Israël: zij en wij
Wij en zij
Als we de persoonlijke voornaamwoorden bekijken, valt het op dat we daarmee altijd een onderscheid maken. Ik staat tegenover jij, de andere. En beiden, ik en jij, staan tegenover de nog andere derde. Evenzo in het meervoud. Wij staat tegenover jullie, en beiden tegenover de nog andere derden, zij. Het meervoudige wij is nog altijd slechts een beperkte groep, naargelang de omstandigheden onderscheiden van de anderen: zij. We hebben geen voornaamwoord om het algemeen gemeenschappelijke uit te drukken, het alomvattende van de mensheid, waarin we allen gelijk zijn. Binnen die algehele gemeenschap van nu al acht miljard mensen voelen we de nood om voortdurend de verschillen aan te duiden, vooral de verschillen met onszelf. Wij zijn anders dan zij, zij zijn anders dan wij.
Dat is echter een vertekenend beeld. Het is alsof anderen de afwijking zijn van de norm, de uitzondering op de regel, de vreemde eend in de bijt, en vaak ook de zondebok. Zelfs als we de minderheid zijn, en dat zijn we altijd, want er is geen identieke groep groot genoeg om op zich een meerderheid te zijn, redeneren we alsof we toch zo niet de grootste, dan toch de belangrijkste groep zijn: non sunt numerandi sed ponderandi. Het is niet het gewicht dat van belang is, maar het soortelijk gewicht. Zoals vroeger, vóór het algemeen stemrecht, toen sommigen meer stemmen kregen dan anderen, en velen helemaal geen stem.
De anderen krijgen dan een naam, de naam van de groep waartoe ze behoren, de andere groep, waartoe wij niet behoren. Die naam bepaalt wie ze zijn, en hoe we over hen denken, hoe we met hen omgaan. Meestal zijn het geen vleiende namen die we aan anderen geven. Hoe kan het ook anders, ze zijn immers niet zoals wij, en dat belooft niets goeds. Van een loutere vaststelling van het feit dat ze anders zijn, gaat het vaak algauw naar een meer uitgesproken waardeoordeel, meestal negatief, denigrerend. En zelfs als dat niet zo is, als we hen als onze meerderen of beteren (moeten) erkennen, gebeurt dat niet van harte, maar met rancune, afgunst, verwijten en beschuldigingen.
Zo vergeten we dat we allemaal mensen zijn, niet zomaar een beetje gelijkend, maar gelijken, behorend tot dezelfde soort, homo sapiens sapiens. En we vergeten dat mensen die tot een andere groep behoren dan de onze nog altijd individuele mensen van onze eigen soort zijn, niet te herleiden tot de groep waartoe ze feitelijk of volgens ons behoren.
Naast identificeerbare groepen, zoals mensen die van elkaar verschillen door hun biologisch geslacht, of door hun huidskleur, of hun taal, of hun cultuur, of hun politieke of godsdienstige overtuiging, zijn er ook instellingen, organisaties, verenigingen van mensen met een specifieke doelstelling, en dat is eveneens een manier om hen van ons en van onze vereniging te onderscheiden, en te vergeten dat het om individuele gelijke mensen gaat. Zo kunnen we zeggen dat de bank ons bedrogen heeft, en niet een perfide bankdirecteur of een corrupt bestuur, dat de politie te hard optreedt (tegen ons) of juist niet hard genoeg (tegen de anderen), en niet die ene politieagent; dat de staat tekortschiet of zich juist te veel bemoeit, en niet de mensen die het voor het zeggen hebben; dat de Kerk zich schuldig maakt aan seksueel en ander misbruik, en niet de vele individuele daders; dat de islam fanatiek is en terrorisme aanmoedigt, en niet de mensen die het daar voor het zeggen hebben; dat de drugdealers misdadigers zijn en de druggebruikers slachtoffers of mededaders, en niet die ene persoon die dealt of snuift; dat steuntrekkers profiteurs zijn en rijken witteboordencriminelen, en niet die ene werkloze in onze straat, niet die bevriende bankier enzovoorts, ad infinitum.
Telkens gaat het over hen, de anderen, zij, niet over individuen, concrete mensen. Wij spreken over hen het oordeel uit; zoals Adam aan alle dieren, geven wij aan alle anderen naar eigen goeddunken hun naam, de naam van hun soort. Maar ongewild, kwansuis vergeten we gemakshalve maar volledig ten onrechte, dat het altijd om één of meer individuen gaat, een of meer concrete mensen zoals wij. Ik betrap mezelf erop dat ik fulmineer tegen de Kerk, de islam, de godsdienst, terwijl dat geen abstracte begrippen zijn, maar verzamelingen van mensen zoals ik, dode en levende, die individueel niet te herleiden zijn tot de groep waartoe ze behoren, die allen uniek zijn, zelfs als ze één of zelfs talrijke kenmerken gemeen hebben, zelfs als ze hun anders-zijn prominent belichamen, zelfs als ze het epitoom ervan zijn, het typische voorbeeld, zelfs als ze de leidende figuur ervan zijn.
