En andermaal kraaide de haan.
En andermaal kraaide de haan…
Het is nu niet echt het moment om uit te weiden over het passieverhaal van Jezus van Nazareth zoals dat in de vier evangelies staat. Onlangs viel mijn oog op een boek van Karlheinz Deschner in mijn bibliotheek, Abermals krähte der Hahn (1962). Ik wou mijn herinnering aan die perikoop, over Petrus die Jezus verloochent, even opfrissen aan de hand van de tekst zelf.
Het verhaal gaat als volgt.
Na het laatste avondmaal gaat Jezus met de leerlingen naar de berg van Olijven. Daar waarschuwt hij hen dat ze hem die nacht zullen verloochenen. Ze protesteren, en vooral Petrus verzekert hem dat hij althans hem nooit zal verloochenen. Jezus antwoordt hem dat hij hem deze nacht tot driemaal toe zal verloochenen nog voor er een haan kraait, bij Marcus voor de haan tweemaal kraait. (Mt 26:34; Mc 14:30; Lk 22:34; Joh 13:38). Het Griekse werkwoord dat daar gebruikt wordt, skandalizo, betekent letterlijk iemand een struikelblok (skandalon) in de weg leggen, doen struikelen; iemand tegen iets doen aanstoten, doen vallen, of afvallig doen worden, zoals hier door te loochenen; in het passief wordt dat dan: aan het struikelen of ten val gebracht worden door iemand. Jezus voorspelt dat hij een struikelblok, een steen des aanstoots zal worden voor zijn leerlingen, zodat ze hem verloochenen om hun eigen hachje te redden.
Later, wanneer Jezus gevangengehouden wordt door de hogepriester, houdt Petrus zich op in de binnenplaats, en ontkent daar tot driemaal toe dat hij iets te maken heeft met Jezus. En terstond kraaide een haan (tweemaal volgens Marcus). (Mt 26:69–75; Mc 14:66–72; Lk 22:54–62; Joh 18:15–18 + 18:25–27)
Er is echter heel wat aan te merken op de teksten. Bij Lucas en Johannes gebeurt de voorzegging al tijdens het laatste avondmaal, niet op de Olijfberg. Bij Marcus staat ‘voor de haan tweemaal kraait’; in de drie andere evangelies ‘voor een/de haan kraait’. Maar in enkele belangrijke manuscripten staat er ook bij Marcus geen ‘tweemaal’. Ik bedoel: als ze het er nog niet over eens kunnen worden hoeveel keer de haan moest kraaien… Er zijn nog talrijke andere discrepanties, onder meer in de volgorde waarin de teksten voorkomen, en in de bewoordingen. Zo vinden we enkel bij Lucas dat Jezus zich bij het hanengekraai omkeerde en Petrus aankeek, waarop Petrus zich de voorspelling herinnerde, en — al dan niet bitter — weende.
Het is precies over het kraaien van die haan dat ik het hier wil hebben.
Dat sprekende onderdeel van het passieverhaal hebben we altijd gelezen als een voorspelling die Jezus doet, namelijk dat zijn leerlingen zullen vluchten als de meester uitgeschakeld wordt, zoals in het citaat uit Zacharias (13, 7) over de herder en zijn schapen dat hij aanhaalt. En tevens dat ze hem allen zullen verloochenen, inzonderheid Petrus, tot driemaal toe, die hem nochtans verzekert dat hij nog liever zal sterven met hem dan hem te verloochenen. En Jezus voegt eraan toe: dat zal vandaag nog gebeuren, deze nacht nog, voor de haan kraait. Verderop lezen we dan het vervolg, waarin de voorspelling uitkomt: Petrus ontkent onder ede (Mt) en met vloeken en zweren (Mc) dat hij bij Jezus hoort of hem zelfs maar kent. En ‘aanstonds, of terstond, kraaide een haan’. Bij Marcus kraait er in sommige versies al een haan na zijn eerste ontkenning, en kraait die voor een tweede keer na zijn derde loochening.
Jezus voorspelde dus precies wat er zou gebeuren, tot in het kleinste detail: de verloochening, ondanks alle beloften van trouw, deze nacht nog, door Petrus tot driemaal toe, en het kraaien van de haan. Een profetische uitspraak die in vervulling gaat, en daarmee een bewijs van de goddelijke voorkennis van Jezus.
