wereldverbeteraars
Verbeter de wereld, begin bij jezelf.
In het voorlaatste jaar van het secundair onderwijs, ik moet toen zestien of zeventien geweest zijn, kregen we als onderwerp voor een Nederlands opstel het gezegde ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf.’ Dat sprak me blijkbaar aan, want tijdens het weekend zette ik me aan het schrijven en het werd een tekst van vierentwintig velletjes van het verplichte huiswerkpapier van de school. Eerst in het klad, dan overschrijven, ik ben er twee dagen mee bezig geweest. Ik onderzocht, met mijn beperkte kennis van toen, eerst of anderen de wereld konden verbeteren, bijvoorbeeld liefdadige instellingen, of politieke partijen, of ideologieën, of godsdiensten en religieuze organisaties, telkens met voorbeelden die moesten aantonen dat die er niet in slaagden om de wereld werkelijk te verbeteren. Ten slotte kwam ik dan tot de conclusie die ook al in het gezegde vooropgesteld was, namelijk dat het enige dat je echt kan doen om de wereld te verbeteren erin bestaat dat je probeert zelf zo goed mogelijk te zijn.
Wat we van jongs af aan meemaken en leren, blijft ons een heel leven lang bij. Dat is ook zo geweest voor de gedachte die ik toen zo uitvoerig uitwerkte, tot bewonderende verbazing van mijn leerkrachten — een opstel van die omvang hadden ze nog niet te lezen gekregen. Dat vroege inzicht heb ik een leven lang behouden, en het heeft me altijd voor ogen gestaan bij het vormen van mijn oordeel en het nemen van beslissingen. Het is mijn diepste overtuiging dat men het best gediend wordt door de eigen inspanningen, en dat de vooruitgang in de wereld toe te schrijven is aan wat men doet voor zichzelf, uit welbegrepen eigenbelang.
Vanzelfsprekend moet men daarbij rekening houden met het basisgegeven dat wij niet alleen zijn op de wereld: no man is an island. We hebben elkaar nodig. Het is dus van groot belang dat we in goede verstandhouding leven met de anderen, niet uit onbaatzuchtige naastenliefde zoals bijvoorbeeld het christendom voorhoudt, maar vanuit ons fundamenteel eigenbelang.
Hoe meer we werken aan onze eigen lotsverbetering, aan het ontplooien van onze eigen mogelijkheden, aan het verdiepen van onze inzichten en onze morele principes, des te meer worden we betere mensen, niet alleen voor onszelf, maar ook voor de anderen. Niets is nuttiger voor een mens dan een andere mens, zegt Spinoza, maar hij voegt eraan toe: een andere mens die geleid wordt door de rede. Daarin bestaat inderdaad de beste verbetering van onszelf, namelijk dat wij ons steeds meer en beter laten leiden door de rede, door zelf na te denken en door na te denken over wat anderen denken.
Een van de concrete gevolgen van die leidraad die ik me al zo vroeg eigen maakte, is dat ik bijzonder argwanend stond en nog steeds sta tegenover allerlei vormen van moreel opgelegd altruïsme en naïeve liefdadigheid, die vooral maar niet uitsluitend gepredikt worden door het christendom. Niet alleen is het verre van evident dat de beoogde doelstellingen gehaald worden, het is bovendien overduidelijk dat er vaak ontstellende negatieve neveneffecten zijn. Maar het probleem zit veel dieper: men vertrekt namelijk van de verkeerde ingesteldheid, namelijk dat de lotsverbetering afhankelijk kan zijn van anderen, en niet van de persoon zelf.
Dat betekent dat ik me altijd grote vragen gesteld heb bij de zogenaamde ontwikkelingshulp, de financiële steun van ‘rijke’ landen aan ‘arme’, zowel onder de vorm van rechtstreekse overdracht van geld als via de inzet van betaalde ontwikkelingswerkers. Dat geld lijkt zelden goed terecht te komen of goed besteed te worden, en de resultaten van het ontwikkelingswerk zijn veel minder dan spectaculair, zeker op langere termijn. De concrete en directe oorzaken daarvan zijn ongetwijfeld complex, maar de onderliggende redenen zijn steeds dezelfde, namelijk dat men mensen niet zelf verantwoordelijk stelt voor hun eigen lot, en dat men hen materieel en mentaal afhankelijk maakt van de geboden hulp.
Een goed, maar schrijnend voorbeeld daarvan is ‘het Palestijnse volk’. Het is werkelijk onvoorstelbaar hoeveel geld en andere middelen daaraan al besteed is sinds het einde van de Tweede wereldoorlog, en hoe weinig goeds dat opgeleverd heeft. Vooral in Gaza is de bevolking op alle gebied volledig afhankelijk gemaakt van buitenlandse steun, maar desondanks, of juist daardoor, in diepe ellende gedompeld. Wanneer men kan teren op wat men gratis krijgt, verdwijnt elke natuurlijke drijfveer om door eigen inspanningen te overleven en het eigen lot en dat van de naasten te verbeteren. Niets is meer vernederend en mensonterend dan mensen afhankelijk te maken van anderen. Dankbaarheid is een diepmenselijk gevoel, maar mensen herleiden tot onderworpen dankbaarheid is een van de ergste zaken die men hun kan aandoen.
Moet men dan de ogen sluiten voor al de ellende in de wereld? Natuurlijk niet. Maar de inspanningen die we leveren om ze te lenigen moeten erop gericht zijn ze structureel op te lossen, niet om ze in stand te houden door ze permanent te blijven subsidiëren. En zeker een deel van de ellende zal blijven bestaan, omdat ze door de betrokkenen ter plaatste zelf veroorzaakt en in stand gehouden wordt, ondanks alle hulp en zelfs militaire interventies van de VN, bijvoorbeeld. Als mensen zelf niet beter willen of kunnen, zijn alle bemoeienissen van buiten uit nutteloos, en zelfs schadelijk voor alle betrokkenen. Die endemische ellende oplossen is geen verplichting voor de rest van de mensheid, zelfs indien die daartoe in staat zou zijn, wat manifest niet het geval is.
Ik heb het dan ook altijd moeilijk als men mij komt vragen om een financiële bijdrage te leveren voor een of ander goed doel. Meestal is het zeer onduidelijk of het geld wel bij de mensen zelf terecht komt, er blijft altijd veel, soms heel veel aan de vingers plakken van de beheerders. De efficiëntie van de geboden hulp is altijd ten minste twijfelachtig. Daarnaast nemen fondsenwervers bijna altijd een of ander ideologisch of politiek standpunt in waarmee ik het geenszins eens kan zijn. Zo is 11.11.11 uitgegroeid tot een ‘koepel van internationale solidariteit’ met zeer uitgesproken politieke standpunten, bijvoorbeeld over de Palestijnse kwestie, tegen Israël.
Ik ben al verscheidene keren op zoek gegaan naar een organisatie die ik zou kunnen steunen zonder mijn principes geweld aan te doen, maar telkens stuitte ik op belangrijke elementen die me ervan weerhielden een bijdrage te leveren. Men zou dan kunnen zeggen: steun dan mensen die je persoonlijk kent, in de derde of de vierde wereld. Maar ook dat is niet evident. Zo heb ik van vrij nabij een geval gekend van iemand van bij ons die rechtstreeks financiële hulp bood aan een gezin in centraal Afrika. Aanvankelijk was alles rozengeur en maneschijn, bij manier van spreken, maar algauw bleken er zaken te zijn die niet helemaal klopten of waarmee de weldoeners niet akkoord gingen, en daarover hun zeg wilden hebben en bepaalde voorwaarden wilden stellen voor hun hulp, wat natuurlijk op terecht verzet stuitte van de mensen die ze steunden. Voor mij was dat een zoveelste bewijs dat liefdadigheid nooit een oplossing is. Wie van liefdadigheid leeft, is niet vrij, en is allerminst geneigd om voor zichzelf in te staan. Overigens is liefdadigheid nooit in staat om alle ellende op te lossen en dus noodzakelijkerwijs onterecht selectief, en is het niet zelden slechts een bedenkelijk middel om oprechte of aangeprate schuldgevoelens te proberen te sussen.
De boodschap aan alle would-be wereldverbeteraars en aan alle mensen die getroffen worden door het leed in de wereld is althans in mijn ogen deze: als je de wereld wil verbeteren, begin met jezelf. Probeer zelf de beste persoon te zijn die je kan zijn. Als we dat met zijn allen ernstig proberen, kan het niet anders dan dat de hele wereld daardoor beter zal worden.


