Theocratie en democratie
Theocratie als verzorgingsstaat, democratie als welvaartsstaat.
Flavius Josephus (37-ca. 100), een Joods-Romeinse geschiedschrijver, was de eerste die de term theocratie gebruikte, in zijn verdediging van het Joodse volk en zijn levenswijze, in het boek dat hij aan het einde van zijn leven in het Grieks schreef, en dat bekend staat, in zijn Latijnse vertaling, als Contra Apionem, tegen Apio, een hellenistische tegenstander uit Alexandrië in Egypte. Hij beschrijft die theocratie meesterlijk als een allesomvattende verzorgingsstaat, waar alles tot in de kleinste details voorgeschreven is door de wet, en iedereen zich ertoe verbindt alles nauwgezet na te leven. Dat is wat ook het christendom nadien beoogde, en wat de islam nog altijd beoogt. En ook onze westerse sociale verzorgingsstaten zijn daarvan afgeleid, evenals het communisme. Van oudsher zijn er mensen die op eigen krachten willen instaan voor hun welzijn, en anderen die daarvoor een beroep doen op de staat. De staat int daartoe belastingen bij diegenen die door hun inspanningen een meerwaarde creëren. Zolang de staat het belastinggeld gebruikt voor algemene voorzieningen, zal men bereid zijn om daartoe bij te dragen naar eigen daadkracht en vermogen. Wanneer men echter vaststelt dat de staat ook in het volledige persoonlijke levensonderhoud gaat voorzien van een niet onaanzienlijk deel van de bevolking, dat zich zo onttrekt aan de verplichting om door eigen inspanningen bij te dragen aan het algemeen welzijn, wekt dat wrevel op bij degenen die daarvoor moeten opdraaien. Men is in het algemeen wel bereid om in te staan voor de basisbehoeften van mensen die om evidente redenen niet in staat zijn om dat zelf te doen, maar men is terecht argwanend wanneer sociale systemen aanleiding geven en zelfs aanzetten tot misbruik — wat echter onvermijdelijk is: de menselijke vindingrijkheid wordt zowel aangewend om zelf meerwaarde te creëren als om onterecht te profiteren van sociale systemen bedoeld voor echte behoeftigen.
In België hebben we een gemengd systeem, waarin beide strekkingen aan bod komen. Er is een grote vrijheid van ondernemen, maar ook een groot sociaal vangnet. Vandaar dat de belastingen hier uitzonderlijk hoog zijn, om de sociale uitgaven te kunnen betalen. Maar zelfs dat volstaat niet: de begroting is structureel deficitair en de staatsschuld, de leningen die de staat moet aangaan om rond te komen, is buitensporig groot. De voorstanders van de verzorgingsstaat eisen meer belastingen en minder vrijheid van ondernemen, de ondernemers minder belastingen en minder sociale voorzieningen; de middenklasse zoekt een compromis, maar begint stilaan in te zien dat er toch iets zal moeten gebeuren om de begroting toch meer in evenwicht te brengen. Europa dringt daarop sterk aan, en dreigt met sancties.
De meningen zijn verdeeld, in ons land en in de rest van de wereld. Iedereen heeft een eigen mening, of deelt de mening van anderen. Meestal gaat het dan om concrete aangelegenheden, bijvoorbeeld de voorwaarden om een leefloon te krijgen en de grootte van dat bedrag; de pensioengerechtigde leeftijd voor iedereen en de uitzonderingen daarop; de duur van het ‘recht’ op werkloosheidsuitkeringen; de belasting op rijkdom en inkomsten die niet uit arbeid voortkomen; de kosten van de ziekteverzekering; subsidies allerhande, de indexering van lonen en uitkeringen enzovoorts. Zelden wordt de grond van de zaak aangekaart, namelijk de vraag welke staatsinstelling de meest efficiënte is: de socialistische of de liberale.
De socialistische streeft naar een zo groot mogelijke herverdeling door de staat, een maximale staatsinmenging in het openbare en het individuele leven, met het oog op de grootste gelijkheid van alle burgers. De liberale streeft naar een zo groot mogelijke vrijheid van individuen, groepen en organisaties, minimale staatsinmenging, en enkel de hoogstnoodzakelijke ondersteuning van reële behoeftigen, met het oog op een maximale inzet van alle krachten voor het algemeen welzijn. Het gaat erom welk van beide systemen er het best in slaagt om mensen aan het werk te zetten, en zo weinig mogelijk mensen ertoe brengt zich daaraan te onttrekken.