Maar is dat wel zo? Het citaat van Zacharias over de schapen die verstrooid worden als de herder er niet meer is, bewijst dat het geen heel vergezochte mogelijkheid is die hier voorspeld wordt. Elke leidinggevende weet dat men zich niet kan verlaten op de onvoorwaardelijke trouw van volgelingen. In de nood kent men zijn vrienden. Dat Petrus dat tot driemaal toe zou doen, lijkt te beantwoorden aan een vast literair patroon waarin driemaal herhalen een cliché geworden is. En dan het kraaien van de haan. In de tekst lijkt het wel alsof de haan daar in de buurt gewacht heeft om te kraaien tot Petrus Jezus verloochend heeft, zodat de voorspelling bewaarheid kan worden. In feite beginnen hanen —herhaaldelijk! — te kraaien bij dageraad (hoewel ook veel vroeger, in mijn ervaring), zeker in de literatuur, daarvan zijn talloze voorbeelden in teksten uit de oudheid, en nog meer daarna. Nog voor de haan kraait betekent hier dan niets meer dan: nog voor deze nacht voorbij is.
Waarom kraait hij tweemaal bij Marcus? Het is vooreerst niet eens zeker dat hij dat werkelijk doet. Het eerste gekraai ( Mc 14, 68) is op zijn minst tekstueel onzeker en betwist, en ook ‘voor een tweede maal’ (dis, iterum) komt in belangrijke manuscripten, zoals de gezaghebbende Codex Sinaiticus, niet eens voor bij Marcus (Mc 14, 72). Het maakt ook niet uit: als Jezus zegt dat er nog geen haan gekraaid zal hebben, eenmaal of tweemaal, voor Petrus hem driemaal zal verloochend hebben, bedoelt hij gewoon dat het zelfs heel binnenkort zal gebeuren, nog voor de nacht voorbij is. Wellicht is tweemaal kraaien gevormd naar analogie met driemaal verloochenen. In mijn eigen herinnering, dus voordat ik de teksten erop nasloeg, aarzelde ik tussen tweemaal en driemaal kraaien; andermaal betekent immers nogmaals, dus ook een derde keer, en niet noodzakelijk de tweede keer. Het gekraai heeft evenwel niets wonderlijks, dat is wat (literaire) hanen nu eenmaal doen bij het ochtendgloren, al zolang er hanen zijn, en mensen om het te horen — helaas, vaak: het kraaien van de haan kondigt in de literatuur ook het einde van een liefdesnacht aan, een signaal dat het tijd is voor de verboden geliefden om afscheid te nemen van elkaar.
We hebben hier te maken met een tekst die belangrijke verschillen vertoont in de vier versies van de evangelies, en die de literaire vorm heeft van een profetie door een meer dan menselijke persoon, en die letterlijk in vervulling gaat. Dergelijke voorspellingen zijn inderdaad een typische literaire kunstgreep die we vooral in religieuze teksten vinden: men vertrekt van een feit waarover weinig discussie kan zijn, bijvoorbeeld dat Petrus zich uit de slag trekt door te ontkennen dat hij een leerling van Jezus is wanneer die gevangengenomen is door de hogepriester. Daaraan laat men dan in de tekst een voorspelling voorafgaan van dat toekomstige feit, met een bijzonder teken om te bewijzen dat het wel degelijk een wonderlijke voorzegging is, in dit geval het kraaien van een haan. Het is een van de vele geslaagde literaire vondsten in het passieverhaal, zoals dat in de loop der tijd geweven is rond het lijden en de dood van de figuur van de gezalfde, in het Hebreeuws Messias, in het Grieks Christos. Verhalen over dergelijke figuren vinden we overal terug in de oudheid, met talrijke opvallende gelijkenissen, zowel in de Joodse Bijbel als in andere tradities uit het Midden-Oosten en Griekenland.
Ik zal niet ontkennen dat het passieverhaal op mij altijd al grote indruk heeft gemaakt. Tijdens mijn jeugd ben ik er talloze keren mee geconfronteerd op alle mogelijke manieren, en ook nadien heeft het in artistieke vorm, zoals de passies van Bach en anderen, nog lang gevoelige snaren geraakt. Maar stilaan heb ik ook daarvan afscheid genomen. De muziek van Bach wordt voor mij ontsierd door de melige toegevoegde teksten en door het verhaal zelf. De bewoordingen van de toegevoegde teksten zijn vaak ronduit ridicuul, en het verhaal spreekt me alleen nog aan als de tragische ondergang van een mens die valselijk beschuldigd wordt, zonder enige religieuze context van verlossing, opstanding, eeuwig leven, goddelijkheid of wat dan ook. Deze analyse van een van de wonderverhalen over Jezus en zijn apostelen, de haan van Petrus, zoals we het kennen uit het passieverhaal, bevestigt me in mijn overtuiging dat we in de evangelies te maken hebben met literaire creaties, niet met een historische relaas, en al zeker niet met goddelijke openbaringen. Q.E.D.

