Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld vanaf 60
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: poëzie

... hij kon niet ramen

In mijn prilste jeugd las ik ooit een voor mij vreemd gedicht, wellicht in een gedichtenbundel die ik kreeg ter gelegenheid van de proclamatie in de lagere school (1952-1959, als ik terugtel). Daarvan is me bijgebleven dat de verzen op een komische manier niet echt rijmden, omdat de klinkers veranderd waren. Helaas kon ik me alleen het slotvers weer voor de geest halen: ‘hij kon niet ramen!’. Tijdens de ongeveer zeventig jaren die daarop volgden, heb ik herhaaldelijk geprobeerd om het gedicht terug te vinden, maar zonder succes. Toen Google ter beschikking kwam, zocht ik daarmee, maar helaas. Onlangs begon ik met AI te stoeien, en dan heb ik het maar op die manier geprobeerd. En ja hoor! Ik kreeg meteen allerlei informatie over een gedicht over een ridder, een jonkvrouw en de stereotiepe draak. Toen ik de hele tekst vroeg, botste ik eerst op copyrights, maar na enig aandringen kwam het er toch, tot mijn grote blijdschap. Algauw kreeg ik echter argwaan: het klopte niet helemaal, en toen ik doorvroeg, kreeg ik een andere versie, met dezelfde elementen. Na uren van sparren met AI gaf het programma uiteindelijk toe: de tekst was verzonnen! Hallucinatie dus.

Ik was vreselijk teleurgesteld en geërgerd, en mijn aanvankelijke bewondering voor AI kreeg meteen een ferme deuk. Maar toen dacht ik: waar haalde AI die elementen: de ridder, de jonkvrouw, de draak? Waar de kreupelrijmen? Het leek me compleet onwaarschijnlijk dat AI dat zonder enig verband uit zijn duim zoog, hoewel het dat wel uitdrukkelijk stelde toen ik aandrong. Toen ik dat vroeg, was het antwoord dat ‘elementen’ in het AI-geheugen zaten, maar niet de volledige tekst, en die werd er zomaar bij verzonnen. Dus weer naar af, dacht ik… Toen heb ik het verzonnen gedicht aan AI voorgelegd, en plots kreeg ik een verwijzing naar een Facebook-pagina met het gezochte gedicht en een bronverwijzing. Nog even navragen of er niet weer gehallucineerd werd, maar blijkbaar niet. Dus hierbij een korte tekst op basis van gegevens uit AI over het gedicht, en dan de volledige tekst. Eindelijk!

"De ridder" van Jan de Cler behoort tot de populaire nonsens- en plezierpoëzie uit de naoorlogse Nederlandse radiocultuur. De precieze ontstaans- en verspreidingsgeschiedenis is niet op alle punten eenvoudig te reconstrueren, maar het gedicht past duidelijk in een traditie waarin radioamusement, taalspel en voordrachtcultuur nauw met elkaar verweven waren.

De basis voor het gedicht werd gelegd in de studio's van de Nederlandse KRO. Jan de Cler (1915–2009) was een creatieve duizendpoot: tekstschrijver, zanger, radiomaker én de man achter de iconische voetbalhit "Hup Holland hup". Later gooide hij het roer om en werd hij praktiserend huisarts. Het radioprogramma “Negen heit de klok" was vanaf het einde van de jaren veertig tot in de eerste helft van de jaren vijftig een populair amusementsprogramma op de zaterdagavond. Het programma wordt in herinneringen aan die periode vaak verbonden met de brede naoorlogse radiocultuur. Het gedicht wordt doorgaans in verband gebracht met De Clers werk voor dit radioprogramma. Mogelijk werd "De ridder" daar voor het eerst voorgedragen, misschien op 28 mei 1950, waarschijnlijk in een muzikale en komische context waarin ook medewerkers als Guus Jansen een rol speelden. Het vers — een parodie op middeleeuwse ridderballades — valt vooral op door het komische gebruik van geforceerd eindrijm, of kreupelrijm.

