Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld vanaf 60
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: etymologie

Fagot

Fagot

Onlangs maakte ik kennis met iemand met een verrassende familienaam: Fagot. Voor een melomaan is dat weliswaar geen onbekende zaaknaam, maar als familienaam? Ik althans had er nog nooit van gehoord, en de naamdrager die ik ontmoette, gaf zelf ook aan dat het een ongebruikelijke naam was.

Op dat ogenblik deed zich iets voor dat voor mij evident is, maar blijkbaar niet voor iedereen. De spontane verwondering zet me onverwijld aan tot nadenken en opzoekingswerk. Ik wil meteen weten hoe de naam van een muziekinstrument ook als familienaam gebruikt wordt. Het is een hebbelijkheid geworden, een vaste gewoonte. Ik verwonder me over alles, ben uitermate nieuwsgierig, en zeer vasthoudend in het napluizen van informatie. (Zie daarover deze tekst over ‘the unexamined life’ https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/392-socrates-ironie )

Mijn hele leven lang heb ik daartoe materiaal verzameld, duizenden boeken, waaronder honderden encyclopedieën, woordenboeken en naslagwerken. Sinds we het internet hebben, en vooral sinds we ook zoekmachines hebben, en dan speciaal Google, zijn de mogelijkheden enorm uitgebreid. Met AI gaan we een stap verder, maar nu duiken er onverwachte caveats op. Zie mijn desbetreffende blogtekst: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/2720642-ai .

Er zijn — ten minste — twee mogelijke verklaringen.

Enerzijds is er de Franse uitleg, die vertrekt van het oud-Franse woord voor takkenbos: fagot, en dan is het een beroepsnaam, zoals D’huyvetters trouwens. De overgrote meerderheid van de Fagots komt inderdaad voor in Frankrijk: meer dan 4.000 geboorten met die naam in de 20ste eeuw. In België zijn er ongeveer 200 naamdragers.

Merkwaardig is anderzijds ten minste één geval van een andere uitleg, die ik met enige moeite vond via Google en ChatGPT.

“Amandus Fagot komt voor in de Brabantse genealogie. Lokale geschiedkundige publicaties (waaronder heemkundige bijdragen over de parochie Korbeek-Dijle en over vondelingen in de regio) beschrijven zijn dossier: Amandus werd op 3 februari 1814 als vondeling binnengebracht in Leuven. Zijn geboorteakte werd blijkbaar in het Frans opgesteld. Omdat zijn ouders onbekend waren, kreeg hij de speciaal door de ambtenaren bedachte achternaam Fagot. Het Leuvense armenbestuur (de Burgerlijke Godshuizen) heeft de vondeling vervolgens uitbesteed aan een gezin in Korbeek-Dijle, eerst bij de familie Berthels en later bij Ludovicus Pelgrims). Hij werd in het dorp "Mandus" genoemd. Op 30-jarige leeftijd is Amandus in Korbeek-Dijle getrouwd met Elisabeth Moris (ook geschreven als Maris). Hij is er in 1874 overleden.”

Terzijde: deze informatie kreeg ik van de AI van Google. Toen ik navraag deed of dat geen verzinsels waren, kreeg ik de gebruikelijke bekentenis en verontschuldiging. Maar in het antwoord stonden ook verwijzingen, en toen ik die nakeek, bleek die informatie toch te kloppen. Toen ik dat vervolgens voorlegde aan AI, kreeg ik weer de bekentenis en verontschuldiging: de vorige was verzonnen. En zo verder in aeternum? Als je om een retractie vraagt, krijg je er een, blijkbaar, wat de feiten ook zijn. Ach, AI…

Vondelingen hadden geen bekende ouders, en dus moest er een naam gegeven worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dat mochten in principe geen bestaande namen zijn, om verwarring met concrete families te vermijden. Vandaar dat er ongebruikelijke familienamen gegeven werden, soms met verwijzing naar concrete omstandigheden, zoals Cloosterin voor een vondeling die bij een klooster werd achtergelaten, vaak bij de Zwarte of Grauwe Zusters; zo ook Van der Stoep, Poortman, Van de Kerke, Kerckhof, Steegmans, Brugman, Bankaert. Maar ook Eersteling (nieuwjaar), Zondag of een andere dag van de week, of van de maand, zoals November; De Winter, Kleine, Witrok, of Afschrift, naar de geboorteakte zelf.

Fagot past echter niet in die context, althans niet in het Nederlands, want het was niet gebruikelijk om vondelingen muzikale namen te geven (hoewel AI me dat probeerde wijs te maken, met een heel orkest aan verzonnen muzikale vondelingennamen, geordend per week naar koper- en houtblazers, strijkinstrumenten, slagwerk…; de verbeelding van AI is soms spectaculair en vermakelijk, maar daarom niet minder ergerlijk).

Wat wel voorkwam, is dat de ambtenaar een willekeurige naam haalde uit een Frans woordenboek — fagot voor takkenbos, misschien omdat het kind bij of onder een takkenbos was aangetroffen — of uit een lijst van Franse familienamen. In ons voorbeeld zijn we in 1814, en stond de administratie onder Franse invloed. Fagot was dan een goede keuze, aangezien die naam althans in Vlaanderen ongebruikelijk was in beide opzichten.

Heden ten dage kennen we fagot enkel nog als het muziekinstrument, en associëren we de familienaam Fagot dus spontaan daarmee, maar blijkbaar etymologisch ten onrechte, omdat we de oorspronkelijke betekenis niet meer kennen. Wellicht ligt die eerste betekenis nochtans aan de oorsprong van de naam van het best wel vreemde muziekinstrument. Dat bestaat immers uit een lange luchtpijp, in twee parallelle houten kokers die onderaan met elkaar verbonden zijn, samen 2,5 tot 2,8 meter lang. Via de Latijnse, Italiaanse en Franse woorden voor takkenbos zou zo het imposante en sonore instrument aan zijn naam kunnen zijn gekomen.

Over het zeer menselijke verschijnsel van kinderverlating in West-Europa, van de late oudheid tot de Renaissance, kan ik het uitzonderlijk rijk gedocumenteerde, wetenschappelijke maar tegelijk aangrijpende en onthutsende werk van John Boswell ten zeerste aanraden: The Kindness of Strangers (1988). Dat zou verplichte lectuur moeten zijn voor iedereen die inzicht wil in onze familierelaties en in ons menszijn tout court.

 

Stuur door

de niet zo schijnbare paradox

Op een dag gaat een vader met zijn zoon boodschappen doen met de wagen. Op een kruispunt worden ze aangereden door een andere wagen, die het rode licht genegeerd had. De vader overlijdt ter plaatse. De zoon is zwaargewond en wordt naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht. Op de spoedafdeling komt de dokter van dienst toegesneld en zegt dan in tranen: Ik kan dit niet doen. Dit is mijn zoon!

Dat klopt niet, denk je dan. De vader was toch overleden? Je zoekt naar een oplossing voor de tegenspraak die in dit verhaal besloten ligt. Misschien kom je er zelf op, maar de meeste mensen niet meteen. Het gaat namelijk om een vrouwelijke dokter, de moeder van de jongeman. Evident!

En toch staan we aanvankelijk perplex: hoe kan dat nou? Omdat we bij 'dokter' nog altijd in de eerste plaats aan een man denken. Het verhaaltje hierboven gaat al een hele tijd mee en vroeger was het aantal vrouwelijke spoedartsen nog veel kleiner dan nu. Onze spontane conclusie dat het verhaaltje niet klopt, is dus niet uit de lucht gegrepen. Wij hebben goede redenen om ervan uit te gaan dat de dokter een man is: de allermeeste dokters waren vroeger mannen en ook vandaag zijn spoedartsen dat vaak nog. Het aantal vrouwelijke huisartsen is de laatste jaren spectaculair gestegen, er zijn nu ongeveer evenveel vrouwelijke als mannelijke.