Fundamenteel is elk individu in de eerste plaats bezorgd om het eigen voortbestaan en welzijn, en beseft tevens dat iedereen daarvoor in zeer grote mate afhankelijk is van de samenwerking met anderen, zeker in een complexe, hoogtechnologische wereld met acht miljard mensen. Men zou dus kunnen denken dat het liberale systeem, dat de persoonlijke inzet van het individu benadrukt, meer aansluit bij de menselijke natuur, de overlevingsdrang, het streven naar geluk en het vermijden van onheil. Maar in een moderne samenleving kan diezelfde overlevingsdrang net zo goed mensen aanzetten om zich te onttrekken aan arbeid en optimaal gebruik te maken van alle vormen van staatstussenkomsten, als om door arbeid en inzet zelf te voorzien in het eigen levensonderhoud. Het sociale profitariaat, in al zijn vormen, en in alle bevolkingslagen, vormt een fatale bedreiging voor de samenleving wanneer de staatsuitgaven voor de sociale zekerheid de inkomsten uit rechtvaardige belastingen overschrijden. En wanneer de belastingen zo hoog oplopen dat ze een domper zijn op de ondernemingslust, zullen daardoor de staatsinkomsten veeleer dalen dan toenemen, en wordt het begrotingstekort groter aan de inkomstenzijde.
De wereld is verdeeld. Er zijn enorme verschillen in rijkdom en voorzieningen tussen landen en regio’s, en tussen mensen in die landen en regio’s. De oorzaken daarvan zijn complex, en het is weinig waarschijnlijk dat het ooit anders zal zijn. Wat we wel vaststellen, is dat de acht miljard mensen het nu globaal beter hebben dan ooit tevoren, ondanks de enorme verschillen. Misschien ligt daarin een aanwijzing voor de toekomst. Het verleden leert ons dat alle pogingen om door een opgelegd systeem iedereen zoveel mogelijk gelijk te maken, faliekant aflopen. Laten we dus de vrijheid in verscheidenheid aanvaarden en zelfs bevorderen, veeleer dan die in te perken en af te keuren.
Ongetwijfeld zijn er mensen die de voorkeur geven aan een beschermd leven, waarin heel veel voor hen geregeld wordt. Dat betekent echter onvermijdelijk dat er ook mensen moeten zijn die hen beschermen en alles voor hen regelen, en toezien op het naleven van de regels, die aldus beslissen over goed en kwaad. Als dat ideale, volmaakte mensen zouden zijn, zou dat inderdaad een heel aantrekkelijke en voor velen zelfs een wenselijke situatie zijn. Maar dergelijke mensen zijn uiteraard zeldzaam, als ze er al zijn. Vaak zijn het juist heel andere lieden de zich als leiders van groepen en gemeenschappen opwerpen, gedreven door machtswellust, roemzucht, inhaligheid, hoogmoed en gemakzucht. Daarom is het altijd beter dat mensen zelf onderling op basis van gelijkheid afspraken maken, voortdurend aangepast aan de wijzigende omstandigheden. Omdat een socialistische ideologie principieel uitgaat van regelgeving om een ideaal van gelijkheid te realiseren, is die van aard om totalitaire systemen voort te brengen, terwijl in een liberale ideologie de nadruk veeleer ligt op de vrijheid van het individu en de vrijheid van vereniging, om door de natuurlijke drang naar persoonlijk zelfbehoud, welzijn en geluk de algemene welvaart te bevorderen, ook voor mensen die van die vrijheid geen gebruik kunnen of willen maken.
Ook in dergelijke samenlevingen zullen er dus leiders en volgers zijn, maar het grote verschil is dat in dit geval de leiders niet bepalen hoe anderen moeten denken en handelen, en iedereen de onvervreemdbare vrijheid behoudt om te denken wat men wil, en te zeggen wat men denkt (Spinoza). In een waarlijk democratische samenleving zal er nog altijd ongelijkheid zijn, omdat de individuele vrijheid die haar essentie is, ervoor zorgt dat mensen hun natuurlijke mogelijkheden en begaafdheden op verschillende wijze aanwenden, ten bate van het algemeen welzijn. Hetzelfde vrijheidsideaal zal er tevens voor zorgen dat de fundamentele gelijkheid van alle mensen niet in het gedrang komt. Wat wij wensen voor onszelf, wensen wij immers vanzelfsprekend ook de anderen toe (eveneens Spinoza). Die anderen zijn de mensen met wie wij samenleven, in de eerste plaats onze naasten, maar bij uitbreiding is dat de hele gemeenschap van alle mensen.

