Ego à volonté in Privé-domein (2)
Hugo D’hertefelt
Hasselt, april-mei 2021
De auteurs
Even herhalen voor wie het eerste deel heeft gemist.
Privé-domein is een boekenreeks met egodocumenten van de Nederlandse uitgeverij Arbeiderspers. Sinds de start in 1966 verschenen 314 titels, bijeen geschreven door ongeveer 240 auteurs, want een groot aantal heeft meer dan één boek in de reeks. Enkele auteurs hebben zelfs vijf of meer titels.
Wie zijn de ‘lievelingen’?
Elias Canetti
De absolute topper met negen titels is Elias Canetti. Zijn autobiografie omvat drie delen met in de titel telkens een verwijzing naar een zintuig. Het eerste deel, De behouden tong, gaat over zijn prille jeugd met de traumatische ervaring van de dood van zijn vader toen hij zes was en de beladen relatie met zijn moeder daarna. In De fakkel in het oor vertelt hij over zijn studietijd in Frankfurt, Wenen en Berlijn. Hij leert politici en kunstenaars kennen, leest bibliotheken bij elkaar, ontmoet meisjes en ten slotte zijn toekomstige vrouw. In Het ogenspel is hij terug in Wenen en vastbesloten schrijver te worden. Hij heeft al een zekere literaire reputatie omdat zijn roman Het Martyrium in manuscriptvorm onder intimi circuleert. Party tijdens de blitz had het vierde deel van zijn autobiografie moeten worden, maar dat is er niet van gekomen. Het bevat zijn herinneringen aandebewogen jaren in Engeland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Canetti heeft heel zijn leven aantekeningen gemaakt. Zijn nalatenschap omvat meer dan tienduizend handgeschreven bladzijden. Daar zijn vijf delen mee gevuld in Privé-domein. Het zijn korte teksten, meestal bespiegelingen afgewisseld met aforismen. Hij begon er mee in 1942 als uitlaatklep toen hij worstelde met zijn levenswerk Massa en macht.
Enkele ‘proevertjes’.
‘Iemand zoeken die men niet wil vinden.’
‘Jij hebt onder dieren geen enkele vriend. Noem je dat leven?’
‘Een leer kan zo waar zijn dat met hem daarvoor verwerpt.’
(Uit Het geheime hart van het uurwerk)
‘Fransen: ze gaan zitten eten alsof het het eeuwige leven is.’
‘Hij leert maar en hij leert maar en kan niets vergeten, de aartsdomoor.’
(Uit Het pantheon van de vergeten dingen)
Paul Léautaud
Privé-domein is geïnspireerd op diens Journal particulier, in Frankrijk lange tijd onder de toonbank verkocht omwille van de erotische inhoud. Léautaud noteerde zowat alles wat hij deed en rondom zich zag gebeuren. Zijn Journal littéraire verscheen in negentien delen. Daarin fileerde hij het Franse literaire wereldje van de eerste helft van de vorige eeuw. Hij haatte aanstellerij en velen waren beducht voor zijn oordeel. Dat is hem niet in dank afgenomen, want in de officiële Franse literatuurgeschiedenis heeft hij een weinig gerespecteerde plaats gekregen. Het in Privé-domein verschenen Literair dagboek 1893-1921 bevat slechts een kleine selectie uit de dagboeken van die periode.
Onvoltooid verleden tijd en Lichtzinnige herinneringen zijn pogingen om zelf ‘literatuur’ te schrijven. Van zijn Particulier dagboek verschenen drie delen in de reeks. Het zijn openhartige beschrijvingen van zijn liefdesrelaties, met alles erop en eraan. Een van de vrouwen is madame Gayssac, die hij de Gesel noemt omwille van de ‘incompatibilité des humeurs’, maar waar hij niet los van kan omdat ze zo goed is in bed.
Al die werken verschenen in de eerste twintig jaar van de reeks. Tenslotte komt in 2009 nog een zevende titel, Brieven aan mijn moeder. Ze hebben mekaar in twintig jaar niet gezien; de briefwisseling begint in een stemming van euforie, maar algauw volgt een definitieve breuk.
