Als de vos de passie preekt...
Alec Ryrie, Unbelievers. An emotional History of Doubt, London: William Collins, 2019, 2021, ISBN 9780008299859, 262 blz., € 6 – 10.
Met veel bombarie wordt dit boek aangekondigd als een spectaculair vernieuwend werk, dat bovendien getuigt van ‘deep erudition en considerable wit… Important and convincing’. Dat, samen met de titel, overtuigde me om het toch maar aan te kopen, je kan het al hebben voor € 6 als paperback, en voor € 7 als hardcover (online). Al heel snel wordt het duidelijk dat het de auteur niet te doen is om werkelijke ‘ongelovigen’, en al evenmin om een geschiedenis van de twijfel aan het geloof. Al in de inleiding bekent hij dat hij een gelovige is, en zelfs ‘a licensed lay minister in the Church of England’. Ik heb geen idee in hoeverre zulke personen verschillen van de gewone anglicaanse priesters.
De stelling verdedigd in dit boek is behoorlijk vreemd. Ongeloof of atheïsme is volgens de auteur niet zozeer ontstaan vanuit de overtuigingen van vrijdenkende filosofen, als wel vanuit de emotionele twijfels van gelovigen. Het boek is dan ook grotendeels gewijd aan die ‘emotionele’ twijfels, meer bepaald in de protestantse Engelse traditie, veeleer dan aan een studie van de echte ‘unbelievers’, de belangrijkste figuren uit de atheïstische traditie. Aldus doet hij inderdaad aan geschiedschrijving van de godsdienst, namelijk van zijn eigen anglicaanse godsdienst, of beter gezegd: aan theologie, veeleer dan aan filosofie of geschiedenis van het atheïsme. De auteur is er blijkbaar van overtuigd dat men geen gelovige of ongelovige is op grond van deugdelijke en overtuigende argumenten, maar op grond van ‘emoties’. Ondanks zijn herhaalde toezeggingen dat hij de atheïstische traditie respecteert, bewijst hij op elke bladzijde dat dat niet het geval is. Men wordt volgens hem niet ongelovig omdat men inziet dat het geloof irrationeel en onwaar is. Men blijft gelovig, maar men staat kritisch tegen het eigen geloof, en zoekt naar alternatieven. Dat zijn volgens hem de echte unbelievers. Dat er zoiets als core atheists zouden zijn, is volgens hem een al te vergezochte veronderstelling.
Het valt mij op dat nu theologen, bedienaars van de eredienst en gelovigen het altijd maar moeilijker krijgen om hun boodschap te slijten aan het bredere publiek, zij zich meer en meer voordoen als objectieve wetenschappers: Ryrie noemt zich ‘historian of religion’; Charles Taylor is filosoof, maar kreeg in 2007 de Templeton Prize ter waarde van 1,5 miljoen dollar for progress towards research or discoveries about spiritual realities.
De secularisatie van de samenleving is een sociologisch vaststelbaar feit. Alle pogingen om dat te ontkennen, of om het ongeloof te recupereren als een vorm van voortschrijdend inzicht in het geloof zijn niet alleen compleet ongeloofwaardig, maar een belediging voor de intelligentie van al de personen die zich van dat geloof bevrijd hebben, of er nooit mee te maken gekregen hebben (fortunati ambo!). Geloof en wetenschap zijn ten gronde onverenigbaar.
Ongelovigen houden zich dus maar beter ver van boeken als dat van Ryrie, ondanks de opzettelijk misleidende titel. Ze houden het terecht bij de diepe verzuchting van John Lennon: Imagine, no religion!