Mijn ouders hebben de beide wereldoorlogen meegemaakt, en hadden geen grote voorliefde voor de Duitsers, en dat hebben zij, samen met de hele naoorlogse cultuur, doorgegeven aan mij (°1946) van in mijn prilste jeugd. Toen ik op een keer voor zaken toch in Duitsland beland was en mijn onwennigheid daarover uitte aan mijn Duitse gastheer, en als reden de rol van Duitsland in de oorlogen opgaf, antwoordde hij, die veel jonger was dan ik, dat hij dezelfde gevoelens had tegenover die Duitsers. Ik had hem onbewust tot lid van een andere, kwalijke groep gemaakt, terwijl hij daartoe niet behoorde en niet wenste te behoren. Voor hem waren dat ook anderen, zij, niet wij.
Het zijn dus altijd individuen die denken en handelen. Niet dat ze altijd individueel handelen, de sociologie en de psychologie beschrijven (en blijven het best bij het beschrijven alleen…) hoe mensen gezamenlijk optreden, welke groepsdynamieken spelen, hoe propaganda werkt. Er rijzen quasi onbeantwoordbare vragen over de individuele persoonlijke verantwoordelijkheid bij collectief gedrag, en over de verpletterende verantwoordelijkheid van degenen die dat individuele gedrag van velen aansturen.
Ik las onlangs een boek dat ik sinds jaren in mijn bezit heb, ik weet niet meer wanneer ik het me aangeschaft heb, maar onlangs viel mijn oog erop, en begon ik het te lezen. Het gaat om Genèse de l’antisémitisme van de befaamde Franse historicus Jules Isaac (1877-1963). Daarin bestudeert hij grondig de vermeende en reële uitingen van antisemitisme in de oudheid en de middeleeuwen, tot aan het jaar 1000. Het is een waar requisitoir tegen de rol ter zake van het christendom, maar desondanks uiterst genuanceerd. Aan de hand van oorspronkelijke teksten en ernstige historische studies wijst hij voortdurend aan wie zich binnen de christelijke Kerk te buiten is gegaan aan antisemitisme, en wat daarvan de gevolgen geweest zijn — zijn echtgenote en dochter kwamen om in Auschwitz, maar dat vermeldt hij niet in dit boek. Het viel me daarbij voortdurend op dat hij weigert zich schuldig te maken aan groepsdenken, aan het verdacht maken of beschuldigen en het veroordelen, of het vrijpleiten, van groepen. Het zijn inderdaad altijd individuele mensen die denken en handelen, zelfs als ze het denken en handelen van anderen herhalen of imiteren, zelfs als gedachten en handelingen gemeengoed worden in sommige groepen, op sommige plaatsen, op sommige tijdstippen of periodes, zoals het antisemitisme in het christendom. Ik heb het fascinerende, ontstellende boek in een ruk uitgelezen, en raad iedereen aan om het eveneens ter hand te nemen.
Het is uitstekende achtergrondliteratuur voor een meer serene en geïnformeerde benadering van de verschrikkelijke gebeurtenissen in Gaza sinds 7 oktober 2023. Isaac geeft in zijn werken herhaaldelijk aan dat er in de loop van de geschiedenis van Joodse kant allicht sprake is geweest van provocatie, en van aanleiding tot afgunst en wantrouwen, maar weigert te aanvaarden dat het Joodse volk zelf om een of andere reden verantwoordelijk zou zijn voor het vaak rabiate antisemitisme van het christendom. Volgens dezelfde redenering kan men ook stellen dat de politiek van vorige en zelfs van de huidige Israëlische regeringen geen voldoende reden mag zijn voor het fundamentele en rabiate antisemitisme van Hamas en zijn bondgenoten. Het huidige antisemitisme is hoofdzakelijk het resultaat van eeuwenlange negatieve beeldvorming, diaboliseren van de vijand, propaganda en indoctrinatie.
Het is niet waarschijnlijk dat een situatie die al meer dan vierduizend jaar tot bloedige twisten geleid heeft op korte termijn een vreedzame oplossing zal krijgen. Toch kan het niet anders dan dat een oplossing enkel in overleg tot stand zal komen, en niet met geweld. Het is pas wanneer we onze fundamentele gelijkheid als basis nemen voor ons samenleven en afstand nemen van wat ons onderscheidt, pas wanneer wij altijd de voorrang krijgt op jij, hij, jullie en zij, dat we kunnen beginnen te bouwen aan een wereldwijde gemeenschap van gelijkgezinden, en dat geweld zinloos wordt. Wanneer we denken geweld te gebruiken tegen anderen, gebruiken we immers geweld tegen onze gelijken, dus niet tegen zij, maar tegen wij.