Het is onze manier van denken: we veralgemenen om het ons gemakkelijk te maken. En dat brengt op: in de meeste gevallen heb je namelijk gelijk, enkel in uitzonderlijke gevallen niet. Een veralgemening klopt niet altijd, maar het loont om niet te veel aandacht te besteden aan de uitzonderingen, omdat je dan sneller conclusies kan trekken. In het gedateerde verhaal hierboven loop je vast, precies omdat je geen rekening hebt gehouden met een toentertijd uitzonderlijk geval: de dokter is een vrouw.

Een verhaal of een uitspraak die zo'n verrassende tegenspraak bevat, noemen we een paradox, van het Grieks para, naast en doxa, mening. Het is dus iets dat tegen de gevestigde mening of verwachting ingaat. Je verwacht dat de dokter een man is, maar het is onverwachts een vrouw. Iets dat op het eerste gezicht niet lijkt te kloppen, maar bij nader toezien wel, dat noemen we paradoxaal. Om bij dokters te blijven: er zijn nog nooit zoveel dokters, verplegenden, ziekenhuizen, medicijnen, medische apparatuur enzovoort geweest als nu, maar ook nog nooit zoveel zieken. Amerika is het rijkste land ter wereld, maar één op vijf mensen leeft er in armoede. Als je vrede wil, maak je dan klaar voor de oorlog. Je PC afzetten doe je door op de knop 'start' te drukken. De laatsten zullen de eersten zijn. Ik lieg altijd. Als er een spoorwegstaking is, of aangekondigde wegen werken, is het vaak minder druk op de wegen (omdat men de drukte anticipeert en zo vermijdt).

We weten nu wat een paradox is, maar wat is een schijnbare paradox? Ik las een artikel van een professor psychologie met precies die titel; het gaat over de schijnbare tegenstelling tussen senioren en ICT; dit is de conclusie van het artikel: 'Er is namelijk sprake van een schijnbare paradox: ict zou geen onbereikbaar doel, maar een vanzelfsprekend middel moeten zijn bij het ondersteunen en verbeteren van de cognitieve vermogens van ouderen.' Schijnbare paradox, tot tweemaal toe, en op cruciale plaatsen: de titel en de conclusie. De gangbare mening is dat senioren niet zo goed zijn met de moderne media; dat blijkt maar zeer gedeeltelijk te kloppen (crede Roberto experto, of: ik kan ervan meespreken). Bovendien is bezig zijn met computers en zo ook goed om je mentale functies op peil te houden. De tegenstelling tussen senioren en ICT is dus niet echt, maar vermeend; ze is er niet, of: het is een schijnbare tegenstelling, dus een paradox.

Waarom dan spreken van een schijnbare paradox? Dat is dan een schijnbare schijnbare tegenstelling, of een paradox die er geen is. Maar een paradox die geen paradox is, dat is niets, of alles. Een schijnbare paradox bestaat dus niet. Het gaat hier blijkbaar om een pleonasme (van het Grieks pleon, teveel): we gebruiken meer woorden dan nodig, we zeggen twee keer hetzelfde: een paradox is al 'schijnbaar', dus een schijnbare paradox is dubbel-op.

Je kan de kwestie van senioren en ict ook zo stellen: er is een positieve verhouding tussen senioren en ict die je niet zou verwachten: ze zijn vaak erg goed met de computer, heel wat senioren zijn ermee bezig en het is ook goed voor hen. Er is dus een paradoxale, onverwachte band tussen twee op het eerste gezicht tegengestelde elementen. Ook in dat geval is het gewoon een paradox, geen schijnbare.

Je vindt de uitdrukking ook in het Engels: a seeming paradox en in het Frans: un faux paradoxe en zelfs in het Duits: das scheinbare Paradoxon. Maar als je gaat kijken wat men daarmee bedoelt, stel je altijd vast dat het gewoon om simpele paradoxen gaat, geen speciale. Men weet blijkbaar niet goed wat een paradox is, het is ook zo'n geleerd woord. En dus verduidelijkt men dat op zich nietszeggend of onbegrijpelijk leenwoord met een verhelderende toevoeging die echter al in het woord besloten ligt, zonder dat men het (goed) weet.

Onze conclusie is dus dat een schijnbare paradox... paradoxaal is. Je verwacht dat het een speciaal soort paradox is, niet zomaar een gewone verrassende afwijking van de gangbare mening of verwachting, maar dat is het toch niet, het is gewoon een paradox, meer niet. Een schijnbare paradox is dus een gewone paradox. Het is een pleonasme, zoals: iets opnieuw herhalen, of een verbetering ten goede, of een ronde cirkel, gehandhaafd blijven, een mogelijke kans, Hiv-virus (V staat al voor virus), BIC-code (C = code), ISBN-nummer (N = nummer), de Faerøer-eilanden (øer = eilanden).

Pleonasmen vermijden we maar beter, ze zijn overbodig en verwarrend, zelfs een beetje dom: ze laten zien dat je niet goed weet wat je zegt, of dat je onzorgvuldig bent.

Er zijn dus geen schijnbare paradoxen.

Stuur door

Ite, missa est

Ite, missa est

Het aantal keren dat ik in mijn kindertijd en jeugd deze woorden heb gehoord, gezongen of niet, is niet te tellen. Het was het teken dat de mis bijna gedaan was, er volgde alleen nog het ‘laatste evangelie’, de onbegrijpelijke proloog van het evangelie van Johannes. Als antwoord zeiden of zongen we dan: Deo gratias!, godzijdank, de in onze ogen schier eindeloze mis was eindelijk gedaan…

Vanaf mijn 12de jaar leerde ik Latijn, en ik gebruikte die langzaam, voor mij tergend langzaam opgebouwde kennis om de Latijnse liturgische teksten van de verplichte dagelijkse mis en andere diensten te proberen te vertalen. Dat viel behoorlijk tegen, ook in dit geval. Ite, dat was duidelijk: ga, of ga heen. Maar missa est,  ‘de mis is’? Het is verbazingwekkend dat die aansporing om weg te gaan, die wegzending, die tot de vroegste onderdelen van de eucharistieviering behoort, grammaticaal niet te verklaren is. In de loop der eeuwen zijn verscheidene uiteenlopende interpretaties voorgesteld, maar geen enkele is helemaal bevredigend. Toch is ons gewone woord voor een eucharistieviering, namelijk ‘mis’, ervan afgeleid, dus zonder dat we weten wat missa eigenlijk betekent. ‘Naar de mis gaan’ was synoniem voor ‘katholiek zijn’: naar een ongelovige verwees men door te zeggen dat die niet naar de mis ging. ‘Ongelovig’ was een taboewoord, het idee dat iemand ongelovig kon zijn, was ondenkbaar, althans voor gelovigen.

Voor wie geen Latijn kende, was de mis een onbegrijpelijke bedoening, op de preek na, die in de volkstaal gehouden werd (maar daarom nog niet altijd beter te verstaan was). De rest van de tijd onderging men de rituelen en luisterde men naar de muziek, die deels uit beurtzangen bestond, waarbij na de aanhef door de priester het koor voorzong, en de kerkgangers het volgende vers zongen, alles in het Latijn. Van sommige teksten kenden we de inhoud wel, omdat we die buiten de kerk ook in het Nederlands ‘vanbuiten’ moesten leren, zoals het credo, de geloofsbelijdenis of het symbolum des geloofs; of het Pater noster, het onzevader. Maar ook in het Nederlands waren die teksten verre van duidelijk: ‘…en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren’ is niet veel duidelijker dan et dimitte nobis debita nostra, sicut et nos dimittimus debitoribus nostris, een echte tongue twister, een tongbreker. Welke schulden moesten ons vergeven worden, en wat waren schuldenaren? Als kind ratelde je dat af zonder er bij stil te staan, en als volwassene bleef je dat doen.

Men zegt dat mensen van rituelen houden, dat ze rituelen nodig hebben; dat kan, al ben ik daarvan niet overtuigd, ik voel meer voor woorden en handelingen die aangepast zijn aan elke omstandigheid, en het persoonlijk uitdrukken van gedachten en gevoelens. Onbegrijpelijke rituelen in een onverstaanbare taal kunnen niet echt beantwoorden aan een reële behoefte, en verworden algauw tot afgerammelde gebeden en onnadenkend uitgevoerde handelingen, zoals knielen en opstaan, of het maken van het kruisteken. De troost die daarvan uitgaat lijkt uiterst miniem, zoal niet onbestaande.

Dat is mijn grote bezwaar tegen het rituele katholicisme: het doet niet wat het beweert te doen, het kan zijn belofte van troost niet waarmaken. De mis was voor ons veeleer een stomvervelende aangelegenheid die je lijdzaam moest uitzitten, keer op keer, met altijd dezelfde woorden, gebaren en gezangen, dag na dag, en waarvan je geen gebenedijd woord verstond, zodat je niet eens meer luisterde, zelfs niet naar wat je zelfs mee reciteerde of zong. Papegaaienwerk.  Slechts uitzonderlijk werd je aangegrepen door de muziek, zoals de prachtige kersthymne Rorate, caeli, desuper, waarvan je al evenmin de woorden begreep. Ik geef toe, ik heb nog steeds heimwee naar sommige van die zeldzame momenten, maar dat waren er veeleer van artistieke ontroering dan van religieuze vervoering. Grote kunstenaars hebben zich om den brode ten dienste gesteld van de Kerk, die gretig van hun talenten gebruikmaakte, maar zij hebben vooral in essentie profane kunstwerken tot stand gebracht, zij het in een obligate religieuze context, zoals de kerkelijke muziek van Bach, die weliswaar evident artistiek hoogstaand is, maar met teksten die bijna steeds niet om aan te horen zijn.

Ite, missa est is een formule die aangeeft dat de misviering voorbij is. De woorden kloppen niet, maar dat blijkt nooit iemand gehinderd te hebben, omdat bijna niemand het Latijn verstond. En wie het wel verstond, stelde zich daarover blijkbaar evenmin vragen, en wie dat toch deed, kreeg zeker geen antwoord, omdat er geen zinnig antwoord is. We bevinden ons in het gezelschap van Charles Ives’ bevreemdend fascinerende The Unanswered Question, waarbij op een muzikale manier uitgedrukt wordt dat er op eeuwige existentiële vragen geen bevredigend universeel antwoord te verwachten is. Bovennatuurlijke, verzonnen antwoorden op reële levensvragen brengen geen inzicht bij, en bieden geen troost. Onbegrijpelijke woorden evenmin.

Ga dus maar, de mis is uit.

Stuur door

Idem dito

Er zijn van die woorden, je leest of gebruikt ze misschien niet elke dag, maar toch duiken ze steeds weer op. Je begrijpt ze wel, maar waar komen ze vandaan? En wat betekenen ze precies?

Dito is zo'n woord. Je vindt het vaak samen met idem: idem dito. Bedoeld is: ook zoveel, van hetzelfde, nog eens, hier ook, van hetzelfde laken een broek...

Dito komt uit het Italiaans, zegt Van Dale, het is het verleden deelwoord van dire, zeggen. Een wantrouwige of nieuwsgierige geest als de mijne zegt dan: ah, ja? en gaat dat dan opzoeken in een Italiaans woordenboek. En nog een. En nog een ander, en wat dacht je?

Ditto staat niet in Italiaanse woordenboeken.

Toevallig hoorde ik op de radio de aankondiging van een Italiaans muziekstuk, sonate nummer zoveel, detta la tedesca; ik begreep dat als: bijgenaamd de Duitse. Detta is dan zoals het Franse dit, dite, genaamd, genoemd. Maar als detta (v) of detto (m) het verleden deelwoord is van dire, en de Italiaanse woordenboeken zijn daarover wel unaniem, wat is ditto dan?

Misschien is er iets met de dubbele t. In het Nederlands is het inderdaad dito, met één t. Maar in het Italiaans is dat een vinger... Mysterie.

Dan maar wat verder gezocht. Uiteindelijk vind ik toch ergens een verwijzing: ditto is een Toscaanse dialectvorm voor detto, we spreken over rond 1600, toen het Italiaans nog niet zo uniform was als nu. Het woordje sloop toen binnen in verscheidene Europese talen, omdat het zo kort, welluidend en handig was.

Waarom het Nederlands er dan dito van gemaakt heeft? Allicht omdat men het met één t net zo goed uitsprak als met twee. In het Engels bleef het ditto, want dito zou 'daaitow' geworden zijn...

Dito is ook de naam voor het teken dat we gebruiken om te zeggen dat iets moet herhaald worden, of dat hetzelfde is weggelaten: " .

 En weet je wat een dittografie is?

Het is het antoniem (het tegenovergestelde) van een haplografie.

Als we weten dat ditto 'hetzelfde' betekent, dan komen we bij: dubbel-schrijven, en inderdaad, een dittografie is een schrijf- of typefout, waarbij een letter, een deel van een woord of nog meer ten onrechte herhaald wordt: loppen in plaats van lopen. En een haplografie is dan het omgekeerde: maar één letter schrijven waar er twee horen: topen in plaats van toppen.

Dergelijke fouten kwamen heel veel voor bij het met de hand overschrijven van bijbelteksten en klassieke en andere teksten in de Middeleeuwen. Even wegkijken van het origineel en je hebt het zitten! Abraham wordt dan Abrahabraham, Methusalem wordt Methusamethusalem, of Methalem. Of men springt in de originele tekst van de ene plaats die op een bepaald woord eindigt naar een andere die net zo eindigt (dat is dan een homoioteleuton), en men laat de tekst die ertussen staat weg. Ook dat noemt men soms een haplografie.

Een bekende moderne typefout die ook ik om de haverklap bega, is de verkeerde letter twee keer typen: hhar in plaats van haar. Dat is dan eigenlijk een dittohaplografie, neem ik aan, want je schrijft ten onrechte de h dubbel en ten onrechte de a enkel.

 Maar waarom is dittografie in het Nederlands (en in het Frans, Engels, Duits...) met twee t's? Dat is een lang verhaal, maar ik zal het heel kort houden, ik krijg medelijden met mijn lezers...

Dittografie is namelijk meer dan waarschijnlijk niet afgeleid van het Italiaanse detto/ditto, maar van het Grieks. Daar betekent het adjectief dis 'tweemaal'; het bijwoord is dissoos of dittoos.

Van Dale is het daarmee niet eens, die houdt het bij het Italiaanse ditto, maar dat verklaart de dubbele t niet, die zou toch moeten verdwenen zijn zoals in dito zelf!?!

Duitse, Engelse en Franse woordenboeken geven (met enige moeite, maar we zijn hardnekkig, nietwaar?) allemaal de andere, Griekse uitleg, dus we zullen maar aannemen dat die gelijk hebben en een brief schrijven naar Van Dale.

Er is ook een (Franse) uitleg die teruggrijpt naar het Griekse diktuon, visnet, maar dat lijkt wel vergezocht.

Stuur door

Kwezel

Kwezel

Ook dit heel katholieke woord is heden ten dage in onbruik geraakt, allicht omdat dat ook voor het verschijnsel zelf geldt, en enkel een oude man zoals ik, christelijk opgebracht — maar nooit echt gelovig —zal zich er nog mee bezighouden. Een theologe zei me ooit, enigszins laatdunkend, dat alleen atheïsten zich nog vragen stellen over God en godsdienst. Dat kan best zijn: ik las recentelijk dat jonge mensen die zich voor de godsdienst interesseren er ongeveer niets van afweten, en ook niet de minste belangstelling hebben voor het dogmatische aspect ervan. Herman De Dijn zal dat begrijpen: volgens hem is godsdienst vooral iets dat je moet beoefenen, doen, veeleer dan begrijpen.

