Godsdienst of democratie
Godsdienst of democratie
De drie ‘godsdiensten van het Boek’, het judaïsme, het christendom en de islam, hebben veel gemeen, niet het minst omdat de laatste twee voortvloeiden uit de vorige. Toch verschillen die twee, het christendom en de islam op dit belangrijke punt essentieel van het jodendom, namelijk dat zij gekenmerkt zijn door een bekeringsijver, die volledig lijkt te ontbreken in het judaïsme. Voor de Joden was hun godsdienst van hen alleen. Zij waren het uitverkoren volk van God, en God was hun eigen God. Er zijn in de joodse Bijbel geen verhalen over de bekering van naburige volkeren, integendeel: in de streken die de Joden veroverden, werden de oorspronkelijke inwoners verdreven, of tot de laatste man vermoord (de vrouwen werden ‘gespaard’). Men kan eventueel het joodse geloof aannemen, maar men kan geen ‘Jood’ worden, dat erft men van een Joodse moeder.
Het christendom verspreidde zich snel na de dood van zijn vermeende ‘stichter’, hoofdzakelijk door toedoen van de even vermeende Paulus. Het werd zelfs de officiële godsdienst van het Romeinse wereldrijk onder Constantijn (ca. 273-337), en heeft altijd wereldwijde ambities gehad, zoals blijkt uit de benaming ‘katholiek’, wat etymologisch over het geheel, of universeel betekent. Maar niet alleen de katholieke versie van het christendom werd gekenmerkt door een onstuitbare missioneringsdrang, ook het protestantisme was van bij zijn aanvang gedreven door een even vurige als gewelddadige bekeringsijver.
De islam was evenzeer gericht op de verspreiding van zijn gedachtegoed, en maakte daarvan zelfs een verplichting voor elke gelovige. In de 8ste eeuw had de islam heel het Iberisch schiereiland veroverd, op enkele streken in het noorden na. Pas in 1492 was de reconquista een feit. Het Ottomaanse rijk veroverde grote gebieden in de Balkan en bedreigde het Habsburgse keizerrijk: in 1683 stonden de Turken voor de poorten van Wenen.
De gewelddadigheid van de inspanningen om het geloof te verspreiden is ongetwijfeld een complexe aangelegenheid. Zowel in het christendom als in de islam ging de missionering gepaard met gebiedsuitbreiding en kolonisatie, met politieke en economische macht. De godsdienst was een overheersend aspect van de samenleving, de overheid zelf was godsdienstig en voerde ijverig de wensen en de bevelen van de Kerk uit, bijvoorbeeld door het bestraffen van godsdienstige overtredingen of van dissidenten. De vervolging van ketters gebeurde door de burgerlijke overheid, wat leidde tot verwoestende burgeroorlogen en godsdienstoorlogen tussen staten.
De oorspronkelijke bedoeling van godsdienst, zoals blijkt uit de gewijde geschriften en de kerkelijke leer, is de gelukzaligheid van de mens. Door de godsdienstige voorschriften na te volgen, kan de mens hier op aarde of anders in het hiernamaals gelukkig worden. In zover het gaat om algemeen menselijke ethische voorschriften is dat een verdedigbare stelling, en in die mate kan de godsdienst inderdaad een rol spelen in de morele verheffing van de samenleving.
Een eerste moeilijkheid is dat godsdiensten niet altijd de hoogste morele normen prediken, en nog minder altijd die normen naleven.
Een tweede moeilijkheid is dat ze naast die morele normen talloze arbitraire, nutteloze louter formele religieuze rituele en dogmatische verplichtingen opleggen.
Een derde moeilijkheid is dat de godsdiensten die ethische normen en die religieuze verplichtingen niet alleen verkondigen, maar ook afdwingen met alle mogelijke vormen van psychisch en fysiek geweld.
