... hij kon niet ramen
In mijn prilste jeugd las ik ooit een voor mij vreemd gedicht, wellicht in een gedichtenbundel die ik kreeg ter gelegenheid van de proclamatie in de lagere school (1952-1959, als ik terugtel). Daarvan is me bijgebleven dat de verzen op een komische manier niet echt rijmden, omdat de klinkers veranderd waren. Helaas kon ik me alleen het slotvers weer voor de geest halen: ‘hij kon niet ramen!’. Tijdens de ongeveer zeventig jaren die daarop volgden, heb ik herhaaldelijk geprobeerd om het gedicht terug te vinden, maar zonder succes. Toen Google ter beschikking kwam, zocht ik daarmee, maar helaas. Onlangs begon ik met AI te stoeien, en dan heb ik het maar op die manier geprobeerd. En ja hoor! Ik kreeg meteen allerlei informatie over een gedicht over een ridder, een jonkvrouw en de stereotiepe draak. Toen ik de hele tekst vroeg, botste ik eerst op copyrights, maar na enig aandringen kwam het er toch, tot mijn grote blijdschap. Algauw kreeg ik echter argwaan: het klopte niet helemaal, en toen ik doorvroeg, kreeg ik een andere versie, met dezelfde elementen. Na uren van sparren met AI gaf het programma uiteindelijk toe: de tekst was verzonnen! Hallucinatie dus.
Ik was vreselijk teleurgesteld en geërgerd, en mijn aanvankelijke bewondering voor AI kreeg meteen een ferme deuk. Maar toen dacht ik: waar haalde AI die elementen: de ridder, de jonkvrouw, de draak? Waar de kreupelrijmen? Het leek me compleet onwaarschijnlijk dat AI dat zonder enig verband uit zijn duim zoog, hoewel het dat wel uitdrukkelijk stelde toen ik aandrong. Toen ik dat vroeg, was het antwoord dat ‘elementen’ in het AI-geheugen zaten, maar niet de volledige tekst, en die werd er zomaar bij verzonnen. Dus weer naar af, dacht ik… Toen heb ik het verzonnen gedicht aan AI voorgelegd, en plots kreeg ik een verwijzing naar een Facebook-pagina met het gezochte gedicht en een bronverwijzing. Nog even navragen of er niet weer gehallucineerd werd, maar blijkbaar niet. Dus hierbij een korte tekst op basis van gegevens uit AI over het gedicht, en dan de volledige tekst. Eindelijk!
"De ridder" van Jan de Cler behoort tot de populaire nonsens- en plezierpoëzie uit de naoorlogse Nederlandse radiocultuur. De precieze ontstaans- en verspreidingsgeschiedenis is niet op alle punten eenvoudig te reconstrueren, maar het gedicht past duidelijk in een traditie waarin radioamusement, taalspel en voordrachtcultuur nauw met elkaar verweven waren.
De basis voor het gedicht werd gelegd in de studio's van de Nederlandse KRO. Jan de Cler (1915–2009) was een creatieve duizendpoot: tekstschrijver, zanger, radiomaker én de man achter de iconische voetbalhit "Hup Holland hup". Later gooide hij het roer om en werd hij praktiserend huisarts. Het radioprogramma “Negen heit de klok" was vanaf het einde van de jaren veertig tot in de eerste helft van de jaren vijftig een populair amusementsprogramma op de zaterdagavond. Het programma wordt in herinneringen aan die periode vaak verbonden met de brede naoorlogse radiocultuur. Het gedicht wordt doorgaans in verband gebracht met De Clers werk voor dit radioprogramma. Mogelijk werd "De ridder" daar voor het eerst voorgedragen, misschien op 28 mei 1950, waarschijnlijk in een muzikale en komische context waarin ook medewerkers als Guus Jansen een rol speelden. Het vers — een parodie op middeleeuwse ridderballades — valt vooral op door het komische gebruik van geforceerd eindrijm, of kreupelrijm.
Hoewel dit soort gelegenheidspoëzie en radioteksten in de jaren vijftig niet altijd meteen via grote literaire uitgevers circuleerde, lijkt de tekst wel op verschillende manieren op papier te zijn doorgegeven. Het is aannemelijk dat populaire teksten en liedjes uit radioprogramma's in programmabladen, losse afdrukken of kleine bundeltjes voor luisteraars terechtkwamen. Door het opvallende taalspel leende het gedicht zich goed voor voordracht. Het kan mede daardoor in schoolse of kring zijn opgenomen in bundeltjes.
Een latere en beter controleerbare boekcontext is de bloemlezing "Ik wou dat ik twee hondjes was", die in 1982 door Vic van de Reijt werd samengesteld voor Uitgeverij Bert Bakker. De opname van "De ridder" in zo'n bloemlezing wijst erop dat het gedicht werd herkend als een voorbeeld van twintigste-eeuws Nederlands plezierdicht. Daarmee kreeg een tekst uit de sfeer van radio en voordracht alsnog een plaats in een bredere literaire en culturele herinnering. Door het hier weer te geven los ik niet alleen een tergend geheugenprobleem over een lang vervlogen herinnering op, maar breng ik het gedicht en zijn context toch weer wat meer onder de aandacht die het ongetwijfeld verdient door zijn speelse maar kundige poëtische originaliteit.
Jan de Cler (1915-2009) De Ridder
Er was eens in vervlogen tijden
Een ridder, moedig als geen twijde.
Hij was zo krachtig als de beul
En woonde in een groot kasteul
Met 80 strijders, hele ruwe,
En zocht een vrouw, om mee te truwen.
Hij was verzot op steektoernooien
Van ’s morgens vroeg bij ’t hanekrooien
Tot ’s avonds laat toog hij ten strijde,
Hij had het land aan pais en vrijde.
Nu wilde het dat in die dagen
Veel ridders naar de bergen tagen,
Omdat daar volgens de berichten
Een maagd in ene kerker zichtte.
Die daar bewaakt werd door een draak.
De ridder riep; ‘Dan ga ik aak.
Wilt goed op mijn kasteel hier passen,
Want ik ga deze maagd verlassen.’
Dus bij het krieken van de morgen
Toog onze ridder naar de borgen
En plotseling stond hij voor de draak,
Maar dat bracht hem niet van de kaak.
Hij greep zijn zwaard, wou ’t ondier doden
Maar plotseling kreeg hij medeloden.
De draak was hierdoor zeer ontroerd,
Nam met verstikte stem het woerd
En sprak met tranen in zijn baard:
‘Doe maar een wens, hij wordt verhaard.’
De ridder sprak daarop verheugd:
‘Ik wens de vrijheid van de meugd,
Die gij hier opgesloten houdt.’
De draak zei: ‘Goed, maar luister goud,
Maak eerst een vers op jullie samen.’
Hij kreeg haar nooit, hij kon niet ramen!