Toen ik jong was (in de tijd dat de dieren nog spraken?), was ‘kwezel’ al een scheldwoord voor vooral, maar niet uitsluitend, vrouwen die overdreven vroom en behoudsgezind en ook onverdraagzaam waren, al dan niet getrouwd. Het woord komt voor het eerst voor in 1625 als benaming voor ‘een katholieke vrouw die gelofte van kuisheid heeft gedaan maar niet tot een orde behoort’. We vinden iets dergelijks in Nederland toen na 1581 de kloosterorden verboden werden; katholieke vrouwen konden toen geen non meer worden. Zo ontstond het kloppenleven: een klopje is wat we in Vlaanderen een kwezel zouden noemen, al waren de kloppen meer georganiseerd, en in principe maagdelijk, in die zin misschien veeleer te vergelijken met de begijnen, die in de Nederlanden ontstonden vanaf de late 11de eeuw.

Niemand weet goed waar al die woorden vandaan komen. Kwezel wordt in verband gebracht met kwezelen, dat babbelen of fezelen zou betekend hebben. Het Franse woord is bigot(e), en ook daarvan is de oorsprong onduidelijk en betwist. In 1963 was het nog actueel genoeg om een striemende chanson van Brel op te leveren. Het Engelse bigot is ervan afgeleid, of net andersom. Voor klopje zijn er (loze) veronderstellingen, maar niets is met zekerheid geweten.

Taal is iets wonderlijks. Waarom heet een appel ‘appel’? Zoals Adam in de Bijbel namen gaf aan alle dieren (Genesis 2, 19-20), zo hebben mensen namen gegeven aan al wat is, en blijven dat doen, soms heel rationeel, vaak ook niet. Nieuwe verschijnselen en zaken ontstaan en moeten een naam krijgen, zoals drone, dat we van het Engels overgenomen hebben, waar het eerst de benaming was voor de mannetjes-bij, bij ons de dar, en dan voor vliegtuigen zonder piloot, wellicht wegens het dreunende geluid.

In mijn jeugd waren kwezels een realiteit. De drie zussen van mijn Vader zaliger bleven ongetrouwd samenwonen in het ouderlijk huis, samen met hun eveneens ongetrouwde broer, en die tantes waren, zij het elk op hun manier, zeker kwezels, met alle kwalijke en enkele minder schadelijke kenmerken van dat verschijnsel, en dat heeft mijn jeugd sterk gekleurd, net zoals de rest van mijn katholieke opvoeding, thuis, op school, in de jeugdbeweging, in de katholieke zuil. Het heeft me voor het leven getekend, het heeft me gemaakt wie ik ben, en daaraan kan ik niets meer veranderen; zoals de rest van mijn geschiedenis kan ik dat niet ongedaan maken, hoezeer ik dat althans voor sommige zaken echt wel zou willen.

Gelukkig zijn de tijden, althans hier bij ons, aanzienlijk veranderd. Mijn kleinkinderen zijn anders opgevoed en leven in andere tijden, ze hebben geen weet van ‘het rijke Roomse leven’, en het gezag van de Kerk is weliswaar niet compleet verdwenen, maar het is niet meer de harde maatschappelijke en mentale dictatuur die het in mijn jeugd— en nog tot ettelijke jaren later — was, en die we nu nog altijd her en der in de wereld zien.

Stuur door

leidraad

Leidraad en bewakingscamera’s

We weten allemaal wel wat een leidraad is, maar het is toch een ietwat bijzonder woord. Is het lei-draad, of leid-raad? Etymologisch is het het eerste, een draad die we volgen om ons op de juiste weg te houden. Maar we gebruiken het woord overdrachtelijk, we denken niet meer aan een draad, en dus aarzelen we, bijvoorbeeld als we het woord moeten splitsen aan het einde van een regel. Dat de eind-d van de stam van ‘leiden’ weggevallen is, draagt daartoe bij, al is dat een vaak voorkomend verschijnsel bij dergelijke werkwoorden, zoals glijden, rijden, snijden of wijden, en dus ook bij leiden, zoals leiband, leiboom, leidijk, leihond, leizeel. Dus ook geen leiddraad, maar leidraad, en dat is geen raad waardoor we ons laten leiden, maar een (overdrachtelijke) draad die we volgen. Dan ligt een verwijzing naar de Griekse mythologie voor de hand: de wollen draad die Ariadne aan haar bevrijder Theseus gaf toen hij zich in het labyrint van de Minotaurus op Kreta begaf; door de afgewikkelde draad terug te volgen na het doden van het monster, kon hij de weg uit de doolhof terugvinden. Dat was dus letterlijk een leid-draad, een leidraad.

Meer algemeen, in de overdrachtelijke betekenis, is een leidraad veeleer een goede raad die we volgen om niet af te dwalen en het gestelde doel te bereiken. Het idee is dat iemand ons is voorgegaan, letterlijk of figuurlijk, en een spoor heeft achtergelaten dat we blindelings kunnen volgen. In het sprookje van Hans en Grietje laat Hans eerst een spoor van kiezelsteentjes achter om de weg uit het bos en terug naar huis te vinden wanneer ze daar achtergelaten worden, en de tweede keer zijn dat broodkruimeltjes, maar die worden door de vogels opgegeten. Karl May beschreef in De zoon van de berenjager de Llano Estacado, een verlaten hoogvlakte in het noordwesten van Texas; de weg naar de schaarse bronnen en naar de uitweg werd aangegeven door staken die op oogafstand van elkaar in de grond geslagen waren. Bergbeklimmers laten rotshaken, ook wel mephaken of pitons genoemd, achter in scheuren van de rotsen als ankers voor het klimtouw. Zo zijn er talrijke voorbeelden.

Het kan ook zonder dergelijke materiële aanwijzingen of leidraden. Mensen en dieren hebben het vermogen ontwikkeld om zich te oriënteren in een omgeving, aan de hand van de hemellichamen en herkenningspunten. Als we een weg herhaaldelijk gebruiken, wordt die als ‘bekende weg’ opgeslagen in ons geheugen en kunnen we die ‘intuïtief’ volgen, bijna zonder nadenken dus; sommigen zijn daarin opmerkelijk beter dan anderen. Vroeger zei men: ge kent de weg en de tale; als je de weg kwijt was, kon je nog altijd de weg vragen.

In beide gevallen betrouwen we op de ervaring, hetzij die van anderen of van onszelf. Dat is ook de hele bedoeling van opvoeding en opleiding: het ontwikkelen van onze mentale vermogens om ons de waardevolle kennis eigen te maken die onze voorouders verworven hebben door hun ervaringen en inzichten, om zo zelf beter te overleven. Wij zijn inderdaad dwergen die op de schouders van reuzen staan en zo in staat zijn om verder te kijken, alweer letterlijk en figuurlijk; zie het magistrale werk van Robert K. Merton, On the Shoulders of Giants (1965).

Onze beschaving bestaat grotendeels uit het gedachtegoed dat gewone en heel bijzondere mensen ontwikkeld en bewaard hebben. Velen hebben geprobeerd om de menselijke kennis op te tekenen en samen te vatten, als leidraad voor het nageslacht. Vaak nam dat de vorm aan van wijze raad, of leefregels die opgelegd werden, als een moraal die voorgehouden werd. Ook vandaag nog zijn dergelijke geschriften vrij populair, al zijn ze zelden zo waardevol en betrouwbaar als ze zich voordoen. Ikzelf ben veeleer geneigd om terug te grijpen naar de reuzen naar wie Robert K. Merton verwijst. Dat is ook wat men vroeger deed in de opvoeding en de opleiding, verwijzen naar de klassieke meesters, naar de groten van onze beschaving. Helaas verwerd dat allengs tot encyclopedische kennis, soms zelfs een soort telefoonboek van het verleden, met de namen van allerlei figuren, met hun geboorte- en sterfdata. Hun teksten werden en worden nog hooguit in korte fragmenten of citaten in bloemlezingen opgenomen, en zelden in de oorspronkelijke taal of in hun geheel gelezen. Dat is heel erg jammer, want zo gaat de essentie verloren. Daarom ga ik graag op zoek naar wie de echte reuzen waren, en probeer ik hun gedachten te lezen, zo mogelijk door me aan de bron zelf te laven, aan hun eigen woorden, als het enigszins kan in hun eigen taal. Zo las ik al heel vroeg, eigenlijk veel te vroeg, nog op de middelbare school, heel Plato — grotendeels in de goede Nederlandse vertaling van Xaveer De Win, die mijn Moeder zaliger liefdevol voor mij aangeschaft had, hoewel ze zelf alleen lager onderwijs genoten had. Later zocht ik her en der, zelden tot mijn algehele tevredenheid, tot ik laat, veel te laat in mijn leven, na mijn zestigste, Spinoza ontdekte: sero te amavi, om het met de veel minder interessante Augustinus te zeggen. Ik heb alles van hem — Spinoza, niet Augustinus! Van hem las ik enkel de Confessiones — gelezen en het meeste van hem vertaald uit het Latijn. Recentelijk heb ik een bakkersdozijn vroege atheïstische teksten vertaald, Feuerbach en Thomas Paine, en ook d’Holbach, en de anonieme Theophrastus Redivivus die nog in geen enkele taal vertaald is. Dezer dagen lees ik vooral d’Holbach in zijn zeer leesbare Frans, en probeer ik elke dag een van Seneca’s brieven aan Lucilius te lezen in het Latijn.

Gisteren las ik Seneca’s tiende brief, en vond daar deze leidraad voor het leven: Vide ergo, ne hoc praecipi salubriter possit: sic vive cum hominibus, tamquam deus videat; sic loquere cum deo, tamquam homines audiant.

In de vlotte vertaling van Cor Verhoeven is dat: ‘Bedenk dus eens of niet tot ons welzijn dit voorschrift zou kunnen gelden: leef zo met de mensen alsof de god het ziet; spreek zo met de god alsof de mensen het horen.‘

Hoewel het ook zonder de context, die ik eenieder graag aanraad, begrijpelijk is, toch deze toelichting. Seneca (-4 tot 65) was geen christen, maar een stoïcijn. Wat hij onder deus of de god verstaat, is zeker niet wat het christendom ervan gemaakt heeft: een persoonlijke God. Het is veeleer het geordende universum, of zoals Spinoza het ook zegt, de Natuur, die we moeten bekijken sub specie aeternitatis, ‘vanuit het oogpunt van de eeuwigheid.’ We zouden ons dus moeten laten leiden door de algemene leefregel dat we ons moeten gedragen alsof we voor het alziende kritische oog van de eeuwigheid staan, dat onze daden beoordeelt vanuit de universele normen en natuurwetten. We mogen dus niet stiekem misdaden bedrijven, of tekortschieten in onze plichten omdat toch niemand het ziet. We zijn voor alles verantwoording verschuldigd.

Seneca schrijft graag in tweevoud, in alternatieven, of chiastische formuleringen. Ook hier: leef met de mensen alsof de god het ziet, spreek met de god alsof de mensen het horen. Het tweede lid, met de god spreken alsof de mensen het horen, legt hij eerder in de brief uit: mensen hebben de gewoonte om, vooral in hun noden, zich tot God of de goden te wenden en allerlei zaken af te smeken voor zichzelf of hun geliefden. Seneca zegt dat we aan de goden niets mogen vragen dat de andere mensen niet mogen horen. Dat betekent dat we geen onmogelijke zaken mogen vragen, en geen onbetamelijke, en geen zaken die uitsluitend in ons voordeel zijn, en/of in het nadeel van de anderen. Uiteindelijk zal blijken dat er maar heel weinig is dat we zinvol kunnen zeggen tegen een god die, zelfs als hij er zou zijn, toch niet geneigd is te luisteren, en al zeker niet naar onwaardige voorstellen of vragen.

Het eerste lid, met de mensen omgaan alsof de god het ziet, wijst op de menselijke nood aan een leidraad, een norm voor ons gedrag, een gebod dat algemeen geldend is en ons eigenbelang overschrijdt. Dat zegt ook het christendom, waar God in zijn openbaring allerlei absolute geboden en verboden uitvaardigt. In feite zijn het evenwel mensen die andere mensen hun wil opdringen, in het beste geval om hun bestwil, maar in de praktijk voor eigen macht en rijkdom. Een almachtige God volstaat evenwel niet als absolute wetgever, er moet een reden zijn voor goed en kwaad. Die redenen kunnen we enkel in het universum vinden, in de Natuur, en in de plaats die de mens daarin inneemt, als individu maar onafscheidelijk verbonden met de andere mensen, met alle levende wezens en al wat is.

Ook Kant zocht naar algemeen geldende leefregels, en een daarvan lijkt op wat Seneca hier zegt: handel steeds volgens gedragsregels waarvan je kan willen dat die universele wetten worden voor iedereen.

Maar wat met het handhaven van dergelijke voorschriften? Het christendom wist daarmee wel raad: als je de geboden niet onderhoudt en de verboden niet naleeft, word je daarvoor onvermijdelijk en onverbiddelijk gestraft, hetzij hier en nu, hetzij wanneer je schuld bekent tegenover God, meer bepaald zijn vertegenwoordigers op aarde, hetzij in het hiernamaals. Dat is een strak uitgewerkt systeem van bestraffing en beloning, waarvan echter gebleken is dat het geenszins werkt, omdat het immers compleet ongeloofwaardig is, aangezien het klaarblijkelijk verzonnen is en langs geen kanten klopt. Seneca is voorzichtiger: hij suggereert dat we in overweging nemen of een dergelijke leidraad misschien heilzaam (salubriter) zou kunnen zijn in de praktijk, en dus als het ware vanzelf navolging zou vinden.

Leven alsof een god ons ziet, veronderstelt inderdaad handhaving van de wetten, normen, geboden en verboden. Een god die lijdzaam toeziet, is nutteloos als afschrikking. Veronderstellen dat de mensen zich moreel zullen gedragen zonder beteugeling van overtredingen, is niet erg realistisch. Als alle mensen uit zichzelf altijd en overal voorbeeldig zouden handelen, zouden er geen wetten nodig zijn, en geen toezicht. In de praktijk hebben we blijkbaar zowel toezicht als bestraffing nodig van overtredingen. De bewakings- en verkeerscamera’s en trajectcontroles zijn daarvan een goed voorbeeld. Er zijn regels die vastgelegd worden door de staat, in het beste geval voor ons eigen welzijn, zoals snelheidsbeperkingen om ongevallen te vermijden, en er wordt op toegezien dat die regels nageleefd worden. Zelfs een niet-werkende camera —en zo waren de meeste —heeft gunstige gevolgen op het rijgedrag. Dat wijst erop dat Seneca’s aanbeveling om te handelen alsof de god, of een toezichthoudende instantie, ons altijd ziet, ten minste enigszins efficiënt is. Maar niet-werkende camera’s zijn slechts efficiënt als ze kunnen werken, als het mogelijk is dat ze werken. Vaak werkten ze niet om technische of administratieve redenen, vaak ook omdat men gewoonweg niet alle vastgestelde overtredingen kon verwerken en de voorziene boetes uitschrijven en innen. Dat laatste probleem wordt nu met AI opgelost: je wordt automatisch herkend en je krijgt de boete even automatisch thuis toegestuurd door Big Brother. Een duidelijke vooruitgang, althans voor deze aangelegenheid, op verkeersborden en burgerzin, maar ook op de alziende christelijke God en Seneca’s deus, al moeten we vaststellen dat zelfs die uiterst efficiënte handhaving nog altijd niet sluitend is: het aantal verkeersovertredingen is nog altijd enorm. Om geen verkeersovertredingen meer te hebben, zou iedereen ook zonder vrees voor bestraffing altijd en overal uit zichzelf spontaan alle regels moeten naleven. Veel mensen doen dat, maar verre van iedereen. Misschien komt het ooit zover, steeds met het oog op het uiteindelijk uitschakelen van alle verkeersongevallen, dat we vervoersmiddelen gebruiken die geen verkeersovertredingen kunnen begaan en ook anderszins volledig veilig zijn. Tot zo lang zijn we echter aangewezen op individuele of collectieve burgerzin en moreel inzicht, of in geloof in verzonnen alziende goden, maar vooral op zeer reële alziende camera’s en fikse boetes om de materiële en vooral de menselijke schade nog enigszins te beperken.

Stuur door

Vreemde vogels

De  albatros is een serieus grote vogel die vooral in het zuidelijk halfrond voorkomt en de naam duikt dus ook eerst op als de Europeanen hun ontdekkingsreizen in die richting beginnen, zoals Cook in 1769, die meldde dat de albatrossen zeer lekker waren!

Voor de naam van die nieuwe vogel deed men een beroep op wat men al kende aan grote witte vogels, met name de pelikaan, die volop aanwezig was en is rond de Middellandse Zee. Aristoteles vermeldde die vogels al; pelekys is een bijl, pelekao is met de bijl werken: wellicht deed de manier van vissen van de pelikaan, die met zijn onderbek vissen schept, denken aan een bijl. Maar hoe komen we dan bij onze albatros?

Geduld, geduld...

Die andere grote mediterrane beschaving, de Arabische, kende de pelikaan ook en noemde hem saqqa (heb je ook al gemerkt dat alle arab-ische woorden uit twee lettergrepen bestaan en enkel a's als klinker hebben? Allah akhbar!) en saqqa betekent water-drager, om bij de dubbele a's te blijven. In het Grieks is kados een kruik of urne, vooral de kruiken aan een noria, een jakobsladder, een toestel om water naar een hoger gelegen niveau te brengen, met kruiken die aan een rad bevestigd zijn. De Arabieren noemden dat al-qaddus. De Portugezen noemden de pelikaan met zijn schepbek dan maar alcatruz en de Spanjaarden alcatraz, ook nu nog. En ja, het beruchte gevangeniseiland in de baai van San Francisco heet zo omdat er een belangrijke kolonie pelikanen aanwezig was. Van alcatraz was het maar een kleine stap naar algatros, dat in verscheidene Europese talen voorkomt als voorloper van albatros; de b hebben we waarschijnlijk te danken aan het feit dat de (beide) vogels hoofdzakelijk wit zijn, albus in het Latijn, denk aan het witte priestergewaad, de albe, en aan albino.

Toen men de albatros ontdekte, dacht men dat het een soort pelikaan was en men noemde hem dan maar alcatraz, algatros, albatros. Later, toen men het overigens vrij duidelijke onderscheid zag tussen de beide soorten, noemde men de ene soort de pelikaan en de andere de albatros, zodat je nu bijvoorbeeld in het Spaans naast alcatraz voor pelikaan albatross voor albatros krijgt, terwijl het ene duidelijk van het andere is afgeleid. Het kan soms vreemd lopen met woorden.

Dat de pelikaan met zijn bek zijn borst openprikt om zijn jongeren te voederen, zoals vaak op christelijke prenten getoond wordt, als een symbool voor Christus die zijn bloed gaf voor de mensheid, is een mythe. Biologen wijzen erop dat het niet de pelikaan is die dat doet, maar een Egyptische ibis en dat ook die vogel overigens niet zijn borst openprikt maar zoals wel meer vogels het halfverteerde voedsel uit zijn krop wurgt ten behoeve van de hongerige jongen, waarbij bloedresten op zijn pluimen terechtkomen, die hij dan proper maakt, wat de indruk geeft dat... &c.

Stuur door

Tweeling, tweelingen

Tweeling, tweelingen

Bij zoogdieren zijn meerlingen niet uitzonderlijk. Varkens hebben grote nesten, paarden niet. De mens is geen uitzondering, al is bij mensen een levende achtling wel uitzonderlijk. Sinds we inzicht hebben in het mechanisme van de bevruchting weten we dat tweelingen ontstaan door de bevruchting van twee gelijktijdig gesprongen eicellen, of door een vroege splitsing van een bevruchte eicel.  De kans op tweelingzwangerschap is ongeveer 1 op 85, eeneiige zwangerschappen zijn zeldzamer, ongeveer 1 op 250, maar er zijn niet te verwaarlozen regionale en leeftijdsverschillen.

In het Nederlands noemen we een dergelijk kinderpaar een tweeling. Maar hoe noem je dan elk van die kinderen? Wat is de benaming voor één lid van een tweeling? Een tweeling. Dat is verwarrend. In het Engels is een tweeling in de zin van twee kinderen altijd meervoud: twins, het enkelvoud twin slaat op elk van beide: she has a twin betekent niet dat ze een tweeling heeft, maar dat ze een tweelingbroer of -zus heeft. Voor de andere betekenis zegt men: she has twins. Idem voor het Frans: jumeau — jumeaux.

Ook wij kennen het meervoud ‘tweelingen’, en we gebruiken het in dezelfde zin, dus ‘tweelingen’ voor beide kinderen, voor het kinderpaar, en ‘tweeling’ voor elk afzonderlijk. Je kan dus zeggen de tweelingen Jan en Piet, en ook de tweeling Jan. Dat is in feite het meest logische, maar dat is niet wat we meestal doen: tweeling heeft in het Nederlands heel sterk de betekenis van een samen geboren kinderpaar gekregen, en we gebruiken het niet gemakkelijk voor een van hen, en zo is ‘tweelingen’ in onbruik geraakt. Men zegt wel: het zijn tweelingen, maar veel minder: hij of zij heeft een tweeling (tenzij we bedoelen dat ze een tweeling gebaard heeft), maar vaker: hij of zij heeft een tweelingbroer of -zus. Het blijft dus enigszins verwarrend, en dat komt omdat tweeling inhoudelijk naar een meervoud, in dit geval een tweevoud verwijst, maar naar de vorm enkelvoudig is. Het achtervoegsel -ling wordt gebruikt om een persoon aan te duiden, zoals in vondeling, kleurling, kloosterling, nakomeling, beroerling, feesteling, loteling, oproerling, schipbreukeling, slappeling, smekeling, (ver)banneling, verstoteling, vormeling, wijdeling. Die woorden gebruikt men voor mannelijke personen, maar ze kunnen ook voor beide geslachten gelden, zeker in het meervoud; in het enkelvoud wordt er een eind -e aan toegevoegd: kloosterlinge.

Het achtervoegsel -ling is een nevenvorm van het oorspronkelijke achtervoegsel -ing, dat inderdaad een substantief maakt van het stamwoord waaraan het gehecht wordt: acht>achting, deel>deling, laad>lading, leen>lening, vervoeg>vervoeging enzovoort. Misschien is ‘ding’ wel het meest pregnante -ing woord: het staat voor elk substantief.

Grammaticaal is het woord ‘tweeling’ feitelijk enkelvoudig — er is immers het meervoud ‘tweelingen — en slaat het dus op één van beide. Maar hoewel dat nog steeds kan, is het (helaas, m.i.) ongebruikelijk geworden. Tweelinc als enkelvoud voor een lid van een kinderpaar is de oorspronkelijke betekenis, tweelingh verschijnt eeuwen later in onze taal als benaming voor een dergelijk kinderpaar.

Er is ook een sterrenbeeld Tweelingen, en dat geeft de oude, oorspronkelijke betekenis weer, dus een samen geboren kinderpaar, en niet twee dergelijke paren. Dat zijn de sterren Castor en Pollux, naar figuren uit de Grieks-Romeinse mythologie. Zoals wel vaker in de mythologie is het verhaal verre van duidelijk, maar ze waren ofwel tweelingbroers, verwekt door Zeus, en dan zijn ze de Dioscuren, letterlijk zonen van Zeus, ofwel tweelinghalfbroers, opeenvolgend verwekt, al dan niet eeneiig, bij dezelfde moeder Leda, maar alleen Pollux door Zeus, Castor daarentegen door de mens Tyndareüs (en zo broers of halfbroers van Helena en Clytaemnestra). Het sterrenbeeld heeft de wetenschappelijke naam Gemini, naar het Latijn geminus, dat tweevoudig, tweeling- en tweeling betekent. Het Franse jumeau/x is daarvan afgeleid. Misschien is geminus wel enigszins verwant met de semitische stam tom?

In de Semitische talen is de benaming voor tweeling inderdaad iets als tom en dat werd spontaan ook een roep- of voornaam, zelfs een familienaam. Een alom bekende Thomas is de christelijke apostel met die naam, maar het Nieuwe Testament is bijzonder karig met informatie over hem, zoals trouwens over de meeste apostelen; zelfs daarover was er geen duidelijkheid of eensgezindheid. Hij wordt daar ook vermeld als Didymus, maar dat is gewoon het Griekse woord voor tweeling: didumos, wat letterlijk tweedubbel betekent, van dis duo. Didymus is dus gewoon de Griekse vertaling van het Aramese Te’oma, in het Grieks Thomas. Hij wordt ook Judas genoemd, en waarschijnlijk was dat zijn echte naam; hij werd Thomas of Didymus genoemd om hem te onderscheiden van die andere, finaal infaam geworden Judas, die dan op zijn beurt ter onderscheiding van de andere Judas de toenaam Iskariot kreeg, naar zijn geboorteplaats Kerioth, waarschijnlijk.

Thomas werd en is nog altijd een veelgebruikte naam, maar de oorspronkelijke betekenis van tweeling is al lang volledig verloren gegaan. Een vrouwelijke vorm is Thomasina, en daarvan is de verkorte of vleivorm Tamsin afgeleid, en een vervorming van die ietwat vreemde en ongebruikelijke naam is Tasmin, wat beter van de tong rolt, en beide zijn vrouwelijke voornamen in het Engels, soms vervormd tot Tammy.

Tweelingen zijn van alle tijden. Ze blijven ons fascineren, niet zozeer omdat meervoudige geboorten nogal zeldzaam zijn, maar misschien veeleer omdat tweelingen, vooral heel gelijkende, de zogenaamde identieke tweelingen, doordat ze zo eender zijn, zo anders zijn dan afzonderlijk geboren individuen. Hoe individueel of uniek zijn eeneiige tweelingen, die identiek hetzelfde genetische materiaal hebben, en vaak grotendeels hetzelfde leven leiden, zeker in hun jeugd? Plato meende al dat wij levenslang op zoek zijn naar onze eigen wederhelft. Tweelingen leven samen met hun alter ego, in goede en in kwade dagen. Wie het niet zelf meemaakt, heeft allicht geen idee van wat dat betekent, maar het moet ongetwijfeld wel heel bijzonder zijn.

 

Stuur door

Hybride

Hybride

Er gaat geen dag voorbij of we horen of lezen wel ergens het woord ‘hybride’.

We weten min of meer wat het betekent, vaak uit de context, zoals bij hybride wagens: dat zijn auto’s die op twee brandstoffen rijden, meer bepaald een benzine- of dieselmotor enerzijds en een elektrische motor anderzijds. Wanneer de elektrische motor ingeschakeld is, is er geen CO-uitstoot, geen roet of ander fijn stof en dus rijden we groener. Die elektriciteit moet natuurlijk ergens vandaan komen en bij de productie daarvan is er onvermijdelijk een of andere vorm van vervuiling; helemaal proper is een elektrische motor dus ook niet.

Hybride geeft aan dat er (ten minste) twee verschillende elementen vermengd zijn, het is een antoniem of tegenovergestelde van homogeen. Waar komt ons woord vandaan? Zoals gewoonlijk maakt Van Dale het zich al te gemakkelijk: dat het van het Latijn hibrida, hybrida komt, dat zal wel, maar daarmee zijn we geen stap verder; een wonder dat VD niet naar het Frans en het Engels verwijst zoals gewoonlijk, dat was nog eenvoudiger geweest; ach, voor etymologische uitleg kan je echt niets aanvangen met de dikke VD.

In het Latijn is een hibrida een bastaard, meer bepaald een kind van een Romein en een vreemde, of van een vrije en een slaaf. Het is ook een eigennaam, die teruggaat op een soortgelijke combinatie. Over de etymologie is men het niet eens. Het woord komt niet vaak voor, onder meer bij Plinius en Horatius. Sommige moderne woordenboeken vermoeden een verband met het voor de hand liggende Griekse woord hubris, dat we kennen uit de Griekse tragedies: hoogmoed of overmoed, zelfoverschatting die bestraft wordt: de hoogmoed komt voor de val. In het algemeen heeft hubris te maken met geweld, een overdaad aan kracht, onbeheersbaarheid, wildheid; vandaar ook grove belediging, het molesteren of onterend behandelen van een burger en heel specifiek het verkrachten van vrouwen en kinderen.

Sommige woordenboeken vinden daarin voldoende aanleiding om te denken dat het Latijnse hibrida, bastaard, afgeleid is van het Griekse hubris. Dat lijkt evident, maar ik heb toch mijn twijfels, en niet enkel om de verschillende schrijfwijze i/y. De onderliggende veronderstelling is dat elke bastaard zou geboren zijn uit een verkrachting, dat er geen normale seksuele verhoudingen zouden kunnen bestaan tussen mensen of dieren van een (enigszins) andere soort of ras. Bij de Romeinen was dat voor de menselijke relaties helemaal geen uitzondering, vandaar dat ze er een gewoon woord voor hadden: hibrida en dat het ook een bij- of eigennaam was, geen scheldnaam: Hybrida, naar verluidt omdat de eerste met die naam uit een Spaanse moeder zou geboren zijn. Daarnaast was het evenmin ongebruikelijk dat men dieren van verschillende rassen met elkaar kruiste, ook een geweldloze aangelegenheid, maar daarover verder meer.

Bij mijn opzoekingen ging ik zoals steeds ook te rade bij de excellente Trésor de la langue Française informatisé, maar dat bracht me niets dan leed, urenlang, voor een keer… Ik vond er verwijzingen naar onbekende naslagwerken, onbegrijpelijke afkortingen en zelfs Latijnse (iber, imbrum) en Griekse (hèrobaton) woorden die ik nergens terugvond. Tot ik na lang zoeken toch een spoor vond, oef. In 1679 verscheen van Charles Labbé een Glossarium Latino-Graece, met daarin Lat. iber Gr. hèmonion, halve of muil-ezel. In de Thesaurus van Johann Gesner (1749) vinden we een meer omstandige uitleg onder de glossa hybrida. Ik wil het u niet al te moeilijk maken, lieve lezers, maar onze auteurs, zoals Labbé, nemen er soms een loopje mee. Het gaat zo: we kennen het Latijnse hibrida; een nevenvorm is ibrida, dat is niet zo moeilijk. We kennen ook het Griekse hubris. Op basis van die twee bekende gegevens verzon men een nieuw woord: hibris, of ibris. Maar dat klinkt als een genitief, vandaar dat men een nominatief iber veronderstelde, wat dan weer een genitief meervoud of een accusatief enkelvoud(!) i(m)brum opleverde! Maar dat is allemaal onzin, natuurlijk, dat zegt Genser ook al: er is alleen hibrida en hubris en die twee hebben wellicht niets met elkaar te maken, en de etymologie van hibrida, daar weten we niets over.

Als de geleerde redacteurs van de TLFi en ook van het veel te dure Etymologisch woordenboek van het Nederlands hun huiswerk niet maken en duchtig van elkaar en van oude, onwetenschappelijke glossaria en thesauri afschrijven zonder nadenken, dan krijg je dus kemels zoals de louter denkbeeldige Latijnse woorden iber en imbrum; als je het Griekse woord probaton (viervoeter) ook nog slecht leest in een oude foliant, dan wordt dat het onbegrijpelijke hèrobaton (π wordt η). Een mager en enigmatisch CGL als verwijzing naar Labbé’s Cyrilli, Philoxeni, aliorumque veterum glossaria latino-graeca, & graeco-latina is ook veel minder dan behulpzaam.  Schande dus, TLFi en EWN! Woordenboeken horen zo  volledig en duidelijk mogelijk te zijn. Er met onze klak naar gooien kunnen we allemaal.

Het klassiek-Latijnse woord hibrida is door de wetenschap al vrij vroeg overgenomen om de ontelbare kruisingen van planten en dieren aan te duiden; door de contaminatie met hubris of hybris kreeg het dan de Neolatijnse spelling Hybrida en dat is waar ons ‘hybride’ van afgeleid is, neem het van mij aan.

Een typisch geval van dergelijke kruising is, of liever zijn, de hybride muilezel en het even hybride muildier. Wat is het verschil? Een muildier krijg je (soms) als een ezel een merrie dekt, een muilezel als een hengst een ezelin dekt. Het Nederlands heeft geen aparte woorden voor mannelijke en vrouwelijke muilezels en muildieren. In het Frans is een muilezel ofwel une mule ofwel un mulet; een muildier noemt men (in beide gevallen) un bardot, zoals Brigitte; het woord komt uit het Arabisch, waar barda’a een soort draagzadel of juk is dat door lastdieren (zoals ezels en muilezels en muildieren) gebruikt werd. In het Engels spreekt men van een mule (muilezel) en een hinny (muildier, van Lat. equus hinnus, naar het Grieks hinnos of ginnos, muildier).

Een laatste inspanning: waar komt ‘muil-‘ vandaan? Van het Latijn: mulus, mula: muilezel of muildier; misschien kunnen we nog één stapje verder gaan: in het Grieks is de typische donkere streep die een ezel op zijn rug heeft een muklos; dat is ook het woord voor een pakezel. Daar vinden we dus ook mu- terug, maar veel is dat niet. Laten we het maar bij de mulus houden.

Muilezels zijn spreekwoordelijk koppig. Soms, maar lang niet altijd, combineren ze echter de goede eigenschappen van het paard en de ezel. De mannetjes zijn altijd onvruchtbaar, de wijfjes meestal ook. Bij muildieren is het mannetje altijd, het wijfje omzeggens altijd onvruchtbaar, er is maar één geval bekend van een muildiermerrie die drachtig werd. Je moet dus steeds van voren af aan beginnen met ezels en paarden en de kans op succes is veeleer gering. Toch zijn er veel liefhebbers die zich daarmee bezig houden, ze hebben zelfs verenigingen en stambomen en schoonheidswedstrijden…

O, en voor ik het vergeet: een mulat is natuurlijk ook een hybride, geboren uit een ‘witte’ persoon en een van kleur. Komt van het Spaans en Portugees mulato, letterlijk 'muilezeltje', niet bepaald flatterend, racistisch zelfs. Van Dale sleurt er het Arabische mullawad bij, maar dat slaat niet op een persoon van gemengde oorsprong, maar op een vreemdeling die onder de Arabieren woont. Ook Philippa (EWN) volgt Van Dale daarin terecht niet.

Stuur door

Erwten en kikkers

Cicero's erwt en de identiteitscrisis van een kikker

Vrijwel sinds het begin van onze beschaving, dus al ongeveer 10.000 jaar, eten wij erwten, meer bepaald de cicer arietinum. De oorsprong van deze populaire voedselplant ligt in Klein-Azië, Asia Minor, wat nu Turkije is. Ze gedijt vooral in een subtropisch klimaat met veel regenval, zoals het Middellandse Zeegebied, waar ze nu hoofdzakelijk geteeld worden. Zoals onze struikbonen wordt ze ongeveer 30 cm hoog, de peulen hebben twee of drie erwten. De Grieken noemden ze erebinthos, de Romeinen cicer, wat in het Frans eerst cice werd dan het huidige pois chiche. In het Engels ging het net zo: chiche, chickpea en in het Nederlands niet anders: kikkererwt.

'Kikker-' heeft hier dus geen eponieme functie: de erwt is niet genoemd naar de kikker, de puit, de kikvors, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij de reine-claudepruim, naar de dochter van Louis XII die de echtgenote werd van François I van Frankrijk en hem op tien jaar tijd zeven kinderen schonk; dat laatste feit heeft bij de naamgeving van de pruim allicht minder een rol gespeeld dan het feit dat de koningin zeer geliefd was om haar goedaardigheid, en ook een grote belangstelling had voor de fruitteelt.

De 'kikker' in de kikkererwt heeft dus een ernstige identiteitscrisis, een existentieel probleem: hij is helemaal geen kikker en ook geen prins maar een erwt, kikker betekent gewoon een bepaald soort erwt, de cicer arietinum.

Marcus Tullius Cicero, de klassieke advocaat en politicus, bekend van zijn redevoeringen die we in de Latijnse les moesten bestuderen, heeft zijn cognomen waarschijnlijk wel aan de erwt te danken: sommige afbeeldingen stellen hem voor met een gezwelletje op zijn neus, maar de naam Cicero of Kikeroon bestond in de gens Tullia al lang voor zijn geboorte en neusgezwelletjes zijn nu niet bepaald erfelijk. Een cicerone (zeg sisserone) is in het Engels maar ook in het Nederlands een toeristengids in musea &c. Cicero is ook de naam in drukkerswereld voor een letter met een korpsgrootte van twaalf didotpunt; dat gaat terug op een wiegedruk van Cicero's de officiis uit 1466 van Peter Schöffer uit Gernsheim, een medewerker van Gutenberg.

Kikkererwten of kekererwten of kekers eten we als groente of als vleesvervanger, je moet ze wel een nachtje laten weken. Je kan ze ook roosteren voor snacks. Falafel is een mengsel van kekers, ui en kruiden dat men vaak in een (Turks) broodje stopt. Het Fr. pois en het E. pea komen via het Lat. pisum van het Gr. pison: erwt. Onze erwt behoort tot de familie die waarschijnlijk bij de Gr. erebinthos begon en via het Lat. ervum ook tot het Spaanse garbanzo, het Du. Erbse en onze erwt geleid heeft. In het Oost-Vlaamse dialect zegt men niet 'ert' maar 'eirrewete' en dat lijkt wel erg op het Griekse erebinthos.

Om het helemaal rond te maken moeten we vermelden dat keker of kikkererwt nog een (verouderd) synoniem heeft in het Nederlands, eveneens ontleend aan het Lat. cicer (toen dat al als 'chicher' uitgesproken werd) of het Fr. chiche, en het Engelse chiche(s), namelijk 'sisser', maar dat weet Van Dale niet. En die sisser heeft dan weer niets te maken met de onschadelijke of mislukte sissers van het vuurwerk, die wegens het ontbreken van een echte knal als onomatopee of klanknabootsing ook opduiken in de uitdrukking 'op een sisser aflopen'

Een kikker is geen puit maar een erwt, een sisser is geen rotje maar dezelfde erwt, wat een snertverhaal!

P.S. Als je het niet wist: snert is erwtensoep, het is een woord uit de zeemanstaal, en blijkbaar was dat niet de lievelingsschotel van de matrozen, vandaar dat snert- een voorvoegsel is met een pejoratieve of ongunstige betekenis.

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten