Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld /span>
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: levensbeschouwing

Altijd de beste zijn en de anderen overtreffen?

αἰὲν ἀριστεύειν καὶ ὑπείροχον ἔμμεναι ἄλλων

Aiei aristeuein… Het is een van die vele gevleugelde woorden die ik me tijdens mijn humaniora-opleiding eigen maakte en die me een leven lang bijgebleven zijn. De uitdrukking is een (gedeeltelijk) citaat uit de Ilias van Homerus, waar Glaucus spreekt over wat zijn vader hem meegaf als wijze raad en opdracht: ‘Hippolochus verwekte mij, van hem zegt men dat ik afstam. Hij zond me naar Troje en gaf me vele vermaningen mee: altijd de beste te zijn en de anderen te overtreffen, en het geslacht van de vaderen niet te schande te maken.’ (6, 208). De zinsnede komt nog een tweede keer voor, in boek 11, 783, waar Nestor Patroclus de woorden in herinnering brengt die Peleus tot Achilles richtte, en die Menoetius op zijn beurt tot Patroclus sprak.

Het gaat dus om een staande uitdrukking, die als kenmerkend wordt beschouwd voor de klassieke Griekse cultuur. Zonder enige twijfel kunnen we hetzelfde zeggen van alle andere culturen: men spoort altijd en overal de mensen aan om te excelleren, om beter te zijn dan de anderen. Men stuurt geen soldaten naar het front om smadelijk verslagen en afgeslacht te worden: Ritorna vincitor! (Verdi, Aida). In sportwedstrijden is deelnemen helemaal niet belangrijker dan winnen, dat is een excuus van de verliezers.

Nochtans kan men zelfs bij een blijkbaar zo algemeen menselijke drijfveer toch enkele bedenkingen maken.

Vooreerst is een heroïsche interpretatie van het antieke Griekse ideaal al te eenzijdig. Het is immers niet zo dat bij Homerus zelf of in de latere antiek-Griekse literatuur enkel helden worden opgevoerd en als voorbeeld aangeprezen. Heldenmoed is niet voorbehouden voor Griekse helden, denk aan de tegenstanders in Troje zoals Hector. En de Griekse helden zijn niet altijd even heldhaftig, denk aan de wrokkende Achilles, of de achtergelaten Philoctetes, of de waanzin van Ajax, of de ondergang van Oedipus. Noch is heldenmoed de enige of zelfs maar de voornaamste lovenswaardige eigenschap in de Griekse antieke cultuur, ook niet bij Homerus.

Daarnaast is ook de formulering zoals we die hier bij Homerus vinden voor interpretatie vatbaar. Er is niets verkeerds met het eerste deel van de opdracht: altijd de beste zijn, als men dat begrijpt als een aansporing om altijd je best te doen, je altijd in te spannen om zo goed mogelijk te zijn, je eigen mogelijkheden en de omstandigheden optimaal te benutten. Zelfs als we daarin niet altijd en volledig slagen, en wie zou dat werkelijk kunnen, zullen we gunstig afsteken tegen anderen die niet eens de moeite doen, of die nu eenmaal minder begaafd zijn, of meer tegenslag hebben. Maar als men al te eenzijdig de nadruk gaat leggen op het ‘overtreffen van de anderen’ als doelstelling voor ons handelen en ons denken, lopen we het gevaar het eerste gedeelte van het adagium uit het oog te verliezen. Het volstaat immers niet om alleen maar beter te zijn dan anderen, het gaat er vooral om dat we proberen het beste uit onszelf te halen, en daarbij mogen we de anderen niet de maatstaf laten zijn voor onze eigen ambities, noch mogen we ernaar streven dat zij onze minderen zijn, of hen willen vernederen of minachten, laat staan hen benadelen, kwetsen of uiteindelijk doden, in een Homerische tweekamp totterdood, of in meer moderne conflicten, die nog veel meer slachtoffers eisen, niet alleen onder de strijdkrachten — en dat zijn evengoed gewone mensen — maar ook onder de burgerbevolking.

Aristeuein moeten we veeleer zien als een oproep om altijd goed te zijn, dan om noodzakelijk de beste te zijn. De kern van het Griekse werkwoord is aristos, en dat is de superlatief van agathos, comparatief ameinoon. (In het Nederlands zien we ook ongeveer zoiets: we zeggen niet goed – goeder – goedst, moet goed – beter- best; ook het Engels en het Duits hebben dat.) De kern van die ongewone overtreffende trap is het substantief arètè, en dat betekent in de eerste plaats voortreffelijkheid, uitmuntendheid; bij Plato en Aristoteles is dat het kernwoord van de moraal, in het Latijn virtus. Het wordt vaak vertaald als ‘deugd’, en is in die betekenis door het christendom overgenomen. Aristeuein is dan deugdzaam handelen, of zich gedragen zoals het hoort.

Als we de oorspronkelijke betekenis van aristos behouden, dus niet als de onregelmatige overtreffende trap van ‘goed’, maar in de zin van voortreffelijk, uitmuntend, de volmaaktheid benaderend, dan betekent aristeuein niet zozeer het overtreffen van de anderen, maar de eigen voortreffelijkheid optimaal nastreven en bereiken in de mate van onze mogelijkheden en de externe omstandigheden. Het is dan opvallend dat vooral het eerste gedeelte van het homerisch citaat bewaard is gebleven en als leidraad en als motto gebruikt werd en wordt: aiei aristeuein, altijd je beste zelf zijn, en dat men het minder fraaie overtreffen of verslaan van de anderen heeft weggelaten.

We moeten echter beseffen dat ook dat ideaal, namelijk altijd maximaal jezelf realiseren, niet ongenuanceerd mag nagestreefd worden. We moeten niet werkelijk alles proberen te bereiken wat we kunnen, er zijn wel degelijk redelijke grenzen aan de menselijke ambities. Ons adagium is geen oproep tot het verwerven van excessieve macht en rijkdom, alsof dat de voorwaarden of de kenmerken zouden zijn van de menselijke voortreffelijkheid. Net zoals absolute macht absoluut corrupt maakt, is overdreven rijkdom en het etaleren daarvan veeleer een gevaarlijke ondeugd dan een voortreffelijke eigenschap. Mèden agan is een andere Griekse aansporing: niets te veel! Aristeuein is niet iets dat we rücksichtslos ten top moeten drijven, tot het nec plus ultra. Dat zien we bijvoorbeeld bij de rijkste personen ter wereld, die zo veel geld hebben dat ze het niet meer zinvol kunnen besteden. En bij de personen die het meest de macht naar zich toegetrokken hebben, dictators zoals Poetin, die ze gebruiken voor immorele oorlogen en genadeloze onderdrukking van de eigen bevolking. Bij die uitersten wordt het duidelijk dat Homerus’ helden, en de antieke Griekse cultuur in het algemeen niet dat doel voor ogen hadden, maar een veel redelijker ideaal, namelijk zich onder alle omstandigheden gedragen als een voortreffelijk mens in alle opzichten.

Zo moeten we ook over de ware aristocratie denken, als de staatsvorm waarbij het bestuur in handen is van moreel hoogstaande, voortreffelijke personen, en niet van lieden die zich met alle middelen en zonder scrupules meester gemaakt hebben van de meeste macht en de grootste rijkdommen. In die zin kan en moet ook de ware democratie waarlijk aristocratisch zijn: een samenleving die geleid wordt door vrij verkozen vertegenwoordigers van het volk die in alle omstandigheden blijk geven van het beste dat men van mensen mag verwachten: aiei aristeuein.

Stuur door

Spiritualiteit?

Spiritualiteit

Het woord spiritualiteit wordt ook vandaag nog in religieuze, therapeutische, culturele en persoonlijke contexten gebruikt, maar verliest daardoor gemakkelijk zijn scherpte. Voor mij wordt de vraag pas interessant wanneer men haar losmaakt van een bovennatuurlijk wezen, een hiernamaals of een metafysische werkelijkheid achter de wereld. Wat blijft er dan van spiritualiteit over? De stelling die ik hier verdedig, is dat zij ook binnen een atheïstische en radicaal immanente levensbeschouwing betekenisvol kan zijn: niet als vlucht uit het eindige bestaan, maar als aandachtige manier om dat bestaan te bewonen.

Wie vandaag het woord spiritualiteit uitspreekt, roept zelden nog een scherp omlijnd begrip op. Het woord circuleert in yogastudio’s, coaching-gesprekken, stiltewandelingen en boeken over persoonlijke groei. Het ruikt naar wierook en welzijn, naar innerlijke rust en kosmische verbondenheid. Juist daardoor is het begrip kwetsbaar geworden: hoe ruimer het klinkt, hoe minder het soms nog zegt. Toch is die vaagheid bedrieglijk. Onder het dunne oppervlak van hedendaagse banaliteit ligt een oud woord, zwaar beladen met adem, geschiedenis en theologische strijd.

De oorsprong voert ons terug naar het Latijnse spiritualitas, verwant met spiritus: adem, luchtstroom, levensbeginsel. In dat ene woord klinkt nog de fysieke eenvoud van het ademen mee. Het Latijnse spiritus staat naast het Griekse pneuma en het Hebreeuwse ruach, woorden waarin wind, adem en geest nog niet uit elkaar zijn gevallen. Wanneer Paulus (ca. 5–ca. 64?) spreekt over de ‘geestelijke mens’, bedoelt hij dan ook geen wezen dat het lichaam achter zich laat. Hij tekent een mens die zich laat bewegen door de Geest, tegenover de mens die opgesloten blijft in begeerte, zelfbehoud en materiële gerichtheid.

