Godsvrucht
Godsvrucht, of de vreze Gods
‘Godsvrucht’ klinkt beter: daarmee wordt vroomheid bedoeld, eerbied tegenover God. Maar als we dat woord analyseren, zien we dat het niet kan gaan om Gods-vrucht, want wat zou die vrucht dan wel zijn, maar om wat in het Duits Furcht heet, vrees. Godsvrucht is dus eigenlijk de vreze Gods, de vrees voor de almachtige en alwetende.
Enerzijds is dat een handig maar gemeen verzinsel van de Kerk: door gelovigen voor te houden dat er een persoonlijke almachtige en alwetende God is, boezem je hen voorzeker angst in. God weet al wat je doet, zelfs wat je denkt en voelt, niets blijft voor hem verborgen, en voor elke overtreding van zijn, of althans de kerkelijke geboden en verboden, voor elke minder dan volmaakte gedachte zal hij je even meedogenloos als passend straffen, zelfs voor eeuwig. Dat is wat men ons al als kind aanleerde, om ons voor de rest van ons leven op het rechte – christelijke – pad te houden. God moest angstaanjagend genoeg zijn om efficiënt te zijn. Wat heb je aan een God die zich van de mensen niets aantrekt, die de goeden niet beloont en de bozen niet straft? Dat is ook wat Job zich afvraagt, en met hem vele christenen, als ze om zich heen kijken.
Anderzijds is het een gedachte die ook in een ruimer kader zinvol kan blijken. Als er inderdaad geen alwetende en almachtige goddelijke rechter is, is daarom nog niet alles toegestaan. Voor wie niet gelooft, is het allicht nuttig en heilzaam om ervan uit te gaan dat onze daden en zelfs onze gedachten en gevoelens het best bekeken worden sub specie aeternitatis, zoals Spinoza het zegt: in het licht van de eeuwigheid. Hij bedoelt daarmee niet zozeer een oneindige tijdsduur, maar veeleer iets dat niet aan de tijd onderhevig is, iets dat altijd en overal is, het universum, een eeuwig nu. Als we alles afwegen aan wat het betekent voor het universum, vermijden we dat we ons in ons oordeel over onszelf en over anderen laten leiden door eigenbelang of vooringenomenheid. Alleen wat universeel, altijd en altijd goed is, kan de uiteindelijke maatstaf zijn voor ons tijdelijke handelen en denken. Voor het beoordelen van onze daden doet het er niet toe of iemand weet wat we doen. We moeten het goede doen en het kwade laten in alle omstandigheden. Niet omdat er een God is die alles weet en over alles zal oordelen, en belonen of bestraffen tot in de eeuwigheid, maar omdat het belang heeft voor de eeuwigheid.
Is wat we doen en laten dan werkelijk zo belangrijk? Heeft het een invloed op het universum, tot in de eeuwen der eeuwen? Bernardus van Clairvaux placht deze woorden wrevelig te mompelen bij het uitvoeren van dagelijkse werkzaamheden: quid hoc ad aeternitatem? Maar het doet er wel degelijk toe. Het goede of het kwaad dat men doet, op grote of kleine schaal, kan nooit ongedaan gemaakt worden, zelfs als de gevolgen ervan dat wel kunnen. Wat we doen, ligt vast in de geschiedenis van het universum en maakt er van dan af deel van uit. En wat vanzelfsprekend geldt op grote schaal, zoals de misdaden van de Kerk, van Hitler, Stalin, of Pol Pot, geldt niet minder voor wat ook wij elke dag doen en laten, als we het bekijken onder het oogpunt van de eeuwigheid, van het universum. Wij bepalen mede de geschiedenis. Het is goed dat te bedenken, niet om onbelangrijke goede of kwalijke zaken te relativeren, zoals Bernardus, maar om alles te valoriseren, sub specie aeternitatis. Niets gaat onopgemerkt of ten ondomme voorbij, en als dat al zo zou zijn voor anderen, dan nog is het niet zo voor onszelf.
Wie niet gelooft in de persoonlijke God van de christenen is dus daarom nog niet verstoken van de diepere inzichten die wellicht de grond zijn van waardevolle gedachten die door dat christendom vertekend en verwrongen zijn om bij het gewone volk aan te slaan (ad captum loqui). Het ware beter dat de Kerk het gewone volk de hele waarheid onverbloemd zou zeggen, veeleer dan het ergerlijke en uiteindelijk ook voor het volk onbegrijpelijke fabeltjes te blijven vertellen. Het is een grove belediging de intelligentie van anderen te onderschatten, laat staan die van heel het gewone volk. En gij zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden (Joh. 8, 32) geldt zeker ook voor hen. Hoezeer men de waarheid ook tracht verborgen te houden, niets kan verhinderen dat ze aan het licht komt, al moeten witte raven ze uitbrengen.

