Vagevuur
Vagevuur
Van meet af aan was het christendom gericht op de eeuwigheid. De onvermijdelijke dood was niet het einde van alles, maar het begin van een nieuw, oneindig leven. Wie zich bekeerde tot het christendom en de geboden en verboden naleefde, kon na de dood genieten van de eeuwige gelukzaligheid. Wie dat niet deed, of zondigde tegen de regels, stond eeuwige marteling te wachten. Die gedachtegang sluit weliswaar in zekere mate aan bij andere mystieke fantasieën over de dodenwereld uit de oudheid, maar betekende toch een fundamentele paradigmaverschuiving: de kern van de zaak is niet ons korte leven hier op aarde, maar de eeuwigheid. In de Paulus-brieven is dat het belangrijkste element uit de verkondiging: de mens is door het kruisoffer van Christus verlost uit dit tranendal en bestemd voor de hemelse zaligheid. Voor de grote massa’s van eenvoudige burgers en slaven was dat, ondanks zijn hemeltergende onwaarschijnlijkheid, ongetwijfeld een openbaring, en blijkbaar een krachtig wervend element.
Algauw bleek het nodig dat de Kerk een en ander verduidelijkte. Wat waren de essentiële geloofspunten die men moest belijden, wat waren de leefregels die men moest onderhouden, en vooral: hoe kon men de gelovigen ertoe brengen zich daaraan in blinde gehoorzaamheid te onderwerpen? Wegens de flagrante onwaarschijnlijkheid van een reëel eeuwig hemels hiernamaals, veel reëler dan het aardse leven, kon men immers niet rekenen op het gezond verstand waarover iedereen beschikt. Ook de prediking, hoe overtuigend ook, kon niet verhinderen dat allerlei afwijkende ideeën de ronde deden, en nog veel minder dat men zich weinig gelegen lieten liggen aan zelfs de meest fundamentele ethische en rituele voorschriften.
Daarom werd van in het vroegste christendom een dwingend commercieel heilssysteem uitgewerkt, dat berust op de essentiële menselijke gevoelens van hoop en vrees. De godsdienst bepaalt wat goed en kwaad is. Wie het goede doet en het kwade laat, wordt daarvoor beloond; wie het goede nalaat en het kwade doet, wordt daarvoor bestraft. Die belofte en dat dreigement moeten aanmoedigend en ontradend werken. Dat kan alleen als de beloning aantrekkelijk genoeg is, en de straf afschrikwekkend genoeg. Dat hebben de christelijke kerkleiders en theologen goed ingezien, en ze zijn zich te buiten gegaan aan de meest spectaculaire voorstelling van deze twee ‘uitersten’, hemel en hel, zowel in de dogmatische leer, de verkondiging als in de levendige voorstellingen in alle kunstvormen.
Die nog eenvoudige dichotomie, de fundamentele tweespalt tussen goed en kwaad, hemel en hel, past echter als een tang op een varken op het werkelijke leven, dat gekenmerkt wordt door compromissen, dubbelzinnigheden, interpretaties, vallen en opstaan, verzachtende omstandigheden, en talloze tekortkomingen en onvolmaaktheden, op grote en kleine schaal, van zogenaamde heldendaden tot de meest afschuwelijke misdaden toe. En dus rezen er allerlei vragen. Aangezien vrijwel niemand een leven lang volmaakt is, is de hemel niet voor iedereen weggelegd. Dat is een beginsel dat al in de vroegste evangelieteksten naar voren komt: velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkozen. Die waarschuwende waarheid moet de gelovigen ertoe aanzetten de voorschriften te onderhouden, maar heeft als onvermijdelijk neveneffect dat men zich vanuit de onmacht om volmaakt te zijn, gaat neerleggen bij de eigen onvolmaaktheid en die van anderen, en dus voor zichzelf en voor anderen veel door de vingers gaat zien: het heil is toch al verkorven.
Voor dat wanhopige defaitisme moest een remedie gevonden worden. Het doopsel volstond niet als toelatingsbewijs aan de poorten van de hemel, waarvan Sint-Pieter de sleutel in handen had. Men moest ook leven volgens de kerkelijke voorschriften. Als men die overtrad, was het kwaad geschied, en ging men naar de hel. Dat moest echter onvermijdelijk genuanceerd worden, want anders ging iedereen inderdaad naar de hel. Zo ontstond het onderscheid tussen lichte en zwaardere overtredingen, dagelijkse zonden en doodzonden. Zoals in het burgerlijke leven voorzag men lichtere straffen voor lichtere overtredingen. De Kerk had naar eigen zeggen van God de macht gekregen om de zonden van de berouwvolle overtreder te vergeven, dus kwijt te schelden, op voorwaarde dat de schuld bekend werd in de biecht, en de opgelegde boete of straf volledig vervuld was. Door een overtreding, een zonde te begaan, was men dus niet meteen meer voor eeuwig verdoemd, men kon tot inkeer komen, de boete betalen en zo met een propere lei opnieuw beginnen… zondigen.
Dagelijkse zonden waren legio, maar ook licht te vergeven, met slechts een nominale boete of straf: een vermaning, een lichte zelfkastijding, een verplicht gebed, een of ander verplicht goed werk. Voor doodzonden moesten de straffen zwaarder zijn om enige ontrading in te houden. Want dat was het gevaar van het systeem: wie weet dat men zal vergeven worden, en de eeuwige straf van de hel kan ontlopen, ook als men zwaar gezondigd heeft, zal allicht veeleer verkiezen de milde straf te ondergaan dan zich het genot van de zonde te ontzeggen. Dus werden er tarieven opgesteld voor alle mogelijke overtredingen, en terloops ook voor allerlei toestemmingen en rituele verplichtingen.
En zo komen we tot een niet onbelangrijk aspect van dit wezenlijk commercieel systeem. Want het ging allang niet meer om een fictieve heilseconomie, maar om de economie van de wereldlijke Kerk. Zolang de straf louter uit rituele verplichtingen bestaat, zoals het opzeggen van gebeden, is er niets onbetamelijks aan de hand. Maar blijkbaar was de verleiding voor de Kerk en voor de bedienaars van de eredienst op alle niveaus te groot, en namen de straffen vormen aan die voordelen voor hen opbrachten, in macht, en in natura. Een vrome schenking aan de Kerk, betaling voor het opdragen van missen, het kopen van religieuze voorwerpen, het ondernemen van pelgrimstochten, het bracht allemaal op. De Kerk was machtig en rijk, en liet dat ook zien in de pracht en praal van het instituut, en de welstand van haar leiders en leden.
In die context moeten we ook het ontstaan situeren van het idee van het vagevuur. Wat gebeurt er namelijk met de overledenen na hun dood? Gaan ze rechtstreeks naar de hemel of de hel? Dat was in tegenspraak met elementen uit het evangelie die verwezen naar het einde van de aardse wereld, de terugkeer van Jezus Christus, en het Laatste Oordeel door God zelf. Er was dus een tussentijd, die almaar langer werd naarmate dat einde van de wereld en die terugkeer verder en verder naar een onbepaalde toekomst verlegd werden. Waar bleven de zielen (want wat er met de lichamen gebeurde, kon men zelf zien)? Aangezien zo goed als niemand volmaakt is, noch van alle overtredingen verschoond, moet men eerst gezuiverd worden van alle zondensmet, voor men de hemelse zaligheid kan ingaan. Die zuivering gebeurt door het ondergaan van helse straffen, maar niet in de hel, want wie daarin terecht komt, komt er nooit meer uit, dat is de essentiële verzwarende omstandigheid van de hel, namelijk dat de bestraffing zonder einde is. Dus verzon men een belendend vagevuur, waar de laatste restjes van de zonden weggeveegd werden door de louterende vlammen en andere verschrikkingen die men kende van de hel. Hoe meer men gezondigd heeft, hoe langer men in het vagevuur moet blijven. Die tijd kon men echter nog tijdens het leven inkorten door boete te doen, zoals voor de begane zonden: aflaten verdienen, heet dat, maar dat werd heel snel: aflaten verkopen.
Dat bracht de Kerk op nog meer lucratieve ideeën. De zieltjes in het vagevuur konden hun lot niet meer verbeteren, ze konden alleen nog boete doen door te lijden. Maar de nog levende gelovigen, die aan de overledenen dachten, vooral hun eigen familie, vrienden en kennissen, konden nog altijd verdiensten verwerven voor hen, en zo hun boetetijd in het vagevuur inkorten! Dus werden die gelovigen ertoe aangezet om voor die zieltjes te bidden, maar ook om missen te laten opdragen voor hen, schenkingen te doen aan de Kerk…
Dat alles heeft geleid tot het zogenaamde ‘rijke roomse leven’ van een ‘triomfalistische’ Kerk, dat heeft standgehouden tot ver in de 20ste eeuw, en waarvan we nog altijd de sporen en restanten zien, zowel in de nu leegstaande kerken en de nog steeds overvolle katholieke scholen en verzorgingsinstellingen, als in de mentaliteit van de vele mensen die in de christelijke zuil zijn opgebracht, en die ondanks alles helpen in stand houden.
Wat aanvankelijk door de Kerk verzonnen was als dwangmiddel om de mensen ethische principes bij te brengen en hen deugdzaam te doen leven, werd aldus een infame religieuze commercie met als enig doel de macht en de rijkdom van de Kerk. Zelfs binnen het christendom heeft dat geleid tot opstandigheid, zoals toen Luther het bestaan van het vagevuur ontkende, en daarmee meteen ook het systeem van aflaten op de helling zette, zowel voor het op voorhand verkorten van de tijd die men zelf ooit in het vagevuur zou moeten doorbrengen, als voor het ‘redden’ van zieltjes van afgestorven gelovigen uit het vagevuur. De hele contrareformatie was erop gericht om dat lucratieve en machtssysteem kost wat kost in stand te houden. De Kerk was niet meer gericht op de ethische vorming van de gelovigen en de morele verheffing van de samenleving, maar nog uitsluitend op de genadeloze onderwerping van iedereen aan haar schijnheilige godsdienstige voorschriften, die alle aspecten van het private en het publieke leven omvatten.
Het mag een wonder heten dat een dergelijk onredelijk, absurd, cynisch en uiteindelijk misdadig systeem gedurende twintig eeuwen onze beschaving zo indringend getekend heeft en zo schrijnend blijft tekenen. Dat is alleen mogelijk door het verregaande machtsmisbruik van een hele schare van religieuze bedriegers, schaamteloze profiteurs en medeplichtige meelopers.