Toen spiritualitas in de vroege middeleeuwen als zelfstandig begrip opdook, verwees het daarom niet naar wereldvlucht of verheven zweverigheid. Het ging om een gestalte van leven: een mens van vlees en bloed wiens handelen, oordelen en verlangen doortrokken waren van evangelische waarden en goddelijke genade. Het geestelijke stond niet buiten het leven, maar moest daarin juist gestalte krijgen.

Later verschoof het begrip. In de scholastiek werd spiritualitas sterker tegenover materialitas geplaatst: de onstoffelijke ziel tegenover het lichaam, het geestelijke tegenover het tastbare. Ook het kerkelijk recht eigende zich het woord toe en onderscheidde de geestelijke goederen, spiritualia, van de wereldlijke macht, temporalia. Pas in het zeventiende-eeuwse Frankrijk kreeg la spiritualité de klank die wij nog herkennen: de geordende weg van gebed, contemplatie en innerlijke verdieping.

Die geschiedenis maakt één ding duidelijk: spiritualiteit is niet zomaar een modern verzamelwoord voor alles wat vaag verheffend aanvoelt. Het begrip is eeuwenlang door het christendom gedragen en gevormd. Toch blijven woorden niet stilstaan. Zij verplaatsen zich, verliezen oude omheiningen en nemen nieuwe stemmen in zich op. De overgang naar seculiere, humanistische of uitgesproken atheïstische vormen van zingeving hoeft daarom niet als verraad aan de oorsprong te worden gelezen. Zij laat vooral zien hoe mensen telkens opnieuw taal zoeken voor wat hen bezielt — ook wanneer zij dat bezielende niet langer God noemen.

Vanuit die beweging kan spiritualiteit ruimer worden verstaan. Wat begon als een uitgesproken kerkelijk begrip, werd geleidelijk een taal voor de ordening van het innerlijke leven: voor de wijze waarop mensen betekenis zoeken, aandacht oefenen en zich verbinden met wat hun onmiddellijke zelf overstijgt — niet als metafysische transcendentie, maar als ervaring van natuur, gemeenschap, kunst, lichamelijkheid, tijdelijkheid en gedeelde kwetsbaarheid.

In die brede zin is spiritualiteit geen losstaande techniek en evenmin een vlucht uit de werkelijkheid. Zij is een houding tegenover het bestaan: een manier waarop een mens zijn leven bewoont, de waarden onderzoekt die hem dragen, de stilte toelaat die hem onderbreekt en de verbondenheid erkent die hem overstijgt. Voor mij blijft dat overstijgen radicaal immanent: het verwijst niet naar een bovennatuurlijke persoon, een hiernamaals of een hogere orde buiten de wereld, maar naar de diepte die in het gewone, eindige bestaan zelf kan worden ervaren.

Die spanning ken ik niet alleen als gedachte, maar uit mijn eigen geschiedenis. Ik ben katholiek opgevoed: met missen, gebeden, rituelen, woorden die vanzelfsprekend leken zolang men ze niet te hard bevroeg. Al heel snel werd de leer voor mij ongeloofwaardig: de dogma’s, het bovennatuurlijke wereldbeeld, het idee van een persoonlijke God die in de werkelijkheid ingrijpt. Toch verdween met dat ongeloof niet alles wat mij ooit had geraakt. Ik herinner mij de orgelmuziek die na de mis nog door de kerkruimte bleef trillen, laag en donker in de stenen gewelven, terwijl de geur van kaarsvet en oud hout bleef hangen. Ik herinner mij de koelte van kerken en kapellen op warme dagen, het gefilterde licht door glasramen, het zachte schuiven van stoelen, de stilte die niet leeg was maar geladen. En ik herinner mij de ontroering bij het In paradisum, juist omdat die muziek iets aanraakte waarvoor ik geen geloof meer nodig had. Wat mij daarin trof, was niet de belofte van een hiernamaals, maar de intensiteit van klank, ruimte, ritueel en herinnering in dit ene leven zelf.

Daarom beweegt spiritualiteit zich altijd op meerdere niveaus tegelijk. Zij raakt aan zingeving en waarden: aan de vraag wat werkelijk van betekenis is en hoe een leven goed kan worden geleefd. Zij raakt aan verbondenheid: met zichzelf, met anderen, met natuur, kunst, cultuur en de materiële werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken. En zij raakt aan bewustzijn: aan momenten van stilte, aandacht, studie, meditatie of verwondering waarin het gewone bestaan dieper wordt aangevoeld, zonder dat daarvoor een transcendente werkelijkheid hoeft te worden aangenomen.

In al die vormen gaat het niet om ontsnapping aan het menselijke, maar juist om een intensivering ervan. De verwondering over de natuur, de loutering door kunst, het ethische gebaar, de filosofische vraag: zij behoren tot diezelfde poging om het bestaan niet alleen te ondergaan, maar het met aandacht te verstaan.

Die brede betekenis wordt pas werkelijk zichtbaar wanneer men haar niet alleen definieert, maar door de geschiedenis heen volgt. Steeds opnieuw hecht spiritualiteit zich aan andere vormen van leven, denken en oefenen.

Die beweging is ouder dan het christelijke vocabularium zelf, al ging het toen nog niet om spiritualiteit in de latere betekenis van het woord. In de Griekse oudheid zocht Socrates (ca. 470–399 v.Chr.) de zorg voor de ziel niet in bezit of roem, maar in het onderzochte of bewuste leven; bij Plato (ca. 428–ca. 348 v.Chr.) keerde de ziel zich van schijn naar waarheid. Later boden stoïcijnen als Epictetus (ca. 50–ca. 135) en Marcus Aurelius (121–180) een verwante oefening in innerlijke vrijheid: niet de wereld beheersen, maar de eigen verhouding tot de wereld zuiveren. Ook de mysterieculten van Eleusis, Dionysos, Orpheus en andere in andere tijden en streken spraken over inwijding, stilte en verborgen kennis — woorden die later verwant zouden raken aan het vocabularium van mystiek. Het gaat daarbij niet om een echte voorgeschiedenis van spiritualiteit, maar om verwante manieren waarop mensen altijd al het innerlijke leven hebben geoefend, geordend en verdiept.

Een sleutelpositie in die ontwikkeling neemt Augustinus van Hippo (354–430) in. In zijn Confessiones wordt het innerlijke leven met ongekende intensiteit tot onderwerp van onderzoek: herinnering, verlangen, schuld, tijd en bekering worden niet alleen theologisch besproken, maar van binnenuit beschreven. Zijn beroemde onrustige hart laat zien dat spiritualiteit niet begint bij een volmaakt bezit van waarheid, maar bij een zoekende beweging waarin de mens zichzelf pas begrijpt door zijn verlangen te onderzoeken. Historisch blijft Augustinus diep christelijk, maar zijn aandacht voor innerlijkheid, zelfonderzoek en de dubbelzinnigheid van de wil heeft ook buiten het geloof een blijvende betekenis. Zie https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2596023

In de middeleeuwen kreeg die oefening een uitgesproken christelijke gestalte. De woestijnvaders zochten in stilte, vasten en eenzaamheid naar een gezuiverd hart; Benedictus (ca. 480–ca. 547) gaf het monastieke leven een ritme van gebed en arbeid; Bernardus van Clairvaux (1090–1153) maakte van de liefde zelf een weg van kennis. In de late middeleeuwen bracht Geert Grote (1340–1384) met de Moderne Devotie die innerlijke oefening dichter bij het gewone leven van leken en gemeenschappen, terwijl Thomas a Kempis (ca. 1380–1471) in De imitatione Christi de navolging van Christus verwoordde als een weg van eenvoud, nederigheid en persoonlijke toewijding. Zie https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2624960

Bij anderen verschoof de nadruk naar een intensere taal van innerlijke ervaring. Hadewijch (ca. 1200–ca. 1260), Beatrijs van Nazareth (1200–1268), Meister Eckhart (ca. 1260–ca. 1328) en Jan van Ruusbroec (1293–1381) beschreven het geestelijke leven in beelden van minne, afgrond, vonk en vereniging — niet als theorie, maar als taal op de rand van het onzegbare.