Dat is wat men gewetensdwang noemt. In naam van een fictieve God en diens vermeende openbaring dwingen sommige personen anderen om te denken en te handelen zoals door hen voorgeschreven. Het gaat niet meer om overtuigen en bekeren, maar om intimideren, gebieden, verbieden en sanctioneren, desnoods met de doodstraf. Het gaat om absoluut gezag en absolute gehoorzaamheid. Dat is de essentie van elke godsdienst.
Mensen laten zich nogal gemakkelijk iets wijsmaken, zelfs als dat onwaarschijnlijk is. Mensen laten zich nogal gemakkelijk intimideren, zeker als er geweld mee gemoeid is, als dreigement of reëel toegepast. Maar de mens is van nature bezorgd om zichzelf, om zijn voortbestaan, om zijn welzijn, en om dat van zijn naasten, in de eerste plaats zijn genetisch meest gelijkende, en bij uitbreiding de leden van de gemeenschap waartoe men behoort. Wat daartoe niet bijdraagt, of irrelevant is, zal de voorkeur niet blijvend genieten. Men kan niet iedereen blindelings doen gehoorzamen aan onrechtmatig gezag of onrechtmatige voorschriften, hoeveel geweld men ook gebruikt. Iedereen kan tot het inzicht komen dat de mens enkel waarlijk mens is als men vrij is, als alle mensen als gelijk beschouwd worden, en als men eendrachtig met elkaar samenwerkt.
Deze fundamentele menselijke principes staan lijnrecht tegenover de beginselen van de godsdienst. Als er een God is, is die beslissend voor het bestaan en het lot van de mens, en is er van echte menselijke vrijheid geen sprake. Elke georganiseerde godsdienst is hiërarchisch, met God aan het hoofd en daarnaast een grote, complexe, strakke kerkelijke gezagsstructuur die ‘zijn’ wil ten uitvoer brengt. De solidariteit of naastenliefde van de godsdienst geldt in de praktijk enkel voor de leden van de godsdienst zelf, en ontkent tevens het principe van het zelfbehoud en de voorkeur voor de genetische verwanten.
Alle georganiseerde godsdiensten zijn van bij hun ontstaan afgeweken van hun oorspronkelijke bedoeling, namelijk het behartigen van het voortbestaan en het welzijn van hun gelovigen, en hebben zich hoofdzakelijk gewijd aan het voortbestaan van het instituut van de godsdienst en het welzijn van zijn leiders en leden. Daaraan hebben ze de waardigheid van elke mens opgeofferd, zowel in hoofde van hun leiders als van hun leden. Ze hebben de enen tot dwingelanden gemaakt, en de anderen tot slaven, en het is nog maar de vraag welke van de twee de grootste misdaad tegen de mensheid is.
Bekeringsijver leidt onvermijdelijk tot gewetensdwang, zowel bij degenen die bekeringswerk doen als bij hun slachtoffers. Gewetensdwang is niet alleen de ergste aanslag op de menselijke waardigheid en de grootste inbreuk op de medemenselijkheid. Het is bovendien een groteske verspilling van alle moeite, omdat men de mens uiteindelijk nooit kan verhinderen om zelf na te denken, en tot de juiste fundamentele inzichten te komen over de plaats van het individu in de samenleving.
Overigens is het zeer de vraag of het werkelijk nodig is mensen te dwingen om het goede te doen, zoals de godsdiensten en andere dictaturen beweren. Uit onze burgerlijke samenleving blijkt dat de meeste mensen zich meestal heel behoorlijk gedragen, ook zonder dat ze daartoe met sancties of beloningen verplicht worden. Het volstaat dat men zinnige zaken afspreekt, zoals rechts rijden en belastingen betalen, en dan doet men dat, omdat men inziet dat het nodig is. Zeker, niemand is volmaakt, maar dat is ook niet mogelijk, en het is niet zeker dat de mensen volmaakter worden door de godsdienst; het tegendeel lijkt veel waarschijnlijker, zoals de geschiedenis ons leert. Het kwaad in de wereld komt niet zozeer van de onvolmaakte individuele mensen, maar veeleer van de onvolmaakte structuren en instellingen. Staten, godsdiensten, organisaties en verenigingen zijn zonder enige twijfel verantwoordelijk voor veel meer en veel grootschaliger en meer afschuwelijke misdaden tegen de mensheid dan individuen ooit uit zichzelf zouden kunnen begaan. Denk maar aan alle oorlogen, genocides, vervolgingen, dictaturen, godsdienstoorlogen en misdadige sekten en milities.
De intrinsieke bedoeling van de godsdienst is het gedrag van de mens te verbeteren. Het blijken echter juist diegenen te zijn die menen dat ze andere mensen met geweld moeten overtuigen van hun godsdienstig gelijk, en hen doen denken en handelen naar hun voorschriften zodat ze betere mensen worden, die zich het meest schuldig maken aan wandaden. De godsdiensten hebben veel meer mensen omgebracht om louter godsdienstige redenen, dan individuen mensen vermoord hebben om gelijk welke andere reden. Zonder de godsdienst zou het bij de meeste mensen niet opkomen om andere te vermoorden om ideologische redenen. Zowel Lucretius als Nobelprijswinnaar Steven Weinberg zijn het erover eens: je hebt een godsdienst nodig om goede mensen vreselijke misdaden te doen bedrijven.
Ongetwijfeld is het nodig dat elk individu ernaar streeft en aangezet wordt zich ethisch te gedragen in de samenleving. Dat gebeurt echter het best in een samenleving die zelf ook ethisch is, en de beste samenlevingsvorm blijkt de democratie te zijn. Het doel van de staat is echter de vrijheid van de burger (Spinoza), niet de verknechting, zelfs niet om zijn vermeende bestwil, of voor een zogenaamd hoger doel, zoals de raison d’état, het staatsbelang. De democratie is dus het eerste doel dat men moet nastreven, omdat het het grootste resultaat opbrengt. De opvoeding van de individuele mensen is een werk dat nooit af is, niet alleen omdat het er zo veel zijn, maar vooral omdat het altijd weer andere zijn. De gevestigde democratische staatsvorm biedt op zichzelf al garanties voor een samenleving die gebaseerd is op essentiële ethische principes, zelfs zonder dat alle burgers overtuigd zijn van die principes, of zich daarvan zelfs maar bewust zijn.
Een essentieel kenmerk van een democratische samenleving is dat ze vreedzaam is. Zowel de burgers als de overheid zien af van het gebruik van elke vorm van geweld als een argument. De beslissingen die noodzakelijk zijn voor de samenleving worden in overleg genomen, waarbij in de eerste plaats rekening gehouden wordt met de intrinsieke kwaliteit van de verschillende opties, en in geval van blijvende onenigheid de meerderheid beslist.
Het is van groot belang dat de staat zich beperkt tot beslissingen die werkelijk noodzakelijk zijn voor het welzijn van de burgers en het voortbestaan van de democratische wetstaat. Wanneer de leiders van de staat zelf gaan beslissen wat daarvoor nodig is, treden zij in de plaats van de burgers en ontnemen ze hun de vrijheid die de staat verondersteld wordt te beogen en te garanderen.
De democratie gaat uit van een optimistische visie op de mens en de samenleving. Men gaat ervan uit dat de mens gericht is op zijn eigen optimaal voortbestaan, en beseft dat de respectvolle samenwerking met anderen daartoe noodzakelijk is. Godsdiensten zijn intrinsiek pessimistisch. Het christendom vertrekt van de fundamentele (erfelijke!) zondigheid van de mens, die enkel met geweld tot het goede kan gedwongen worden. Godsdienst is dus strijdig met democratie, zoals godsdienst ook strijdig is met de rechten van de mens, en met de grondbeginselen van vrijheid, gelijkheid en medemenselijkheid.