Hoewel dit soort gelegenheidspoëzie en radioteksten in de jaren vijftig niet altijd meteen via grote literaire uitgevers circuleerde, lijkt de tekst wel op verschillende manieren op papier te zijn doorgegeven. Het is aannemelijk dat populaire teksten en liedjes uit radioprogramma's in programmabladen, losse afdrukken of kleine bundeltjes voor luisteraars terechtkwamen. Door het opvallende taalspel leende het gedicht zich goed voor voordracht. Het kan mede daardoor in schoolse of kring zijn opgenomen in bundeltjes.

Een latere en beter controleerbare boekcontext is de bloemlezing "Ik wou dat ik twee hondjes was", die in 1982 door Vic van de Reijt werd samengesteld voor Uitgeverij Bert Bakker. De opname van "De ridder" in zo'n bloemlezing wijst erop dat het gedicht werd herkend als een voorbeeld van twintigste-eeuws Nederlands plezierdicht. Daarmee kreeg een tekst uit de sfeer van radio en voordracht alsnog een plaats in een bredere literaire en culturele herinnering. Door het hier weer te geven los ik niet alleen een tergend geheugenprobleem over een lang vervlogen herinnering op, maar breng ik het gedicht en zijn context toch weer wat meer onder de aandacht die het ongetwijfeld verdient door zijn speelse maar kundige poëtische originaliteit.

 

Jan de Cler (1915-2009)  De Ridder

Er was eens in vervlogen tijden
Een ridder, moedig als geen twijde.
Hij was zo krachtig als de beul
En woonde in een groot kasteul
Met 80 strijders, hele ruwe,
En zocht een vrouw, om mee te truwen.
Hij was verzot op steektoernooien
Van ’s morgens vroeg bij ’t hanekrooien
Tot ’s avonds laat toog hij ten strijde,
Hij had het land aan pais en vrijde.
Nu wilde het dat in die dagen
Veel ridders naar de bergen tagen,
Omdat daar volgens de berichten
Een maagd in ene kerker zichtte.
Die daar bewaakt werd door een draak.
De ridder riep; ‘Dan ga ik aak.
Wilt goed op mijn kasteel hier passen,
Want ik ga deze maagd verlassen.’
Dus bij het krieken van de morgen
Toog onze ridder naar de borgen
En plotseling stond hij voor de draak,
Maar dat bracht hem niet van de kaak.
Hij greep zijn zwaard, wou ’t ondier doden
Maar plotseling kreeg hij medeloden.
De draak was hierdoor zeer ontroerd,
Nam met verstikte stem het woerd
En sprak met tranen in zijn baard:
‘Doe maar een wens, hij wordt verhaard.’
De ridder sprak daarop verheugd:
‘Ik wens de vrijheid van de meugd,
Die gij hier opgesloten houdt.’
De draak zei: ‘Goed, maar luister goud,
Maak eerst een vers op jullie samen.’

Hij kreeg haar nooit, hij kon niet ramen!

Stuur door

Erwartung - Verwachting

Erwartung

Richard Dehmel (1863-1920)

Aus dem meergrünen Teiche
neben der roten Villa
unter der toten Eiche
scheint der Mond.

Wo ihr dunkles Abbild
durch das Wasser greift,
steht ein Mann und streift
einen Ring von seiner Hand.

Drei Opale blinken;
durch die bleichen Steine
schwimmen rot und grüne
funken und versinken.

Und er küßt sie, und
seine Augen leuchten
wie der meergrüne Grund:
ein Fenster tut sich auf.

Aus der roten Villa
neben der toten Eiche
winkt ihm eine bleiche
Frauenhand.

 

Verwachting

Uit de zeegroene vijver

Bij het rode landhuis

Onder de dode eik

Schijnt de maan.

 

Waar haar donkere weerschijn

Door het water heen glinstert

Staat een man die een ring

Van zijn hand schuift.

 

Drie opalen fonkelen;

Tussen de bleke stenen

Drijven rode en groene

Vonken die wegzinken.

