Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld vanaf 60
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: samenleving

Procentpunten?

Procent en procentpunt.

Al jaren vraag ik me af wat men bedoelt met procentpunt, en wat het verschil is met procent. In het journaal, de nieuwsberichten heeft men het vaak over een stijging of daling, bijvoorbeeld in de populariteit van politici, of van politieke partijen. Tot nog toe nam ik aan dat ‘procentpunt’ een pedante manier van spreken was om over procenten te spreken, maar in een ‘conversatie’ met een AI-programma over studentenaantallen aan de universiteit (zie hieronder) bleek dat er wel degelijk een verschil is tussen procenten en procentpunten. Als ik het verschil niet ken, dan leert de ervaring me dat er nog wel meer mensen in dat geval zijn. En nu ik het heb nagevlooid, kan ik mijn medemensen misschien een bescheiden dienst bewijzen door het kort uit te leggen.

Laten we vertrekken van een voorbeeld. De uitslag van een partij wordt uitgedrukt in procenten, bijvoorbeeld 30 %. Als die na een enquête terugvalt op 20 %, is het verschil tussen die twee percentages isnatuurlijk 10. Maar is dat wiskundig gezien ook een achteruitgang van 10 procent?

Daar begint de moeilijkheid. In het eerste geval, 30 % tegenover 20 %, hebben we het over het aandeel dat die partij heeft in het geheel, en dat is wel degelijk gedaald met ‘10’. Welnu, om dat verschil in berekening aan te duiden, heeft men de term procentpunt bedacht. Dat gebeurde eerst in de Engelstalige financiële verslaggeving, ergens in de eerste helft van de 20ste eeuw, later meer algemeen, in het Nederlands waarschijnlijk in het laatste kwart van de 20ste eeuw. Maar hoeveel procent is die daling relatief? Dat hangt af van het oorspronkelijke aandeel: 10 is een derde van 30, dus 33,3 %.

Een bijkomende moeilijkheid met dat verschil van 10 tussen de twee percentages is dat een vermindering met 10 % strikt genomen betekent dat je er 10 % moet van aftrekken. Tien procent korting op iets van € 30 betekent dat het nu € 27 kost, tien procent van 30 is niet 10, maar 3. Het lijkt dan alsof een daling van 10 % op 30 % een daling van slechts 3 procentpunten zou betekenen. Maar hier verwarren we twee verschillende zaken: 10 % van 30 % is inderdaad 3 %, terwijl het verschil tussen 30 % en 20 % tien procentpunten bedraagt. Die tien is echter zelf geen percentage, maar een verschil tussen twee percentages, en dat drukt men precies om verwarring te voorkomen uit in procentpunten, niet in procenten.

Alleen als de partij van 30 % naar 27 % gedaald is, met drie procentpunten, is dat wel degelijk een 10 % daling tegenover de eerdere 30 %. Zo valt het verschil tussen procenten en procentpunten goed op. Wellicht is het daarom dat men bij de verslaggeving over de verkiezingen de stijging en de daling steeds uitdrukt in procentpunten, en het aandeel van de partijen in het geheel in procenten.

Om van procentpunten naar procenten te gaan, deel je het verschil door het oorspronkelijke percentage en vermenigvuldig je met 100.

Bij 30 % → 20 % geeft dat 10 ÷ 30 × 100 = 33,3 %.

Omgekeerd: om van procenten naar procentpunten te gaan, vermenigvuldig je het oorspronkelijke percentage met de procentuele verandering.

Bij 30 % met 10 % daling geeft dat 30 × 10 ÷ 100 = 3 procentpunten.

Van 30 % naar 20 % is dus een daling van 10 procentpunten, maar een relatieve daling van 33,3 %.

Belangrijk om te onthouden: procenten geven het aandeel aan in een geheel. Procentpunten geven het verschil aan tussen twee percentages.

Ik neem aan dat mensen met een wiskundeknobbel het hiermee aanzienlijk minder moeilijk hebben dan ik.

 

Stuur door

Studeren aan de universiteit 1965 -2025

Studeren aan de universiteit 1965 - 2025

Sinds 1965, het jaar dat ik als eerste van onze familie naar de universiteit trok, is het Vlaamse universitaire landschap ingrijpend veranderd. Het aantal jongeren van 18 tot 24 jaar is sindsdien met ongeveer 8% toegenomen. Tegelijk is hun aandeel in de totale bevolking licht gedaald, wat de vergrijzing weerspiegelt.

Opmerkelijk daarbij is de enorme stijging van het aandeel van jongeren dat aan de universiteit begint. In mijn tijd, rond 1965 was dat ongeveer 3%, vandaag is dat dichter bij 30 %, ongeveer tienmaal zo veel, een stijging met 900%.

De studentenaantallen zijn in absolute cijfers enorm toegenomen aan de Vlaamse universiteiten, van 20.000 in 1965 tot bijna 130.000 in 2025, meer dan 6 keer zoveel, een stijging met 550%. Ik werkte als ambtenaar aan de Leuvense universiteit van 1968 tot 2006, en kon die evolutie toen van nabij volgen.

Voor de hogescholen zijn de aantallen maar net iets minder gestegen: van 32.000 in 1965 tot bijna 160.000 in 2025, vijfmaal zoveel, een stijging met bijna 400 %.

Dat alles weerspiegelt een spectaculaire maatschappelijke verandering. Het is goed dat we daar even blijven bij stilstaan.

Dat zoveel jongeren langer en hoger onderwijs volgen, is ongetwijfeld een goede zaak. Het geeft hun niet alleen betere kansen op de arbeidsmarkt, het verhoogt ook hun intellectuele vermogens, en dat is op zich uiterst waardevol, zowel voor henzelf als voor de samenleving.

Die enorme toename van de studentenaantallen heeft ook de universiteiten en hogescholen veranderd, en de steden en agglomeraties waarin ze zich bevinden. Het is allemaal veel grootschaliger geworden. Vroeger ging men op kot bij particulieren die een leegstaande kamer hadden na het vertrek van hun kinderen, nu is studentenhuisvesting een echte business met een enorme omzet. Idem voor de voeding, de ontspanning, de verplaatsing &c.

Ook het universitaire onderwijs zelf heeft zich moeten aanpassen aan de toename van het publiek. Ik herinner me dat de zeldzame hoogleraren zelf al de mondelinge examens afnamen van alle studenten; dat is vandaag allicht materieel onmogelijk geworden. Ik ben nu twintig jaar gepensioneerd en heb geen contact meer met ‘mijn’ universiteit, ik weet dus niet meer precies hoe het er allemaal aan toe gaat. Maar zoals Leuven in de voorbije zestig jaar een stad is geworden die ik op talrijke plaatsen niet meer herken, zo is ook de universiteit grondig anders geworden, neem ik aan. Hopelijk ook beter.

 

Stuur door

De regel van drie

De regel van drie.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer het me opviel dat het getal drie zo vaak voorkomt in allerlei zaken. Driemaal is scheepsrecht, en alle goede dingen bestaan uit drie. Horen, zien en zwijgen. Veni, vidi, vici (Caesar). De drie trappen van vergelijking. Een hattrick in het voetbal. Brons, zilver en goud in medailles, waarvoor driewerf hoera! Drie grammaticale personen, enkelvoud en meervoud.  Er is dus blijkbaar een regel van drie, ook wel tricolon genoemd. Het leek me interessant om eens op zoek te gaan naar voorbeelden, en misschien een reden te vinden waarom we drie zo’n geschikt aantal vinden.

Ik weet het wel, niet alleen het getal drie komt vaak voor, er zijn wel meer getallen die opvallen. We verdelen de roos van het kompas in vier; een cirkel laat zich gemakkelijker in vier gelijke delen verdelen dan in drie, en dus zijn er vier windstreken en geen drie, wat eigenlijk evengoed gekund had. We hebben vijf vingers aan elke hand en vijf tenen aan elke voet, en de Romeinse V en de V omgekeerd opeen is X; vandaar misschien ons tiendelig stelsel? Zeven is het heilig getal. Zes en het dubbel, twaalf vinden we terug in het twaalfdelig stelsel dat we nog steeds gebruiken voor de tijdsindeling in seconden, minuten en uren. Ik zou dus over verscheidene getallen kunnen nadenken en schrijven, maar ik begin dus met drie, dat me het eerst opviel.

Is er een goede reden om aan drie een voorkeur te geven als we zaken willen samenvoegen of groeperen? Een is geen, zegt men, en twee is niet handig als groep: wie heeft gelijk als de meningen verschillen? Vanaf drie heb je altijd een meerderheid, er kan geen staking van stemmen meer zijn. Tres faciunt collegium, met drie ben je in aantal om geldig te vergaderen. Twee personen kunnen gemakkelijk samenspannen, als er drie zijn is er meer kans op een evenwichtig en eerlijk overleg. Als je om een second opinion vraagt in een kwestie die maar twee mogelijke oplossingen kan krijgen, en die andere mening is tegengesteld aan de eerste, ben je nog nergens; een derde mening bevestigt dan een van de twee andere. En misschien brengt dat derde advies toch nog een andere uitweg?