Konstantin Paustovskij
Zo rommelig het werk van Paul Léautaud in Privé-domein, zo samenhangend dat van Paustovskij. Tussen 1967 en 1984 verschijnen zes delen over de geschiedenis van zijn leven, samen ongeveer tweeduizend vlot leesbare bladzijden dankzij Paustovskij’s heldere en directe stijl, maar ook dankzij het knappe vertaalwerk van Wim Hartog. Paustovskij schrijft niet alleen over de vaak spectaculaire gebeurtenissen die hij meemaakt, maar heeft ook warme aandacht voor mensen en natuur.
Geboren in 1892 maakt Paustovskij tijdens zijn eerste vijfentwintig jaren de tsaristische tijd en de Eerste Wereldoorlog mee. Daarover gaan Verre jaren en Onrustige jeugd. De Russische revolutie maakt hij drie keer mee: in Moskou in 1917, in Kiev in 1919 en in Odessa in 1920 waar hij het verschrikkelijke hongerjaar 1920-1921 beleeft. Daarover vertelt hij in Begin van een onbekend tijdperk en De tijd van de grote verwachtingen. De titels zeggen al veel. Tot dan is er in de vier delen een geleidelijke opbouw van spanning en van chaos, want het zijn turbulente tijden. In het vijfde deel is er een zekere ontspanning want in De sprong naar het Zuiden trekt hij naar de Kaukasus en daar ‘verschraalt de humor onder geen enkele omstandigheid’. In het Boek der omzwervingen, ten slotte, vertelt hij over zijn journalistiek werk en bezoekt hij vrienden en schrijvers, wat boeiende portretten oplevert.
In 1987 verschijnt een zevende titel, De gouden roos. Literaire herinneringen, een bundel met aantekeningen over schrijven, schrijvers en persoonlijke ervaringen met mensen en boeken.
Alexander I. Herzen
‘Vera Artamonovna, toe, vertel nog eens, hoe de Fransen Moskou binnenkwamen’, dat vroeg de kleine Alexander aan zijn kinderjuffrouw. Het is de eerste zin van de tweeduizend bladzijden memoires van Alexander Herzen, geboren in 1812, kort voor Napoleon met zijn troepen Moskou binnentrok en het in brand stak.
De vijf delen van zijn memoires verschijnen in Privé-domein tussen 1983 en 1988. Niet met raadselachtige titels als die van Canetti maar gewoon Feiten en gedachten en dan telkens een periode van zijn leven erachter: 1812-1838 voor zijn kinderjaren, universiteit, gevangenschap en verbanning, 1838-1847 voor zijn tijd in Vladimir, Moskou, Petersburg en Novgorod, 1847-1852 voor zijn definitieve emigratie naar West-Europa met reizen naar Italië en verblijf in Parijs, 1852-1864 voor zijn verblijf in Engeland en 1864-1868 voor zijn herinneringen aan ‘Russische schaduwen’.
Het geheel van de Privé-domein-reeks mocht van omslagontwerper Kees Kelfkens geen portrettengalerij worden, maar voor de memoires van Herzen is daar een terechte uitzondering op gemaakt. De illustratie op elke omslag is een ets, gravure, schilderij of foto van de steeds ouder wordende auteur. Sober, mooi en toepasselijk.
Elk deel is ruim voorzien van aantekeningen, bezorgd door vertaler Charles B. Timmer. Hij schreef ook een essay over deze Russische auteur, Herzen in gesprek met zichzelf. Timmer vindt dat Alexander Herzen hetzelfde vertegenwoordigt voor het tsaristische Rusland van de negentiende eeuw als de dissidenten in de Sovjet-Unie van de twintigste eeuw (na Stalin dan wel, want voordien kregen ze gewoon geen kans om dissident te zijn). Op literair vlak is hij voor de negentiende eeuw wat Paustovskij was voor de twintigste.
Hoe komt Privé-domein aan zijn auteurs?
Door de vertaal-en uitgaverechten te kopen van de boeken die in het buitenland reeds zijn verschenen, neem ik aan. Of door uitleningen van auteurs die in fondsen van andere Nederlandse uitgevers zitten. Zo kon de Arbeiderspers Graham Greene en Annie Salomons van uitgeverij Bert Bakker krijgen en Johan Polak stond Canetti af. Dit is naar het schijnt heel ongewoon in uitgeversland. In Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten gebeurt het niet zo gauw. Maar ook in Nederland verloopt het niet altijd van een leien dakje. Het duurt tot 2003 vooraleer A.F.Th. van der Heijden in de reeks verschijnt en Renate Rubinstein komt er pas in 2020 in, lang na haar dood.
De Nederlandse en Vlaamse auteurs uit het eigen fonds, dat is gemakkelijk. Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij, Louis Paul Boon, Arthur Japin, Ilja Leonard Pfeijffer en Koos van Zomeren hebben allemaal twee titels in de reeks. Maarten ’t Hart zelfs drie. Hij heeft dan ook gesmeekt om erbij te mogen zijn. In een gesprek met redacteur Martin Ros bekent hij:
‘Wel heb ik er al heel lang naar verlangd om ook met een boek in de reeks te zijn omdat ik het zo’n mooie serie vind. En daar fondsauteurs als Brouwers en Komrij mij al waren voorgegaan (en zij waren toch ook maar veertigers!) leek me dat ik ook maar eens in de reeks vertegenwoordigd moest zijn’.
Hij kreeg nummer 100 en nog twee titels extra (om van zijn gezeur af te zijn?). Boudewijn Büch is niet aan twee titels geraakt, hoewel hij een eigen fondsauteur was. Zijn dagboek Een boekenkast op reis. Persoonlijke kroniek 1998 kwam uit in 1999, maar drie jaar later overleed hij, drieënvijftig jaar oud.
Internationaal, maar overwegend Europees
Internationaal, jawel, maar toch overwegend een Europese club. Slechts een twintigtal auteurs is van buiten Europa. En dan nog. Nabokov, Singer, Sorokin hebben Europese roots, maar zijn geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Omgekeerd, Julien Green was een Amerikaan, maar schreef in het Frans. Dat deed Claire Goll ook, hoewel ze van herkomst Duitse was.
Het is niet gemakkelijk om sommige auteurs een nationale identiteit te geven. Klasseren is moeilijk als de werkelijkheid zich niet in vakjes laat dwingen. Paul Léautaud is een Fransman, Konstantin Paustovskij een Rus, Maarten ’t Hart een Nederlander, Thomas Mann een Duitser. Maar Canetti? Geboren in het Bulgaarse Roestsjoek (nu Roese), schooljaren in Manchester, hogere studies in Wenen, Frankfurt en Berlijn, afwisselend wonend op al die plaatsen maar ook in Engeland en Zwitserland waar hij uiteindelijk in Zürich overlijdt en begraven ligt. Een Europeaan die in het Duits schrijft.
De diversiteit binnen Europa is nu ook weer niet zó groot. Nederlanders, Fransen en Russen maken samen meer dan de helft van de auteurs uit. De laatste jaren is er een toename van Nederlandse auteurs. Onder de eerste vijftig titels tel ik er zes, onder de laatste vijftig is dat bijna de helft. De Fransen zijn nog even sterk vertegenwoordigd als in het begin, maar het aandeel van Russen en Duitsschrijvenden neemt af.
‘Kleur’ is beperkt in de club. Een zwarte Amerikaanse, een Nederlandse Surinamer met Indiaanse roots, een naar Groot-Brittannië geëmigreerde eilander van de Caraïben, een in Den Haag opgegroeide Nederlander met een Nederlands-Indische vader en twee Japanners. Dat is het zowat, voor zover ik er zicht op heb.
Hoe zit het met de Vlamingen? Louis Paul Boon, Paul de Wispelaere, Luuk Gruwez en Julien Weverbergh zijn samen goed voor zes titels. Maar zijn Benno Barnard en Jeroen Brouwers geen halve Vlamingen? Barnard schrijft in Uitgesteld paradijs toch onder meer over zijn jeugd in Brussel. En Brouwers heeft het over Mijn Vlaamse jaren en woont ondertussen opnieuw al lange tijd in Vlaanderen, in het Limburgse Lanaken meer bepaald.
Genoeg chauvinisme en identitair geneuzel. Lees wat de in Jeruzalem geboren Palestijn Edward W. Said te zeggen heeft over zijn identiteit in Ontheemd. Een jeugd in het Midden-Oosten (zowel zijn vader als zijn moeder waren opgegroeid met flarden Engelse en/of Amerikaanse invloeden die ze doorgaven aan hun zoon)
‘Het kostte me zo’n vijftig jaar om een beetje te wennen aan, of beter gezegd, om wat minder onwennig te staan tegenover ‘Edward’ die vreemde Engelse voornaam die op zo een gespannen voet stond met de onmiskenbaar Arabische achternaam Said, die daaraan was vastgeplakt. …
Iedere plaats waar ik woonde – Jeruzalem, Cairo, Libanon, de Verenigde Staten – had een ingewikkeld dicht net van waarden dat zeer bepalend was voor mijn opvoeding, voor de vorming van mijn identiteit en voor mijn bewustzijn van mijzelf en van anderen.’
Uit welke tijd?
Er liggen meer dan driehonderdzestig jaren tussen de oudste en de jongste auteur.
De oudste is Padre António Vieira, een jezuïetenpater, geboren in 1608 in Lissabon. Al heel jong verhuist hij naar Salvador Bahia in Brazilië. Daar maakt hij als jonge novice de bezetting door de Hollanders mee. Een natte hel bevat brieven en preken waarin hij fel uithaalt naar de Hollandse ketters. Behalve priester is hij diplomaat, filosoof, theoloog, historicus, adviseur van de koning van Portugal, gerenommeerd prediker, verdediger van de joden, bestrijder van de inquisitie, lansbreker voor de indianen en nog een en ander.
De jongste is Arnon Grunberg, geboren in 1971. Hij zit in de reeks met het brievenboek Aan nederlagen geen gebrek. De titel zegt genoeg. Via brieven volg je het begin van zijn carrière die niet gespeend is van tegenslagen. Uiteindelijk komt alles goed met het verschijnen van zijn debuutroman Blauwe maandagen.
Ouderdomsdeken van de nog levenden is Julien Weverbergh, sinds vorig jaar negentig. Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers zijn tachtigers, zo ook de Française Danièle Sallenave. Samen met Grunberg, dit jaar vijftig, zijn Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer, al iets langer vijftig, de ‘jongere ouderen’ (of zijn het ‘oudere jongeren’? Even checken bij Koot en Bie).
Ongeveer de helft van alle Privé-domein-auteurs is geboren in de negentiende eeuw, maar de meesten in het laatste kwartaal, zodat ze een groot deel van de twintigste eeuw hebben meegemaakt. Samen met de negentig auteurs die na 1900 zijn geboren zijn ze voor ons als lezer redelijk ‘dichtbij’.
De zeventiende en de achttiende eeuw liggen wat verder weg, maar ze leveren enkele interessante figuren zoals de Engelse ambtenaar Samuel Pepys, die op 1 januari 1660 aan een dagboek begint, hij is dan zevenentwintig. Negen jaar lang schrijft hij nauwkeurig op wat hij doet, in een geheimschrift dat pas in het begin van de negentiende eeuw wordt ontcijferd. Hij beschrijft letterlijk alles wat hij meemaakt, van zijn moeilijke stoelgang tot wat de koning tegen hem als ambtenaar aan het Navy Office zegt. Pepys’ Dagboek van een puritein toont wat verborgen moest blijven: een bon vivant die houdt van smakelijk eten, vrouwen, muziek, theater en zoveel meer. Maar je leert ook heel wat over de maatschappij van toen.
Dat doe je ook met de Memoires van Louis de Rouvray, hertog van Saint-Simon die leefde in de tijd van Lodewijk XIV en bijna een leven lang aan het hof vertoefde. ’s Nachts schreef de dwerg (hij was nogal klein van stuk) alles op wat hij rondom zich waarnam en hekelde hij de zwakheden, de ijdelheid en de ambitie.
De Nederlandse Belle van Zuylen maakte Lodewijk XIV niet mee, maar wel de tijd erna met de Verlichting op volle toeren. Zij was van oorsprong een Nederlandse, maar het heeft lang geduurd voor men dat in Nederland door had, want door haar huwelijk was ze Madame de Charrière geworden en haar brieven schreef ze in het Frans. Rebels en beminnelijk is de titel van haar brievenboek. Waarom rebels? Omdat ze haar stand compromitteerde met hand- en spandiensten aan de Franse Revolutie die ze op haar negenenvijftigste meemaakte. De uitwassen ervan zinden haar echter niet:
‘Zoals uit naam der vrijheid men ons nu tiranniseert, zo, in naam van een goede god, verbrandde de moederkerk ons eertijds en hing ons op.
… Wij blijven bedrogenen, dwaas, leugenachtig en wreed.’
In hetzelfde jaar geboren als Belle van Zuylen is Louis Sébastien Mercier, de eerste columnist, om zo te zeggen, want hij werd wereldberoemd in Europa en daarbuiten met zijn Tableau de Paris, een twaalfdelig boekwerk met 1050 hoofdstukjes over de meest uiteenlopende onderwerpen waarvan er 72 zijn opgenomen in Niemand ontbijt meer met een glas wijn. Een van de acteurs in zijn toneelstukken typeerde de veelschrijver aldus:
‘Hij is de Franse auteur die de grootste bijdrage aan de bevordering van de papierhandel heeft geleverd’.
Schrijver, jawel, maar mag het iets meer zijn?
De meeste auteurs in Privé-domein zijn/waren schrijver en beoefen(d)en een of meerdere verschillende genres van de ‘schone letteren’. Maar ze deden/doen vaak nog wat meer dan alleen maar schrijven. Strindberg was ook kunstschilder en fotograaf. De Engelse schrijver Anthony Trollope was hoofdinspecteur bij de posterijen in Ierland en heeft in een aantal Engelse koloniën de postdienst georganiseerd.
Pablo Neruda was professioneel diplomaat, net zoals de Schotse schrijver Norman Douglas, die daarnaast ook amateurwetenschapper was én hedonist (!). De dichter W.B. Yeats was Iers senator. De Nederlands Surinaamse schrijver Albert Helman was ook een tijdje politicus én verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Franse schrijver, diplomaat, avonturier en dandy Paul Morand ging niet in het verzet, maar collaboreerde met het Vichyregime, kwam daardoor in opspraak na de oorlog en moest uitwijken naar Zwitserland. Pas in 1968 stond De Gaulle toe dat hij zou toetreden tot de Académie Française.
Jean Cocteau was dichter, roman- en toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. De titel van zijn boek liegt er niet om, Dagboek van een duizendkunstenaar. Er zijn er nog die niet voor één gat te vangen zijn. De Fransman Félix Nadar schrijft Toen ik fotograaf was, maar op Wikipedia lees je dat hij ook tekenaar, journalist, ballonvaarder én schrijver was. De Duitser Harry Graaf Kessler, nog zo’n veelzijdige figuur, was politiek actief in de Weimarrepubliek als diplomaat en pacifist, maar ook kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver en publicist.
Niet iedereen was zó veelzijdig. Italo Svevo, gewoon een zakenman, Alfred Döblin een arts, net als Slauerhoff en Victor Segalen. Die laatste was toch ook archeoloog en etnoloog. Maarten ’t Hart is etholoog (studie gedrag van dieren). Hij promoveerde op een proefschrift over het doorkruipgedrag van de driedoornige stekelbaars.
En Leopardi? Die had meer dan genoeg aan zijn volledige naam, want die luidde (even adem happen): Graaf Giacomo Taldegardo Francesco di Sales Saverio Pietro Leopardi.
Niet alleen schrijvers
De schrijvers, welk genre ze ook beoefenen, vormen de grootste groep, zoveel is zeker. Maar er zijn auteurs voor wie de letteren niet hun hoofdbezigheid was of is.
Er zijn musici, beeldende kunstenaars, filosofen, enkele politieke figuren en wetenschappers.
Zo’n wetenschapper is de Nederlandse historicus Jacques Presser. Hij zit in de reeks met een boek over zijn jeugdjaren, maar het is interessant om te weten dat hij als historicus in de jaren vijftig van de vorige eeuw het begrip egodocument in het Nederlands introduceerde. Hij had aandacht voor het persoonlijke element in de geschiedenis, de anekdote, de persoonlijke getuigenissen zoals neergeschreven in dagboeken, brieven, (politieke) memoires, herinneringen en autobiografieën. Precies waar Privé-domein voor staat!
De ‘politiek’ in brede zin is vertegenwoordigd door Michael Bakoenin en Lodewijk Napoleon.
Bakoenins biecht verschijnt in 1976, verjaardagsjaar van zijn overlijden in 1876. Het is de eerste complete Nederlandse vertaling geredigeerd en ingeleid door Arthur Lehning. Opgezet als een biecht aan tsaar Nikolaas I verhaalt Bakoenin zijn revolutionaire activiteiten. Na de Russische revolutie ontdekt men in de tsaristische geheime archieven een manuscript met in de marge commentaar, die is ook in de Nederlandse vertaling opgenomen.
Lodewijk Napoleon was een jongere broer van keizer Napoleon I en de vader van de latere keizer Napoleon III. In 1806 stelt Napoleon I hem aan als koning van Holland. Tegen de instructies van zijn broer in probeert hij een eigen koers te varen en op te komen voor de belangen van het Koninkrijk Holland. Dat leidt tot conflicten en in 1810 moet hij aftreden. In Gedenkschriften geeft hij een inkijk in zijn regeerperiode en zijn lastige positie.
Vrouwen
De helft van de wereldbevolking maar een minderheid in schrijversland. Zo ook in Privé-domein. Twee dingen vallen op.
Weinig vrouwen hebben meer dan één titel. Alma Mahler is de enige met twee eigen werken. Anna Achmatova heeft één eigen werk, in het andere vertelt Lidija Tsjoekovskaja over haar. George Sand deelt haar twee brievenboeken met respectievelijk Alfred de Musset en Gustave Flaubert.
Weinig Nederlandse vrouwen. Slechts drie in de eerste vijftig jaar van de reeks. Na 2016 tel ik er vijf. Goed zo. Daar is Laurie Langenbach bij, mij niet bekend, wellicht omdat ze vrij jong is gestorven en daardoor niet de Nederlandse Virginia Woolf is geworden, wat Heere Heeresma voor mogelijk hield. De nog levende Anna Enquist is er bij met Een tuin in de winter, een relaas over haar vriendschap met de dichter Gerrit Kouwenaar.
Ook nog in leven is de tachtigjarige Franse schrijfster Danièle Sallenave. Zij werd in 2011 verkozen tot lid van de Académie Française. Die eer is Colette niet gegund, maar haar literaire status is in Frankrijk onbetwist, getuige de vier kloeke delen in de prestigieuze Pléiade-reeks. Haar tachtigste verjaardag was een nationale gebeurtenis en in 1954 kreeg zij als eerste vrouw een staatsbegrafenis in Frankrijk.
Wie geen staatsbegrafenis kreeg voor haar prestatie was Beryl Markham. Zij vloog in haar eentje als eerste de Atlantische Oceaan over van oost naar west om bij de landing met een uitgevallen motor in een moeras terecht te komen. Ongetwijfeld de meest avontuurlijke van heel het pak Privé-domein-vrouwen (én -mannen?).
In het prille begin van de reeks wisten de redacteuren niet goed op welke literaire poot ze zouden dansen. Met Léautaud als inspiratiebron kon het ook de triviale kant op. Daar zorgden meisje van lichte zeden Majbritt Morrison en onderwereldkoningin Zoe Progl voor. Maar algauw koos de redactie voor het serieuze werk van bekende(re) figuren. Als vrouwen waren dat dan bijvoorbeeld de Nederlandse Annie Romein-Verschoor met Omzien in verwondering, de eveneens Nederlandse van herkomst maar Frans schrijvende Belle van Zuylen, de Engelse Virginia Woolf en de Duits-Franse Claire Goll.
Over die laatste valt een en ander te vertellen. Ze zou ‘vrouw van’ kunnen genoemd worden, want ze nam de kunstenaarsnaam van haar tweede man aan, de dichter Yvan Goll. Maar dat is haar onrecht aandoen. Ze publiceerde samen met haar man enkele dichtbundels in het Frans, maar schreef ook veel eigen werk: romans, verhalen, gedichten en het autobiografische Alles is ijdelheid dat in Privé-domein is opgenomen. Een ongelooflijke aantal beroemdheden passeert de revue in haar memoires. ‘Een schrijvend scheermes’ noemde het Algemeen Dagblad haar na het verschijnen van dat boek, want ze is niet mals voor sommige ‘groten’ van de literatuur (nietwaar, James Joyce?). Haar man was naar het schijnt een rokkenjager, maar zij kon er ook wat van. Veel minnaars en veel adoratie, maar weinig genoegens in bed, schrijft ze, want pas als ze 76 is leert ze van een twintigjarige jongen wat de liefde is en dat je als vrouw niet noodzakelijk moet ‘onder’ liggen.
Maar beste lezeressen, denk niet dat ze een feministe was, want ondanks haar zeer onafhankelijke aard vond ze de man superieur aan de vrouw.
Twee auteurs, hoewel sterke persoonlijkheden, zijn wel ‘de vrouw van’.
Sofia Tolstoj was zestien jaar jonger dan de beroemde schrijver en er achtenveertig jaar mee getrouwd. Zij was zelf actief als schrijver maar ‘mijn lot was het een dienstverlenende factor te zijn voor een schrijvende man’, troostte ze zichzelf. En dus pende ze zijn geschriften netjes over en verdroeg ze zijn woedeaanvallen zo goed en zo kwaad als het kon, evenals zijn seksuele veeleisendheid waar zij, preuts en puriteins als ze was, moeite mee had.
Anna Dostojevskaja was de tweede vrouw van de beroemde schrijver en vijfentwintig jaar jonger. Zij was bij hem in dienst gekomen als stenografe op haar twintigste. Hij was toen al enkele jaren weduwnaar. Haar belang voor Dostojevski’s schrijverschap is niet te onderschatten, want ze zorgde voor een ordelijk leven en ze hielp hem van zijn gokverslaving af. Tussen 1911 en 1916, vijfendertig jaar na zijn dood, schreef zij haar Herinneringen op.
Andere Russische vrouwelijke auteurs zijn de grote dichteressen van de eerste helft van de twintigste eeuw. In zijn ode aan de poëzie Iedereen dichter (Lannoo, 2018) wijdt de dichter Ivo van Strijtem mooie paragrafen aan Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva. Mij totaal niet bekend is Zinaida Hippius, een andere Russische dichteres. Ivo van Strijtem vermeldt haar niet in zijn boek en ook in zijn poëzielezingen heb ik hem er nooit over horen spreken. Wellicht omdat ze tot de symbolisten behoort en die poëzie ligt hem niet, denk ik.
Is ‘t gedaan?
Voorlopig wel, hoewel er nog veel valt te vertellen over de Privé-domein-boeken en -schrijvers. Misschien iets voor later. Tot dan?