Verlossing: I know that my Redeemer liveth.
Verlossing
Een van de meest aangrijpende aria’s uit het overbekende oratorium Messiah van Händel (Part III, Scene 1: The Promise of Eternal Life) is ongetwijfeld dit:
I know that my Redeemer liveth, and that He shall stand
at the latter day upon the earth.
And tho’ worms destroy this body, yet in my flesh shall I see God.
For now is Christ risen from the dead, the first fruits of them that sleep.
De tekst van Händels ‘Messias’ is van Charles Jennens (1700-1773) een Engels grootgrondbezitter en mecenas, goede vriend van Händel en tekstdichter van de oratoria Saul (1738), (waarschijnlijk) Israel in Egypt (1738), l'Allegro, il Penseroso ed il Moderato (1740), Belshazzar (1744) en Messiah (1741).
Jennens nam de tekst over van Job 19:25-26 in de King James versie:
25 For I know that my redeemer liveth, and that he shall stand at the latter day upon the earth:
26 And though after my skin worms destroy this body, yet in my flesh shall I see God.
De letterlijke Engelse interlineaire vertaling van de Hebreeuwse tekst is als volgt:
For I know my Redeemer that lives and that at last on the earth He shall stand
And after my skin is destroyed this [I know] that in my flesh I shall see God.
In de Willibrord-vertaling luidt dat:
Want ik weet, ik ben er zeker van: mijn verdediger leeft, tenslotte zal Hij deze wereld binnentreden. En al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lijf.
We zien dus dat beide vertalingen zich vrijheden veroorlooft tegenover de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst, doch vooral de King James versie. Het boek Job is zelfs in de Bijbelse context geen eenvoudige tekst. Het lijkt een soort van rechtszaak, waarbij Job zich tegenover God beklaagt over al het onheil dat die hem onverdiend doet overkomen. Wanneer iedereen hem in de steek laat, vrienden, familie, zijn eigen vrouw en kinderen, en uiteindelijk zijn eigen lichaam, spreekt hij in zijn wanhoop en bijna tegen beter weten in die krachtige woorden uit: God zal uiteindelijk toch komen opdagen om zijn verdediging op zich te nemen en hem recht te doen wedervaren. Zijn vrienden spreken dat tegen, wat Job opnieuw aanzet om zijn beklag te maken. Hij verwijt God dat hij zijn zaak niet bij hem kan bepleiten: hij is onvindbaar, en doet in zijn almacht al wat hij wil: hij treft goede mensen, maar straft booswichten niet. En zo gaat zijn aanklacht nog een hele tijd door. We kennen echter de afloop: God zal hem in ere herstellen, hem al zijn bezit en rijkdom teruggeven in duizendvoud.
Waar onze passage in de Hebreeuwse tekst slechts een tussentijdse gedachte is, die bijna in het niets verdwijnt tegenover de aanklachten die Job tot God richt, ook en vooral in de volgende hoofdstukken, is ze voor de christenen een van de vele voorafbeeldingen geworden van de Verlosser, Jezus Christus. Dat blijkt hier uit het vers dat Jennens overneemt van Paulus (1 Kor 15, 20), eveneens in de King James versie:
20 But now is Christ risen from the dead, and become the firstfruits of them that slept.
In de Willibrord-vertaling:
Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn.
Dat is een goede benadering van de oorspronkelijke Griekse tekst. Eerstelingen of primeurs zijn de eerste vruchten van een oogst, vandaar het Engelse firstfruits; het Grieks heeft aparchè en dat betekent onder meer de eerste vruchten die als een dankoffer aan de goden aangeboden worden. De eufemistische uitdrukking ‘ontslapen’ verschijnt in de betekenis van ‘sterven’ vanaf 1637. Het voorvoegsel ‘ont-‘ duidt hier het begin aan van de handeling: beginnen te slapen, dus inslapen; vergelijk: ontbloten, ontbranden, ontstaan, ontvangen, ontwaken.
Voor Paulus – veeleer dan voor Jezus – was dit de essentie van het geloof: Jezus is verrezen, een bewijs dat mensen uit de doden kunnen opstaan en dan eeuwig leven. Dat is de onwaarschijnlijke boodschap die hij verkondigde, en die de Kerk is blijven verkondigen, tot op de dag van vandaag.
Bemerk dat Job het helemaal niet heeft over Christus, hoe zou dat ook kunnen! Hij drukt zijn vertrouwen uit dat God hem, ondanks alles, recht zal laten wedervaren. Er is geen sprake van een Verlosser in christelijke zin, een Godmens die God genoegdoening zal geven voor de erfzonde, begaan door de eerste mensen. De Hebreeuwse tekst zegt goali en dat heeft verscheidene specifieke betekenissen, bijvoorbeeld: familielid, medestander, hulpverlener, redder, bevrijder, wreker, een man die de weduwe van zijn broer huwt, enzovoorts. In het Oude testament is het begrijpelijkerwijs vaak een epitheton ornans van God. En er is nog veel minder sprake van een verrijzenis van de doden op de jongste dag, bij de terugkomst van Christus op aarde. Jenssens bezondigt zich hier aan de klassieke christelijke hineininterpretierung van teksten uit de Hebreeuwse geschriften als voorspellingen van wat in het Nieuwe Testament beschreven zal worden. Thomas Paine (1737-1809) analyseerde genadeloos talloze gevallen van dergelijke onterechte ontleningen in zijn The Age of Reason. Job verwijst niet naar het feit dat de wormen na zijn dood zijn lichaam zullen verorberen, maar naar de plaag die zijn vel getroffen heeft: ‘Overdekt is mijn lijf met vuil en wormen, van top tot teen etter en kloven.’ (7, 5) Dat is erg vrij vertaald voor: ‘Mijn vlees is aangekoekt met wormen en stof, mijn huid is gebarsten en breekt weer uit’. Zijn lijf blijft echter behouden, en met dat lichaam hoopt hij ooit God te zien opdagen als zijn getuige en verdediger in zijn rechtszaak. Alleen met veel kwade wil en een opzettelijk verwrongen vertaling kan men in het citaat een voorafspiegeling zien van het oordeel op de vermeende laatste dag.
De gedachte aan een ultieme verlosser is onverbrekelijk verbonden met het onbegrijpelijke idee van een erfzonde die zou begaan zijn door de eerste mensen. In de Hebreeuwse geschriften is daarvan geen sprake, het is een verzinsel van het vroege christendom, dat voor het eerst opduikt in de geschriften die men toeschrijft aan Paulus. Overigens is die zogenaamde verlossing veeleer symbolisch: voor de mensheid is er ten gronde niets veranderd. Het is niet alsof iedereen nu plots met God verzoend is en zonder zonde leeft en na de dood recht naar de hemel gaat. Net zoals de erfzonde een aberratie is van een misantroop denken, is de kruisdood van (de zoon van) God een nutteloos verzinsel van een sadistisch denken. Het is zonder meer onbegrijpelijk dat men ervan uitgaat dat de mens vanaf zijn ontstaan voor altijd verdoemd is door een primitieve misdaad begaan tegenover een almachtige God. De mens is een van de resultaten van de evolutie van het leven op aarde, even vrij van alle schuld als alle andere levende wezens, en heeft dus ook geen verlosser nodig om zich weer met God te verzoenen.
Dergelijke gedachten bestoken een redelijk mens bij het beluisteren van die prachtige aria, het liefst gezongen door de onvergelijkbare Emma Kirby, of de subtiele Sumi Jo, liever, in dit geval althans, dan de triomfantelijke stentorstem van Marilyn Horne. Het is voor mij overduidelijk dat het de muziek is die me aangrijpt, en de vertolking, veeleer dan de tekst, zeker als we daarop nader ingaan. Maar ik kan niet ontkennen dat de overtuiging waarmee die eenvoudige woorden gezongen worden me, ongetwijfeld wegens onze van het christendom doordrongen artistieke wereld en mijn eigen erg christelijke opvoeding, blijft imponeren, zoals dat zeker ook het geval was in Händels tijd, toen eenvoudige gelovigen van in hun prilste jeugd met die woorden, zoal niet met de gedachten, vertrouwd gemaakt waren. Dat is de moeilijkheid die ongelovigen of atheïsten hebben bij het beluisteren van religieuze muziek, zeker als zij zoals ik uitermate vertrouwd zijn met de teksten en met de theologie die erachter steekt. Enerzijds begrijp je de muziek in haar eenheid van woord en melodie, en voel je de volmaaktheid aan van de vertolking van de onderliggende vrome gedachten. Anderzijds verwerp je de boodschap als een kwaadaardig en uiterst schadelijk verzinsel, en kwetsen de woorden je intelligentie als een aanfluiting van de werkelijkheid, en dat werpt een inktzwarte schaduw op het onvergankelijke kunstwerk dat Händel tot stand bracht, dat sinds vele jaren een dierbaar deel is gaan uitmaken van mijn eigen culturele thesaurie, en ontegensprekelijk behoort tot de mooiste parels van ons collectieve muzikale geheugen.