Drie is blijkbaar een groep die gemakkelijk te tellen, te herkennen en te onthouden is, vanaf vier moet ons brein al harder gaan werken. Daarom dat we aan drie de voorkeur geven boven andere sympathieke getallen.

We vinden het drietal op de meest uiteenlopende plaatsen terug. In de Griekse oudheid komt het vaak voor in de mythologie, de primitieve manier om de wereld te verklaren. Zeus, Poseidon (met zijn drietand) en Hades heersen over respectievelijk de hemel en de aarde, de zee, en de onderwereld. Wanneer een persoon na de dood de onderwereld betrad, werd diens morele leven beoordeeld door drie rechters: Minos, Rhadamanthys en Aeacus. De drie gratiën Aglaia, Euphrosyne en Thalia belichamen pracht, vreugde en bloei; de drie Horae: Thallo, de lentebloei, Auxo, de zomergroei en Carpo, de herfstoogst. In een andere traditie zijn de Horae Eunomia voor wetmatige orde, Dike voor rechtvaardigheid en Eirene voor vrede. Verder waren er de drie oorspronkelijke muzen, Melete, Mneme en Aoide, die met gedachte, herinnering en lied de basis van elke kunstvorm vormden. Het lot lag in de handen van de drie schikgodinnen, ook moiren genoemd: Clotho, Lachesis en Atropos, die de levensdraad sponnen, afmaten en afsneden. Meer afschrikwekkend waren de drie gorgonen Stheno, Euryale en de Medusa, en de drie furiën of erinyen, Alecto, Megaera en Tisiphone, die als godinnen van de wraak de morele orde bewaakten. De sirenen waren ook met z’n drieën: Parthenope, Ligeia, Leucosia. Cerberus, de hellehond, had drie koppen, oorspronkelijk nog veel meer, maar het is typisch dat drie het gehaald heeft. De Chimaera had er ook drie.

De legende van de trouwe vrienden Damon en Phintias (later verbasterd tot Pythias) kreeg een bewerking door Schiller in de ballade Die Bürgschaft of de borgtocht. Daar halen we de Duitse uitdrukking der Dritte im Bunde, oorspronkelijk voor de schuldeiser, maar nu meer algemeen voor een ‘derde partij’. In die zin spreken we veralgemenend ook over ‘derden’.

In de Noordse mythologie vinden we aan de voet van de wereldboom Yggdrasil, die drie wortels heeft, elk reikend naar een ander rijk (Asgard, Jötunheim, Niflheim/Hel), drie schikgodinnen: de drie nornen, die over verleden (Urd), heden (Verdandi) en toekomst (Skuld) regeerden. Ook in de Noordse kosmogonie vinden we drietallen; in de Völuspá zijn het Odin, HoenirenLodur die de eerste mensen Ask en Embla bezielen — Odin geeft adem, Hoenir geeft verstand/zin, Lodur geeft bloed/levenskleur. Odin, Vili en Ve zijn de drie broers die de wereld uit Ymirs lichaam vormen; dat staat dan weer in Snorri’s Gylfaginning.

Ik heb niet speciaal iets met antieke mythologie, ik sta er veeleer wantrouwig tegenover, het lijkt me allemaal veel te elitair en te literair, veeleer dan dat het een algemeen aanvoelen van een volk weergeeft. Ik kan me niet voorstellen dat de gewone Griekse burger de overvolle en complexe mythologische wereld ook maar enigszins kon volgen, laat staan begrijpen.

De Romeinse godentriade bestond uit Jupiter, Mars en Quirinus, elk bediend door een eigen hogepriester, de flamen maior. Pas later, onder Etruskische invloed, werd deze vervangen door de bekendere Capitolijnse triade van Jupiter, Juno en Minerva, die samen een tempel met drie afzonderlijke cellae deelden op de Capitolijnse heuvel. De twintigste-eeuwse mytholoog Georges Dumézil zag in de oorspronkelijke triade een weerspiegeling van wat hij de drieledige Indo-Europese maatschappijstructuur noemde: Jupiter belichaamde de soevereiniteit en het recht, Mars de krijgsmacht, en Quirinus de vruchtbaarheid en de gemeenschap van burgers. Volgens Dumézil was dat een universeel sociaal grondpatroon dat in vrijwel elke Indo-Europese cultuur, van India tot Scandinavië, in een of andere driedelige vorm terugkeert.

De bekende legende verhaalt hoe de oorlog tussen Rome en Alba Longa beslecht werd in een tweegevecht tussen telkens drie broers, de Horatiërs en de Curiatiërs. Nog in Rome waren er groepjes van drie ambtenaren, tresviri, voor verscheidene bestuurlijke taken. Die term gebruiken we nog altijd: een triumviraat voor een bewind door drie personen, zoals destijds Caesar, Pompeius en Crassus. Romeinse burgers hadden traditioneel tria nomina: praenomen, nomen, cognomen, zoals Caius Julius Caesar. De architect Vitruvius schreef voor dat een goed gebouw moet voldoen aan drie eisen: firmitas (stevigheid), utilitas (bruikbaarheid) en venustas (schoonheid); geen kwaad principe, zoals nog steeds blijkt uit de ruïnes van de overgebleven monumenten.

In het huidige Rome is er de bekende Trevi-fontein. De naam verwijst naar het samenkomen van drie wegen (tre vie)op dat plein, waar ooit een belangrijk aquaduct eindigde. Nu gooien vooral toeristen er met de rechterhand drie muntstukjes over de linkerschouder in het water: een garandeert de terugkeer naar de eeuwige stad, twee voor een amoureus succesje, drie voor een gelukkig huwelijk. De dagopbrengst voor het goede doel is ongeveer 3000 euro. Sinatra zong Three coins in a fountain en dat is ook de titel van een film.

Een dergelijke driesprong, een drieweg of drieweegse was traditioneel een drukke plek, vandaar triviaal voor alledaags en onbeduidend.

De middeleeuwse onderbouw voor de zeven artes liberales was het trivium van grammatica, logica en retorica.

Iedereen kent het raadsel dat de Sfinx voorlegde aan wie wilde passeren, en dat Oedipus oploste: wat loopt ’s ochtends op vier benen, ’s middags op twee en ’s avonds op drie? De mens…

Wanneer Orpheus de wet van de onderwereld overtreedt en toch achteromkijkt, klinkt er een drievoudige donderslag door de diepte, en verliest hij zijn geliefde Eurydice definitief. Odysseus treft hetzelfde lot in de onderwereld wanneer hij driemaal tevergeefs de schim van zijn overleden moeder probeert te omhelzen. Nog bij Vergilius is het Aeneas die drie keer vruchteloos de schim van zijn overleden vrouw Creüsa en later die van zijn vader Anchises probeert te omarmen, waarvoor Vergilius telkens dezelfde drie versregels gebruikt, een bekend autocitaat.

In Egypte is er het bekende godengezin van vader Osiris, moeder Isis en zoon Horus.

Wellicht het meest bekende goddelijke drietal is de christelijke triniteit. De natuurlijke familiestructuur van vader, moeder en zoon verschilt echter fundamenteel van de abstracte, om niet te zeggen abstruse en zelfs absurde patriarchale triniteit van een almachtige vader die uit zichzelf een zoon voortbrengt — Maria, de dienstmaagd des Heren, functioneerde enkel voor de kortstondige menswording van die eniggeboren goddelijke zoon — en een bizarre heilige geest, die uit vader en zoon voortkomt en leven geeft, ook aan Maria trouwens; alles even aseksueel als de christelijke priesters (in theorie althans). Zie ook het Kyrie, waarin achtereenvolgens de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aangeroepen worden.

Ik vermeld hier nog een herinnering uit mijn vroegste jeugd. Mijn vader was lid van de derde orde. Dat had te maken met de paters franciscanen die in Eeklo een druk bezochte kerk hadden, waarmee de familie van mijn vader nauwe banden had. Ik heb zelf ook nog in het kinderkoor in de kerk gezongen, en eens mee opgestapt in de processie, verkleed als een franciscaantje. Die derde orde was een manier om de leken, tertiarissen genoemd, naast de eerste orde van de mannelijke en de tweede van de vrouwelijke religieuzen, meer bij de godsdienst te betrekken.

De joodse kabbala staat bol van de getallensymboliek, met talrijke drieledige concepten, zoals de opdeling van de ziel in nefesh (biologische ziel), ruach (emotionele ziel) en neshamah (de zuivere rede).

De islam wijst elk concept van een goddelijke drie-eenheid resoluut af. Maar in de Hadith van Gabriël wordt de religie opgedeeld in islam (de uiterlijke praktijk van de wet), iman (het innerlijke, intellectuele geloof) en ihsan (de spirituele uitmuntendheid). Het soefisme ziet een driedelig opwaarts pad van de sharia (de uiterlijke wet) via de tariqa (de innerlijke methode) naar de haqiqa (de directe, intuïtieve waarheid). Volgens de Koran volgt de menselijke ziel (nafs) drie morele stadia: van de nafs al-ammara (driftmatig) via de nafs al-lawwama (het zelfbewustzijn), naar de nafs al-mutma'inna (de harmonie).

In het hindoeïsme stuurt de trimurti de kosmos aan: Brahma de schepper, Vishnu de instandhouder en Shiva de vernietiger. Het boeddhisme vindt zijn fundament in de triratna, de drie juwelen: de boeddha (de leraar), de dharma (de leer) en de sangha (de gemeenschap).