 

En hij kust ze en

Zijn ogen lichten op

Als de zeegroene bodem;

Een raam gaat open.

 

Uit het rode landhuis

Naast de dode eik

Wenkt hem een bleke

Vrouwenhand.

 

(werkvertaling © 2026 Karel D’huyvetters)

Cf. Arnold Schönberg, Erwartung, Vier Lieder (1899) op. 2

Stuur door

2026

Ik weet niet

of ik nog het lef zal hebben

om mijn stem te verheffen

en de nood te klagen

van hen die lijden

onder het geweld

van hun medemens

ik ben murw geslagen

door hun woordeloze aanklacht

hun blik vol onbegrip

hun onuitgesproken vraag

hun troosteloze teleurstelling

hun uitzichtloos berusten

ik heb niets

om hun tranen te drogen

hun hand te vullen

hun rug te rechten

of een glimlach te ontlokken

aan hun moede ogen

ik heb niets

om hun belagers te weerhouden

tot redelijkheid te brengen

of met harde hand te straffen

mij rest alleen

de onrust

van mijn vermeende vrede

en de onmacht

van mijn nutteloze overvloed.

 

Karel D’huyvetters

gedichtendag 2016

Stuur door

Les mots d'amour -- De woorden van liefde

De woorden van liefde

 

Tekst: Michel Rivegauche

Muziek: Charles Dumont

Gezongen door Édith Piaf

 

’t Is gek hoe ik van je kan houden

Hoe ik soms van je houden kan

Soms moet ik ervan wenen

Want nooit heb ik liefgehad

Nooit zo liefgehad

Dat kan ik je wel zweren

 

Als je ooit weg zou gaan

Weggaan en me verlaten

Me voor altijd zou verlaten

Zou ik er zeker aan ten onder gaan

Zeker van liefde aan ten onder gaan

Mijn geliefde, mijn geliefde

 

’t is gek wat hij me zei

Al die mooie woorden van liefde

En hoe hij die zei

Maar hij is er niet aan dood gegaan

Want ondanks zijn liefde

Is hij het die me verlaten heeft

 

Zonder een woord te zeggen

En nochtans, woorden

Er waren er zo veel

Er waren er te veel

 

’t Is gek hoe ik van je kan houden

Hoe ik soms van je houden kan

Soms moet ik ervan wenen

Want nooit heb ik liefgehad

Nooit zo liefgehad

Dat kan ik je wel zweren

 

Als je ooit weg zou gaan

Weggaan en me verlaten

Me voor altijd zou verlaten

Zou ik er zeker aan ten onder gaan

Zeker van liefde aan ten onder gaan

Mijn geliefde, mijn geliefde

 

En zie, vandaag

diezelfde woorden van liefde

zeg ik nu op mijn beurt

zeg ik nu op mijn beurt

met evenveel liefde

aan een andere dan hem

 

Ik zeg woorden

Want woorden

Er zijn er zo veel

Dat er te veel van zijn

 

’t Is gek hoe ik van je kan houden

Hoe ik soms van je houden kan

Soms moet ik ervan wenen

Want nooit heb ik liefgehad

Nooit zo liefgehad

Dat kan ik je wel zweren

 

Als je ooit, lalala

Zou ik er zeker lalala

Mijn geliefde, mijn geliefde

 

Eigenlijk was jij het niet

Zoals het zelfs ik niet ben

Die die woorden van liefde zeg

Want jouw stem elke dag

En mijn stem en andere stemmen

Dat is de stem van de liefde

 

Die woorden zegt

Nog meer woorden

Altijd maar woorden

Woorden van liefde

 

’t Is gek hoe ik van je houden kan

Mijn geliefde, mijn geliefde

Als je ooit weg zou gaan

Zou ik er zeker aan ten onder gaan

’t Is gek hoe ik van je kan houden

Hoe ik vol liefde van je houden kan

 

 

Les mots d’amour

Texte : Michel Rivegauche

Musique : Charles Dumont

C'est fou c'que j'peux t'aimer
C'que j'peux t'aimer des fois
Des fois, j'voudrais crier
Car j'n'ai jamais aimé
Jamais aimé comme ça
Ça je peux te l'jurer

Si jamais tu partais
Partais et me quittais
Me quittais pour toujours
C'est sûr que j'en mourrais
Que j'en mourrais d'amour
Mon amour, mon amour

C'est fou c'qu'il me disait comme jolis mots d'amour
Et comme il les disait
Mais il ne s'est pas tué
Car malgré son amour, c'est lui qui m'a quittée

Sans dire un mot
Pourtant des mots
Y en avait tant
Y en avait trop

C'est fou c'que j'peux t'aimer
C'que j'peux t'aimer des fois
Des fois, j'voudrais crier
Car j'n'ai jamais aimé
Jamais aimé comme ça
Ça je peux te l'jurer

Si jamais tu partais
Partais et me quittais
Me quittais pour toujours
C'est sûr que j'en mourrais
Que j'en mourrais d'amour
Mon amour, mon amour

Et voilà qu'aujourd'hui
Ces mêmes mots d'amour
C'est moi qui les redis
C'est moi qui les redis
Avec autant d'amour
À un autre que lui

Je dis des mots
Parce que des mots
Il y en a tant
Qu'il y en a trop

C'est fou c'que j'peux t'aimer
C'que j'peux t'aimer des fois
Des fois j'voudrais crier
Car j'n'ai jamais aimé
Jamais aimé comme ça
Ça, je peux te l'jurer

Si jamais, lalala, la, lalalalala, la, lalalalala
C'est sûr que, lalala, la, lalalalala
Mon amour, mon amour

Au fond c'n'était pas toi
Comme ce n'est même pas moi
Qui dit ces mots d'amour
Car chaque jour ta voix
Ma voix, ou d'autres voix
C'est la voix de l'amour

Qui dit des mots
Encore des mots
Toujours des mots
Les mots d'amour

C'est fou c'que j'peux t'aimer
Mon amour, mon amour
Si jamais tu partais
C'est sûr que j'en mourrais
C'est fou c'que j'peux t'aimer
C'que j'peux t'aimer d'amour

 

Stuur door

Levend verleden

Levend verleden

 

Ik adem en verga langzaam

in dit eenzaam gedeelde heden

de dagen verglijden ongemerkt

tot allengs vergeten jaren

ik droom en denk en leef onverwist

in mijn wazig aanwezig gewaande verleden

 

ik breng mijn late dagen lijdzaam levend door

in het afwezige gezelschap van verre levenden

en de levendige nabijheid van de vele overledenen

die me zwijgzaam aanspreken en toonloos toezingen

overlevenden uit hun nu langgeleden heden

 

ik leef ten langen leste gelaten ten einde toe

en draal en droom en denk en dank

innig verenigd in een erkentelijk herbeleven

in het gezegend herlezen van hun ademloze woorden

het droomverloren aanhoren van hun verstilde toonaarden

 

in mijn tanend talmend leven

schraagt hun onvergankelijk verleden

nu in machtige gedachtestromen

en statige stemmenkoren herrezen

mijn hun dankbaar beleefde heden.

 

Karel D’huyvetters, anno aetatis suae LXXIX°

Stuur door

Op mijn eentje

In 't meervoud

 

Georges Brassens, 1966

 

Awel, meneer, zeggen ze mij wel eens, je bent er mij eentje,

Als ‘k weer eens weiger in te stappen op hun trein.

't Is waar, ongetwijfeld: 'k ben geen brave apostel, een buitenbeentje.

Ik, ik heb niemand anders nodig om er eentje te zijn.

 

In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:

met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.

Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.

In de lijst van de deelnemers zal je mijn naam niet vinden.

 

Lieve God, wat al processies, wat een ganzenpassen, wat een groepen,

wat een verzamelingen en stoeten allerhande,

al die liga’s, cliqua’s, meuta’s, al die troepen,

voor zo’n inventaris is geen Prévert voorhanden.

 

In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:

met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.

Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.

Bij het huilen van de wolven zal je mijn stem niet vinden.

 

O, ja, het was een nobele zaak, een bovenste beste!

We waren verliefd, we zijn met haar getrouwd.

We wilden allemaal gelukkig zijn met haar, maar ten langen leste

waren we met te veel, en dat hebben we ons berouwd.

 

In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:

met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.

Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.

In de lijst van de uitverkorenen zal je de mijne niet vinden.

 

Ik ben die ene die de fanfare voorbij laat trekken,

in sourdine stil een opstandig liedje zit te zingen.

En tot die heren die mijn melodietje verstoort, zeg ik lekker:

bende lawaaimakers! Ik ben net zo goed in die dingen!

 

In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:

met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten

Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.

In het rijtje pupiters zal je de mijne niet vinden.

 

Als je om madam te kozen met zijn twaalven moet zijn

dan amuseer ik me op mijn eentje wel.

Ik ben die ene die zich ver houdt van vrijen als een zwijn:

een obelisk is een monoliet, weet je wel?

 

In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:

met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.

Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.

Waar de piemels in rotten staan zal je de mijne niet vinden.

 

Jaloers ben ik voor geen cent op doden die in bosjes vallen.

Ik hoop dat ik groot genoeg ben om alleen mijn schup af te kuisen.

Ik wens geen hulp als ik in mijn kuil moet afdalen;

ik deel al wat je wil, maar niet het hemd om er van onder te muizen.

 

In ‘t meervoud is een mens nergens goed voor, vrienden:

met meer dan zijn vieren ben je een bende stommekloten.

Een bende op mijn eentje, verdomme! dat is mijn regel, onverdroten.

In een hoop knoken zal je mijn scheenbeen niet vinden.

 

 

Vertaling © Karel D’huyvetters, 19 juni 2007

 

 

Le pluriel, Georges Brassens, 1966

 

" Cher monsieur, m'ont-ils dit, vous en êtes un autre ",

Lorsque je refusai de monter dans leur train.

Oui, sans doute, mais moi, j'fais pas le bon apôtre,

Moi, je n'ai besoin de personn' pour en être un.

 

Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on

Est plus de quatre on est une bande de cons.

Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.

Dans les noms des partants on n'verra pas le mien.

 

Dieu ! que de processions, de monomes, de groupes,

Que de rassemblements, de cortèges divers, -

Que de ligu's, que de cliqu's, que de meut's, que de troupes !

Pour un tel inventaire il faudrait un Prévert.

 

Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on

Est plus de quatre on est une bande de cons.

Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.

Parmi les cris des loups on n'entend pas le mien.

 

Oui, la cause était noble, était bonne, était belle !

Nous étions amoureux, nous l'avons épousée.

Nous souhaitions être heureux tous ensemble avec elle,

Nous étions trop nombreux, nous l'avons défrisée.

 

Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on

Est plus de quatre on est une bande de cons.

Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.

Parmi les noms d'élus on n'verra pas le mien.

 

Je suis celui qui passe à côté des fanfares

Et qui chante en sourdine un petit air frondeur.

Je dis, à ces messieurs que mes notes effarent :

" Tout aussi musicien que vous, tas de bruiteurs ! "

 

Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on

Est plus de quatre on est une bande de cons.

Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.

Dans les rangs des pupitr's on n'verra pas le mien.

 

Pour embrasser la dam', s'il faut se mettre à douze,

J'aime mieux m'amuser tout seul, cré nom de nom !

Je suis celui qui reste à l'écart des partouzes.

L'obélisque est-il monolithe, oui ou non ?

 

Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on

Est plus de quatre on est une bande de cons.

Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.

Au faisceau des phallus on n'verra pas le mien.

 

Pas jaloux pour un sou des morts des hécatombes,

J'espère être assez grand pour m'en aller tout seul.

Je ne veux pas qu'on m'aide à descendre à la tombe,

Je partage n'importe quoi, pas mon linceul.

 

Le pluriel ne vaut rien à l'homme et sitôt qu'on

Est plus de quatre on est une bande de cons.

Bande à part, sacrebleu ! c'est ma règle et j'y tiens.

Au faisceau des tibias on n'verra pas les miens.

Stuur door

Cynthia

Propertius, Cynthia. Een Romeinse romance, vertaald, ingeleid en toegelicht door Paul Claes, Eindhoven: Damon, 2023, 94 blz., € 16,90 pb.

Als Paul Claes een vertaling brengt van een klassieke auteur, of van welke auteur dan ook, kan je er zeker van zijn dat het een nieuwe parel is die hij rijgt aan het prachtige snoer van literaire vertalingen dat hij sinds vele jaren creëert, en waarvoor hij al in 1996 de vermaarde Martinus Nijhoff Vertaalprijs kreeg. Voor deze vertaling van Propertius is hij genomineerd voor de Homerusprijs van het Nederlands Klassiek Verbond.

De lezer krijgt vooreerst een voor de hedendaagse belangstellende noodzakelijke maar vlot te verteren inleiding, waarin kort de tijdgeest aan het einde van de Republiek geschetst wordt en vervolgens aandacht besteed wordt aan de levensloop van Sextus Propertius, die leefde in de laatste vijftig jaar voor onze jaartelling, aan zijn literaire loopbaan, aan zijn eerste dichtbundel Cynthia, aan zijn werk als elegiedichter en zijn stijl. Typisch voor Paul Claes is de aandacht die hij besteedt aan de doorwerking van het werk van de auteurs die hij vertaalt, en waaruit zijn haast onbegrensde eruditie blijkt. Hij situeert de grondtekst en verantwoordt terdege zijn vertaling.

Na de 22 gedichten volgen aantekeningen, eerst over de opbouw van de bundel en vervolgens over elk van de gedichten. Verre van pedant te zijn, vormen deze aantekeningen een significante meerwaarde, niet alleen door de nuttige feitelijke en literaire informatie, maar vooral door de onmisbare duiding en toelichting bij de talrijke mythologische elementen, die Paul Claes vandaag wellicht als enige in staat is te bieden, en dan nog op een manier die zelfs lezers kan boeien die daarmee niet vertrouwd zijn. Uit de ruime bibliografie blijkt hoe degelijk en nauwkeurig de classicus Claes zoals steeds te werk gegaan is: zijn aanpak en zijn interpretaties zijn persoonlijk, maar met grondige kritische kennis van zaken. Wie zich nu nog waagt aan een vertaling van deze gedichten, zal het moeten opnemen tegen een op alle gebied weergaloze voorgaande.

In deze hedendaagse, maar historisch verantwoorde vertaling, en mede door de inleiding en de aantekeningen, wordt de ongekunsteld kunstige poëzie van Propertius ontsloten voor de moderne lezer, en dat loont al de moeite die men zich daarvoor zal getroosten. Verliefdheid blijkt van alle tijden te zijn, en hoe ook verwoord, blijven liefdesgedichten aantrekkelijk voor elke nieuwe generatie, omdat men in de beste moeiteloos de eigen ervaringen herkent, en daardoor dezelfde verwarrende, onstuimige, tedere, hilarische en terneerdrukkende emoties opgeroepen worden. All the world loves a lover (R.W. Emerson), en ook twintig eeuwen na hun ontstaan zijn de gedichten van Propertius, als ze zo voorbeeldig gebracht worden als hier, nog steeds in staat om ons intens te doen meeleven met de uiterst wisselende emoties die er zo sprankelend in weergegeven zijn. De schaarse lezers die het Latijn nog machtig zijn, zullen zich haasten om het origineel ter hand te nemen, en zich te vermeien in een herinnerd genoegen, of zich aangenaam te verbazen bij een eerste kennismaking, deskundig begeleid door de vertaling van Paul Claes, die voor zijn vele en diverse vertaalwerk nu al bijna als een instelling van openbaar nut mag beschouwd worden. De fraaie uitgave door Damon is de achtste in de reeks Monobiblos met poëziebundels uit de Griekse en Romeinse oudheid.

Stuur door

Spinoza- gedicht, Stefan Zweig

Spinoza

Traumsilbernacht… Die schwarzen Fernen brausen,

De Himmel wölbt sich blank und riesengroß.

Viel Sterne glüh’n und helle Sterne sausen

Aufblitzend in den dunklen Mutterschoß

Des Alls, das ihre Wucht in Staub zerschellt –

Und jeder Stern war ein Bruderwelt,

 

War eine Welt in Chor der Myriaden,

Ein wirr-verlor’ner Klang de Harmonie,

Und wie die Weine reich an Lebensgnaden,

Und war dereinst wie Du und Du wie sie,

In schwüler wetterbanger Schöpfungsnacht

Von Traum des Allseins sehnend aufgewacht.

 

Und wieder ist ihr Pfad zum All gegangen,

In dem ihr Keim bei Deinem einstmals schlief,

Ihr Sterbenstrieb war eins mit dem Verlangen

Das heute Dich von blassen Träumen rief

Hinaus zur sternenübersäten Nacht zu geh’n,

Um Dich in Weltenwenden selbst zu seh’n.

 

Stefan Zweig, Wien, in Die Welt, 1901

 

 

Spinoza

 

Droomzilvernacht… De zwarte verten bruisen,

De hemel bulkt kleurloos en reuzengroot.

Veel sterren gloeien en helle sterren suizen

Opflitsend in de donkere moederschoot

Van het Al, dat zijn kracht in stof verbreekt –

En in elke ster een broederwereld ontsteekt

 

Die een wereld is in het koor der myriaden,

Een war-verloren klank der harmonie,

En zoals wijnen rijk aan levensgenaden,

En was eenmaal zoals gij en gij zoals die,

In de zwoele weerbevreesde scheppingsnacht

Door de droom van het Al-zijn smachtend verwacht.

 

Uw weg naar het Al is weer aangevangen,

Waar zijn kiem ooit bij de uwe sliep,

Uw doodsdrift was één met het verlangen

Dat uit bleke dromen u heden opriep

Naar buiten in de bonte sterrennacht te gaan,

Om uzelf in de wereld-wende te zien staan.

 

Vertaling © 2023 Karel D’huyvetters

 

 

 

 

 

 

Stuur door

Federico Garcia Lorca, Prent van la Petenera

Federico Garcia Lorca, Poema del Cante Jondo, [1921], 1931

 

Prent van la Petenera

 

Voor Eugenio Montes

 

Doodsklok

 

Op de gele

toren

luidt een klok.

 

Op de gele

wind

zetten de klokslagen in.

 

Op de gele

toren

stokt de klok.

 

De wind maakt met het pulver

stevens van zuiver zilver.

 

 

Weg

 

Honderd rouwende ruiters

waar gaan ze heen

onder de doodse hemel

van de sinaasappelgaard?

Noch in Cordoba noch in Sevilla

komen ze aan.

Noch in Granada dat smacht

naar de zee.

Die slaapdronken paarden

brengen hen

naar het labyrint van de kruisen

waar het gezang trilt.

Met zeven zuchten vernageld

waar gaan ze heen

de honderd Andalusische ruiters

van de sinaasappelgaard?

 

 

Zes snaren

 

De gitaar

doet de dromen wenen.

Het snikken van de verloren

zielen

ontsnapt aan haar ronde

mond.

En zoals de tarantula

weeft ze een grote ster

om de zuchten te vangen

die drijven in haar zwarte

houten ruim.

 

 

Dans

 

In de tuin van la Petenera

 

In de nacht van de tuin

dansen

zes gitana’s

in het wit gekleed.

 

In de nacht van de tuin

gekroond

met papieren rozen

en akkerscherm.

 

In de nacht van de tuin

schrijven

hun paarlemoeren tanden

de zwartgeblakerde schaduw.

 

En in de nacht van de tuin

worden hun schaduwen langer

en reiken tot aan de purperen

hemel.

 

 

De dood van la Petenera

 

In het witte huis sterft

de ondergang van de mensen.

 

Honderd hitten caracoleren

hun ruiters zijn dood.

 

Onder de huiverende

sterren van de olielampen

siddert haar moiré rok

tussen haar koperen dijen.

 

Honderd hitten caracoleren

hun ruiters zijn dood.

 

Lange aanscherpte schaduwen

komen van de duistere horizon

en de bassnaar van een gitaar

breekt.

 

Honderd hitten caracoleren

hun ruiters zijn dood.

 

 

Falseta

 

Ai, gitana petenera!

Ai, ai gitana petenera!

Geen brave meisjes

op je begrafenis.

Meisjes die hun lange lokken geven

aan de dode Christus

en witte mantilles dragen

op de feestdagen.

Je begrafenis was er een van sinistere

lieden.

Lieden met het hart

in de kop

die je wenend volgden

door de stegen.

Ai, gitana petenera!

Ai, ai gitana petenera!

 

 

De profundis

 

De honderd verliefde ruiters

slapen voor altijd

onder de droge aarde.

Andalusië heeft

lange rode wegen.

Cordoba groene olijfbomen,

plaats voor honderd kruisen

om hen te gedenken.

De honderd verliefde ruiters

slapen voor altijd.

 

 

Doodsklokgebeier

 

Op de gele

torens

luiden de klokken.

 

Op de gele

wind

zetten de klokslagen in.

 

Langs een weg gaat

de dood, gekroond

met verslenste oranjebloesems.

Ze zingt en zingt

een lied

op haar witte vihuela

en zingt en zingt en zingt.

 

Op de gele torens

stokken de klokken.

De wind en het pulver

maken stevens van zuiver zilver.

 

 

Vertaling © 2023 Karel D’huyvetters

 

 

Stuur door

G. Apollinaire, Le suicidé

LE SUICIDÉ


Trois grands lys Trois grands lys sur ma tombe sans croix
Trois grands lys poudrés d’or que le vent effarouche
Arrosés seulement quand un ciel noir les douche
Majestueux et beaux comme sceptres des rois
 
L’un sort de ma plaie et quand un rayon le touche
Il se dresse sanglant c’est le lys des effrois
Trois grands lys Trois grands lys sur ma tombe sans croix
Trois grands lys poudrés d’or que le vent effarouche
 
L’autre sort de mon cœur qui souffre sur la couche
Où le rongent les vers L’autre sort de ma bouche
Sur ma tombe écartée ils se dressent tous trois
Tout seuls tout seuls et maudits comme moi je crois
Trois grands lys Trois grands lys sur ma tombe sans croix

Guillaume Apollinaire, Le Guetteur Mélancolique, Poèmes divers (1900-1917), Gallimard, 1952

 

Na mijn zelfdoding

Drie lange lelies Drie lange lelies op mijn graf zonder kruis

Drie lange lelies goudbepoederd die de wind wild verschrikt

Enkel besproeid als een zwarte hemel hen soms verkwikt

Majestatisch mooi als scepters van een koningshuis.

 

De ene komt uit mijn wonde en als een straal haar opschrikt

Richt ze zich bloedend op de lelie van het angstgedruis

Drie lange lelies Drie lange lelies op mijn graf zonder kruis

Drie lange lelies goudbepoederd die de wind wild verschrikt

 

De andere komt uit mijn hart dat op de kale planken snikt

Waar de wormen eraan knagen De andere uit mijn mond verstikt

De drie richten zich op over mijn verscheiden planken wambuis

Heel alleen heel alleen en verdoemd en ik me dunkt incluis

Drie lange lelies Drie lange lelies op mijn graf zonder kruis

 

Vertaling Karel D’huyvetters © 2023

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten