Etsi Deus non daretur: zelfs als er geen God zou zijn.
Etsi Deus non daretur…
Stilaan beginnen meer mensen zich vragen te stellen hoe het nu verder moet, nu het christelijk geloof heeft afgedaan. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat al die mensen die diepgelovig opgevoed zijn plotseling geen enkele behoefte meer zouden voelen aan wat hun als het allerbelangrijkste was voorgesteld, of geen enkele nood meer zouden voelen aan een of andere vorm van morele richtlijnen, nu de Kerk is weggevallen als de enige verkondiger van hogere waarden. Niet iedereen stelt zich uitsluitend tevreden met zoveel mogelijk te genieten van de aangename zaken in het leven, en er zijn genoeg momenten waarop er zich meer onaangenaams aandient dan wat anders.
Het heeft echter geen zin om terug te keren naar de vroegere toestand, en maar heel weinig mensen hebben zin om dat te doen. De islam mag dan al aantrekkelijk zijn voor enkele bekeerlingen, een groot succes is het niet onder ex-christenen of ongelovig opgevoede jongeren. Allerlei buitenlandse godsdiensten, sekten en alternatieve groepen doen het evenmin goed hier bij ons. Eens het infame idee van een almachtige God opgegeven is, wil men immers geen andere in de plaats nemen. Sommigen, zelfs een enkele vrijzinnige, menen dan een oplossing te vinden in de leuze: ook al is er geen God, het is toch beter te doen alsof er wel een is. Dat is, op de keper beschouwd, ook wat Kant beweerde.
Kijk, dat is nu werkelijk de zaken op hun kop zetten, of kop-over-kloten, zoals we zo beeldend in het Vlaams zeggen. Dat is precies wat de Kerk altijd al gedaan heeft: doen alsof er een God is, en we hebben gezien waartoe dat geleid heeft. Er is werkelijk geen enkele goede reden om, zoals Voltaire beweerde, God uit te vinden zelfs als hij niet bestaat. We kunnen best voort zonder hem, en ook zonder Kerk, vooral zonder Kerk, daarover was ook Voltaire het eens, zo al niet Kant.
Wie bepaalt dan hoe het verder moet, wie spreekt zich uit over goed en kwaad? Wel: wijzelf, er is immers niets of niemand anders. We moeten individueel en collectief voor onszelf uitmaken wat best is voor onszelf, collectief en individueel. In feite deed de Kerk vroeger niets anders: ook toen waren het mensen die de wet opstelden, en als ze zich daarbij beriepen op een goddelijke openbaring, dan was die openbaring nog altijd opgesteld door mensen, hoezeer de Kerk dat ook ontkende en ontkent. Het probleem met de Kerk is niet dat ze morele voorschriften uitvaardigt, uiteindelijk moet iemand het doen. Het probleem is dat het in en door de Kerk niet op democratische wijze gebeurt, en niet rationeel.
Daar ligt het antwoord op de vraag wie er gezagsvol kan optreden na het wegvallen van de Kerk: het rationele denken binnen de democratische samenleving. Beide elementen zijn noodzakelijk. Rationeel denken alleen volstaat niet, want er is niet op alle vragen een eenduidig rationeel antwoord, en niemand kan enig gezag opeisen op grond van rationeel denken alleen, enkel de vrijheid om een bepaalde mening te hebben en te verkondigen. Er is in de eerste plaats en noodzakelijkerwijs een democratische samenleving nodig, waarin de verkozenen van het volk uiteindelijk bij meerderheid beslissingen nemen die voor iedereen gelden, nadat uitvoerig rationeel nagedacht en overlegd werd over wat er bij het volk leeft. En waarover men niet tot een algemeen oordeel komt, blijft onbeslist en wordt overgelaten aan de vrije interpretatie van elkeen.
Daarbij zal men vaststellen dat er zonder het onnodige mom van een openbaring ook algemene waarheden zijn die mensen kunnen inzien, zoals Hugo Grotius al stelde in zijn De iure belli et pacis (1625), ‘het recht over oorlog en vrede’, namelijk dat zelfs als men zou stellen dat er geen God is, of dat die niet bekommerd is over menselijke bezigheden, zijn ideeën over het recht om oorlog te voeren toch van belang zijn. In verkorte vorm luidt dat etsi Deus non daretur, ‘zelfs als er geen God zou zijn’. Zo moeten we dus redeneren, alsof er geen God is, niet alsof er wel een is. Die twee alternatieven zijn elkaars tegengestelde, en sluiten elkaar uit. Zolang men een God veronderstelt, zelfs pour le besoin de la cause, en men dus doet alsof, verhindert men het alternatief, namelijk dat de mensen zelf instaan, individueel en collectief, en op redelijke gronden, voor hun eigen waarheid.
Laten we dus elke valse en onnodige veronderstelling over een bovennatuurlijk wezen even categoriek van de hand wijzen als we verontwaardigd elke vorm van ondemocratisch bestuur afwijzen en aanklagen. Laten we ons toeleggen op het gebruik van onze mentale vermogens om over cruciale aangelegenheden tot goed beredeneerde algemene en bijzondere wetten en normen te komen, steeds voorlopig vastgelegd door het legitieme democratisch verkozen gezag. En laten we vooral ook gebruik maken van het onaantastbare recht op vrije meningsuiting, zelfs om die wetten en normen aan te vechten, zonder evenwel afbreuk te doen aan de democratische rechtsbeginselen.