Ook in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw werd die lijn niet afgebroken. In het denken van de Verlichting werd het innerlijke leven kritischer en autonomer, maar niet noodzakelijk armer. Een beslissende vroege figuur is Spinoza (1632–1677). Zijn formule Deus sive natura — God, oftewel de natuur — moet niet simpelweg pantheïstisch worden verstaan, alsof hij de zichtbare wereld eenvoudigweg tot God verklaart. Zij drukt veeleer een radicaal immanent substantie-monisme uit: er bestaat geen persoonlijke Schepper buiten de wereld, maar één noodzakelijke werkelijkheid waarvan alle eindige dingen modi zijn. In die zin verwijst ‘God’ bij Spinoza niet naar een bovennatuurlijk wezen, maar naar de immanente, zichzelf voortbrengende orde van de natuur.  Zie https://spinoza-in-vlaanderen.weebly.com/

Bij Rousseau (1712–1778) kreeg de natuur een bijna religieuze diepte; bij Kant (1724–1804) werd eerbied voor de morele wet een vorm van innerlijke verheffing. In de Romantiek keerden Novalis (1772–1801), Wordsworth (1770–1850) en later Emerson (1803–1882) zich naar natuur, verbeelding en intuïtie als plaatsen waar het zelf zijn grenzen voelt wijken. Tegelijk ontstond steeds nadrukkelijker een niet-theïstische gevoeligheid: betekenis hoefde niet langer uit een persoonlijke goddelijke orde te worden afgeleid, maar kon worden gezocht in geweten, natuurervaring, kunst, solidariteit en persoonlijke bewustwording en innerlijkheid. In mijn atheïstische lezing wordt die verschuiving nog radicaler: er is geen tweede werkelijkheid achter deze werkelijkheid, maar alleen deze wereld, die juist door haar eindigheid om aandacht, zorg en betekenis vraagt. Zie https://vrijdenkers.weebly.com/

Op dat punt ontstaat de verwarring met mystiek. Waar spiritualiteit het leven verdicht, lijkt mystiek het leven soms te doorbreken. Beide spreken over diepte, stilte en verbondenheid, maar zij doen dat vanuit een ander register. In het hedendaagse taalgebruik worden spiritualiteit en mystiek gemakkelijk in elkaar geschoven, alsof ze beide slechts namen zijn voor een innerlijke zoektocht. Dat verdoezelt echter een wezenlijk onderscheid. Spiritualiteit is de weg die een mens kiest en oefent; mystiek is de ervaring waarin die weg plotseling zijn richting verliest omdat de werkelijkheid zelf zich anders aandient. Spiritualiteit veronderstelt duur, oefening en wil. Zij bestaat in het onderhoud van de geestelijke conditie: in rituelen, studie, stilte, ethiek, aandacht en herhaling. Het ik blijft daarin aanwezig: het denkt, kiest, verlangt, corrigeert zichzelf en richt zich op een ideaal. Dat ideaal hoeft echter geen bovennatuurlijke oorsprong te hebben. Het kan even goed voortkomen uit menselijke waardigheid, solidariteit, schoonheid, waarheid of de kwetsbare verbondenheid van levende wezens.

In de hedendaagse filosofische literatuur hebben denkers als Leo Apostel (1925–1995), André Comte-Sponville (1952–), Alain de Botton (1969–), Sam Harris (1967–) en Robert C. Solomon (1942–2007) op verschillende manieren geprobeerd om spiritualiteit los te maken van dogma, kerk en bovennatuurlijk geloof. Apostel zoekt naar een atheïstische spiritualiteit die vertrekt vanuit religieuze en mystieke ervaring zonder haar aan God te binden; Comte-Sponville spreekt over een spiritualiteit zonder God; de Botton onderzoekt welke vormen van ritueel, gemeenschap en troost uit religies kunnen worden overgenomen zonder hun leerstellingen te aanvaarden; Harris verdedigt een rationele, door meditatie en bewustzijnsonderzoek gevoede spiritualiteit zonder religie; Solomon noemt spiritualiteit een natuurlijke, betrokken liefde voor het leven zelf.

Mystiek daarentegen begint in haar scherpste vorm waar die bewuste beweging wordt onderbroken. Het woord verwijst, via het Griekse myein, naar het sluiten van ogen of lippen: naar een ervaring die zich niet eenvoudig laat zeggen. Zij wordt niet gemaakt, niet gepland en niet afgedwongen; zij overkomt. In haar sterkste vorm vervaagt de grens tussen het waarnemende individu en de werkelijkheid, alsof het onderscheid tussen ziener en geziene voor een ogenblik wegvalt.

Binnen de christelijke traditie kreeg die ervaring een naam: unio mystica, de vereniging waarin de ziel de goddelijke grond raakt. Meister Eckhart en Jan van Ruusbroec spreken daarover in een taal die tegelijk uiterst precies en bijna onmogelijk is. Die religieuze taal blijft historisch belangrijk, maar ik neem haar hier niet als metafysische uitleg over. Ik lees haar als poëtische en ervaringsgerichte taal voor grensvervaging. In dat opzicht raakt zij aan wat Freud, in gesprek met Romain Rolland, het oceanische gevoel noemt: het gevoel van grenzeloosheid en verbondenheid met het geheel, dat Freud niet als bewijs van transcendentie leest, maar psychologisch probeert te verklaren als een spoor van een vroegere, nog ongedifferentieerde ik-ervaring. Ook binnen een atheïstische levensbeschouwing kan een mens iets dergelijks ervaren: tegenover een overweldigend landschap, in de architectuur van een fuga, in de stilte na een filosofisch inzicht, of in het besef deel te zijn van een groter natuurlijk en menselijk verband. Dan lijkt het ego even zijn harde omtrek te verliezen, zonder dat deze ervaring naar een God, ziel of metafysische werkelijkheid hoeft te verwijzen.

Zo wordt het onderscheid uiteindelijk een verschil in tijd en wil. Spiritualiteit is traag, herhalend en bewoonbaar: een levenslange oefening in aandacht en bezieling. Mystiek is zeldzaam, plotseling en nauwelijks te bezitten: een flits waarin het zoeken ophoudt omdat de zoeker zelf even verdwijnt. De ene is de weg die wij gaan; de andere is het ogenblik waarop de weg onder onze voeten wegzinkt.

Spiritualiteit hoeft, zoals ik haar hier begrijp, niet aan een bovennatuurlijke werkelijkheid te worden verbonden om betekenis te dragen. Zij wijst niet weg uit de wereld, maar dieper de wereld in: naar aandacht voor het eindige, zorg voor het kwetsbare, verwondering over wat bestaat en verantwoordelijkheid tegenover wie en wat dit leven met ons deelt. Mystiek blijft de naam voor die zeldzame momenten waarop het gewone bestaan zijn vertrouwde grenzen verliest, zonder dat men daarom een tweede werkelijkheid hoeft te veronderstellen. Zo eindigt spiritualiteit voor mij niet in vlucht uit het leven, maar in een aandachtiger bewoning ervan.

Voor Paulus’ onderscheid tussen de natuurlijke en de geestelijke mens, zie vooral 1 Korintiërs 2:14–15, waar de psychikos anthrōpos tegenover de pneumatikos wordt geplaatst. Sigmund Freud bespreekt het door Romain Rolland aangebrachte begrip van het oceanische gevoel aan het begin van hoofdstuk I van Das Unbehagen in der Kultur / Civilization and Its Discontents (1930), in de passage waarin hij Rollands kritiek op Die Zukunft einer Illusion samenvat en het gevoel van iets “onbegrensds” en “oceanisch” bespreekt.

Spinoza’s metafysische grondslag staat in deel I van de Ethica ordine geometrico demonstrata, De Deo: vooral definitie 3 over substantie, definitie 5 over modi, definitie 6 over God als absoluut oneindige substantie, stelling 14 over het bestaan van slechts één substantie, en stelling 18, waarin God de immanente en niet-transitieve oorzaak van alle dingen wordt genoemd. De letterlijke formule Deus sive Natura verschijnt echter elders in de Ethica, met name in het voorwoord van deel IV en in het bewijs bij deel IV, stelling 4. Zie ook het vijfde deel van de Ethica, over het opgaan van het levende individu in de eeuwigheid van het universum.

Zie verder Leo Apostel, Atheïstische spiritualiteit (1998; herdruk 2013); André Comte-Sponville, L’esprit de l’athéisme. Introduction à une spiritualité sans Dieu / The Little Book of Atheist Spirituality (2006/2007); Alain de Botton, Religion for Atheists: A Non-believer’s Guide to the Uses of Religion (2012); Sam Harris, Waking Up: A Guide to Spirituality Without Religion (2014); en Robert C. Solomon, Spirituality for the Skeptic: The Thoughtful Love of Life (2002).

Stuur door

God of de Natuur

God, of de Natuur.

Ik ben atheïst, ik ben ervan overtuigd dat er geen God is zoals bijvoorbeeld de katholieke Kerk voorhoudt. Voor mij bestaat er niets anders dan het universum. Maar niet zelden heb ik de indruk dat die God van het katholieke christendom slechts een andere manier is om over hetzelfde te spreken, namelijk het universum. Het oorspronkelijke aanvoelen, het fait primitif (Maine de Biran 1766-1824) is allicht hetzelfde: het besef van ons uitzonderlijk maar nietig bestaan in de onmetelijke ruimte, van onze verbondenheid met alle leven op aarde, en van de verbluffende mogelijkheden die de materie ons biedt. Zeggen dat God de almachtige schepper is van hemel en aarde is dan niets anders dan dat het universum zoals wij het nu kennen ooit ontstaan is uit een oerbeginsel, en dat alles wat gebeurt in en door dat universum gebeurt. Dat God alwetend is en over alles beslist, is niets anders dan dat het universum gekenmerkt wordt door universele, onveranderlijke natuurwetten, en dat er niets kan gebeuren dat daarmee niet in overeenstemming is. Gods alomtegenwoordigheid is evident als er niets anders is dan het universum, net zoals zijn eeuwigheid en onveranderlijkheid.

Zelfs met het meest heikele en contra-intuïtieve punt van elk geloof, namelijk de openbaring aan de mensheid door een bovennatuurlijk wezen, kan ik me in zekere zin verzoenen. Ik kan de boodschappen, hoe bizar en absurd die ook zijn, die profeten menen te ontvangen dan interpreteren als het resultaat van alle invloeden die deze blijkbaar zeer ontvankelijke personen ondergaan vanuit het universum, de geschiedenis van de mensheid in het algemeen en van henzelf in de omgang met hun medemensen in het bijzonder. Indien die openbaringen al niet afkomstig zijn van een hoger wezen, zijn ze daarom niet minder reëel in het ‘hoofd’ van diegenen die ze menen te ontvangen, zelfs als ze bewust verzonnen zijn, en is hun invloed daarom niet geringer. Ze verschillen in die zin niet van andere ideeën waartoe mensen komen, zoals ideologen, filosofen, poëten en andere schrijvers en kunstenaars. De geloofwaardigheid van profeten hangt trouwens ook in het Oude Testament in de praktijk niet af van de vermeende wonderen die ze doen, maar van hun persoonlijkheid en hun slaagkansen bij het voorspellen. Die wonderen zijn overigens altijd uitsluitend te vinden in (veel latere) geschriften daarover, er zijn nooit (geloofwaardige) ooggetuigen. De spectaculaire uitkomst van voorspellingen is een bekend literair genre, waarbij men na de feiten een profetie verzint en die situeert in een vroegere tijd. Lees wat ik eerder over openbaring schreef hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=2174561

De problemen beginnen echter wanneer men aan God ook morele eigenschappen gaat toekennen die zijn relatie tot de mensen kenmerken. Het universum is geen persoon, God wel. Men zou nog kunnen stellen dat Gods liefde tot de mens een manier is om uit te drukken dat de mens enkel is kunnen ontstaan in een universum dat daartoe de mogelijkheden had, maar hier botsen we al op een fundamentele tegenstelling: het universum heeft na een lange evolutie wel de mens voortgebracht, maar dat was niet van meet af aan de bedoeling, het is louter een mogelijk gevolg van de werking van de natuurwetten. Met alle andere volmaakte eigenschappen van God komen we nog verder in de problemen. Een volmaakt goede God is niet verenigbaar met al de evidente onvolmaaktheden van het universum. Een volmaakt rechtvaardige God niet met het verloop van de geschiedenis van de mensheid en van individuele mensen. Zijn oneindige genadige barmhartigheid strookt niet met zijn absolute rechtvaardigheid. Vandaar dat mensen die het geloof in het bestaan van een dergelijke persoonlijke God voorstaan zich in de meest onmogelijke bochten moeten wringen om hun opvatting te verdedigen tegen de meest voor de hand liggende bezwaren. Het wordt dan onvermijdelijk dat de twee opvattingen, het atheïsme en het geloof in God, steeds verder uit elkaar evolueren, tot ze volkomen onverenigbaar worden.

Dat gebeurt echter niet zomaar, als een metafysisch schaakspel tussen belangeloze partijen. Aan de ene kant heb je een aantal mensen, min of meer verenigd in Kerken of ideologieën, die wereldse macht en rijkdom ambiëren in een hiërarchische beleidsstructuur, op grond van een onbetwistbaar geopenbaarde en geïnterpreteerde leer, en aan de andere kant een aantal mensen die in gemeenschappelijk overleg een democratische samenleving tot stand willen brengen, met als handvest vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Dat zijn de uitersten, en die bestaan uit een relatief gering aantal mensen, die evenwel heel actief zijn in het uitdragen en realiseren van hun doelstellingen. De grote massa van de mensen, overal ter wereld, weet het niet zo goed, en laat zich nu eens door de ene richting en dan weer door de andere overtuigen. Soms zijn er uiterst fanatieke en agressieve individuen die nietsontziend hun ondemocratische opvatting willen doordrukken, soms gaat de massa daarin mee. De democratische principes worden steeds aangebracht en verdedigd door veeleer bedachtzame, maar daarom niet minder overtuigde en geëngageerde individuen, en soms lukt het om die principes te laten inschrijven in de grondwet en in de harten van de mensen, maar de democratie blijft een precaire toestand, altijd bedreigd door de andere, autoritaire kant, en door de onverschillige onwetendheid van de mensen.

In persoonlijke gesprekken met aanhangers van godsdiensten en autoritaire ideologieën lukt het democratisch gerichte personen vaak nog om punten van overeenstemming te vinden, zeker wanneer die aanhangers een nogal persoonlijke, minder fundamentalistische interpretatie geven van de principes van hun godsdienst of ideologie. Maar er bestaat weinig twijfel over de onverenigbaarheid van autoritaire godsdiensten en ideologieën enerzijds, en democratie anderzijds. Daar ligt het essentiële onderscheid, theoretisch maar zeker ook in de praktijk.

De verleiding van macht en rijkdom is groot. Dat ervaren ook mensen die de democratische principes toegedaan zijn. Ook in een democratie gaat het om macht en rijkdom, maar daar zou het niet mogen gaan over hoe die ongelijk verdeeld worden, maar hoe die zo gelijk mogelijk gedeeld worden. Volledige gelijkheid onder alle mensen is onmogelijk, er zijn immers geen twee identieke mensen. Rijkdom en macht zullen dus ook in een democratie ongelijk verdeeld zijn, omdat een democratie maximaal de individuele vrijheid voorstaat, naast de fundamentele gelijkheid inzake de fundamentele mensenrechten, en de solidariteit onder gelijken en van de sterkeren met de zwakkeren, met het oog op de best mogelijke samenleving. Een democratie evolueert voortdurend, omdat haar inzichten voortdurend veranderen, gevoed door de vrijheid van mening en meningsuiting, terwijl een dictatuur zoveel mogelijk een gewelddadig gevestigde hiërarchie en structuur gewelddadig in stand wil houden, en alle verzet ongenadig neerslaat.

Telkens ik weer eens probeer om in godsdiensten en autoritaire ideologieën gemene grond te ontwaren met mijn democratische overtuiging, al was het maar onze gemeenschappelijke menselijkheid, moet ik binnen de kortste keren vaststellen dat overeenstemming in de praktijk ver zoek is, en zelfs het vinden van compromissen vrijwel onmogelijk blijkt. Democratie, vrijheid, gelijkheid en solidariteit lijken voor velen een al te idealistische verre droom, het streven naar macht en rijkdom is voor hen een dagelijkse strijd, al was het maar om zelf te overleven, met alle middelen. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Primum vivere deinde philosophari.

Nochtans kunnen we niet anders dan vaststellen dat het hoogste beschavingsniveau in de geschiedenis, dat wil zeggen het grootste geluk voor het grootste gedeelte van de mensheid bereikt wordt in de meest democratische samenlevingen. Zelfs migrantenstromen bewegen zich steevast naar (meer) democratische landen, nooit naar autoritaire regimes. Al zouden we, verblind door onze eigen welstand, geen andere argumenten zien voor onze democratische samenleving, dan zou dat alleen al ons moeten doen nadenken. Het eten is blijkbaar toch beter waar er moraal is, het leven is blijkbaar toch beter waar er gefilosofeerd wordt.

Stuur door

Het abortus-debat: de rechten van het ongeboren leven

Recht op leven

Wanneer het abortusdebat weer eens oplaait, zie je altijd dat ene tegenargument opduiken, namelijk het recht op leven van het ongeboren kind. Het is een moeilijke discussie, ook juridisch, want een foetus is geen persoon, geen rechtssubject. Pas bij de geboorte, wanneer de foetus de moederschoot verlaten heeft, spreken we van een kind, een mens. Maar het is onmiskenbaar zo dat men een kind niet los kan zien van de conceptie en de ontwikkeling gedurende de zwangerschap. Het kind ontstaat bij de bevruchting en groeit spectaculair naar levensvatbaarheid toe. De geboorte is in die zin slechts een moment in een ontwikkeling van een levend wezen. Een foetus is geen onderdeel van de moeder, zoals haar longen of haar baarmoeder. Toch voelt men aan dat de reële belangen en de fundamentele rechten van de moeder, zoals haar zelfbeschikkingsrecht, een beperking kunnen betekenen voor de bescherming die een foetus impliciet en expliciet, dus ook juridisch geniet. Dat blijkt uit e abortuswetgeving, die zwangerschapsonderbreking toelaat, maar onder voorwaarden, en niet na het verstrijken van een eerste periode. Vanaf een bepaalde — maar sterk variërende — ‘leeftijd’ van de foetus, is die ook beschermd tegen niet-therapeutische zwangerschapsonderbreking op verzoek van de moeder.

In feite is dat absurd. Waar men ook die grens trekt, het is altijd een arbitraire beslissing. Meestal erkent men 24 weken als de grens voor levensvatbaarheid, maar dat is geen absolute zekerheid, slechts een statistische benadering. Op 24 weken is er slechts 50% kans op overleven. Meestal legt men de grens voor abortus om niet-medische redenen veel eerder, op 12, 14 of 18 weken. Dat wijst erop dat men twijfelt over de status en de rechten van het ongeboren leven: in een eerste periode is de bescherming minimaal of zelfs onbestaande (de morning-afterpil, een spontaan miskraam) , dan louter afhankelijk van de beslissing van de moeder, dan absoluut, terwijl het altijd over eenzelfde levend wezen gaat. Vandaar dat veel mensen absoluut tegen ‘vrijwillige’ abortus zijn, en dat is ook mijn aanvoelen.