Ook in het Chinese denken vormt de triade een grondstructuur. Het taoïsme onderscheidt de drie schatten of san bao: jing, de vitale essentie van het lichaam, qi, de levensadem of energie die alles doorstroomt, en shen, de zuivere geest.

In de Joodse traditie zijn er drie aartsvaders, Abraham, Isaak en Jacob. Noah laat driemaal een duif uitvliegen op zoek naar land. Bileam slaat zijn ezelin, die driemaal een engel heeft gezien, driemaal. Jona verblijft drie dagen in de (wal)vis. In Jesaja 6, 3 vinden we het trisagion, dat later een plaats vond in het Sanctus van de mis: ‘Heilig, heilig, heilig de Heer van de hemelse machten.’

In het Nieuwe Testament zijn er de wijzen uit het Oosten; in het Evangelie zijn er nog geen drie, maar misschien omwille van hun drie geschenken, goud, wierook en mirre heeft het volksbijgeloof er drie namen aan toegevoegd: Caspar, Melchior en Balthasar. In de woestijn wordt Jezus tot driemaal toe door de duivel uitgedaagd. Petrus verloochent Jezus driemaal alvorens de haan kraait.

Plato zag het goede, het ware en het schone als de ultieme waarden voor de menselijke rede.

In zijn werk Over de hemel neemt Aristoteles de Pythagoreïsche stelling over dat de wereld — en alles wat zij bevat — bepaald wordt door het getal drie, omdat begin, midden en einde samen het getal van een 'geheel' vormen. In zijn Retorica onderscheidde hij ethos (het karakter van de spreker), pathos (de emotie van het publiek) en logos (de rationele argumentatie). In zijn geschriften over de logica introduceerde hij het syllogisme, de driedelige redenering bestaande uit een algemene stelling (major-premisse), een specifieke stelling (minor-premisse) en een noodzakelijke conclusie. De menselijke kennis deelde hij op in drie wetenschappen: de theoretische, de praktische en de productieve. Voor het theater schreef hij drie eenheden voor: tijd, plaats en handeling. Traditioneel begint een voorstelling met drie harde slagen op de houten vloer (les trois coups de bâton).

De Spaanse corrida is traditioneel verdeeld in drie tercios (letterlijk: "derden"): tercio de varas, de picadors verzwakken de nek van de stier met hun lans; tercio de banderillas; tercio de muerte, de dood: de matador doodt uiteindelijk de stier, in maximaal vijftien minuten, aangekondigd door drie rituele waarschuwingen (avisos) van de voorzitter van de corrida.

Even een muzikaal intermezzo.

In de Middeleeuwen gold de driedelige maatsoort als de mensura perfecta, allicht verwijzend naar de goddelijke drie-eenheid.

Dat Bach in zijn muziek gebruik maakte van getallen en mathematische verhoudingen staat wel vast, en het getal drie is daar alomtegenwoordig. De traditionele opera bestaat uit drie bedrijven. Puccini bouwt Turandot rond drie raadsels; er is ook het trio van de geleerden Ping, Pang en Pong, en de drie slagen op de gong waarmee de kandidaten de dodelijke uitdaging aangaan. Bij Wagner vinden we de drie Rijndochters (Woglinde, Wellgunde, Flosshilde) in Das Rheingold en Götterdämmerung; ze openen en sluiten de hele Nibelungen-cyclus, een bewuste ringstructuur. De drie nornen in de proloog van Götterdämmerung spinnen en gooien ‘het gouden zeel van het lot’ naar elkaar toe. Terwijl ze over verleden, heden en toekomst zingen, breekt het zeel plotseling, een teken dat de heerschappij van de goden onherroepelijk voorbij is. Offenbach ontleedt in Les contes d'Hoffmann de liefde aan de hand van een archetypische triade van vrouwen (Olympia, Antonia, Giulietta), terwijl Prokofjev de absurde dynamiek bezingt in De liefde tot de drie appelsienen.

En dan hebben we het nog niet gehad over de beroemde, meeslepende driekwartsmaat, zoals in de alom bekende wals — zowel de ontelbare voorbeelden van de Strauss-familie, bekend van de Nieuwjaarsconcerten, als de eenmalige heerlijke La valse van Ravel. Het loze vissertje moest het meisje driemaal zoenen om vrije aftocht te krijgen. Naast het strijkkwartet, mijn meest geliefde muzikale combinatie, zijn er ontelbare trio’s gecomponeerd voor de meest verscheiden instrumenten.

In de schilderkunst zijn er talloze drieluiken ofte triptieken, denk aan het centrale stuk van Het Lam Gods’  (Van Eyck), Bosch’ Tuin der lusten en Laatste oordeel, en dat van Rogier van der Weyden. Van Memlinc zijn er verscheidene te zien in Brugge, van Rubens in de kathedraal in Antwerpen. Van Otto Dix vermeld ik Der Krieg in Dresden (niet toevallig), maar dat drieluik heeft een predella, een beschilderd voetstuk.

We maken nu een overstap naar de Verlichting.

Spinoza, de ware grondlegger van de Verlichting, hanteerde de wiskundige regel van drieën (regula trium) in zijn Ethica als een schoolvoorbeeld om het onderscheid tussen de drie verschillende niveaus van menselijke kennis bloot te leggen. Bij het oplossen van een evenredigheidsvraagstuk (a : b = c : x) onderscheidt hij de extrapolatie uit vage ervaring, de logische bewijsvoering via de ratio, en ten slotte de zuivere scientia intuitiva van het onmiddellijke inzicht.

Kant zijn drie ‘kritieken’: die van de zuivere rede, van de praktische rede en van het oordeelsvermogen.

John Locke formuleerde de drie onvervreemdbare natuurrechten van het individu: life, liberty and property (leven, vrijheid en bezit). Montesquieu ontwierp de trias politica, de strikte scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht om tirannie te voorkomen. Liberté, égalité, fraternité staat voor de idealen van de Verlichting, die ik zo vaak vermeld en verdedig. Voor het christendom berust het goede leven op de drie theologale deugden: geloof, hoop en liefde, maar daarover ben ik zoals bekend minder te spreken, al heb ik er veel over geschreven.

In zijn wet van de drie stadia stelde Auguste Comte dat elke tak van kennis noodzakelijk drie fasen doorloopt: een theologisch, waarin verschijnselen aan een bovennatuurlijke wil worden toegeschreven, een metafysisch, waarin die verklaringen worden vervangen door abstracte krachten en essenties, en een positief, waarin de mens zich beperkt tot de waarneembare, wetmatige regelmaat.  

Voor Hegel was ontwikkeling geen rechte lijn, maar een beweging van spanning, tegenspraak en verzoening. In populaire samenvattingen wordt dat vaak weergegeven als thesis, antithesis en synthese: een stelling botst met haar tegendeel en wordt vervolgens opgeheven in een ruimer verband, de Aufhebung. Hegel bewonderde Spinoza ten zeerste, maar dat is ongeveer de enige verdienste die hij voor mij heeft.

Johannes Kepler vatte de beweging van de planeten samen in drie astronomische natuurwetten. Niet lang daarna vatte Isaac Newton de gehele klassieke mechanica samen in drie bewegingswetten: de wet van de traagheid, de wet die kracht koppelt aan massa en versnelling, en de wet van actie en reactie (Principia Mathematica 1687). Voor alles wat hier op aarde in mensenmaat gebeurt, zijn dat nog altijd onze maatstaven. Later ontdekten natuurkundigen de drie wetten van de thermodynamica, die bepalen hoe energie, warmte en entropie zich gedragen. Boven al deze processen staat de kunstmatige wetmatigheid van de menselijke tijdsindeling: de onwrikbare opeenvolging van verleden, heden en toekomst.

Vergeten we ook de drie dimensies niet waarin we de afmetingen van voorwerpen beschrijven: L x B x H. Een voormalige buurvrouw vertelde me eens opgetogen dat ze eindelijk een egeltje in 3D had gezien, na de vele tweedimensionale op de openbare weg. De driehoek is het meest eenvoudige veelvlak: drie punten bepalen een vlak, zodat een driepikkel altijd op alle poten staat.

Enkele voorbeelden uit de literatuur.

In Dantes Divina Commedia zijn er drie sferen: Inferno, Purgatorio en Paradiso. Iedereen kent de Drie Musketiers Athos, Porthos en Aramis, en ook de gebroeders Karamazov. Sigmund Freud deelt de psyche drieledig in: het id (het instinctieve), het ego (het bewuste ik) en het superego (het morele geweten). Asimov bedacht slim de drie wetten van de robotica, in Runaround (1942):

  1. "A robot may not injure a human being or, through inaction, allow a human being to come to harm."
  2. "A robot must obey orders given it by human beings except where such orders would conflict with the First Law."
  3. "A robot must protect its own existence as long as such protection does not conflict with the First or Second Law."

Nu AI zo fel opkomt, en men waarschuwt voor de mogelijke ontsporing daarvan, moeten we die simpele wetten misschien toch eens opnieuw bekijken.

Macbeth ontmoet de drie Weird Sisters. De wijze Nathan (Lessing) vertelt een parabel over een vader met drie zonen, onder wie hij drie ringen verdeelt, een echte en twee exacte kopieën, zonder dat iemand weet welke de echte is. We kennen allemaal de drie biggetjes; ook de drie beren, kommen, stoelen en bedden uit Goudlokje. Bij de gebroeders Grimm is er het sprookje van de drie spinsters, ook een over drie veren en een over drie talen. In sprookjes mag men altijd drie wensen doen; zo ook Smidje Smee, die zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor drie maal zeven jaren voorspoed en rijkdom, maar voor zijn stoel, zijn kersenboom en een lederen plunjezak magische krachten krijgt wegens zijn gastvrijheid jegens Sint-Pieter, en daarmee de duivel verslaat wanneer die zijn ziel komt opeisen. Als kind zagen we dat toneeltje en joelden we enthousiast wanneer de duivel in de zak zit en slaag krijgt.

Een trilogie is een set van drie onderscheiden vooral literaire werken die als een geheel kunnen beschouwd worden. Het gebruik komt het eerst voor in de Griekse oudheid. Enkele beroemde trilogieën zijn de Oresteia van Aischulos, en natuurlijk Tolkiens The Lord of the Rings, althans als publicatie, niet in zijn eigen ogen. Er is een goed Wikipedia-artikel in het Engels: trilogy: https://en.wikipedia.org/wiki/Trilogy.

In de ecologie en economie spreken we over de drie pijlers van duurzaamheid: people, planet, profit (Elkington). Een vroege vorm van ecologische landbouw was het drieslagstelsel. De nucleaire afschrikking van grootmachten rust op de strategische overmacht van land, lucht en zee. De veiligheid van computernetwerken rust op de zogeheten CIA-triade: confidentiality (vertrouwelijkheid), integrity (integriteit) en availability (beschikbaarheid).

De genetische informatie in DNA en RNA wordt afgelezen in triplet-codons: telkens drie opeenvolgende nucleotiden bepalen samen welk aminozuur wordt aangemaakt. Er zijn (voorlopig?) drie subatomaire deeltjes: proton, neutron, elektron.

Ook in de akoestiek en de westerse harmonie keert onze drieledigheid terug. Laten we even dieper ingaan op de afstand tussen de verschillende tonen of noten van een toonladder, en de manier waarop die klinken als ze samen of na elkaar gespeeld worden. De afstand tussen de opeenvolgende noten van de toonladder verschilt opvallend: tussen mi en fa is er een maar een halve toon, en dat is ook zo tussen si en do. Op de piano zie je dat omdat er geen zwarte toets tussen die noten zit. De afstand tussen twee opeenvolgende noten op een piano bijvoorbeeld, noemen we een secunde. Samen gespeeld, klinkt dat echt niet goed. De afstand tussen twee niet-opeenvolgende tonen, dus als we een noot overslaan, noemen we een terts, omdat we niet naar de volgende, tweede (secundus) toon gaan, maar naar een derde (tertius). De twee tonen van die terts klinken samen vol en harmonieus. Als het anderhalve toon is (kleine terts), klinkt het melancholisch of droef, als het twee volle toonafstanden is (grote terts) klinkt het opgewekt en blij. Als we die elkaar niet-opeenvolgende tonen na elkaar afspelen, klinkt dat ook aangenamer dan wanneer we gewoon alle noten op een rijtje spelen. Do-mi-sol-do klinkt zelfs een beetje triomfantelijk, ook als samenklank.

Een muzikale eigenaardigheid is de tritonus. Een echte tritonus omvat drie hele toonafstanden, bijvoorbeeld do en fa kruis. Dat is een opvallend dissonante tweeklank, net zoals twee opeenvolgende tonen, wat verklaard wordt door de botsing van de frequentie van de geluidsgolven van die beide noten. We moeten bij de tritonus een onderscheid maken tussen de samenklank van twee tonen of noten die drie hele toonafstanden van elkaar gescheiden zijn, en de opeenvolging, het na elkaar zingen of spelen van twee dergelijke noten of tonen. In de vroege polyfonie werd de tritonus als tweeklank nog gewoon toegepast, vooral wegens de spanning die eruit voortkwam om naar een daarop volgend meer spontaan volgende en vertrouwde toon te komen. Maar de tritonus als toonafstand gold als te mijden, werd zelfs verboden, was des duivels, vandaar de (veel latere) benaming diabolus in musica. Het was voor zangers, zelfs geschoolde, niet gemakkelijk om de tritonus, een toon die volle drie toonafstanden van een andere verwijderd was, zuiver te treffen. Ook in de moderne muziek wordt de tritonus gebruikt, denk aan de Danse macabre (Saint-Saens), de Inferno-passage in Liszts Dantesonate, Wagners Tristan-akkoord, Moessorgski in Boris Godoenov, Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune, Brittens War Requiem. Een analyse van het frequente en bijzondere gebruik van de tritonus in de jazz zou ons te ver leiden. Maar we kennen allemaal Maria uit Bernsteins West Side Story; Ma- is de grondtoon, -ri- is de tritonus, drie hele tonen hoger, die om een oplossing vraagt in de -a, een halve toon omhoog naar de reine kwint.

De triool deelt een binaire maat in drieën. In de sonatevorm herkennen we de drieledige opeenvolging van expositie, doorwerking en reprise, en de afwisseling snel-traag-snel. De driewegluidspreker zorgt voor een goede weergave met drie componenten: de woofer voor de lage tonen, de mid-range driver voor het middengebied en de tweeter voor de hoge tonen.

Met dank aan dr. S. Cooper en dr. A. Farrah Fowler, gerenommeerde vexillologen, hier een lijstje van nationale driekleuren, tricolores of (zuivere) tribands: België Frankrijk Guinee Ierland Italië Ivoorkust Mali Roemenië Tsjaad (verticale banen); Armenië Bulgarije Duitsland Estland Gabon Hongarije Jemen Litouwen Luxemburg Nederland Rusland Sierra Leone (horizontale).

Ik vermeld hier, louter ter aanvulling natuurlijk, dat sommige mensen weleens zin hebben in een seksueel triootje, of zelfs een langduriger driehoeksverhouding aandurven. In die context hoort ook de vermaning thuis tegen ongewenste vriendschappen of meer intieme relaties onder (christelijke) ongehuwden of verplichte celibatairen: numquam duo, semper tres, kortom numquam sex.

Toen ik hier in Residentie Populierenhof aankwam, ontdekte ik dat er een biljart aanwezig was. Een oude droom kon zo in vervulling gaan. Ik speel nu wekelijks meerdere uren met enkele medebewoners. We spelen nog wel geen driebanden, tenzij toevallig, maar het minder veeleisende libre of carambole, en dat doe je met drie ballen. Misschien is dat wel de aanleiding voor mijn belangstelling voor het getal drie?

  

Stuur door

Kijkcijfers

Kijkcijfers

Odi profanum vulgus et arceo. (Horatius, Carmina, III, 1)

Ik ben oud genoeg (°1946) om me de eerste televisies te herinneren die in mijn geboortestad Eeklo verschenen, niet bij ons thuis weliswaar, maar in de vitrines van winkels die radio’s en nu ook televisies verkochten, en vervolgens bij enkele meer begoede kennissen, waar we soms mochten gaan kijken — ik als jongste van onder de tafel. Sindsdien heb ik meer uren naar het tv-scherm zitten kijken dan me lief is, en maar heel zelden bewaarde ik daar goede herinneringen aan. Meestal verweet ik mezelf dat ik weer uren verdaan had met naar banale programma’s te zitten staren, alsof ik niet beter te doen had, en alsof er geen andere en betere manieren zijn om je te ontspannen. Er was een periode toen we zelf onze eerste kleuren-tv hadden en we ook op de BBC konden afstemmen, en ik danig opgetogen was over het aanbod daar. Sommige van die programma’s lopen nog altijd, zoals de Antiques Roadshow en Flog it! en daar kijk ik nog weleens naar, maar lang niet meer zo fanatiek. Als ik nu ’s avonds nog eens alleen voor de tv zit, zap ik vaak wanhopig van de ene zender naar de andere, en blijf dan meestal hangen bij een of andere heruitgezonden oude film, die ik dan met een half oog volg zonder geluid. Achteraf maak ik mezelf daarover terechte maar nutteloze verwijten. Mijn overheersend gevoel bij het medium is er een van teleurstelling: er is zo veel mogelijk met dat technisch schitterende medium, maar wat we ermee doen is van een zo bedroevend niveau dat als het aan mij lag, ik de tv al lang door het raam had gekeild; defenestreren noemt men dat.

Vandaag was er een mail van Telenet om het nieuwe tv-seizoen aan te kondigen op VRT en VTM. Ik heb me al vele jaren geleden geërgerd en moe-getergd afgekeerd van de VRT, zowel tv als radio: voor mij mogen ze dat ‘instituut’ nu gewoon meteen afschaffen. Dat is jammer, want ik was een fervente luisteraar van de klassieke, jazz en wereldmuziek op die zender, maar gaandeweg werden die programma’s ofwel afgevoerd, ofwel geteisterd door zelfingenomen oenen en ontstellende nulliteiten. Ik luister nu nog enkel naar gestreamde muziek. Voor het journaal was ik overgeschakeld naar VTM, uit ergernis nogmaals over wat er op VRT als nieuws en duiding kwam, maar hun andere programma’s bekijk ik niet. Ik overliep vandaag eens het lijstje van de programma’s van dat nieuwe seizoen, en er was er niet één bij dat ik ooit al had bekeken, en niet één dat ik ooit zal bekijken. Uit nieuwsgierigheid ben ik dan eens de kijkcijfers gaan opzoeken voor de top-tien Vlaamse programma’s, en ook daar was er geen een dat ik ooit al gezien had, op één uitzondering na, Down the Road, dat ik wel al eens mee-bekeken heb wanneer mijn partner aan het kijken was; maar ook bij dat programma voelde ik me allerminst goed: het voelde aan als voyeurisme, en ik had ernstige bedenkingen bij de compleet vergezochte (letterlijk en figuurlijk) beelden.

Ik vroeg me dan af of ik alleen sta met mijn desinteresse en zelfs grondige afkeer van het aanbod op de ‘gewone’ zenders. De kijkcijfers (alle cijfers die ik hier citeer komen van bronnen die Google AI me aanreikte, zoals CIM, VRT-jaarverslag, Statistiek Vlaanderen) van de top tien tonen aan dat 20 tot 30% van de volwassen bevolking naar elk van die programma’s kijkt, wat overeenkomt met 1,2 tot 1,7 miljoen mensen. Dat zijn er best wel veel in absolute cijfers, maar toch ook weer verrassend weinig, percentsgewijs. Let wel, het gaat om kijkdichtheid per programma, en mensen bekijken verscheidene programma’s uit het lijstje, of daarbuiten. Maar voor elk programma geldt toch ook weer dat 70 tot 80 % van de volwassen Vlaamse bevolking het niet bekijkt. Ik voel me al wat minder een uitzondering. Maar opgelet met statistieken: hoeveel mensen bekijken nooit een van de top tien? Dat blijkt die 23% van de volwassen bevolking te zijn die nooit tv kijkt (op de traditionele zenders). Maar ook daar zijn de verschillen groot: bij de 80-plussers bekijkt bijna iedereen weleens een en meestal verscheidene van die programma’s; slechts een bijna verwaarloosbaar percentage van hen kijkt niet, meestal omdat ze het niet meer kunnen…

Als ik het goed heb, behoor ik tot een wel erg kleine groep die wel tv kijkt, maar niet naar de top tien. Als tachtigjarige ben ik nog een veel grotere uitzondering. En dat is precies wat ik dacht, op grond van wat ik in mijn omgeving vaststel.

Als ik ook mijn luistergewoonten bekijk, blijk ik te behoren tot een groep van misschien hooguit tweeduizend Vlamingen die actief klassieke, jazz en wereldmuziek streamen.

Ik wil het niet per se op de spits drijven, maar als ik bekijk welke boeken ik lees, en in welke talen, en wat ik niet lees (kranten, weekbladen, hedendaagse literatuur), en als ik dat combineer met het bovenstaande kijk- en luistergedrag, dan kom ik tot de slotsom dat ik meer dan waarschijnlijk uniek ben. Q.E.D.

Stuur door

Sekseverschillen?

Griet Vandermassen, Wie is er bang voor sekseverschillen?, Antwerpen: Houtekiet, 2026, 216 blz., pb.

Griet Vandermassen is al jaren vaste columniste voor de krant De Standaard. Dit boek is een selectie van herwerkte columns, maar zelfs voor wie haar volgde in de krant is het geheel veel meer dan de som der delen. Rond zes thema’s brengt ze een keur van scherpzinnige maar uiterst vlot geschreven korte opstellen: Seksualiteit en partnervoorkeuren; Interesses en prioriteiten; Agressie en seksuele competitie; Ideologie; Jongens en mannen; Buiten de lijntjes. Een proloog en een epiloog (over Trans tieners) ronden de bundel af. Er is ook nog een ruime literatuurlijst voor wie haar bronnen wil nalezen.

De charme van dit boek is ongetwijfeld de verfrissende, onbevangen, ongegeneerde manier waarop de auteur omgaat met onderwerpen waarop nog vele bewuste en vooral onbewuste taboes en vooroordelen rusten. Alleen al door ze met grote vanzelfsprekendheid ter sprake te brengen, levert ze een belangrijke bijdrage aan het debat, aan de verruiming van de gemoederen en aan de volksontwikkeling in het algemeen. De leesbaarheid stijgt nog door de opeenvolging van de korte opstellen. Een lang essay zou de lezers allicht sneller vermoeien. Nu kan je je beperken tot één artikel, of enkele na elkaar, of zelfs het hele boek in een ruk uitlezen, maar telkens wordt een onderwerp concies maar bevattelijk uiteengezet en tot een zinvolle, redelijke en overtuigende conclusie gebracht. Ook als je het daarmee niet (helemaal) eens bent, zal je telkens moeten toegeven dat de ideeën van de auteur intrinsiek belangrijk zijn en tot nadenken stemmen, ook al heb je er nog niet eerder over nagedacht. Haar grote eruditie en wijde belezenheid garanderen dat we hier veel meer aangeboden krijgen dan het gewone krantenvoer: efemere en arbitraire journalistiek en gelegenheidscommentaren bij de actualiteit. Keer op keer brengt de auteur, germaniste en doctor in de wijsbegeerte, ons op het spoor van de onderliggende problematieken en de niet altijd voor de hand liggende oplossingen of alternatieve benaderingen van de complexe omgang van mensen met hun seksuele eigenheid en die van anderen. Als ‘man’ heb ik genoten van de ‘vrouwelijke’ inzichten van de auteur. Dat ook personen met een andere geaardheid/sekse/gender die ervaring zullen delen, daaraan twijfel ik geen ogenblik. Een echte aanrader voor het ruimst mogelijke publiek.

 

Stuur door

Tolerantie, ofte verdraagzaamheid

Tolerantie, ofte verdraagzaamheid.

Een onvermijdelijk gevolg van pacifisme, ofte vreedzaamheid, is tolerantie, ofte verdraagzaamheid. Als we afzien van het gebruik van geweld, kunnen we immers niet anders dan aanvaarden dat anderen anders zijn, omdat we dat niet kunnen verhinderen met geweld. Er zijn allicht andere middelen dan fysiek geweld, of het dreigen daarmee, om iemand tot andere gedachten te brengen, maar niet zelden is er toch sprake van een of andere vorm van geweld, zoals bij propaganda of sterker nog, indoctrinatie. Maar zelfs het loutere weigeren om verdraagzaam te zijn, kan al een vorm van geweld zijn. Het is mijn stellige indruk dat onze huidige tijd gekenmerkt wordt door een toename van de intolerantie, en bijgevolg van geweld in vele vormen. Heden ten dage is zowat alles polemisch. Men neemt geen vrede met het vaststellen dat men van mening verschilt, noch met het objectief, niet-agressief verwoorden en duiden van die meningsverschillen, nee, elke woordenwisseling of monoloog moet polemisch zijn om goed te zijn. Meer nog, men moet consequent de daad bij het woord voegen, wil men geloofwaardig zijn.

Ik neem het voorbeeld van de Israëlische dirigent Lahav Shani (°1989). Ondanks zijn uitstekende staat van dienst, die door niemand in twijfel getrokken wordt, werd hij (samen met de Münchner Philharmoniker) geweerd voor het Festival van Vlaanderen, en ook een gepland optreden in Bozar wordt nu gecontesteerd: drie bestuursleden nemen ontslag, de partij Groen eist dat het concert geschrapt wordt, en de afdeling cultuur van de socialistische vakbond ACOD uit scherpe kritiek. Dat gaat allemaal duidelijk veel verder dan het laten blijken van ongenoegen, of het verwoorden van een mening: het komt neer op een beroepsverbod, niet alleen voor de dirigent zelf, maar ook voor het orkest waarvan hij chef-dirigent is, als opvolger van een indrukwekkende lijst topdirigenten zoals Kempe, Celibidache, Levine, Thielemann, Maazel, en Gergiev (met wie de samenwerking in 2022 verbroken werd wegens zijn nauwe banden met Poetin). Shani, die ook chef-dirigent is van het Israëlisch Filharmonisch Orkest, wordt verweten dat hij zich niet duidelijk genoeg zou distantiëren van het optreden van Israël in Gaza, wat hijzelf betwist, terecht verwijzend naar zijn expliciete uitspraken ter zake.

Het is dus blijkbaar voldoende dat bepaalde personen de indruk hebben dat men hun radicale opvattingen over de politieke situatie in Israël en ‘Palestina’ (nog steeds niet erkend door België) niet deelt, om te eisen dat iemand persona non grata wordt, ook voor zaken die niets met de situatie te maken hebben, zoals een concert van klassieke muziek. Men stelt zich niet tevreden met het uiten van een mening, men eist dat die eenzijdig gecontesteerde zaken niet doorgaan, wat anderen daarover ook mogen denken. Het gaat er dus niet om anderen te overtuigen, maar om de eigen mening door te drukken. Men wil met andere woorden verhinderen dat iets gebeurt, veeleer dan een gesprek daarover op gang te brengen.

Dat is ondemocratisch. In een rechtsstaat mag alles gebeuren wat niet verboden is. De vrijheid van meningsuiting laat toe dat men protesteert, zolang dat protest zelf niet strijdig is met de wet en de openbare orde. Men mag vanzelfsprekend ook ontslag nemen uit protest, maar dat wijst op een intolerante houding, omdat men weigert het gesprek aan te gaan en zich neer te leggen bij de beslissing van de meerderheid. Eisen dat een concert geschrapt wordt gaat te ver, meen ik: een politieke partij is geen betrokken partij in de discussie over het al dan niet plaatsvinden van een concert, haar belangen worden daardoor niet geschaad.

In deze en andere zaken gaat het me om het democratische overleg tussen mensen die over talloze zaken grondig van mening kunnen verschillen, maar toch tot compromissen bereid zijn. Als men het nooit eens raakt, als men zich nooit neerlegt bij wat de meerderheid beslist, kan er vanzelfsprekend niets meer gebeuren: er zal altijd wel iemand zijn die niet akkoord gaat. En dat is wat we zo vaak zien: één persoon, of een groep, of een instantie… verzet zich tegen iets, en daardoor wordt de hele zaak geblokkeerd. Overigens beweer ik niet dat de meerderheid altijd gelijk heeft, een meerderheid kan zich evengoed vergissen als een minderheid, of één persoon. Ik bedoel enkel dat bij betwisting een democratische meerderheid beslist, of ze nu gelijk heeft of niet. Dat is ook wat ik versta onder tolerantie ofte verdraagzaamheid, namelijk dat men onder alle omstandigheden de vrijheid van mening en meningsuiting respecteert, en dat men tevens eenieders vrijheid van handelen aanvaardt, zolang dat niet strijdig is met de wet of het algemeen belang. Wie dat niet doet, maakt zich schuldig aan machtswellust.

Concreet volgt daaruit dat men zijn ongenoegen kan uiten over het optreden van een dirigent, om welke reden dan ook, en op welke manier ook, maar dat wanneer een meerderheid zich daar niet tegen verzet, men niet mag verhinderen dat het optreden plaatsvindt, en dat zelfs niet mag wensen.

Meer algemeen is het meer dan wenselijk dat men afziet van blokkeren, beroepsverboden, ernstige verstoringen van de openbare orde, het banaliseren van uitdrukkingen als ‘onaanvaardbaar’, ‘onverenigbaar’, ‘genocide’, ‘misdaden tegen de mens(elijk)heid’ en dies meer. Aan de andere kant is het nodig dat we onze stem — beschaafd — blijven verheffen telkens wanneer wij ervan overtuigd zijn dat het algemeen belang in het gedrang komt, en zelfs wanneer wij menen dat anderen ongelijk hebben in een kwestie van enig belang. Uit die vreedzame confrontatie van mensen en ideeën komt waarheid en waarde voort, niet uit het opleggen of afdwingen van eenzijdige opvattingen.

Dat betekent ook dat de ideale wereld, waarin iedereen het met iedereen over alles eens is, niet voor morgen is, en waarschijnlijk ook niet voor later. We zullen dus moeten leven met meningsverschillen en met minder dan ideale situaties, zowel in onze eigen directe omgeving als op wereldvlak. Het blijft evenwel mijn heilige overtuiging dat we vooruitgang maken, globaal gezien, en dat steeds meer mensen het steeds beter hebben. Dat maakt de uitzonderingen helaas des te schrijnender.

Stuur door

Laïcité en godsdienstvrijheid

Laïcité en godsdienstvrijheid

In 2025 werd in Frankrijk enige aandacht besteed aan het 120-jarige bestaan van de laïcité, zoals die geformuleerd werd in de befaamde wet van 1905. In Franstalig België wordt die term gebruikt voor wat in Vlaanderen veelal vrijzinnig humanisme genoemd wordt. In beide landen is er een grondwettelijke scheiding van Kerk en Staat, wat een breuk betekent met de eerdere verregaande verstrengeling van de christelijke, en vooral de katholieke godsdienst met het staatsapparaat. Die scheiding kwam tot stand door het verzet van linkse politieke partijen en niet-gelovige en agnostische intellectuelen en wetenschappers tegen het klerikalisme, de inmenging van de godsdienst in de staat, inzonderheid het onderwijs, de gezondheidszorg en de zorg voor weduwen, wezen en ouderen, de kunst en cultuur, en de morele en levensbeschouwelijke principes en hun toepassingen.

Men heeft echter een zware prijs moeten betalen voor die wettelijke scheiding van Kerk en Staat. In de wet werden namelijk de verschillende Kerken officieel erkend, en werd het aan hen toegestaan om hun activiteiten ongehinderd te ontplooien, al werd althans in Frankrijk de subsidiëring van de godsdiensten afgeschaft, met uitzondering van het onderhoud van de kerkelijke gebouwen, die eigendom van de staat werden als ze voor 1905 gebouwd waren.

Vandaag verdedigen alle Franse godsdiensten ten minste publiekelijk die wet van 1905, en ook in België zijn de Kerken best tevreden met de grondwettelijk verankerde godsdienstvrijheid. In België worden bovendien de wedden van de bedienaars van de erkende erediensten al sinds 1801 betaald door de staat; de staat subsidieert katholieke scholen, ziekenhuizen en andere caritatieve instellingen, zoals dat ook gebeurt voor de niet-confessionele, met beperkte uitzonderingen en verschillen.

Men zou dus kunnen veronderstellen dat tout est pour le mieux dans ce meilleur des mondes, maar niet iedereen is het daarmee eens. De Belgische situatie is allesbehalve een strikte scheiding van Kerk en Staat, gezien de zware subsidiëring van de godsdiensten en hun (neven)activiteiten, waarvoor iedereen, dus ook niet-gelovigen betalen, terwijl minder dan drie procent van de bevolking de wekelijkse eredienst bijwoont, slecht één op drie kinderen gedoopt wordt, minder dan een op tien huwelijken kerkelijk bekrachtigd wordt, en minder dan een op drie begrafenissen kerkelijk is. Er is dus een overgrote meerderheid in België die niet meer feitelijk kerkelijk is, en de trend van die secularisatie is stijgend.

Dat betekent dat veruit de meeste mensen niet gelovig zijn. Ze zijn dan agnostisch: ze hebben geen enkel bewijs of kennis van het bestaan van dergelijke wezens; of antiklerikaal: dan is men voorstander van de scheiding tussen Kerk en Staat, en tegen de inmenging van de Kerk in de staat; of atheïstisch, dat wil zeggen dat ze niet geloven in het bestaan van een persoonlijk bovennatuurlijk opperwezen; of anti-theïstisch: dan verzet men zich tegen het geloof in dergelijke wezens als onwaar en als schadelijk voor wie erin gelooft en voor de gemeenschap; of antigodsdienstig: dan is men niet alleen gekant tegen het geloof in dergelijke wezens, maar ook tegen individuen, organisaties en instellingen die dat geloof voorstaan en verbreiden; in feite is men dan niet tegen godsdienstigheid als dusdanig, laat staan tegen godsdienstige personen, maar tegen godsdiensten. Er zijn verschillende combinaties mogelijk: zo kan men antiklerikaal zijn zonder atheïst te zijn; of atheïst, maar niet anti-theïstisch en antigodsdienstig.

Ikzelf ben dat allemaal, overtuigd en fervent.

Daarbij wil ik evenwel met klem benadrukken dat ik even overtuigd en fervent pacifist ben. Dat betekent dat ik vooropstel dat er onder geen enkel beding geweld mag gebruikt worden om de overtuigingen die ik deel en voorsta te verspreiden en te bevorderen, of zelfs ze te verdedigen. Ik veroordeel daarom de inspanningen van het Sovjetregime, die in Albanië en onder de Khmer-rouge om de godsdienst uit te roeien in die landen, net zoals ik het geweld veroordeel waarmee godsdiensten elkaar bestreden hebben en bestrijden, en het even gruwelijke geweld waarmee ze niet-gelovigen vervolgd hebben en blijven vervolgen, evenals elke gedwongen bekering, en elke bestraffing van apostasie. Ik pleit voor een verregaande ideologische, levensbeschouwelijke en religieuze verdraagzaamheid of tolerantie, maar dat sluit niet uit dat ik mijn eigen opvattingen ter zake wil kunnen uiten, en anderen daarvan proberen te overtuigen, niet het minst door te wijzen op de flagrante onwaarheden en de manifest erg schadelijke aspecten van alle godsdienstigheid.

Er zijn dus twee betekenissen van laïcité. Dat blijkt overduidelijk uit het feit dat in Franstalig België die term uitsluitend en trots gebruikt wordt voor de georganiseerde vrijzinnigheid, dus voor mensen die expliciet niet gelovig zijn, en hun seculiere waarden verdedigen en uitdragen. Ze houden het niet alleen bij de zo verregaand mogelijke scheiding van Kerk en Staat, maar staan uitdrukkelijk voor een niet-confessionele levensopvatting. De godsdiensten en hun gelovigen zien in de wettelijke laïcité van de staat uitsluitend de vrijheid die ze daardoor hebben om hun godsdienst te belijden en te propageren. In ruil voor die vrijheid hebben ze afstand gedaan van hun klerikale aanspraken, en aanvaarden dat de publieke ruimte ‘neutraal’ is, maar dat laatste veeleer schoorvoetend: voortdurend proberen ze toch hun invloed te laten gelden, denk maar aan het hoofddoekendebat. De godsdiensten zijn wel voorstanders van de wet op de laïcité, om de bekende voordelen die dat voor hen oplevert, maar geen onverdeelde voorstanders van de laïcité van de samenleving; het liefst zouden ze willen dat iedereen gelovig was, zodat de ook de staat gelovig zou zijn, een theocratie, en dat is niet alleen de doelstelling van de islam.

De wetten op de scheiding van Kerk en Staat zijn er niet gekomen door de godsdiensten, wel integendeel: zij hebben die uit alle macht tegengewerkt en tegengehouden. Het zijn de niet-gelovigen en de niet-fundamentalistische, rationeel denkende gelovigen (als die er al zijn…) die de laïcité bedacht en doorgevoerd hebben, om zo toch enigszins de geüsurpeerde macht van de godsdiensten aan banden te leggen. Het is in hun strijdende traditie dat ik mij met mijn opvattingen plaats. Ik ben voorstander van godsdienstvrijheid, maar een beetje zoals de godsdiensten voorstander zijn van de wet op de laïcité: het liefst zou ik willen dat de godsdiensten hooguit een marginaal verschijnsel zouden zijn, zoals het katholicisme in België vandaag, en dat de samenleving vrij zou zijn van godsdienst: in 1905 was dat een nieuwe interpretatie van godsdienst-vrijheid, namelijk de vrijheid om geen godsdienst aan te kleven, ongehinderd en vanzelfsprekend vrij of bevrijd van godsdienst te zijn.

Imagine, no religion!

Stuur door

Smartphone

Smartphone

Een GSM of draagbare telefoon kreeg ik pas in 1998 in handen, toen ik voor mijn werk altijd bereikbaar moest zijn. Sindsdien is er snel veel veranderd, en ik gebruik nu al jaren een smartphone, wie niet, trouwens? Ik heb sinds mensenheugenis een abonnement bij Telenet, waarbij de internetverbinding, de TV-aansluiting, het telefoongebruik en recentelijk ook mobiele data gecombineerd worden in een zogenaamd voordelig pakket. Toch ben ik altijd kritisch gebleven tegenover dat systeem: waarom betalen voor onderdelen uit het aanbod die je nooit gebruikt? Sms’en heb ik nooit gedaan, en telefoneren doe ik nog zelden sinds ik in 2006 op pensioen ging; wat is het nut dan van onbeperkt te kunnen telefoneren en sms’en? En mobiele data gebruikte ik niet, ik kom niet veel buiten. Maar de telecomproviders zijn handige lieden, natuurlijk: als je een element weglaat uit een bundel, betaal je meer voor de afzonderlijke delen. En dus blijf je betalen voor alles.

Onlangs besliste ik toch om mobiele data weg te laten, en dat leverde meteen een besparing op van ongeveer € 20 per maand. Vervolgens nam ik een afzonderlijk abonnement voor beperkt telefoneren sms’en en wat mobiele data, maar de voorziene belminuten bleken toch onvoldoende in bepaalde omstandigheden, zoals onze recente verhuizing. Dus toch maar weer onbeperkt bellen en sms’en en 5 GB mobiele data bij Telenet, een optie die € 17 per maand kost, en dat vind ik duur voor wat ik ermee doe, namelijk bijna niets.

Toen bedacht ik dat hetzelfde aanbod elders misschien wel minder duur was. Een kort onderzoek op internet bevestigde dat vermoeden, en aangezien de optie bij Telenet toch geen deel meer uitmaakte van een bundel, besloot ik die op te zeggen en scheep te gaan met een andere provider, in dit geval Hey! Financieel was dat een aanzienlijk voordeel: € 5 in plaats van € 17, voor identiek hetzelfde, dus minder dan 1/3 van de prijs, een besparing van toch € 12 per maand. Waarom zou je dat niet doen?

Die overschakeling bleek verrassend eenvoudig en snel. Binnen de 24 uur was alles geregeld via internet en kreeg ik een nieuwe simkaart in de brievenbus. Die was snel geïnstalleerd en geactiveerd, en meteen was mijn smartphone weer actief, alsof er niets gebeurd was. Ik was danig onder de indruk. Ik herinner me nog dat een telefoonaansluiting krijgen of verhuizen destijds maanden kon duren. We zijn in de loop van mijn leven van ver gekomen, en het is goed dat we ons daarvan bewust zijn. De technologische vooruitgang is spectaculair, en heeft ons leven grondig veranderd. Veel zaken zijn eenvoudiger geworden, minder lastig, en veel minder duur en dus voor meer mensen beschikbaar. De wereld is daardoor weliswaar complexer geworden, maar de meeste mensen hebben zich daaraan vrij vlot aangepast, en de bedrijven en organisaties doen ook heel wat moeite om hun aanbod klantvriendelijk te houden. Zeker, het kan altijd beter, maar het wordt ook voortdurend beter. Dat mag ook eens gezegd worden, in plaats van voortdurend te klagen dat het allemaal niet goed genoeg is. Velen van ons leven nu in veel meer comfort dan Louis XIV. Enig vooruitgangsoptimisme is dus zeker niet misplaatst.

Stuur door

Vrijheid

Ik heb altijd al een hekel gehad aan bevelen en geboden, aan situaties waarin ik niet vrij was om zelf te bepalen wat er moest gebeuren, of er mij geen keuze gelaten werd. Ik wou altijd zelf beslissen, mijn eigen gang gaan.

Als kind en als opgroeiende jongeling leidde dat voortdurend tot spanningen. Thuis had men al gauw door dat er met mij niets aan te vangen was onder dwang. Ook op school waren er enkele leraren en opvoeders die dat inzagen, en die deden dan de moeite om me met argumenten te overtuigen, met wisselend succes. Maar het opvoedingssysteem was toen hoofdzakelijk een kwestie van gezag en discipline, en dat slikte ik niet.

Ik heb het geluk gehad dat ik in mijn werksituatie meestal grotendeels zelfstandig kon werken. Dat gaf mij grote voldoening en grote conflicten waren zeldzaam.

Op mijn zestigste ging ik op pensioen, en sindsdien is mijn vrijheid alleen maar toegenomen, tot mijn groot genoegen. Nu de laatste belemmeringen weggevallen zijn, heb ik mij kunnen uitleven in wat ik echt graag doe en belangrijk acht.

Die vrijheidsdrang heeft mijn leven beheerst, maar pas nu denk ik daarover na. Waarom wil ik zo vrij zijn? Waarom verzet ik mij zo heftig tegen dwang?

Ik ben niet de enige die behoefte voelt aan vrijheid. Het is een algemeen menselijk verschijnsel. Er is wellicht niemand die ervoor kiest om de slaaf te zijn van iemand anders. Wij houden er niet van dat men ons zegt wat we moeten doen, en nog veel minder wat we moeten denken. Wij aanvaarden gezag enkel wanneer het niet anders kan, en dan nog met moeite.

Anderzijds zijn er steeds mensen geweest die een sterke behoefte hadden aan gezag, die niets liever deden dan anderen hun wil opleggen, desnoods manu militari. Dat was vroeger zo, en het is nog steeds zo. Het kan dan niet anders dan dat die twee botsen.

Zolang datgene wat gezagvoerders opleggen redelijk is en onze instemming kan wegdragen, gaat het nog goed. Wij rijden rechts en stoppen voor rood, omdat dat nu eenmaal zo beslist is, en het maakt ook niet uit of het zo is of anders: in Groot-Brittannië rijdt men links, en we zouden evengoed kunnen afspreken dat we stoppen voor blauw of zo. De moeilijkheden beginnen wanneer wij de bevelen van het gezag ervaren als strijdig met onze eigen opvattingen. Niet weinig mensen vinden de snelheidsbeperkingen op onze wegen overdreven, nutteloos, zinloos of zelfs belachelijk. Wij overtreden ze massaal, een beetje, of heel veel, ondanks scherpe controles en strenge beteugeling, en veel slachtoffers. We blijven ook drinken en rijden. Dat zijn misschien vreemde domeinen om onze vrijheid op te eisen, maar we doen het wel.

Er zijn ook andere domeinen, zoals de politiek en de godsdienst. In onze moderne tijd zijn een groot aantal menselijke vrijheden opgenomen in charters, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens. Een politiek bestel of een godsdienst mag geen afbreuk doen aan die rechten en aan de menselijke vrijheid. In het ancien régime kon de vorst eigenmachtig iemand laten gevangen zetten, en ook moderne dictators hebben dat massaal gedaan. Godsdiensten hebben aan hun gelovigen verplichtingen opgelegd en verboden uitgevaardigd die zo zinloos waren dat men nauwelijks kan geloven dat iemand zoiets kan verzinnen of aanvaarden. Ook vandaag nog is dat het geval. Er zijn regimes waarin de menselijke vrijheid en waardigheid met voeten getreden worden. Er zijn wereldgodsdiensten die praktijken opleggen die onverenigbaar zijn met de universele mensenrechten.

Individuen en organisaties hebben zich steeds verzet tegen dergelijke inperkingen van de menselijke vrijheid. De geschiedenis van onze beschaving is er een van onafgebroken verzet tegen absoluut gezag en van menselijke ontvoogding. De vrijheid om te doen en te denken wat men wil, en om daarvoor ook uit te komen, is een fundamenteel recht, ja het meest fundamentele recht van de mensheid en van elke mens. Wanneer dat geschonden wordt, zijn de gevolgen altijd onoverzienbaar en funest.

Zeker, er zijn beperkingen aan onze vrijheid, al was het maar omdat we met zovelen zijn, en de vrijheid van de ene mens eindigt waar die van de andere begint. In elke samenleving zijn er regels die we moeten respecteren, we kunnen niet alles doen waar we zin in hebben. Er zijn mensen die de meest bizarre en zelfs misdadige neigingen hebben. De menselijke vrijheid houdt niet in dat men om het even wat mag doen. Het zal er dus op aan komen om enerzijds zo weinig mogelijk te verbieden en zoveel mogelijk toe te laten, maar anderzijds duidelijke afspraken te maken over wat niet kan, en die ook te doen naleven, desnoods met bestraffing.

Wie moet er dan uitmaken wat mag en wat niet? Wij zijn zover gekomen dat wij beseffen dat de beste manier om dat te regelen een democratie is. Dat is een samenleving waarin zoveel mogelijk mensen betrokken worden bij het overleg, en waarin men zoveel mogelijk beslist op basis van redelijke argumenten, die door de meerderheid als zodanig erkend worden. In een democratie berust het gezag niet bij één persoon of een kleine kliek, maar bij de bevolking, die dat gezag delegeert aan instellingen, die bevolkt worden met personen die democratisch verkozen worden. Bovendien behoudt het volk altijd het volste recht om te allen tijde die instellingen te controleren en zich te verzetten tegen beslissingen die het als onrechtmatig of schadelijk beschouwt. In het ergste geval, wanneer de instellingen totaal van het volk vervreemd zijn, kan dat leiden tot zelfs gewelddadige revoluties.

images?q=tbn:ANd9GcT5ieyT4ECCBPDFuu9w63TQh6I4yI77Sz6yK-fpCE7MOBbN_wioHg

Laten we in de discussies over hoe het met onze maatschappij en met onze wereld verder moet altijd rekening houden met die fundamentele individuele vrijheid van de mens, en met het democratisch proces. Dat is de beste, wellicht zelfs de enige garantie voor een stabiele en vreedzame samenleving. En laten we ook in onze persoonlijke betrekkingen altijd vertrekken van het fundamenteel recht van elke mens om zichzelf te zijn. Wanneer men aan die vrijheid tornt, hetzij op grond van het hoger politiek of staatsbelang, of vanuit religieuze principes die niet gesteund zijn op de rede maar op zogenaamde openbaringen of uitspraken van religieuze leiders of profeten, zijn niet alleen individuele mensen in gevaar, maar de hele mensheid.

Stuur door

Rot op, Rutte!

Quos Deus perdere vult, prius dementat.

Als je sommigen bezig hoort en ziet, dan denkt een mens weleens: hoe is het mogelijk!? Is iemand als Donald Trump nog wel bij zijn verstand? Zelfs als veel, bijna alles wat we van hem zien louter theater is, kan men toch moeilijk ontkennen dat zijn gedrag verre van normaal is, en dat is een ongepast eufemisme. Als het om een gewone burger zou gaan, zouden we daarbij niet te lang blijven stilstaan: zoals mijn Vader zaliger zei: Ons Heer moet zijn getal hebben, it takes all sorts of people. Maar de president van Amerika, een van de belangrijkste figuren in de wereld?

Dezelfde gedachte kwam spontaan bij me op bij de zoveelste oorlogszuchtige uitspraken van Mark Rutte, secretaris-generaal van de NATO. In tegenstelling met Trump, die altijd al een buitenissige figuur was, zou je van Rutte denken dat het geen idioot kan zijn: een goede academische opleiding, een begaafd muzikant, een ervaren bedrijfsleider, een succesvol politicus, veertien jaar lang minister-president van Nederland. Maar zelfs als men aanvaardt dat de topman van de NATO niet veel anders kan dan zich afzetten tegen de ‘vijanden’ waartegen de alliantie tenslotte opgericht werd, blijkt toch onmiskenbaar dat Rutte meent wat hij zegt, en zich niet louter pro forma inleeft in de rol die hij na zijn verkiezingsnederlaag toebedeeld gekregen heeft van zijn collega-staatshoofden. Zeker, wat Poetin uitspookt, vooral in Oekraïne, maar ook daarbuiten, is zonder enige twijfel kwaadaardig en levensgevaarlijk. Maar de reactie daarop van Rutte, van ministers van defensie (of van oorlog, zoals Trump zegt), van de legertop in alle landen, en zelfs van de meeste politici, is althans in mijn aanvoelen, eveneens levensgevaarlijk. De beste manier om met gestoorde mensen omgaan is niet de confrontatie, en nog minder even gestoord gedrag. Uit de beide Wereldoorlogen en ook uit de Koude Oorlog zouden we moeten geleerd hebben dat een bewapeningswedloop niet van aard is om de oorlog te vermijden, maar veeleer om die te doen losbarsten.

Ooit zat ik op de trein in Duitsland, en op een of andere manier kwam in het compartiment een gesprek op gang, waaraan ik in mijn heel gebrekkig Duits naar best vermogen deelnam, over de Tweede Wereldoorlog. Een oude man die als frontsoldaat had meegevochten, keek daarnaar meewarig terug. Wat me vooral trof, en altijd is bijgebleven, is deze uitspraak van hem: je staat tegenover elkaar met een wapen in de hand; als je zelf niet schiet, word je neergeschoten, dus schiet je.

Dat is waarom mensen elkaar uitmoorden in oorlogen: ze zijn door hun politieke en militaire leiders in een situatie gebracht waar het een kwestie is van doden of gedood worden, van doden om te overleven. De echte verantwoordelijken voor de miljoenen slachtoffers zijn, op psychopathische uitzonderingen na, uitsluitend de politieke en militaire leiders.

Waarom die leiders die zware verantwoordelijkheid om op grote schaal mensen te doden toch steeds weer op zich nemen, is voor mij werkelijk onbegrijpelijk, zodat ik geneigd ben te denken dat ze wel degelijk gestoord zijn, gek, waanzinnig. Kan men iets anders denken van Stalin, Hitler, Tojo, Franco, Pol Pot, Mao, Kim Il-sung, om slechts die te noemen? En moeten we niet hetzelfde denken van een aantal figuren die met hen de strijd aangebonden hebben, en niet minder slachtoffers gemaakt hebben?

Onze treffende Latijnse spreuk bevestigt dat: als de goden iemand in het verderf willen storten, maken ze die eerst waanzinnig. Anders gezegd: je moet wel gek zijn om jezelf in het ongeluk te storten. Uiteindelijk is dat ook wat er gebeurt bij zelfdoding. En zeker bij Hitler is het duidelijk dat zijn waanzin hem te gronde gericht heeft, terwijl dictators veeleer uitzonderlijk een vreedzaam einde gekend hebben, zoals Franco.

Maar er is meer. De waanzin van dictators brengt niet alleen henzelf tot een gewelddadig einde, maar talloze anderen, militairen en burgers. Je moet geen genie zijn om dat in te zien. Als de geschiedenis ons iets heeft geleerd, dan wel dit: wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan (Mt. 26:52). Oorlogen lossen niets op, ze bereiken nooit hun doel, ze veroorzaken alleen onnoemelijk veel leed, miljoenen doden, en onafzienbare materiële schade.

Ik weiger dan ook om me aan te sluiten bij al diegenen die vandaag stellen dat ons antwoord op de al dan niet reële buitenlandse militaire bedreiging erin moet bestaan dat wij nog veel meer miljarden gaan uitgeven aan bewapening, die niet gericht is op defensie, dus zelfverdediging, maar op open strijd op het slagveld en in de lucht, en zelfs op preemptive strikes,  preventieve aanvallen, zoals die van Hitler op Polen, en die van Japan op de USA.

Ik ben het evenmin eens met het opleggen van sancties aan ‘vijanden’, aangezien die onmogelijk af te dwingen zijn en op grote schaal omzeild worden, door beide partijen.

Het enige juiste antwoord is overleg, ook als dat moeilijk verloopt, onophoudelijk en niet-aflatend overleggen op alle mogelijke manieren. Zolang mensen met elkaar kunnen praten, is nog niet alles verloren. Waar mensen spreken, zwijgen de wapens.

Ook in ons land zwijgen nu mensen en politici, en laten en doen ze de wapens spreken. Laten we onze stem verheffen en pleiten voor overleg, voor het te laat is en oorlogsstokers zoals de infame Mark Rutte gelijk krijgen met hun self fulfilling prophecies.

De goden brengen weliswaar meestal dictators gewelddadig om die ze eerst in de waanzin gestort hebben, maar niet zonder dat die zelf eerst op grote schaal anderen gewelddadig omgebracht hebben.

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten