedoeling om het ongeloof te bestrijden, om de ongelovigen te bekeren, om de wereld erop te wijzen dat het Evangelie de basis is van alles, ook van wetenschap, literatuur en de kunsten. Men is enkel nog geïnteresseerd in dialoog met ongelovigen die met de Kerk echt willen samenwerken, niet in een paritair overleg. Men onderzoekt het ongeloof en de religieuze onverschilligheid alleen nog om de oorzaken ervan te ontdekken, zodat men ze beter kan bestrijden.

    De deelnemers aan het colloquium van 1969 zullen het zich wel anders voorgesteld hebben. Nochtans waren de problemen ook toen evident.

    Als we de namen van de deelnemers bekijken, dan zien we een indrukwekkende lijst van vooraanstaande geleerden, katholieke, protestantse en andere, ook Marxistische, onder wie veel godsdienstsociologen, zoals de vermaarde Peter L. Berger, met daarnaast theologen, historici en andere.

    Om te beginnen was er het probleem van de terminologie, dat slechts een uiterlijk teken was van de onderliggende ideologische verdeeldheid. Wat is het eerste dat wetenschappers doen als ze over iets praten? Juist: afspreken wat het precies is waarover ze willen praten. Laat het me nu al verklappen: ze zijn het niet eens geraakt, toen niet en nog altijd niet, over wat ongeloof is, of geloof… Dat probleem duikt in al de bijdragen op, natuurlijk.

    Wat is een ongelovige? Uit de structuur van de drie instellingen die destijds werden opgericht, zou men kunnen afleiden dat de kerk eindelijk had ingezien dat anders-gelovigen, zoals de christelijke Protestanten, de niet-christelijke Joden, Moslims, Boeddhisten, Taoïsten, Hindoes &c. geen ongelovigen of atheïsten zijn. Maar ook daarover was geen eensgezindheid en die is er nog steeds niet, want men is het er over het algemeen over eens dat Boeddhisme en Taoïsme misschien wel religies zijn, maar geen godsdiensten en dus zijn de aanhangers ervan misschien wel religieus, maar geen gelovigen, toch niet in God, en dus eigenlijk atheïsten. Ik moge hier nog vermelden dat de termen ‘atheïst en atheïsme’ door alle deelnemers angstvallig vermeden werden, wellicht om de gastheren niet te schofferen, of op bevel. ‘Secularisering’ mocht wel, maar wat dat precies was…

    De doelstelling van het symposium was het verschijnsel ‘ongeloof’ en ‘ongelovige’ te onderzoeken, enerzijds door het te definiëren en anderzijds door vast te stellen in welke mate het voorkwam, waar en wanneer, in welke mate, wat de oorzaken ervan zijn en wat de gevolgen, voor de betrokkenen en voor de kerk, maar ook voor de samenleving.

    Aan elk van deze aspecten werd zeer veel aandacht en tijd besteed.

    Voor sociologen is godsdienst, religie, geloof een moeilijk onderzoeksdomein. Wat moet men immers onderzoeken? Is het datgene wat mensen al dan niet geloven, om te zien of dat overeenstemt met een of ander officiële definitie? En welke officiële definitie? Die van de katholieke kerk, die het symposium organiseerde en (mede) betaalde? Wie mag zich katholiek noemen? Is er eigenlijk wel iemand die alle dogma’s kent en alle gebruiken, en die ook nog zuiver in de leer is op de duizenden punten van het geloof? Misschien is er slechts één, de Paus zelf…

    Wat weet de gewone gelovige van al die theologie? Is er een minimum minimorum dat je moet aannemen als geloofspunt om je katholiek te mogen noemen, of gelovig? Meer nog: heeft geloof wel te maken met weten en kennen, met theologie, dogma’s, geloofsleer? Zeker niet voor de gewone gelovige, maar volgens verscheidene van de deelnemers ook niet. Geloven behoort niet tot het weten, maar tot het handelen, volgens sommigen, of tot het ‘beleven’.

    Het is dus heidens moeilijk om het geloven te bepalen en dus even onchristelijk moeilijk om vast te stellen wanneer iemand niet gelooft. En dan hebben we het nog maar over de definities, de afspraken die een aantal geleerden onder elkaar proberen te maken, iets waarin ze toen ten enen male niet geslaagd zijn. Een tweede vraag die daarmee rechtstreeks te maken heeft is: hoe onderzoek je zoiets? Sociologen werken graag met enquêtes, vragenlijsten die ze voorleggen aan een beperkte lukraak samengestelde proefgroep, of standaard interviews die ze afnemen. Probleem is (onder meer) dat men niet eens weet wat men moet bevragen, noch hoe dat moet gebeuren. Vraag aan honderd Amerikanen of ze in God geloven en ten minste 80% zegt ja; in Nederland is dat minder dan 40%; nochtans zijn die twee culturen erg vergelijkbaar en is het onwaarschijnlijk dat ze op een zo belangrijke vraag zo verschillend zouden antwoorden.

    Men moet dus dieper graven, subtielere vragen stellen… Maar hoe stel je die op zonder teveel de pap in de mond te geven? En hoe verwerk je de zeer uiteenlopende antwoorden, aangezien mensen zeer verschillend denken over dergelijke kwesties?

    Het is geen wonder dat de meeste godsdienstsociologen de armen in de lucht steken en dergelijke methodes als onwerkbaar verwerpen. Het enige dat men kan onderzoeken, zeggen zij, is de religieuze instellingen, omdat men op geen enkele manier objectief inzicht kan krijgen in de religieuze overtuigingen van de mensen. Men moet zich dus noodgedwongen beperken tot iets tastbaars als het toebehoren tot een religieuze gemeenschap, een kerk… Vreemd, want wanneer behoort men tot een kerk? Doordat je gedoopt bent als baby? Kom nou…

    Elke praktische afspraak die men maakt om vast te stellen of iemand tot een kerk behoort, stuit op het vorige probleem dat men niet eens weet of men religieus is. Wat onderzoekt men dan nog? De aantallen die de kerken zelf opgeven? En hoe hebben die de telling gemaakt? Verwacht je in deze bijdragen dus niet aan cijfers, zelfs geen benaderende. Men gaat niet verder dan te verwijzen naar een ‘niet te ontkennen toenemende tendens tot verschuiving van uiterlijke tekenen van godsdienstigheid naar een meer verinnerlijkte houding tegenover de ultieme werkelijkheid’ of zoiets.

    Sommige deelnemers waren het na enkele dagen goed zat: we weten verdraaid goed wat gelovig zijn is en wat niet! Wie niet in God gelooft, is een ongelovige, punt uit en al de subtiele definities en onderscheiden zijn naast de kwestie. Maar ook die stelling is verre van onbetwist. Want: wie of wat is God? Ik hoor je al zuchten, maar het is een terechte vraag en een waarop het antwoord in de loop der eeuwen steeds verschillende vormen heeft aangenomen en die ook vandaag tot de meest uiteenlopende antwoorden leidt, ook onder katholieken, ook onder theologen, ook onder priesters en bisschoppen.

    Verwacht dus niet dat er in een dergelijke driedaagse bijeenkomst ook maar enig resultaat zou bereikt worden, zelfs niet over het nu verder moet, hoe het onderzoek moet gevoerd worden. Iedereen botst met iedereen over alles. Op zeker moment kwamen enkele theologen tussen om afstand te nemen van de godsdienstsociologen: geloof is helemaal niet een of ander maatschappelijk verschijnsel! God is niet iets dat mensen zich inbeelden! God bestaat echt, Hij is… Hij IS! Hij heeft Zijn Zoon gezonden, die voor ons heil is gestorven! God heeft rechtstreeks contact met de mens! Het christendom is een openbaringsgodsdienst! Dit zijn geen gedachten, veronderstellingen, dit zijn Historische Feiten! Stel je de consternatie voor onder de wetenschappers…

    Sommige bijdragen zijn heel boeiend om lezen, ook voor niet-specialisten. Ik ben op dat punt van de leesbaarheid nogal wat gewoon, ik ga een volzin van een halve pagina niet uit de weg, als er iets in verteld wordt dat de moeite is. Ik besef dat subtiele inzichten niet altijd in twee, drie woorden samen te vatten zijn. Maar, lieve lezer, er zijn grenzen. Het is mijn ervaring dat theologen al eens poëtisch of mystiek de mist ingaan, dat ook filosofen zich wel eens laten verleiden tot hoogdravendheid en metafysische speculatie; maar wat sommige sociologen in dit volume aandurven, dat is toch wel heel erg. Als wetenschapper mag je, vind ik toch, nooit de band met de werkelijkheid helemaal verliezen. Als je de sociale verschijnselen zo verpakt in sociologisch jargon dat de argeloze lezer zelfs na drie maal herlezen niet eens meer kan zeggen waarover het gaat, dan doe je niet meer aan wetenschap, maar aan obscurantisme, aan verduistering in plaats van verheldering.

    Een ruim deel van de tekst van dit boek bestaat uit samenvattingen van de groepsdiscussies en de plenaire vergaderingen. Dat is taalkundig heel verzorgd verwerkt in leesbare tekst, maar in veel gevallen gaat het om tussenkomsten die niets met elkaar te maken hebben. De deelnemers reageren niet op wat net is gezegd, maar doen hun eigen inbreng of reageren op iets dat de vorige dag aan bod is gekomen. Er zit dus meestal geen lijn in die samenvattingen, al zijn sommige individuele tussenkomsten best wel interessant.

    Wat me helemaal tegenviel waren enkele te lange bijdragen die achteraf toegevoegd zijn. Een was erg zelfingenomen en ronduit vervelend, een andere vrijwel een herhaling van wat al eerder was gezegd tijdens het symposium. De redacteurs van het verslagboek hebben daar zeker enkele steken laten vallen.

    Voor en tegen dus. De hoge verwachtingen, gewekt door het thema: het verschijnsel ongeloof; door de organisatie: het Vaticaan; door de deelnemers: de fine fleur van de godsdienstsociologie, aangevuld met eminente theologen en filosofen; door het oecumenische en ideologisch verscheiden karakter, zijn niet ingelost. De deelnemers hebben elkaar niet gevonden, zijn het over niets eens geraakt, zijn zelfs niet echt met elkaar in gesprek getreden.

    Sociologie is niet goed in het voorspellen van de toekomst, maar dat belet de sociologen niet om voortdurend allerlei belangrijke trends te ontdekken en ze een mooie toekomst toe te dichten. Geen enkele van de voorspellingen uit dit boek is uitgekomen in de daarop volgende veertig jaar. De toenadering tussen de kerk en de wereld waarvan menig gelovige en ongelovige had gedroomd naar aanleiding van het Concilie, is er niet gekomen, wel een toenemende verstarring binnen de katholieke kerk en een verder afglijden naar abject fundamentalisme. De binnenkerkelijke vernieuwing en de nieuwe christelijke bewegingen zijn niet open gebloeid, maar van boven uit tegengewerkt en vrijwel uitgestorven. Men heeft evenmin de belangrijkste evolutie van het einde van de 20ste en wellicht de rest van de 21ste eeuw voorzien: de opkomst van de Islam en het moslimfundamentalisme; er wordt met geen woord gerept over de Islam in dit boek.

    Een van de mogelijke etymologieën van ‘religie’ verwijst naar het Latijn religare, met elkaar verbinden. In dit symposium, letterlijk een gezamenlijk gastmaal of een gezellig tafelgesprek, was godsdienst en de opvattingen daarover veeleer een splijtzwam dan iets dat mensen, geleerden bijeenbracht. Het is nooit anders geweest.

    Niemand weet wie of wat God is, iedereen heeft er zijn eigen gedacht over en zoekt de andere te overtuigen, goedschiks of kwaadschiks, maar meestal dat laatste, helaas. God is een uitvinding van mensen en dat blijkt, jammer genoeg.

     

     

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheïsme


    Foto

    Foto

    Foto

    Inhoud blog
  • Verhuizing
  • 2026
  • Vrijheid
  • Rot op, Rutte!
  • persoonlijk
  • de niet zo schijnbare paradox
  • Vrijdenkers: De bedienaars van de erediensten (baron d'Holbach)
  • Ite, missa est
  • Thomas Paine, Het tijdperk van de rede
  • Les mots d'amour -- De woorden van liefde
  • Ooh...
  • In paradisum
  • Idem dito
  • Kwezel
  • leidraad
  • Vermogensbelasting, een weeldetaks?
  • Schreien en schreeuwen
  • Spelen
  • Heilig
  • De vijgenboom, of de wortels van het antisemitisme.
  • Bidden
  • wereldverbeteraars
  • Galilei
  • 900 jaar Abdij van Vlierbeek
  • Bewapeningswedloop
  • Frans spreken gelijk een koe Latijn
  • De oorsprong van de godsgedachte en de godsdienst.
  • Theocratie en democratie
  • Israël: zij en wij
  • God de Vader
  • Vreemde vogels
  • Vrijdenkers: recente bijdragen
  • Tweeling, tweelingen
  • de gruwel en de verantwoordelijkheid
  • De behendige Van Bendegem
  • De Verlichting en haar belagers
  • Corsica
  • Breendonk, de gruwel, de feiten
  • Levend verleden
  • Spectaculair
  • Verrijzenis
  • Goede Vrijdag 2025
  • Palmzondag
  • Gij zult niet doden
  • Vrijdenkers
  • Koekoek!
  • Vrede
  • Christelijke moraal, atheïstische ethiek
  • Al te vroeg gestorven
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Openbaring
  • Elke mens is uniek
  • Me dunkt...
  • Hybride
  • Sint-Catharina. Brief aan een christen vriend.
  • Het geboortejaar van Jezus Christus
  • Etsi Deus non daretur: zelfs als er geen God zou zijn.
  • Godsvrucht
  • Eerlijkheid
  • Verlossing: I know that my Redeemer liveth.
  • Gezag
  • Als de vos de passie preekt...
  • De hondse filosofen
  • Anselmus van Canterbury
  • Op mijn eentje
  • Inquisitie in de Middeleeuwen
  • Heksen
  • Gerede twijfel
  • Kristien Hemmerechts' late bekering en mystieke ervaringen
  • De Blijde Boodschap, andermaal
  • Verwondering
  • Wees volmaakt zoals uw hemelse vader
  • Paul Claes Odyssee 2.0
  • Griekse tragedies: Sofokles
  • Thomas a Kempis, de Navolging van Christus
  • De Griekse bronnen van de Verlichting
  • Islam en christendom
  • Darwin, creationisme, intelligent design
  • Satan
  • Humanisme
  • Godsdienstvrijheid
  • Ethiek en humanisme
  • De vos en de egel
  • Perfide
  • Godsdienst na de dood van God?
  • Sceptisch
  • incest
  • Catechismus
  • Filosofen te koop
  • Democratie
  • De uitzondering en de regel
  • Etiketten
  • Extreemrechts
  • Waarheid en verzinsel
  • Over geloof en psychologie (recensie)
  • De misdadige geschiedenis van de Kerk
  • Judith Butler, Wie is er bang voor Gender? (recensie)
  • Erwten en kikkers
  • David Hume
  • Denken en geloven in de oudheid (recensie)
  • Kinderspel?
  • Over grenzen, Mark Elchardus
  • Robot
  • Vooruitgangsgeloof
  • Het kan me niet schelen!
  • Aurelius Augustinus, Belijdenissen
  • Buizingen, een parochie miskend
  • Main morte
  • Celsus?
  • Een betere zaak waardig.
  • 'De waarheid zal u bevrijden.'
  • Feminisme
  • Tijdverspilling
  • Anarchist
  • Sjostakovitsj
  • Om de liefde Gods
  • Het boek
  • Naastenliefde
  • Parabels
  • Alzheimer
  • Verkiezingskoorts
  • Cynthia
  • Sindh
  • Cicero, Wet en rechtvaardigheid (recensie)
  • Israël, Oekraïne
  • Godsdienst en religie
  • Abraham en de vreemdeling
  • Winterzonnewende 2023
  • Anaximander
  • Links? Rechts?
  • Willen jullie meer of minder Wilders?
  • Het Gemenebest
  • Jeremy Lent, Het betekenisveld, Stichting Ekologie, Utrecht/Amsterdam, 2023 (recensie, op eigen risico...)
  • Richard Wagner
  • Secularisme
  • Naastenliefde
  • Godsdienst en zijn vijanden
  • Geloof, ongeloof en troost?
  • Iedereen gelijk voor de wet?
  • Ezelsoren (recensie)
  • Hersenspinsels?
  • Tegendraads, of draadloos?
  • Pico della Mirandola
  • Vrouwen en kinderen eerst!
  • Godsdienst als ideologie
  • Jean Paul Van Bendegem, Geraas en geruis (recensie)
  • Materie
  • God, of de natuur
  • euthanasie, palliatieve zorg en patiëntenrechten (recensie)
  • Godsdienst of democratie
  • Genade
  • Dulle Griet, Paul Claes
  • Vagevuur
  • Spinoza- gedicht, Stefan Zweig
  • Stefan Zweig, Castellio tegen Calvijn (recensie)
  • Hemel en hel
  • Federico Garcia Lorca, Prent van la Petenera
  • als in een duistere spiegel
  • Dromen zijn bedrog
  • Tijd (recensie)
  • Vrijheid van mening en academische vrijheid
  • Augustinus, Vier preken (recensie)
  • Oorzaak en gevolg
  • Rainer Maria Rilke, Het getijdenboek. Das Stunden-Buch (recensie)
  • Een zoektocht naar menselijkheid (recensie)
  • De Heilige Geest
  • G. Apollinaire, Le suicidé
  • Klassieke meesters: componisten van Haendel tot Sibelius (recensie)
  • Abelard en Heloïse (recensie)
  • Kaïn en Abel
  • Symptomen en symbolen
  • Voor een geweldloos humanisme
  • Bij een afscheid
  • Recreatie
  • Levenswijsheid
  • Welbevinden
  • De geschiedenis van het atheïsme in België (recensie)
  • Peter Venmans, Gastvrijheid (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 15
  • Secretaris
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 14
  • De boeken die we (niet) lezen, 2 WIlliam Trevor en Adriaan Koerbagh
  • Abortus
  • Verantwoordelijkheid (1)
  • Verantwoordelijkheid, deel 2
  • Mijn broeders hoeder?
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 13
  • Eerst zien, en dan geloven!
  • Homoseksualiteit
  • Sonja Lavaert & Pierre François Moreau (red.), Spinoza et la politique de la multitude (recensie)
  • Atheïsme: vijf bezwaren en een vraag, W. Schröder (recensie)
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 12
  • Zoo: Een dierenalfabet.
  • De rede
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 11
  • Sinterklaas, Spinoza, en de waarheid
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 10
  • Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 9
  • De boeken die we (niet) lezen. Over Karl May en Jean Meslier.


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!