Er moet dus iets anders zijn dat mensen, inzonderheid moeders, ertoe brengt om toch tot zwangerschapsonderbreking over te gaan. Veelal is dat omdat de foetus op een of andere manier als een bedreiging aangevoeld wordt. Dat is een realiteit waar men niet om heen kan. Vruchtafdrijving is van alle tijden. In Vlaanderen gebeuren er jaarlijks ongeveer achtduizend (geregistreerde) abortussen, tegenover meer dan zestigduizend geboortes. Vroeger waren alle abortussen illegaal, maar ter bescherming van alle betrokkenen heeft men in België vanaf 1990 abortus onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk gedepenaliseerd. Dat is blijkbaar het opzet van de wetgeving: een feitelijke toestand, namelijk het (laten) uitvoeren van abortussen uit de illegaliteit halen zodat ze ook hier ongestraft onder de beste medische voorwaarden kunnen gebeuren. Er wordt geen uitspraak gedaan over het recht op leven van het ongeboren leven, en dat kan ook niet: als men dat absoluut stelt, kan abortus niet; als men dat absoluut ontkent, kan abortus ook tot vlak voor de geboorte. Over de grond van de zaak, namelijk het ontstaan van het menselijk leven bij de voortplanting, is het vrijwel onmogelijk om op grond van deugdelijke argumenten tot sluitende conclusies te komen die voor (bijna) iedereen aanvaardbaar zijn. Dus beperkt men zich tot het vastleggen van praktische wetten in het parlement bij meerderheid van stemmen — in principe zijn de parlementsleden in deze materies niet gebonden door de partijtucht, maar dat is alleen in principe zo, en niet in de praktijk —, meestal na politieke akkoorden bij de regeringsvorming.

Een argument dat in deze discussie vaak naar voren gebracht wordt, is dat van de rechten van de ouders met betrekking tot hun kinderen. Dat is zeker het geval bij abortus, waar de ouders —en uiteindelijk de moeder — beslist over leven en dood van een (potentieel) kind. Men verwijst dan naar de (bewuste of de facto) beslissing van die ouders om een kind te verwekken. Zoals gezegd, is de discussie daaromtrent eindeloos en zonder uitkomst. Wanneer het over levende wezens gaat, inzonderheid mensen, heeft iedereen wel een (al dan niet eigen, en al dan niet verdedigbare) mening, maar algehele eensgezindheid is er niet, en dat is ook niet te verwachten. Oorlog, armoede, verdeling van de rijkdom, sociale zekerheid, abortus, euthanasie, seksualiteit, moord, de doodstraf &c. geven al altijd en nog steeds aanleiding tot verhitte discussies, zowel politiek, wetenschappelijk als onder individuen.

Op de rechten van de ouders over hun kinderen wil ik nog even wat dieper ingaan. Historisch gezien is daar een enorme evolutie merkbaar, namelijk van quasi absoluut beschikkingsrecht van de ouders, inzonderheid de vader, naar een in de leeftijd van het kind steeds verder dalend recht van het kind. Dat merken we in het abortusdebat, waar men zelfs het recht op leven van het amper verwekte leven absoluut verdedigt. Ook de leeftijd van seksuele instemming is aanzienlijk verlaagd, evenals de leeftijd van de stemgerechtigdheid. Maar ook over dat recht van de ouders is er geen overeenstemming. Zo verdedigt men bijvoorbeeld het recht van de ouders om pasgeboren kinderen te doen besnijden. In de praktijk beslissen ouders vanaf de geboorte vanzelfsprekend de facto noodzakelijkerwijs over vrijwel alles, en de kinderen niets, maar verschuift dat in omgekeerde richting naarmate de kinderen opgroeien. Toch zijn er ook daar enorme individuele en collectieve verschillen. Sommige ouders blijven bazig, andere erkennen (vaak noodgedwongen) de groeiende zelfstandigheid van hun opgroeiende kinderen. Uit mijn eigen pijnlijke ervaring als kind wil ik ervoor pleiten om als ouder (en opvoeder in het algemeen) steeds slechts zo veel als noodzakelijk en zo weinig mogelijk de vrijheid van kinderen te beperken. Zeker, de ouders moeten keuzes maken voor hun kinderen, maar overleg daarover met hen van zodra dat mogelijk is, en ook met anderen, is niet alleen aangewezen, maar absoluut vereist. In die zin is iets als besnijdenis van pasgeborenen —en à la rigueur later! —uit den boze. Dat geldt ook voor het opleggen van religieuze en cultuurgebonden verplichtingen die de kinderen in een bepaalde ideologische richting sturen. In dat opzicht hebben ouders mijns inziens géén verdedigbare rechten, en is elk machtsmisbruik ter zake ten zeerste laakbaar. Men onderschat de eigen gefundeerde mening van kinderen op dat vlak meestal heel erg. Zo heb ik me vanaf mijn prilste jeugd altijd verzet tegen een alomtegenwoordige katholieke christelijke opvoeding en opname in een van de zuilen; desondanks heeft de hardvochtige gewelddadige indoctrinatie me zodanig misvormd dat ik daarvan nog elke dag de gevolgen draag.

Wanneer men ertoe overgaat om nieuw leven te verwekken, moet men ervan uitgaan dat het om een uniek zelfstandig individu gaat. Dat dat individu aanvankelijk volledig van jou afhankelijk is, en zelfs dat je het onvoorwaardelijk liefhebt, verandert daaraan niets wezenlijks. Elke mens is vrij geboren en moet in en tot vrijheid kunnen opgroeien. Als ouders, en als maatschappij, kunnen wij geen aanspraak maken op rechten tegenover kinderen, onze kinderen of die van anderen, ook al zijn ze tijdelijk van ons afhankelijk.

De verhoudingen tussen mensen onderling zijn complex en evolueren voortdurend: tempora mutantur, nos et mutamur in illis. In een democratische samenleving leggen we de grondregels daarvoor vast in wetten en besluiten. Dat ontslaat ons er niet van om ons ook voortdurend te bezinnen over de grondvragen van ons bestaan. Errando discimus, we leren uit onze fouten, of uit het besef dat iets beter kan. Berusten in de bestaande toestand, of die verdedigen met dogmatische argumenten, verhindert vooruitgang op de weg naar grotere volmaaktheid. Plus est en nous. Meliora sequamur.

Stuur door

Het christendom en de gelijkheid onder de mensen

Het christendom en de gelijkheid onder de mensen

Het is niet ongebruikelijk dat zelfs sommige onbetwijfelbaar niet-christelijke auteurs verwijzen naar het christendom als een bron van onze huidige waarden. Een typisch voorbeeld daarvan is het citeren van een passage uit Paulus’ Brief aan de Galaten: ‘Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij een persoon in Christus Jezus.’ (Gal 3, 28). Dat klinkt inderdaad heel nobel en radicaal, maar er zijn wel enkele caveats.

Vooreerst is het zo dat er geen enkel historisch bewijs is voor het bestaan van de figuur van Paulus. Hij wordt uitsluitend vermeld in christelijke teksten, zoals Frodo enkel in die van Tolkien en zijn adepten. Van wie de brieven zijn, is erg onduidelijk, en ze zijn zeker niet allemaal van dezelfde auteur. De vroegste tekst van de Galatenbrief dateert van rond het jaar 200, dus anderhalve eeuw na de vermeende ‘feiten’. Het is meer dan waarschijnlijk dat die tekst een complexe ontstaansgeschiedenis heeft gehad.

Bekijken we dan de tekst zelf.

Al meteen moet opgemerkt worden dat het citaat in zijn onmiddellijke context moet gelezen worden. Het wordt voorafgegaan door deze zinsneden: ‘Want gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed.’ Pas dan komt de tekst over Joden en heidenen &c. Het gaat dus niet om een universele uitspraak over de gelijkheid van alle mensen, maar om alle gedoopte christenen, die precies door dat doopsel gelijken zijn. Wie niet gelooft in Jezus Christus is zelfs geen kind van God!

Ik gebruikte de Willibrordvertaling van 1975, maar meer recente vertalingen wijken daarvan niet betekenisvol af. Als we dat vergelijken met de klassieke Latijnse tekst van de Neo-Vulgaat, dan valt op dat er niet staat: ‘er is geen Jood of heiden meer &c., maar ‘immers eenieder die in Christus gedoopt is… is geen Jood of Griek, is geen slaaf of vrije, is niet mannelijk en vrouwelijk’. Door te vertalen ‘er is geen Jood &c. meer’, of ‘er zijn geen Joden &c. meer’, verruimt men ongegrond de betekenis van het citaat nog verder dan al het geval was door het weglaten van de voorafgaande zinsneden. In de Griekse tekst, waarop zowel de Latijnse als de Nederlandse gebaseerd zijn, zien we dat het gaat om de (mannelijke!) ‘kinderen Gods door het geloof in Christus’. De uitdrukking ‘geen… meer’ staat niet in het Grieks, noch in het Latijn. We moeten dus veeleer lezen: ‘Jullie die in Christus gedoopt zijn, zijn bekleed met Christus. Je bent Jood noch Griek, slaaf noch vrije, noch mannelijk en vrouwelijk, want jullie zijn allen één in Christus Jezus’. Het is dus enkel het geloof dat mensen één maakt, wat ze verder ook zijn. Iedereen kan tot het geloof komen of ertoe gebracht worden, maar dat betekent nog niet dat iedereen gelijk is in alle opzichten.

Het christendom heeft een lange traditie van dat zeer selectieve gebruik van Bijbelcitaten, die vaak volledig uit hun context gerukt worden. Dat is ook hier het geval. Want waarover gaat het in deze tekst? De eerste christenen waren Joden, dat staat vast: ze vormden een van de sekten die onder de Joden bestonden in het Hellenistische syncretisme. Bij de verbreiding van de christelijke ideeën onder niet-Joden ontstond er stilaan een controverse over de Joodse rituelen en gebruiken: moesten die ook nageleefd worden door niet-Joodse bekeerlingen? Dat was wel degelijk het geval voor wie zich tot het Jodendom bekeerde. Terwijl er gedurende lange tijd veel onduidelijkheid was, en de joodse godsdienst door tal van christenen en andere bekeerlingen aangekleefd werd, waren er algauw ook twee radicale stellingen. De ene hield vol dat alle christenen, ook de niet-Joodse, alle voorschriften van de Wet moesten naleven; de andere beweerde met evenveel klem dat niet-Joden daartoe niet konden verplicht worden. Ongetwijfeld ging het dan om de meer zichtbare en drastische Joodse voorschriften, inzonderheid de verplichte (mannelijke) besnijdenis, en in mindere mate de strenge voedselwetten. Vooral de besnijdenis was een probleem, zeker bij volwassenen, bij de volkeren waar dat niet gebruikelijk was, of als barbaars beschouwd werd, zoals bij de Grieken en de Romeinen. ‘Paulus’ verdedigt hier de stelling van de nieuwe sekte, tegen die van de traditionele Joden, ongetwijfeld om zo gemakkelijker volgelingen aan te trekken. Zo kon het christendom aanspraak maken op universaliteit, terwijl het Jodendom beperkt bleef tot de Joden, op een beperkt aantal expliciete bekeringen en een wat groter aantal sympathisanten en twijfelaars na.

Het is in die context dat we ons citaat moeten lezen. Het christendom richtte zich uitdrukkelijk tot alle mensen, en niet alleen tot de Joden. Door een initiatierite, het doopsel, kon iedereen opgenomen worden in een gelovige gemeenschap die Jezus Christus als voorbeeld nam. Voor die gelovigen golden de traditionele specifieke wetten, voorschriften, rituelen en gebruiken van de Joden evident niet. Weliswaar waren er voor de christenen nieuwe gebruiken en nieuwe voorschriften, waarvan sommige verdacht veel op de oude joodse bleken te lijken.

Daaruit besluiten dat er binnen het christendom hoegenaamd geen onderscheid meer gemaakt werd tussen de mensen, is een verregaande vergissing. Het volstaat een blik te werpen op andere teksten van ‘Paulus’ en andere kerkvaders, waarin zowel over de vrouw als over slaven, ‘vreemdelingen’, kinderen, grijsaards, zondaars, homoseksuelen, andersdenkenden &c. de meest denigrerende zaken verkondigd worden. Het is ook meer dan evident dat de christelijke Kerken (in het meervoud, want er is nooit één christelijke Kerk geweest) altijd een ongemeen sterke hiërarchie gekend hebben, die elke vorm van gelijkheid ten enenmale uitsluit.

Stellen dat het christendom aan de basis ligt van de moderne gelijkheidsgedachte getuigt dan ook van een totaal gebrek aan historisch inzicht. Meer nog: in het licht van de fundamentele ongelijkheid en onverdraagzaamheid die het christendom sinds zijn aanvang en tot op de dag van vandaag kenmerkt, moet men al compleet te kwader trouw zijn om zich daaraan te wagen. Als er één instelling en één ideologie is die elke gelijkheid onder mensen principieel uitsluit, en zich altijd verzet heeft en zich nog steeds mordicus blijft verzetten tegen de idealen van de Verlichting: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, dan wel het christendom.

Stuur door

Mijlpalen

Hoc erat in votis: 80 en 20

Twintig jaar geleden begon ik met deze blog, mijn eigen website. Toen was ik zestig en juist gepensioneerd. Nu ben ik tachtig, en net verhuisd naar een serviceflat. Het zijn mijlpalen op de weg die leidt vanaf het onooglijke ouderlijke begin tot het onvermijdelijke oud-geworden einde. We weten nooit wat ons te wachten staat, en dat is maar goed ook. Elke dag is een nieuwe kans om jezelf te worden en jezelf te blijven. Het overwegende gevoel op deze dag is er een van intense dankbaarheid voor het lange en gelukkige leven dat we elkaar zo vaak toewensen, en dat mij ten deel is gevallen. Dankbaar ook jegens de mensen die ik op mijn levensweg mocht ontmoeten.

What more could I wish for? My cup runneth over…

Stuur door

Spelen

Spelen

Van alle menselijke bezigheden is spelen mij wel het vreemdst, al weet ik niet goed waarom. Als kind speelde ik een korte tijd met pluchen poppen van dieren, maar daarna kan ik me niet herinneren dat ik door een of ander spel geboeid werd. We hadden thuis een paardjesspel, maar dat vond ik maar niets: of je het einddoel als eerste bereikt, hangt niet af van enige tactische vaardigheid of inzicht, maar van het toeval, bepaald door een teerlingworp. Ik was de jongste thuis, en onze Raf, vier jaar ouder, versloeg me telkens bij het damspel, en dat vond ik natuurlijk niet echt leuk. Maar ook het spel zelf trok me niet aan, en kaartspelen en Monopoly evenmin. Ik hield toen al niet van spelen. Ik zag het nut ervan niet in. Spelen gaat om het spel zelf, niet om een of andere inzet; en als het om een inzet gaat, is het geen spel meer, maar gokken, en gokken om een inzet is verkeerd, want niet rationeel. Waarom het risico lopen om een bezit te verliezen, enkel in de hoop om bij toevallige hoge uitzondering grote winst te maken?

Maar laten we het houden bij spelen zonder inzet. Men zou echter kunnen zeggen dat er altijd een inzet is, namelijk het winnen van het spel. Dat heb ik nooit echt goed aangevoeld. Sommige spelen beoefende ik wel degelijk op bepaalde momenten van mijn leven, zoals tafeltennis en tennis, en ik probeerde daarin ook goed te zijn, maar het competitieve aspect trok me helemaal niet aan, integendeel. Het enige plezier dat ik eraan had, was het spelen zelf, de fysieke inspanning en de verscheidenheid van de ontelbare mogelijkheden en combinaties. Maar ik was er zelf niet bepaald op uit om te spelen, ik liet me alleen soms verleiden door iemand die een partner zocht.

Toen de eerste personal computers opkwamen, heb ik voor mijn kinderen meteen de nodige apparatuur gekocht, en daarop speelden ze dan vaak spelletjes, soms urenlang, maar mij interesseerde dat geen bal, ook niet ingewikkelder zaken zoals flight simulator. Ik probeerde mijn zonen naar andere toepassingen te sturen, en naar programmeren, en dat lukte wel, maar ze bleven wel spelen.

Ik heb altijd willen biljarten, maar het is er nooit van gekomen om dat vaak te doen, hooguit enkele keren in mijn hele leven, en straks ben ik tachtig.

Er is een tijd geweest dat de pluskinderen gezelschapspelen wensten te doen op familiebijeenkomsten, maar ik was en blijf daarvan absoluut geen voorstander, wel integendeel. Als ik er goed over nadenk, was en is dat omdat ik het heel akelig vind dat altijd iemand de verliezer is, de laatste, ook en zeker als ik dat niet zelf ben. Dat iemand wint, tot daar. Maar publiekelijk iemand als de schlemiel in het gezelschap aanwijzen, lijkt me heel onheus, ik vind niet dat we dat horen te doen als we spelen, we doen het immers ook niet, of horen het niet te doen, in het werkelijke leven.

Spelen is geen nuttige bezigheid, er is niets mee te verdienen, de wereld gaat er niet op vooruit, de inspanning levert geen echt resultaat op. Misschien voelt de winnaar zich eventjes goed, maar niemand is altijd winnaar, er is altijd wel iemand die nog beter is, of toch af en toe. Spelen is een nutteloze bezigheid, een tijdverdrijf, een manier om je niet te vervelen, maar zonder echt te werken voor een resultaat. En dat is precies waarmee ik het blijkbaar zo moeilijk heb.

Ik heb geen nutteloos tijdverdrijf vandoen, ik heb nauwelijks tijd genoeg om te doen wat moet gedaan worden, en om te doen wat ik wel graag doe, en dat is hoofdzakelijk nadenken en kennis vergaren door te lezen en opzoekingswerk te verrichten, en de resultaten daarvan te formuleren voor mezelf en eventueel voor anderen. Dat is precies wat ik hier gedaan heb.

Het leven is geen spel, daarvoor ‘staat er te veel op het spel’. We horen niet met elkaar om te gaan als winnaars en verliezers, als tegenstanders, als rivalen. We hebben elkaar nodig om samen, verschillend maar als gelijken, individueel en collectief op de best mogelijke manier te leven en te overleven. Dat is althans in mijn aanvoelen een voltijdse bezigheid, onze tijd is te beperkt om die te verliezen in louter tijdverdrijf.

Ik besef ten volle dat anderen daarover anders denken, en dat is hun goed recht. Ik heb alleen voor mezelf proberen uitmaken waarom ikzelf spontaan en oprecht echt niet van spelen houd.

Stuur door

de gruwel en de verantwoordelijkheid

Iedereen probeert voor zichzelf een of andere verklaring te vinden voor de gruwel in onze wereld, de dagelijkse gruwel in conflictgebieden en de steeds vaker toeslaande gruwel in onze beschaafde en vredelievende omgeving.

Een eerste bedenking daarbij is dat men bijna altijd ervan uitgaat dat de daders gehandeld hebben uit vrije wil en dus daarop moeten beoordeeld worden. Ze werden niet gedwongen om hun aanslagen te plegen, ze hadden het evengoed niet kunnen doen. Het zijn dus monsters, want welke mens doet nu zoiets?

Die vrije wil is echter een begrip dat sterk genuanceerd moet worden. Men laat uitschijnen dat elke mens op elk ogenblik volkomen vrij is om een bewuste beslissing te nemen met volledige kennis van zaken. Was dat maar zo… Elke mens is het resultaat van een geschiedenis. Die begint al bij de bevruchting, want wij erven het genetisch materiaal van onze ouders, zij het in een unieke combinatie. Vervolgens ondergaan wij de invloed van onze omgeving en reageren we daarop op onze eigen manier. Dat maakt ons tot unieke wezens die weliswaar beschikken over de mogelijkheid om rationeel na te denken over ons denken en doen, maar slechts in beperkte mate en op onze eigen manier. Die combinatie van redelijkheid en onredelijkheid die in elke mens aanwezig is als het resultaat van onze voorgeschiedenis is de oorzaak van ons gedrag.

Het is weinig waarschijnlijk dat iemand zonder enige aanleiding en zonder enige beïnvloeding van buitenaf plots een aanslag pleegt zoals in Brussel, Nice, Berlijn, Manchester, Londen… Dat kunnen we ons alleen maar voorstellen bij mensen die zwaar mentaal gestoord zijn. Van de moslimterroristen veronderstellen we echter dat zij volkomen uit vrije wil gehandeld hebben en we beschouwen hen niet als mentaal gestoord. Indien zij niet mentaal gestoord zijn, en dat is nog zeer de vraag, dan moeten we toch rekening houden met de beperkingen die er noodzakelijkerwijs aan de vrije wil moeten opgelegd worden. In hoever beschikt een jonge persoon die sinds de geboorte opgroeit in een omgeving van gewelddadig moslimfundamentalisme over een absoluut vrije wil?

Een tweede bedenking bij het zelfmoordterrorisme is dat we de mogelijkheid onder ogen moeten zien dat dit in bepaalde gevallen meer te maken heeft met het verschijnsel van de zelfdoding dan met terrorisme. Elk jaar sterven ongeveer 800.000 mensen door zelfdoding. Het is dus niet ondenkbaar dat een aantal onder hen dat doen op een manier die onschuldige slachtoffers maakt, of dat nu in het kader van terrorisme is of niet. Het is een vorm van zelfdoding die bekend is, niet het minst wegens de media-aandacht die eraan besteed wordt. Op die manier vormt het een beïnvloeding van personen die geneigd zijn tot zelfdoding. Wanneer een organisatie zoals het islamfundamentalisme deze vorm verheerlijkt, heeft dat onvermijdelijk gevolgen, dat is nu wel duidelijk. De verantwoordelijkheid van de leiders van dergelijke organisaties is dan ook verpletterend, om dat cliché toch maar eens te gebruiken.

Dat brengt ons tot de vraag over de verantwoordelijkheid van de daders. Alle mensen zijn fysiek verantwoordelijk voor hun daden. Iemand die een moord pleegt, maakt zich schuldig aan een misdaad en moet daarvoor bestraft worden, wat ook de oorzaak, de reden of de aanleiding was. Die persoonlijke verantwoordelijkheid wordt niet geringer door de invloed die een persoon heeft ondergaan van anderen, maar men kan bij de bestraffing wel rekening houden met wat men dan verzachtende omstandigheden noemt, bijvoorbeeld de immense druk die kan uitgaan van de omgeving of van de omstandigheden.

Deze bedenkingen zijn niet onbelangrijk wanneer wij proberen vormen van geweld te verhinderen zoals de terroristische aanslagen van de laatste jaren in het Westen of tegen niet-moslims. Het is duidelijk dat de beïnvloeding die uitgaat van de islamitische godsdienst en van de meest radicale en gewelddadige vormen daarvan onbetwistbaar verantwoordelijk is voor althans de frequentie, de vorm en de omvang van dat geweld, en voor de keuze van de slachtoffers. Het komt er dus op aan deze beïnvloeding zoveel mogelijk te vermijden. Als men daarin zou slagen, al was het maar gedeeltelijk, dan zouden er ongetwijfeld nog dergelijke aanslagen gebeuren, aangezien die ook gebeurden vóór het recente moslimterrorisme, en aangezien er altijd dergelijke zelfdodingen geweest zijn, maar het is meer dan waarschijnlijk dat met name de recente terroristische aanslagen niet zouden gebeurd zijn of niet op die gruwelijke manier en niet op die plaatsen.

Men moet dus niet zozeer zoeken naar personen die in staat zijn om dergelijke aanslagen te plegen, die zijn er helaas genoeg, maar naar personen die anderen ertoe brengen om dergelijke aanslagen te plegen. Zij zijn de ware oorzaak van de gruwel, ook al hebben ze zelf propere handen. Wij kennen hen, en al te lang laten wij hen begaan. Dat maakt ons medeverantwoordelijk voor de gruwel die we zo afkeuren.

(2017)

Stuur door

Christelijke moraal, atheïstische ethiek

Christelijke moraal en atheïstische ethiek

Christelijke tegenstanders van het atheïsme hebben altijd als een van hun belangrijkste redenen voor hun afkeer en verwerping gegeven dat atheïsten geen morele voorschriften erkennen en zich in alles uitsluitend laten leiden door hun aandriften. De christelijke morele voorschriften waren voor hen de enige. Een atheïst kon dus geen moraal hebben. Men kan echter terecht de vraag stellen of die christelijke voorschriften werkelijk de enig mogelijke zijn, en ook of ze juist zijn. Zijn er morele voorschriften naast de christelijke, en zijn er die in tegenspraak zijn met de christelijke? En kleven atheïsten een moraal aan, of hebben de christelijke tegenstanders gelijk, en zijn atheïsten noodzakelijkerwijs libertijnen in de slechtste zin van het woord?

Die laatste veronderstelling is misschien nog enigszins begrijpelijk vanuit een fundamentalistisch christelijk standpunt, maar is ze logisch? Is wie het bestaan van de christelijke God, of elke god ontkent ipso facto en noodzakelijkerwijs een amoreel of immoreel persoon? Is het omgekeerde dan ook waar: zijn alle christenen ipso facto en noodzakelijkerwijs morele personen? Het ziet er veeleer naar uit dat er in de praktijk zowel onder de christenen als onder de atheïsten morele en immorele en amorele personen zijn, of personen die zo handelen. Het lijkt redelijk dus om aan te nemen dat ethisch gedrag niet rechtstreeks afhankelijk is van het feit of men gelovig is of ongelovig. Atheïsme leidt in de praktijk niet altijd en overal tot immoraliteit, die aloude veronderstelling van de christenen is logisch niet houdbaar, en door de praktijk tegengesproken.

Laten we een concreet voorbeeld nemen om onze stelling te toetsen. De christelijke Kerken verbieden overspel of buitenechtelijke seksuele relaties. De Belgische wetgeving doet dat niet, al is dat wel een heel belangrijk element bij de behandeling van echtscheiding en andere wettelijke afspraken tussen gehuwden. Op grond van ernstige studies blijken buitenechtelijke seksuele relaties niet significant meer voor te komen bij ongelovigen. Atheïsme is met andere woorden geen vrijgeleide voor dergelijk gedrag, zet er niet toe aan, of is niet het gevolg van het feit dat men het kerkelijke verbod verwerpt. Huwelijkstrouw is een waarde die algemeen gerespecteerd wordt, maar een ruime minderheid van mensen is ooit weleens ontrouw, gelovigen zowel als ongelovigen. Het is aannemelijk dat hetzelfde geldt voor andere waarden.

Christenen kleven de morele voorschriften aan van hun godsdienst, die gesteund is op een goddelijke openbaring en op de kerkelijke traditie. Dat veronderstelt niet alleen dat men zonder meer bereid is om irrationele, onbegrijpelijke, mysterieuze zaken voor waar aan te nemen, maar ook dat men zich op moreel gebied klakkeloos onderwerpt aan een ondemocratisch kerkelijk gezag. De Kerk gebiedt, op grond van gezagsargumenten, wat verboden, toegelaten of verplicht is. Wie die geboden niet naleeft, zal gestraft worden, hier en later; wie dat wel doet wacht de eeuwige zaligheid.

Atheïsten zijn personen die ofwel geen kennis hebben van de godsdienst, of de fundamentele geboden van de Kerk verwerpen omdat ze het er niet mee eens zijn, of het kerkelijk gezag verwerpen omdat het niet democratisch en dus niet legitiem is, of het bestaan van de God van de Kerken, de grondslag van de openbaring, ontkennen. Dat betekent evident niet dat zij alle ethische regels verwerpen. Atheïsten laten zich leiden door wat de rede en de wetten en de zeden en gewoonten van hun omgeving voorschrijven. Dat is in feite — in het beste geval —ook waarop de godsdienstige moraal gebaseerd is, wat de Kerken zelf daarover ook beweren. Er zullen dus uiteraard veel overeenkomsten zijn, maar allicht ook verschillen. Het is bijvoorbeeld geweten dat christenen zich principieel verzetten tegen echtscheiding, abortus, euthanasie, het homohuwelijk en nog wel andere zaken. Maar dat belet niet dat die zaken bij christenen evengoed voorkomen, en het betekent evenmin dat atheïsten ze principieel zouden moeten toepassen, goedkeuren of propageren; zij zullen in dat verband veeleer wijzen op de grootst mogelijke individuele vrijheid binnen de grenzen van de wet, waarbij elk individu naar eigen inzicht beslist over de eigen handelingen.

Er is geen enkele reden waarom een ongelovige atheïst zich niet zou laten leiden door ethische voorschriften. Dat zou immers zeer onredelijk en asociaal zijn, en van bewuste atheïsten kan en mag men wel degelijk verwachten dat ze zowel redelijk als maatschappelijk bewust denken en handelen. Atheïsme is immers nu nog altijd, zoals vroeger, een weloverwogen keuze, tegen de stroom in, tegen elke bovennatuurlijke aanspraak, tegen alle irrationaliteit. Dezelfde redelijkheid die iemand ertoe brengt om te beseffen dat er geen God is, leidt tot het inzicht dat men ook zonder God en godsdienst ertoe gehouden is om redelijk, dat wil zeggen ethisch te handelen. Het is dus niet zo dat als men niet in God gelooft, werkelijk alles toegelaten is. Het lijkt zelfs erg onwaarschijnlijk dat er normale personen zijn die dat denken en ernaar handelen. De compleet bandeloze atheïst bestaat hoofdzakelijk in de verbeelding en de kwalijke argumentatie van de Kerken. En als er dergelijke personen zijn, zullen die zowel door gelovigen als ongelovigen terecht veroordeeld worden voor hun gedrag, dat men ook veroordeelt als het bij gelovigen voorkomt.

Net zoals men van christengelovigen mag verwachten dat ze zich houden aan de voorschriften van hun godsdienst, mag men van atheïsten verwachten dat ze zich houden aan wat de rede en de samenleving voorschrijft. Het is daarbij niet onwaarschijnlijk dat redelijke mensen misschien wel iets meer geneigd zullen zijn om zich daaraan te houden uit overtuiging, dan gelovigen zich moreel verplicht zullen voelen om de opgelegde geboden en verboden van hun Kerk strikt na te leven, zelfs niet uit vrees voor een eeuwige verdoeming in de hel, of op hoop van een eeuwige zaligheid in de hemel.

Godsdienst is vandaag voor meer geëmancipeerde mensen niet meer bepalend voor hun leven, noch vertegenwoordigt die het belangrijkste morele gezag in de samenleving. Door de drastische reductie van de invloed van de godsdienst zijn er, naast diegenen die met kennis van zaken kiezen voor een leven en denken zonder God, ook steeds meer mensen die feitelijk atheïstisch zijn omdat ze niet meer zoals vroeger van jongs af aan geïndoctrineerd worden. De secularisering blijkt zich door te zetten, godsdienst wordt een marginaal verschijnsel, zij het met nog heel wat inconsequente restverschijnselen en hardnekkige gewoonten, zelfs in de meest ontkerkelijkte landen zoals België. Hoe meer de Kerken zich vastklampen aan voorbijgestreefde en onverdedigbare irrationele opvattingen en aan hun ondemocratische structuren, hoe sneller mensen zich ervan zullen afkeren. Het is niet aannemelijk dat er een kentering in de andere richting zou komen, alles wijst erop dat de mensheid langzaam maar zeker minder godsdienstig wordt naarmate de welstand en de verstandelijke ontwikkeling voortschrijdt.

 

Stuur door

Al te vroeg gestorven

Al te vroeg gestorven

Hoewel we zeker weten dat we ooit zullen sterven, wordt de dood door vrijwel iedereen gevreesd als het ergste, ultieme onheil. Men lijkt zich echter gemakkelijker te verzoenen met de onvermijdelijkheid van de dood wanneer die iemand wegneemt na een voldragen en zeker na een heel succesvol leven. Wanneer de dood heel vroeg komt in een mensenleven, voelt men dat aan als een tragedie, niet het minst wanneer het veelbelovende jongeren betreft, die al heel vroeg blijk gaven van uitzonderlijke talenten. Sinds de oudheid heeft men aan de hevige emoties die een dergelijke vroege dood oproepen op een heel bijzondere manier uitdrukking gegeven: wie de goden liefhebben, sterft jong. De goden, of God, roept het eerst tot zich wie door hen of Hem het meest bemind wordt. Dat is enerzijds een eerbetoon aan de jonge overledene, een lieveling van de goden, door hen begunstigd met uitzonderlijke kwaliteiten; anderzijds is het een poging om het verdriet te leningen van hen die zo vroeg een geliefde moeten verliezen: de overledene is immers door de goden zo vroeg tot hen geroepen, als het ware als een nog grotere gunst dan wanneer die een lang leven zou vergund zijn. Het is omdat ze iemand het meest liefhebben dat ze die persoon vroeger uit dit leven wegnemen.

Een van de eerste gezegden die dat illustreren vinden we bij de Griekse toneeldichter Menander (ca. 342-290): Ὅν οἱ θεοὶ φιλοῦσιν, ἀποθνήσϰει νέος (uit Δὶς Ἐξαπατῶν - Dis Exapatōn, De dubbele bedrieger, fragment 4): Wie de goden liefhebben, sterft jong. Menander kende veel navolgers, onder wie ook Plautus (251-184), die Menander citeert: Bacchides 1. 817 quem di diligunt, Adolescens moritur. Wellicht was het al lang een staande uitdrukking, maar we hebben enkel de vroegste literaire fragmenten om daarvan te getuigen. Sindsdien is het een gevleugeld woord gebleven, overgenomen in zowat alle talen als gemeenschappelijk erfgoed. In de Nederlandse literatuur vinden we het bijvoorbeeld al bij Willem Kloos over de jong gestorven dichter Jacques Perk in zijn inleiding tot diens gedichten, naar E.J. Potgieter en Bakhuizen van den Brink over de jonggestorven Aarnout Drost.

Ook in een christelijk perspectief past deze als troostend bedoelde gedachte. Alle vrome christenen wacht een beter leven in het hiernamaals, zo verzekert men hun bij elke uitvaartdienst. Hoe vroeger men de hemelse zaligheid bereikt, hoe beter dus in feite, al is niemand geneigd dat letterlijk te nemen, en zich te verheugen, ondanks de expliciete en uitdagende liturgische aansporingen daartoe, over een al dan niet vroegtijdig overlijden. Hoewel men het zo voorstelt, gaat het hier eigenlijk niet om het nadrukkelijk verkondigen van het belangrijkste dogma van het christendom, namelijk het leven na de dood, maar om het formuleren van een vrome gedachte die de terecht bedroefde nabestaanden toch enige troost zou moeten bieden. De god van het christendom is een liefhebbende vader, van wie men niet kan aannemen dat hij zijn kinderen ombrengt, en dan zeker niet de mooiste en meestbegaafde, die daarom als zijn meest geliefde beschouwd worden. De mens, ook de christenmens, stuit hier op de onoverkomelijke moeilijkheid om het reële leed van leven en dood te verzoenen met het idee van een liefhebbende god, en om de natuurlijke drang om zichzelf in stand te houden te verlaten voor een vermetel geloof in een beter leven in het hiernamaals.

De goden van de antieken zijn niet meer, wat Raymond Jean De Kremer, (ooit…) beter bekend als Jean Ray, verbeeldt in zijn roman Malpertuis (1955, vertaald door – natuurlijk – Hubert Lampo en verfilmd in 1972 door Harry Kümel, met niemand minder dan Orson Welles, Susan Hampshire, Michel Bouquet, Sylvie Vartan). Het zijn dus niet meer de goden die hun meest geliefden het eerst tot zich roepen, noch de christelijke god, tenzij misschien voor de meest vrome of fundamentalistische gelovigen, en dan nog alleen bij manier van spreken, als een al dan niet overtuigend woord bij een smartelijk overlijden.

Atheïsten houden niet minder (en allicht ook niet meer) van het leven dan anderen. Ook zij ervaren de dood als negatief, een einde en in hun overtuiging zelfs een definitief einde. Toch is dat daarom voor hen geen reden tot grotere droefheid, veroorzaakt door het ontbreken van elk vooruitzicht op een hemelse zaligheid. Het vermetele vrome geloof heeft bij hen plaats gemaakt voor een veel realistischer besef van de onvermijdelijkheid van de dood voor alle levende wezens, de vergankelijkheid van al wat leeft. Weten dat men deel uitmaakt van een groter geheel en onderworpen is aan de noodzakelijke natuurwetten is voor hen een grotere, en in alle geval een meer gefundeerde troost bij het afscheid, ook als dat door omstandigheden vroeger komt dan verwacht, of mensen treft die zich onderscheiden hebben door hun lichamelijke of mentale kwaliteiten. Ook atheïsten hebben behoefte aan rituelen, maar nemen geen vrede met ongeloofwaardige verhalen over een persoonlijke God en hemel of hel als beloning of straf. Rouwenden wensen niet tijdens een kerkelijke plechtigheid in het beste geval tijdelijk getroost te worden met lege woorden en rituelen die hun betekenis verloren hebben. Ze hebben nood aan de volle erkenning van de complexe, eerlijke en ware gevoelens die ze ervaren bij het overlijden van hun medemens. Ze willen leven en dood tevens kunnen zien in een ruimer kader dat strookt met hun ervaring van elke dag en met de inzichten van de wetenschap over de wereld waarin ze leven, en niet gedwongen worden een wereldbeeld aan te kleven dat daarmee fundamenteel in strijd is.

Er zijn geen liefhebbende goden, en ook de christelijke God is geen liefhebbende vader. De regen valt gelijkelijk op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen, dat wil zeggen dat de natuurwetten voor iedereen gelden, dat alles noodzakelijkerwijs gebeurt als oorzaak en gevolg, en niet omdat een bovennatuurlijk opperwezen het zo wil en daarbij zijn voorkeuren laat gelden. De natuur, of al wat is, is het enige dat er is. Als men wil, mag men dat God noemen, maar elke gelijkenis met antieke of christelijke goden is dan ongepast.

 

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten