Naar de inhoud

Kroniek

mijn kijk op de wereld
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug? Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: samenleving

Rot op, Rutte!

Quos Deus perdere vult, prius dementat.

Als je sommigen bezig hoort en ziet, dan denkt een mens weleens: hoe is het mogelijk!? Is iemand als Donald Trump nog wel bij zijn verstand? Zelfs als veel, bijna alles wat we van hem zien louter theater is, kan men toch moeilijk ontkennen dat zijn gedrag verre van normaal is, en dat is een ongepast eufemisme. Als het om een gewone burger zou gaan, zouden we daarbij niet te lang blijven stilstaan: zoals mijn Vader zaliger zei: Ons Heer moet zijn getal hebben, it takes all sorts of people. Maar de president van Amerika, een van de belangrijkste figuren in de wereld?

Dezelfde gedachte kwam spontaan bij me op bij de zoveelste oorlogszuchtige uitspraken van Mark Rutte, secretaris-generaal van de NATO. In tegenstelling met Trump, die altijd al een buitenissige figuur was, zou je van Rutte denken dat het geen idioot kan zijn: een goede academische opleiding, een begaafd muzikant, een ervaren bedrijfsleider, een succesvol politicus, veertien jaar lang minister-president van Nederland. Maar zelfs als men aanvaardt dat de topman van de NATO niet veel anders kan dan zich afzetten tegen de ‘vijanden’ waartegen de alliantie tenslotte opgericht werd, blijkt toch onmiskenbaar dat Rutte meent wat hij zegt, en zich niet louter pro forma inleeft in de rol die hij na zijn verkiezingsnederlaag toebedeeld gekregen heeft van zijn collega-staatshoofden. Zeker, wat Poetin uitspookt, vooral in Oekraïne, maar ook daarbuiten, is zonder enige twijfel kwaadaardig en levensgevaarlijk. Maar de reactie daarop van Rutte, van ministers van defensie (of van oorlog, zoals Trump zegt), van de legertop in alle landen, en zelfs van de meeste politici, is althans in mijn aanvoelen, eveneens levensgevaarlijk. De beste manier om met gestoorde mensen omgaan is niet de confrontatie, en nog minder even gestoord gedrag. Uit de beide Wereldoorlogen en ook uit de Koude Oorlog zouden we moeten geleerd hebben dat een bewapeningswedloop niet van aard is om de oorlog te vermijden, maar veeleer om die te doen losbarsten.

Ooit zat ik op de trein in Duitsland, en op een of andere manier kwam in het compartiment een gesprek op gang, waaraan ik in mijn heel gebrekkig Duits naar best vermogen deelnam, over de Tweede Wereldoorlog. Een oude man die als frontsoldaat had meegevochten, keek daarnaar meewarig terug. Wat me vooral trof, en altijd is bijgebleven, is deze uitspraak van hem: je staat tegenover elkaar met een wapen in de hand; als je zelf niet schiet, word je neergeschoten, dus schiet je.

Dat is waarom mensen elkaar uitmoorden in oorlogen: ze zijn door hun politieke en militaire leiders in een situatie gebracht waar het een kwestie is van doden of gedood worden, van doden om te overleven. De echte verantwoordelijken voor de miljoenen slachtoffers zijn, op psychopathische uitzonderingen na, uitsluitend de politieke en militaire leiders.

Waarom die leiders die zware verantwoordelijkheid om op grote schaal mensen te doden toch steeds weer op zich nemen, is voor mij werkelijk onbegrijpelijk, zodat ik geneigd ben te denken dat ze wel degelijk gestoord zijn, gek, waanzinnig. Kan men iets anders denken van Stalin, Hitler, Tojo, Franco, Pol Pot, Mao, Kim Il-sung, om slechts die te noemen? En moeten we niet hetzelfde denken van een aantal figuren die met hen de strijd aangebonden hebben, en niet minder slachtoffers gemaakt hebben?

Onze treffende Latijnse spreuk bevestigt dat: als de goden iemand in het verderf willen storten, maken ze die eerst waanzinnig. Anders gezegd: je moet wel gek zijn om jezelf in het ongeluk te storten. Uiteindelijk is dat ook wat er gebeurt bij zelfdoding. En zeker bij Hitler is het duidelijk dat zijn waanzin hem te gronde gericht heeft, terwijl dictators veeleer uitzonderlijk een vreedzaam einde gekend hebben, zoals Franco.

Maar er is meer. De waanzin van dictators brengt niet alleen henzelf tot een gewelddadig einde, maar talloze anderen, militairen en burgers. Je moet geen genie zijn om dat in te zien. Als de geschiedenis ons iets heeft geleerd, dan wel dit: wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan (Mt. 26:52). Oorlogen lossen niets op, ze bereiken nooit hun doel, ze veroorzaken alleen onnoemelijk veel leed, miljoenen doden, en onafzienbare materiële schade.

Ik weiger dan ook om me aan te sluiten bij al diegenen die vandaag stellen dat ons antwoord op de al dan niet reële buitenlandse militaire bedreiging erin moet bestaan dat wij nog veel meer miljarden gaan uitgeven aan bewapening, die niet gericht is op defensie, dus zelfverdediging, maar op open strijd op het slagveld en in de lucht, en zelfs op preemptive strikes,  preventieve aanvallen, zoals die van Hitler op Polen, en die van Japan op de USA.

Ik ben het evenmin eens met het opleggen van sancties aan ‘vijanden’, aangezien die onmogelijk af te dwingen zijn en op grote schaal omzeild worden, door beide partijen.

Het enige juiste antwoord is overleg, ook als dat moeilijk verloopt, onophoudelijk en niet-aflatend overleggen op alle mogelijke manieren. Zolang mensen met elkaar kunnen praten, is nog niet alles verloren. Waar mensen spreken, zwijgen de wapens.

Ook in ons land zwijgen nu mensen en politici, en laten en doen ze de wapens spreken. Laten we onze stem verheffen en pleiten voor overleg, voor het te laat is en oorlogsstokers zoals de infame Mark Rutte gelijk krijgen met hun self fulfilling prophecies.

De goden brengen weliswaar meestal dictators gewelddadig om die ze eerst in de waanzin gestort hebben, maar niet zonder dat die zelf eerst op grote schaal anderen gewelddadig omgebracht hebben.

Stuur door

Ooh...

Ooh…

Mijn Vader zaliger was van 1909, en leerde op school dus de ‘oude spelling’, waarbij in open lettergrepen de klinkers dubbel geschreven werden om de lange klank aan te geven: rooken, loopen, droomen. Dat veranderde pas in 1947, dus een jaar na mijn geboorte. Ik herinner me dat mijn Vader eens zei dat ons Eekloos dialect nuttig was om in de oude spelling te weten of een woord met twee klinkers geschreven werd of met één; de klank was in de uitspraak immers dezelfde: dromen klonk even lang als droomen; het gevaar dat men ‘dromen’ als ‘drommen’ zou uitspreken was in feite onbestaande, er was immers de schrijfwijze ‘drommen’ om dat te doen. Dat is allicht ook de reden waarom die verdubbelingen allengs afgeschaft werden: ze waren niet echt nodig, het was een geintje van de taalkundigen, dat de zaken echter veeleer compliceerde dan ze te vereenvoudigen. Het ezelsbruggetje dat mijn Vader me leerde was dit: in het Eekloos wordt de lange o op twee verschillende manieren uitgesproken, enerzijds zoals uuë, anderzijds een niet al te lange o. Welnu, in Eeklo noemt men de groente kuuëln, en steenkool koln. Nog steeds volgens mijn Vader zou men dus het meervoud van kool, de groente als koolen schrijven, en het meervoud van (steen)kool als kolen. Bij nazicht in de zogenaamde 1ste editie van Van Dale uit 1864 blijkt dat toen toch al in beide gevallen ‘kolen’ werd gebruikt.

Ik ben al jaren bezig om wat mijn Vader toen zei terdege te begrijpen. Toentertijd was het voor mij althans nutteloze informatie, omdat we toen vast ‘kolen’ schreven voor beide, het ezelsbruggetje was dus niet meer nodig. Was het dat wel nog in zijn tijd? Ik weet het niet, en ik heb het hem nooit gevraagd. Ik spreek al veel langer geen Eekloos meer dan ik het wel sprak, dat veranderde toen ik als veertienjarige op internaat ging in Antwerpen, en daar onder de sociale druk vlot het dialect van mijn medestudenten overnam, en sindsdien nog sporadisch in Eeklo kwam. Maar ik blijf dat dialect kennen en liefhebben, het is immers mijn moedertaal. Ik hou van de eigen woordenschat en van de eigen tongval. Er zijn klanken die niet in het AN voorkomen, en dat vind ik een verarming, zoals kolen voor zowel kuuëln als koln.

Maar wanneer gebruik je die eerste vorm en wanneer de tweede? De eerste vorm, uuë is zowel in het enkelvoud als het meervoud de algemene vorm voor de o in een open lettergreep: luuëp, luuëpn. Waarom dan koln voor steenkolen? Men heeft dat verschil niet kunstmatig ingevoerd om een homoniem te vermijden, zo werkt de volkstaal niet. In het Eekloos noemen we een stuk steenkool een kolle, dus met een korte o; dat het meervoud vroeger ‘kolen’ was, met één o, naast ‘koolen’ voor de groente, lijkt er eveneens op te wijzen dat de oorspronkelijke uitspraak ‘kollen’ was. Zijn er andere gevallen die dat bevestigen? Een zool is zolle, meervoud zoln. Violle > violn; idem voor scholle > scholn, pistolle > pistoln, riolle > rioln, notte > notn, notte > notn, rotte (rij) > rotn. Het meervoud van woorden met een korte o wordt dus in het dialect een ietwat langere o, en geen uuë, zoals bij woorden die in het enkelvoud al een lange o hebben; daar blijft de uuë behouden. In beide gevallen wordt er dus enkel een n toegevoegd aan het enkelvoud: kol wordt koln, kuuël wordt kuuëln; in het AN wordt het meervoud van kool (in beide betekenissen) eenvormig kolen, omdat ook in het enkelvoud het onderscheid tussen beide verdwenen is.

Het ezelsbruggetje van mijn Vader was waarschijnlijk iets dat hij op school geleerd had van een pientere onderwijzer, die zelf nog de heel oude spelling had gekend, toen het meervoud van (steen)kool nog ‘kolen’ was, naast ‘koolen’ voor de groenten. Hij, noch mijn vader, hadden zich blijkbaar afgevraagd waarom er twee meervoudsvormen waren, zowel in het (toenmalige) AN als in het dialect. Mijn veronderstelling is dus dat het om woorden gaat waarin de o, gevolgd door twee medeklinkers, in het AN in het enkelvoud ten onrechte verlengd is, dus kolle tot kool, zolle tot zool, violle tot viool, scholle tot school, pistolle tot pistool, riolle tot riool, notte tot noot, rotte tot root, en dat dientengevolge het meervoud de gebruikelijke vorm met lange o in de open lettergreep heeft aangenomen. In het dialect is het onderscheid behouden.

Er is nog een andere eigenaardigheid over de lange o in ons dialect; die kan namelijk ook als eu uitgesproken worden: weun’n, weunste, zeune, deur(e), veuële voor wonen, woonst, zoon, door(heen), vogel.

De uuë is helemaal verdwenen uit het AN, samen met nog enkele andere vertrouwde klanken uit onze dialecten, en de verscheidenheid heeft plaats gemaakt voor een opgelegde eenvormigheid. Men kan dat als een verbetering beschouwen, en in menig opzicht is dat ook zo. Vanuit mijn heimwee naar mijn Eeklose moedertaal vind ik het toch ook een spijtige verarming. Naast het AN een dialect kennen, of zelfs meer dan een, is althans in mijn ogen een niet te verwaarlozen verrijking. En er is trouwens geen enkele reden om neer te kijken op mensen die door omstandigheden enkel hun dialect kennen, of het onder elkaar spreken.

 

Stuur door

In paradisum

In paradisum

LAZARUS EN DE RIJKE
19Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feestvierde,  20terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag.  21Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Ja, zelfs kwamen honden zijn zweren likken.  22Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.  23In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot.  24Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd.  25Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd.  26Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, zelfs als men het zou willen, van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen.  27De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,  28want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen.  29Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren.  30Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren.  31Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.' 

In paradisum deducant te angeli;
in tuo adventu suscipiant te martyres,
et perducant te in civitatem sanctam Ierusalem.

Chorus angelorum te suscipiat,
et cum Lazaro, quondam paupere,
æternam habeas requiem.

 

Dit zijn best vreemde teksten. De eerste staat bij Lukas, 16, 19-31 — en alleen daar, dus niet in een van de drie andere evangelies. Het verhaal wordt voorgesteld als een parabel, een gelijkenis die Jezus ter lering voorhoudt aan zijn volgelingen. De verscheidene vooral mondeling overgeleverde verhalen die rond het begin van onze tijdrekening bijeengebracht zijn in een raamvertelling rond de mythische Jezus-figuur zijn echter samengesteld uit zeer divers materiaal, veelal uit de Hebreeuwse Schriften, waarin nog oudere elementen en invloeden uit vreemde culturen aanwezig waren. Het verhaal van Lazarus —een vorm van Eliëzer, de naam in Gen. 15,2 van een medewerker van Abram die zijn erfgenaam zou worden, aangezien die toen nog kinderloos was —is gebaseerd op soortgelijke Talmoedische en Egyptische verhalen, en bevat dan ook elementen die niet echt passen in het Nieuwe Testament. De rol van Abraham als een soort van hemelse vader is joods, niet christelijk. De onderwereld als een plaats van foltering en pijn voor wie slecht geleefd heeft, is geen vast thema in het Oude, en evenmin in het Nieuwe Testament. Merk op dat de rijke man geen misdaden heeft begaan, hij was rijk en genoot van het leven, in schrille tegenstelling tot Lazarus. In het hiernamaals wordt die lotsbestemming echter omgekeerd, wat veeleer een context van legenden en volksverhalen is dan een religieuze. Het idee van een definitieve en onoverbrugbare (behalve dan in dit verhaal!) scheiding tussen hemel en hel vind men nergens anders vermeld. De uitdrukking ‘de schoot van Abraham’ is joods, maar daarmee wordt geen specifieke plaats bedoeld, veeleer een algemene gedachte van naar de voorvaderen te gaan, waarbij vaak ook Jakob en Isaak vernoemd worden. Het gaat om een vaag maar vredevol voortbestaan, nox est perpetua una dormienda. De laatste zinsnede werd later vaak gezien als een verwijzing naar de opstanding van Jezus uit de doden en het feit dat de ‘hardnekkige’ Joden dat niet hebben geloofd, maar dat is een duidelijke hineininterpretierung, in het verhaal is het een logische conclusie uit de premissen.

De tweede tekst hoorde men vroeger bij elke christelijke begrafenis — en niet-christelijke waren zeldzamer dan witte raven. De tekst en de melodie staan onuitwisbaar in ons geheugen gegrift, en het volstaat ze te horen om tranen in onze ogen te doen opwellen, bij de herinnering aan de talloze geliefde en minder geliefde mensen die we mee ten grave hebben gedragen. Dat heeft niets te maken met de inhoud van die antifonen of beurtzangen, maar met de droevige omstandigheden waarin ze traditioneel gezongen werden: het einde van de begrafenisplechtigheid in de kerk, wanneer de doodskist met het lijk weggedragen wordt om begraven te worden.

Ten paradijze geleiden u de engelen;

mogen de martelaren u bij uw aankomst opnemen

en u leiden naar de hemelse stad Jeruzalem.

 

Moge het koor der engelen u opnemen

en moge u met Lazarus, de arme van weleer,

voor altijd rusten in vrede.

 

Ik heb, ondanks de vermelding van Lazarus, er nooit bij stilgestaan waar die teksten vandaan kwamen, maar na het (her)lezen van het verhaal van Lazarus is het meteen duidelijk. Lazarus wordt hier nominatim vernoemd, wat uitzonderlijk is voor een parabel, want daarin is meestal sprake van een zaaier, of een weduwe, of een tollenaar, niet een met naam genoemde persoon. Men verwarre hem niet met de Lazarus uit Joh. 11, 1-44, die door Jezus uit de doden wordt opgewekt.

De engelen zijn zo ook terecht. De schoot, of de boezem van Abraham is hier het paradijs, de figuurlijke lusthof waarvan sprake; de hemelse stad Jeruzalem wordt vermeld bij Johannes (21, 3); het is de Holy City uit de beroemde triomfantelijke christelijke hymne (1892), die door talrijke operazangers vertolkt is, en die ook ik in mijn katholieke opvoeding vaak — en zelfs, wegens de muziek, niet de woorden, gedreven, moet ik toegeven — meegezongen heb. Het roept eveneens levendige beelden op van de Last night of the Proms, wanneer het voltallige publiek aan het einde van het programma als in vervoering de meeslepende toonzetting door Hubert Parry van het best wel vreemde gedicht van William Blake aanheft, overbekend als de hymne Jerusalem, die in Groot-Brittannië bijna het nationale volkslied werd, en nu nog te pas en vooral te onpas gezongen wordt, zoals bij de aanvang van sportwedstrijden, iets wat Blake allicht niet in gedachten had. Wij mensen zijn best wel rare snuiters als het op tradities aankomt.

Stuur door

Vermogensbelasting, een weeldetaks?

Weeldetaks

Als zodanig bestaan weeldetaksen, des lois somptuaires, heden ten dage niet meer. Vroeger waren dat belastingen die geheven werden op de aankoop van luxegoederen, enerzijds om die voor te behouden voor de hogere klasse, anderzijds om de staatskas te spijzen. We vinden het principe evenwel terug in ons huidige progressieve belastingstelsel. Hogere inkomens worden hoger belast: onder de € 15.000 is het tarief 25%, tot 27.000 is het 40%, tot 46.000 45% en daarboven 50%. De aankoop van goederen wordt eveneens proportioneel belast: het standaardtarief is 21%, het tussentarief 12% en het verlaagde tarief 6%. Het laagste btw-tarief geldt voor zogenaamd noodzakelijke goederen en diensten (voeding, kranten, tijdschriften, boeken, geneesmiddelen, doodskisten &c.). Het tussentarief geldt bijvoorbeeld voor restaurant- en cateringdiensten. Luxegoederen en -diensten worden dus nog steeds het zwaarst belast. Men zou kunnen stellen dat het laagste btw-tarief van 6% het standaardtarief is, en de andere een vorm van weeldetaks.

Belasting op aankopen wordt voor iedereen gelijkelijk belast, dus onafhankelijk van het inkomen. De hoogste inkomens betalen dus niet meer voor elk specifiek product, maar omdat ze meer kopen en meer in de hoogste btw-tarieven, betalen ze individueel toch meer btw.

In België is er wel een belasting op de inkomsten uit vermogens en financiële transacties, de roerende inkomsten, maar geen belasting op het vermogen zelf. Dat laatste wordt nu wel overwogen, als een middel om het enorme begrotingstekort en de immense staatschuld te verminderen. Men zegt dan dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Het lijkt inderdaad uitdagend dat de rijkste burgers, zeg maar de miljonairs, niets van hun overtollige rijkdom zouden moeten afstaan, terwijl de gewone werkende burger zwaar belast wordt, en ook nog langer moet werken voor die op pensioen kan gaan, en er nog altijd mensen zijn die in armoede leven. Een miljonair die 0,3 % zou betalen op een vermogen van bijvoorbeeld 2 miljoen, dus € 6.000, zou dat niet eens merken, redeneert men dan, terwijl het gezamenlijk wel tot een miljard zou kunnen opbrengen voor de staat. Het is een redenering die men meer en meer hoort, en in sommige landen bestaat er al vermogensbelasting, zoals in Frankrijk, Nederland, Noorwegen, Spanje, Zwitserland.

De voorstanders van vermogensbelasting vinden dat de rijken niet genoeg bijdragen aan de kosten van de staat. Maar is dat wel zo? Door het proportionele stelsel van de inkomensbelasting vallen ze onder het hoogste tarief; ze betalen het meest btw, en hun roerende en onroerende goederen worden aan de bron belast. Individueel genomen betalen ze wellicht veel meer belastingen dan de laagste inkomens. Ik beschik niet over gegevens over de belastingopbrengst op basis van het inkomen, maar toch dit. Er zijn allicht slechts weinig zeer rijken, zeg maar 10 % van de bevolking; die hebben 30% van het nationale inkomen, en na belasting houden ze nog altijd 20% over. De overige 90% heeft dus na herverdeling 80% van het inkomen. De laagste 60% krijgt door de herverdeling geld bij, de hoogste 40% betaalt daarvoor, in stijgende lijn. Het ziet er dus niet naar uit dat de rijksten niet de zwaarste lasten dragen, ze blijken veeleer als enigen van hun primair inkomen af te staan voor de overige 60%.

Het gaat in de discussie, vooral gevoerd door de socialisten, de communisten en de groenen, maar ook gesteund door de christelijke partijen, dus niet zozeer om de cijfers, maar om de perceptie. De redenering is niet dat de rijken minder belasting betalen dan de loontrekkers, noch individueel, noch collectief, want dat is niet zo, maar dat ze rijk zijn, en dus nog meer kunnen bijdragen. Hun hoge primaire inkomen zou dus nog verder belast worden, zodat ze nog minder overhouden, om zo aan de laagste 60% nog meer inkomen uit herverdeling te geven, of om de staatschuld en het begrotingstekort te verminderen.

Onze samenleving is een gemengd systeem, precies door die grote herverdeling door de staat. Enerzijds kan men hier geld verdienen door te werken en te ondernemen, anderzijds worden de inkomsten zwaar belast, zwaarder dan in andere landen, om diegenen die minder verdienen bij te staan, ook of zelfs vooral door gemeenschappelijker voorzieningen. Tot nog toe werkt dat min of meer, omdat de grootverdieners nog altijd genoeg overhouden, en de anderen er allesbehalve slecht aan toe zijn, al willen ze allebei het laken wel wat meer naar zich toetrekken. Het systeem is echter ontspoord omdat men te veel en te dure gemeenschappelijke voorzieningen heeft, die men niet meer kan betalen met de belastingen, en waarvoor men dus moet gaan lenen. Geld lenen om het te laten renderen is een goed idee, maar geld lenen à fond perdu, zonder het te investeren, is waanzin.

Uiteindelijk komt het erop neer of het gezamenlijk inkomen volstaat voor de gezamenlijke uitgaven. Dat is op verre na niet het geval. Een bescheiden deficit is verdedigbaar, maar een schromelijk overdreven begrotingstekort en een onoverzienbare gecumuleerde staatsschuld is dat niet. Meer belastingen is een oplossing, maar het draagvlak daarvoor is evident gering, en alle belastingbetalers wijzen naar de anderen als mogelijke nieuwe slachtoffers. Minder staatsuitgaven is het alternatief, maar al de personen en instellingen die daarvan genieten zien dat als een onrechtmatige inhouding van inkomsten waarop ze recht menen te hebben.

Het nu door sommigen voorgestelde alternatief, de vermogensbelasting, zal het probleem niet fundamenteel oplossen, het gaat om een relatief kleine ingreep, het gros van de hervorming zal van elders moeten komen, nieuwe belastingen of het verminderen van de uitgaven. De vermogensbelasting is vooral een kwalijke oplossing omdat het een aanslag is op wat in elke rechtsstaat als heilig beschouwd wordt, namelijk het bezit, het eigendom. Als men daaraan gaat raken, lijkt er een belangrijke grens overschreden te worden. Nu is het voorstel 0,3% en nog wat meer voor de nog rijkere enkelingen, maar waar eindigt het? Als belastingen op inkomsten en op aankopen, en ook op erfenissen al algemeen beschouwd worden als overdreven en als een min of meer noodzakelijk kwaad, wat dan te denken van het afnemen van een deel van het bezit? Wat kan daarvoor een aanvaardbare uitleg zijn? Kan men bestraft worden, gewoon omdat men meer bezit dan anderen, ook als men dat bezit rechtmatig verworven heeft, en er alle belastingen al op betaald heeft? Dat lijkt veeleer een uiting van platte afgunst van de armen tegenover de rijken. De politici die dat voorstellen en verdedigen doen dat omdat ze weten dat ze zich daardoor meer gesteund weten door de talrijkere kiezers van de laagste klassen, die er alles bij te winnen hebben, terwijl de rijken, die er uitsluitend het slachtoffer van zijn, veel minder talrijk zijn, en dus minder gewicht in de schaal werpen bij verkiezingen. In die zin is een vermogensbelasting een heel populistisch voorstel. Populisme is een strategie waardoor men zich verzekert van succes bij de verkiezingen door het volk het aards paradijs te beloven, zonder het te kunnen of te willen waarmaken.

Overigens zou men het best eerst eens narekenen wat de eventuele ‘perverse gevolgen’ zijn van een vermogensbelasting. Als men het onaantrekkelijker gaat maken om (veel) geld te verdienen, is kapitaalvlucht niet denkbeeldig, en wordt het ondernemen zelf ook nog iets minder evident. Verre van mij van te beweren dat het in de VS of in China zoveel beter gaat, maar toch vind ik de aanwezigheid van grootverdieners en zelfs multimiljonairs in ons landje niet bepaald aanstootgevend of ergerlijk.

Al bij al lijkt het me gevaarlijk om die grens van het beslag op eigendom zelf te overschrijden, nu er zeker nog veel mogelijkheden zijn om misbruiken tegen te gaan, zowel in de sociale zekerheid als in de belasting van de rijken, om nog te zwijgen van de ontelbare subsidies en voordelen; steeds met de bedoeling om ons land en zijn welvaart te redden van de dreigende financiële ondergang.

Stuur door

De vijgenboom, of de wortels van het antisemitisme.

De vijgenboom.

Het is weer die tijd van het jaar: de vijgenbomen dragen vruchten. Bij mijn buren staat een vijgenboom aan de straat, ik heb die zien opgroeien van een onooglijk plantje tot de metershoge boom die hij nu is. Sinds enkele jaren krijg ik van die lieve buren af en toe wat vijgen, wat ik ten zeerste apprecieer, we eten ze graag bij ons ontbijt van vers fruit en ontbijtgranen. In mijn jeugd kenden we alleen de gekonfijte vijgen, ik had geen idee hoe een verse vijg eruitzag. Die buren zijn nu op vakantie, en ze hebben me verzekerd dat ik zelf vijgen mag plukken, wat ik deze namiddag nog gedaan heb.

Er komt ook een vijgenboom voor in het Nieuwe Testament, bij Marcus 11, 12-14 en 20-24:

12 Toen zij de volgende dag Betanië verlaten hadden, kreeg Hij honger.  13 Hij zag in de verte een vijgenboom in blad staan en ging kijken of Hij er misschien iets aan kon vinden; maar bij de boom gekomen vond Hij niets dan blaren; het was trouwens niet de tijd van de vijgen.  14 Daarom richtte Hij zich tot de boom en zei: “Niemand zal in eeuwigheid nog vruchten van je eten!” Zijn leerlingen hoorden dat. 

20 ‘s Morgens kwamen zij langs de vijgenboom en zagen dat hij tot op de wortel verdord was.  21 Petrus dacht weer terug aan het gebeurde en zei: “Meester, kijk!” De vijgenboom die Gij vervloekt hebt, is verdord.”  22 Jezus antwoordde hun: “Hebt geloof in God.  23 Voorwaar, Ik zeg u: Als iemand tot deze berg zegt: Hef u op en stort u in de zee, en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, voor hem zal het werkelijkheid worden.  24 Daarom zeg Ik u: Alles wat ge in het gebed vraagt, gelooft dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen. 

en Mattheüs 21, 18-22:

18 ‘s Morgens vroeg, op de terugweg naar de stad, kreeg Hij honger.  19 Hij zag een vijgenboom langs de weg staan en ging ernaar toe, maar vond er niets dan bladeren aan. Daarop sprak Hij tot de boom: “In eeuwigheid zult gij geen vrucht meer dragen.” En op slag verdorde de vijgenboom.  20 Bij het zien daarvan vroegen de leerlingen verbaasd: “Hoe is die vijgenboom zo ineens verdord.”  21 Jezus gaf hun ten antwoord: “Voorwaar, Ik zeg u: Als gij maar geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat Ik met die vijgenboom gedaan heb, maar zelfs als ge tot deze berg zegt: Heft u op en stort u in zee, dan zal het gebeuren.  22 En al wat gij in vertrouwvol gebed zult vragen, zult gij verkrijgen.”

Er is hier sprake van een mirakel: de vijgenboom sterft af, in het ene geval in de loop van de nacht, in het andere ogenblikkelijk, op het woord van Jezus. Dat is wat we volop te lezen krijgen in de Evangelies, en dergelijke mirakels worden als een overtuigend bewijs beschouwd van de almacht van Jezus, de Zoon van God en zelf ook God. Dat een boom afsterft is geen wonder, misschien zelfs niet dat die op vrij korte termijn verdort, maar van de ene dag op de andere, en tot in de wortel, of ogenblikkelijk, omdat Jezus het zegt? Dat is onmogelijk, en als het toch gebeurt is het een wonder, een mirakel dat Jezus verricht.

We zien Jezus hier niet van zijn meest gunstige kant. De episode speelt zich af in de tijd van het Joodse Paasfeest, Pesach, de herdenking van de bevrijding uit de Egyptische slavernij, in de tweede helft van maart tot de eerste helft van april, in de joodse eerste maand van het jaar, nisan, die begint met de nieuwe maan, en Pesach komt 14 dagen later, bij volle maan. Rond die tijd zijn er nog geen vijgen. Dat had Jezus even goed moeten weten als elke andere Jood. Hij had zich dan ook de moeite kunnen besparen om te zoeken naar vijgen tussen het loof om zijn honger te stillen. En hij had evenmin redenen om de boom ter dood te veroordelen omdat hij geen vijgen droeg op dat ogenblik.

Jezus legt zijn agressief gedrag uit aan de leerlingen: als je werkelijk in iets gelooft, is niets onmogelijk, ook niet voor zijn leerlingen. Vandaar de Bijbelse uitdrukking: geloof verzet bergen, die wij veeleer symbolisch interpreteren: wie werkelijk bevlogen is, kan veel bereiken, zelfs wat voor onmogelijk geacht wordt — zij het niet wat werkelijk onmogelijk is, zoals een boom doen afsterven met een gebod, of bergen verzetten.

Het christendom heeft die korte passage, die niet voorkomt bij Lucas of Johannes, aangegrepen als een gelijkenis, een parabel, niet alleen als een illustratie van de goddelijke almacht van Jezus, en voor de kracht van het smeekgebed (waarover ik hier onlangs nog schreef), maar als een beeldspraak voor Israël, het Joodse volk, dat hier vergeleken wordt met de vijgenboom die wel fraaie bladeren vertoont, maar geen vruchten draagt voor Jezus, en door hem daarom vernietigd wordt. Zo ook wordt het Joodse volk door God vernietigd omdat het Jezus niet alleen niet aanvaard heeft, maar hem bovendien vermoord heeft. De val van Jeruzalem in het jaar 70 en de nederlaag van de Joden in hun verzet tegen Rome, en de diaspora, de verjaging van de Joden uit hun land werd algemeen gezien als een straf van God. Die interpretatie was al aanwezig in de eerste eeuwen van het christendom, en werd algemeen verkondigd tot ver in de twintigste eeuw, en is ook vandaag nog aanwezig bij gelovigen en priesters. Ze is kenmerkend voor het christelijke antisemitisme, dat door een auteur en historicus als Jules Isaac (1877-1963) in verscheidene indrukwekkende publicaties aangewezen en aangeklaagd werd. In L’enseignement du mépris (1962) wijdt hij een kort maar indrukwekkend hoofdstuk aan die passus en zijn nawerking. In zijn andere werken toont hij overtuigend aan dat er geen sprake is van een algemeen antisemitisme vóór het christendom, en dat het christendom zich wel degelijk van meet af aan bewust schuldig gemaakt heeft aan een rabiaat antisemitisme, ook al zijn er daarvoor geen Bijbelse of dogmatische gronden.

In die zin moet het christendom, gezien zijn zo wijdverbreide en diepgaande invloed op onze beschaving, rechtstreeks verantwoordelijk geacht worden voor de talrijke vormen en gevallen van discriminatie en vervolging van de Joden, en voor het nog steeds bewust of onbewust aanwezige antisemitisme in de Westerse mentaliteit. Men mag zonder enige overdrijving stellen dat er zonder de katholieke Kerk geen antisemitisme zou geweest zijn zoals onze geschiedenis dat gekend heeft. Dat de Kerk daarvan lang na de holocaust eindelijk stilaan afstand is gaan nemen, althans in enkele officiële verklaringen, vooral mede door toedoen van personen zoals Jules Isaac, veeleer dan uit eigen berouwvol inzicht, is allicht op zich een verheugende vaststelling, maar het is onvoldoende om de afschuwelijke resultaten van een infame eeuwenlange officiële indoctrinatie ongedaan te maken, als dat ooit al mogelijk zal zijn. Het christelijke antisemitisme is wellicht niet de meest algemeen bekende misdaad van het christendom, en inzonderheid van de katholieke Kerk, maar door zijn historische omvang en onbegrijpelijke uitzonderlijke wreedheid is het als broeder- en oudermoord misschien wel de meest onchristelijke, en daardoor een van de meest onvergeeflijke.

Stuur door

wereldverbeteraars

Verbeter de wereld, begin bij jezelf.

In het voorlaatste jaar van het secundair onderwijs, ik moet toen zestien of zeventien geweest zijn, kregen we als onderwerp voor een Nederlands opstel het gezegde ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf.’ Dat sprak me blijkbaar aan, want tijdens het weekend zette ik me aan het schrijven en het werd een tekst van vierentwintig velletjes van het verplichte huiswerkpapier van de school. Eerst in het klad, dan overschrijven, ik ben er twee dagen mee bezig geweest. Ik onderzocht, met mijn beperkte kennis van toen, eerst of anderen de wereld konden verbeteren, bijvoorbeeld liefdadige instellingen, of politieke partijen, of ideologieën, of godsdiensten en religieuze organisaties, telkens met voorbeelden die moesten aantonen dat die er niet in slaagden om de wereld werkelijk te verbeteren. Ten slotte kwam ik dan tot de conclusie die ook al in het gezegde vooropgesteld was, namelijk dat het enige dat je echt kan doen om de wereld te verbeteren erin bestaat dat je probeert zelf zo goed mogelijk te zijn.

Wat we van jongs af aan meemaken en leren, blijft ons een heel leven lang bij. Dat is ook zo geweest voor de gedachte die ik toen zo uitvoerig uitwerkte, tot bewonderende verbazing van mijn leerkrachten — een opstel van die omvang hadden ze nog niet te lezen gekregen. Dat vroege inzicht heb ik een leven lang behouden, en het heeft me altijd voor ogen gestaan bij het vormen van mijn oordeel en het nemen van beslissingen. Het is mijn diepste overtuiging dat men het best gediend wordt door de eigen inspanningen, en dat de vooruitgang in de wereld toe te schrijven is aan wat men doet voor zichzelf, uit welbegrepen eigenbelang.

Vanzelfsprekend moet men daarbij rekening houden met het basisgegeven dat wij niet alleen zijn op de wereld: no man is an island. We hebben elkaar nodig. Het is dus van groot belang dat we in goede verstandhouding leven met de anderen, niet uit onbaatzuchtige naastenliefde zoals bijvoorbeeld het christendom voorhoudt, maar vanuit ons fundamenteel eigenbelang.

Hoe meer we werken aan onze eigen lotsverbetering, aan het ontplooien van onze eigen mogelijkheden, aan het verdiepen van onze inzichten en onze morele principes, des te meer worden we betere mensen, niet alleen voor onszelf, maar ook voor de anderen. Niets is nuttiger voor een mens dan een andere mens, zegt Spinoza, maar hij voegt eraan toe: een andere mens die geleid wordt door de rede. Daarin bestaat inderdaad de beste verbetering van onszelf, namelijk dat wij ons steeds meer en beter laten leiden door de rede, door zelf na te denken en door na te denken over wat anderen denken.

Een van de concrete gevolgen van die leidraad die ik me al zo vroeg eigen maakte, is dat ik bijzonder argwanend stond en nog steeds sta tegenover allerlei vormen van moreel opgelegd altruïsme en naïeve liefdadigheid, die vooral maar niet uitsluitend gepredikt worden door het christendom. Niet alleen is het verre van evident dat de beoogde doelstellingen gehaald worden, het is bovendien overduidelijk dat er vaak ontstellende negatieve neveneffecten zijn. Maar het probleem zit veel dieper: men vertrekt namelijk van de verkeerde ingesteldheid, namelijk dat de lotsverbetering afhankelijk kan zijn van anderen, en niet van de persoon zelf.

Dat betekent dat ik me altijd grote vragen gesteld heb bij de zogenaamde ontwikkelingshulp, de financiële steun van ‘rijke’ landen aan ‘arme’, zowel onder de vorm van rechtstreekse overdracht van geld als via de inzet van betaalde ontwikkelingswerkers. Dat geld lijkt zelden goed terecht te komen of goed besteed te worden, en de resultaten van het ontwikkelingswerk zijn veel minder dan spectaculair, zeker op langere termijn. De concrete en directe oorzaken daarvan zijn ongetwijfeld complex, maar de onderliggende redenen zijn steeds dezelfde, namelijk dat men mensen niet zelf verantwoordelijk stelt voor hun eigen lot, en dat men hen materieel en mentaal afhankelijk maakt van de geboden hulp.

Een goed, maar schrijnend voorbeeld daarvan is ‘het Palestijnse volk’. Het is werkelijk onvoorstelbaar hoeveel geld en andere middelen daaraan al besteed is sinds het einde van de Tweede wereldoorlog, en hoe weinig goeds dat opgeleverd heeft. Vooral in Gaza is de bevolking op alle gebied volledig afhankelijk gemaakt van buitenlandse steun, maar desondanks, of juist daardoor, in diepe ellende gedompeld. Wanneer men kan teren op wat men gratis krijgt, verdwijnt elke natuurlijke drijfveer om door eigen inspanningen te overleven en het eigen lot en dat van de naasten te verbeteren. Niets is meer vernederend en mensonterend dan mensen afhankelijk te maken van anderen. Dankbaarheid is een diepmenselijk gevoel, maar mensen herleiden tot onderworpen dankbaarheid is een van de ergste zaken die men hun kan aandoen.

Moet men dan de ogen sluiten voor al de ellende in de wereld? Natuurlijk niet. Maar de inspanningen die we leveren om ze te lenigen moeten erop gericht zijn ze structureel op te lossen, niet om ze in stand te houden door ze permanent te blijven subsidiëren. En zeker een deel van de ellende zal blijven bestaan, omdat ze door de betrokkenen ter plaatste zelf veroorzaakt en in stand gehouden wordt, ondanks alle hulp en zelfs militaire interventies van de VN, bijvoorbeeld. Als mensen zelf niet beter willen of kunnen, zijn alle bemoeienissen van buiten uit nutteloos, en zelfs schadelijk voor alle betrokkenen. Die endemische ellende oplossen is geen verplichting voor de rest van de mensheid, zelfs indien die daartoe in staat zou zijn, wat manifest niet het geval is.

Ik heb het dan ook altijd moeilijk als men mij komt vragen om een financiële bijdrage te leveren voor een of ander goed doel. Meestal is het zeer onduidelijk of het geld wel bij de mensen zelf terecht komt, er blijft altijd veel, soms heel veel aan de vingers plakken van de beheerders. De efficiëntie van de geboden hulp is altijd ten minste twijfelachtig. Daarnaast nemen fondsenwervers bijna altijd een of ander ideologisch of politiek standpunt in waarmee ik het geenszins eens kan zijn. Zo is 11.11.11 uitgegroeid tot een ‘koepel van internationale solidariteit’ met zeer uitgesproken politieke standpunten, bijvoorbeeld over de Palestijnse kwestie, tegen Israël.

Ik ben al verscheidene keren op zoek gegaan naar een organisatie die ik zou kunnen steunen zonder mijn principes geweld aan te doen, maar telkens stuitte ik op belangrijke elementen die me ervan weerhielden een bijdrage te leveren. Men zou dan kunnen zeggen: steun dan mensen die je persoonlijk kent, in de derde of de vierde wereld. Maar ook dat is niet evident. Zo heb ik van vrij nabij een geval gekend van iemand van bij ons die rechtstreeks financiële hulp bood aan een gezin in centraal Afrika. Aanvankelijk was alles rozengeur en maneschijn, bij manier van spreken, maar algauw bleken er zaken te zijn die niet helemaal klopten of waarmee de weldoeners niet akkoord gingen, en daarover hun zeg wilden hebben en bepaalde voorwaarden wilden stellen voor hun hulp, wat natuurlijk op terecht verzet stuitte van de mensen die ze steunden. Voor mij was dat een zoveelste bewijs dat liefdadigheid nooit een oplossing is. Wie van liefdadigheid leeft, is niet vrij, en is allerminst geneigd om voor zichzelf in te staan. Overigens is liefdadigheid nooit in staat om alle ellende op te lossen en dus noodzakelijkerwijs onterecht selectief, en is het niet zelden slechts een bedenkelijk middel om oprechte of aangeprate schuldgevoelens te proberen te sussen.

De boodschap aan alle would-be wereldverbeteraars en aan alle mensen die getroffen worden door het leed in de wereld is althans in mijn ogen deze: als je de wereld wil verbeteren, begin met jezelf. Probeer zelf de beste persoon te zijn die je kan zijn. Als we dat met zijn allen ernstig proberen, kan het niet anders dan dat de hele wereld daardoor beter zal worden.

Stuur door

Bewapeningswedloop

Si vis pacem… Over vrede, zelfverdediging en defensie-uitgaven.

Sinds enige tijd krijgen we voortdurend te horen dat we niet meer in vredestijd leven, dat de oorlog nabij is, dat de oorlogsdreiging reëel is, en dat we ons erop moeten voorbereiden door onze bewapening te verbeteren en dus de uitgaven voor ‘defensie’ drastisch te verhogen. Dat leidt soms tot merkwaardige redeneringen en uitspraken. Onlangs legde de stafchef van het Belgische leger uit dat de recente enorme investeringen in bewapening van Rusland er wel moeten toe leiden dat die wapens na het conflict in Oekraïne ongetwijfeld ook ingezet zullen worden in andere landen, meer bepaald tegen die van de NAVO. Waarschijnlijk bedoelde hij het niet zo, en ging hij er veeleer van uit dat Poetin imperialistische ambities heeft, maar ongewild legde hij de vinger op de wonde: het bezit van wapens is op zichzelf de oorzaak van gewapende conflicten. Wapens zijn er om gebruikt te worden, en voor dat gebruik is een reden nooit ver te zoeken. Als er ergens een conflict is, van welke aard dan ook, en een of meer betrokken partijen beschikken over wapens, dan is de kans evident groter dat het tot een gewapend conflict komt dan wanneer ze niet over wapens beschikken, en zijn de gevolgen van het gewapend conflict evident groter naarmate ze over meer en krachtiger wapens beschikken.

De NATO-landen hebben nu beslist dat ze hun uitgaven voor wapens zullen verhogen tot 3,5 of zelfs 5 % van hun BNP. Er zullen dus veel meer, veel krachtigere en efficiëntere wapens zijn. Volgens de redenering van de stafchef zelf wordt de kans dat ze ook gebruikt worden daardoor evenredig groter. En dat leert ons ook de geschiedenis, maar dat wordt vandaag handig vergeten, net zoals men ook vergeet wat de verschrikkingen van de oorlog zijn, hoewel we elke dag afschuwelijke beelden te zien krijgen van oorlogen die nu gebeuren. Men zou verwachten dat men dan alles zou doen om gewapende conflicten te vermijden, en in de eerste plaats het wapenarsenaal te verkleinen, zodat de kans op wapengeweld en de omvang en intensiteit van het lijden daardoor drastisch kleiner zouden worden, maar het tegendeel is het geval. Zowat iedereen zegt nu zonder enige scrupule dat we ons moeten voorbereiden op oorlog, en dat zo de vrede het best gediend wordt. Vrede wordt rechtstreeks afhankelijk gemaakt van onze mogelijkheden om ons te verdedigen tegen mogelijke vijanden, en zelfs om hun agressie te voorkomen door hen als eersten aan te vallen, de bekende theorie van de preemptive strike, de preventieve aanval, die ook door een Belgische legerchef onomwonden verdedigd werd.

Terloops wil ik nog een bedenking formuleren over die percentsgewijze verhoging van de militaire uitgaven door de NATO-landen. Landen met een hoog BNP zullen dus evenredig meer uitgeven aan hun eigen verdediging, ongeacht hun bevolkingsaantal of hun oppervlakte. Het gaat dus niet om een bijdrage aan een gezamenlijk budget, waarbij de rijken mee betalen voor de armen, want de NATO heeft geen eigen leger, er zijn alleen maar nationale legers. Kleine maar rijke landen als België en Nederland moeten dus veel grotere bedragen uitgeven aan hun verdediging dan andere landen, alsof de kosten voor de verdediging van een land afhankelijk zijn van zijn BNP, en alsof alle NATO-landen beter beveiligd zijn als rijke landen meer uitgeven, alsof zeg maar Noord-Macedonië veiliger zou zijn omdat België een groter deel van zijn BNP uitgeeft aan zijn eigen bewapening. Trump is blijkbaar de enige die dat inziet, want hij stelt terecht dat Amerika als enig NATO-land het budget voor bewapening niet percentsgewijze moet verhogen omdat het in reële cijfers al (veel) meer dan genoeg doet. Merk op dat de militaire uitgaven van de NATO-landen 1,5 biljoen $ belopen, of 1.500 miljard, die van Rusland 75 miljard. Is het aannemelijk dat Rusland zich daardoor bedreigd voelt? Is het wel aannemelijk dat de NATO zich bedreigd moet voelen?

Wettige zelfverdediging tegen een vermoede of vermeende aanvaller of vijand is van oudsher de reden die men inroept voor de rechtvaardige, of beter de gerechtvaardigde oorlog. Dat was al zo voor Duitsland in de Tweede wereldoorlog; Hitler ging zelfs zover de uitroeiing van de Joden te verantwoorden doordat zij de wereld in een oorlog stortten, en beschuldigde Polen ervan Duitsland eerst aangevallen te hebben. Amerika viel Cuba, Vietnam, Laos, Cambodia, Afghanistan, Iran aan uit zelfverdediging. Rusland valt Oekraïne aan ter verdediging van de Russische bevolking van de Donbas. Israël handelt uit zelfverdediging in Gaza, in Irak, in Libanon, in Syrië. Amerika handelde recentelijk uit zelfverdediging in Irak en Yemen, heeft overal troepen en legerbases, en levert aan de hele wereld wapens, allicht ook uit zelfverdediging

De dag van vandaag is het ook bij ons bon-ton om defensie, bewapening en het leger te verheerlijken, en de uitgaven daarvoor spectaculair te doen toenemen, ondanks een even spectaculair begrotingstekort en grote bezuinigingen op zowat alle andere domeinen, steeds ‘om de vrede te bewaken’ en ons te verdedigen tegen mogelijke aanvallen. Personen die daarvoor pleiten zijn te kwader trouw, gewetenloos, kortzichtig, onwetend, misleid of moreel corrupt. Wie zich daartegen niet verzet, maakt zich mede schuldig aan het onheil dat daaruit onvermijdelijk moet voortvloeien.

Uit gesprekken met mensen uit mijn omgeving weet ik dat ik ongeveer alleen sta met mijn pacifistische opvattingen en met mijn waarschuwing tegen de huidige wapenwedloop. Dat is voor mij een reden te meer om althans mijn stem hier te verheffen, ook al zal dat zonder gevolg blijven. Ik kan alleen maar hopen dat mensen zich toch gaan bezinnen, voor het te laat is, maar het ziet er niet goed uit, precies door die wapenopbouw. Ik ben geboren in januari 1946, kort na het einde van een wereldoorlog; ik hoop, zowel voor mezelf als voor al mijn medemensen, dat ik het begin van de volgende niet zal moeten meemaken.

Stuur door

Theocratie en democratie

Theocratie als verzorgingsstaat, democratie als welvaartsstaat.

Flavius Josephus (37-ca. 100), een Joods-Romeinse geschiedschrijver, was de eerste die de term theocratie gebruikte, in zijn verdediging van het Joodse volk en zijn levenswijze, in het boek dat hij aan het einde van zijn leven in het Grieks schreef, en dat bekend staat, in zijn Latijnse vertaling, als Contra Apionem, tegen Apio, een hellenistische tegenstander uit Alexandrië in Egypte. Hij beschrijft die theocratie meesterlijk als een allesomvattende verzorgingsstaat, waar alles tot in de kleinste details voorgeschreven is door de wet, en iedereen zich ertoe verbindt alles nauwgezet na te leven. Dat is wat ook het christendom nadien beoogde, en wat de islam nog altijd beoogt. En ook onze westerse sociale verzorgingsstaten zijn daarvan afgeleid, evenals het communisme. Van oudsher zijn er mensen die op eigen krachten willen instaan voor hun welzijn, en anderen die daarvoor een beroep doen op de staat. De staat int daartoe belastingen bij diegenen die door hun inspanningen een meerwaarde creëren. Zolang de staat het belastinggeld gebruikt voor algemene voorzieningen, zal men bereid zijn om daartoe bij te dragen naar eigen daadkracht en vermogen. Wanneer men echter vaststelt dat de staat ook in het volledige persoonlijke levensonderhoud gaat voorzien van een niet onaanzienlijk deel van de bevolking, dat zich zo onttrekt aan de verplichting om door eigen inspanningen bij te dragen aan het algemeen welzijn, wekt dat wrevel op bij degenen die daarvoor moeten opdraaien. Men is in het algemeen wel bereid om in te staan voor de basisbehoeften van mensen die om evidente redenen niet in staat zijn om dat zelf te doen, maar men is terecht argwanend wanneer sociale systemen aanleiding geven en zelfs aanzetten tot misbruik — wat echter onvermijdelijk is: de menselijke vindingrijkheid wordt zowel aangewend om zelf meerwaarde te creëren als om onterecht te profiteren van sociale systemen bedoeld voor echte behoeftigen.

In België hebben we een gemengd systeem, waarin beide strekkingen aan bod komen. Er is een grote vrijheid van ondernemen, maar ook een groot sociaal vangnet. Vandaar dat de belastingen hier uitzonderlijk hoog zijn, om de sociale uitgaven te kunnen betalen. Maar zelfs dat volstaat niet: de begroting is structureel deficitair en de staatsschuld, de leningen die de staat moet aangaan om rond te komen, is buitensporig groot. De voorstanders van de verzorgingsstaat eisen meer belastingen en minder vrijheid van ondernemen, de ondernemers minder belastingen en minder sociale voorzieningen; de middenklasse zoekt een compromis, maar begint stilaan in te zien dat er toch iets zal moeten gebeuren om de begroting toch meer in evenwicht te brengen. Europa dringt daarop sterk aan, en dreigt met sancties.

De meningen zijn verdeeld, in ons land en in de rest van de wereld. Iedereen heeft een eigen mening, of deelt de mening van anderen. Meestal gaat het dan om concrete aangelegenheden, bijvoorbeeld de voorwaarden om een leefloon te krijgen en de grootte van dat bedrag; de pensioengerechtigde leeftijd voor iedereen en de uitzonderingen daarop; de duur van het ‘recht’ op werkloosheidsuitkeringen; de belasting op rijkdom en inkomsten die niet uit arbeid voortkomen; de kosten van de ziekteverzekering; subsidies allerhande, de indexering van lonen en uitkeringen enzovoorts. Zelden wordt de grond van de zaak aangekaart, namelijk de vraag welke staatsinstelling de meest efficiënte is: de socialistische of de liberale.

De socialistische streeft naar een zo groot mogelijke herverdeling door de staat, een maximale staatsinmenging in het openbare en het individuele leven, met het oog op de grootste gelijkheid van alle burgers. De liberale streeft naar een zo groot mogelijke vrijheid van individuen, groepen en organisaties, minimale staatsinmenging, en enkel de hoogstnoodzakelijke ondersteuning van reële behoeftigen, met het oog op een maximale inzet van alle krachten voor het algemeen welzijn. Het gaat erom welk van beide systemen er het best in slaagt om mensen aan het werk te zetten, en zo weinig mogelijk mensen ertoe brengt zich daaraan te onttrekken.

Fundamenteel is elk individu in de eerste plaats bezorgd om het eigen voortbestaan en welzijn, en beseft tevens dat iedereen daarvoor in zeer grote mate afhankelijk is van de samenwerking met anderen, zeker in een complexe, hoogtechnologische wereld met acht miljard mensen. Men zou dus kunnen denken dat het liberale systeem, dat de persoonlijke inzet van het individu benadrukt, meer aansluit bij de menselijke natuur, de overlevingsdrang, het streven naar geluk en het vermijden van onheil. Maar in een moderne samenleving kan diezelfde overlevingsdrang net zo goed mensen aanzetten om zich te onttrekken aan arbeid en optimaal gebruik te maken van alle vormen van staatstussenkomsten, als om door arbeid en inzet zelf te voorzien in het eigen levensonderhoud. Het sociale profitariaat, in al zijn vormen, en in alle bevolkingslagen, vormt een fatale bedreiging voor de samenleving wanneer de staatsuitgaven voor de sociale zekerheid de inkomsten uit rechtvaardige belastingen overschrijden. En wanneer de belastingen zo hoog oplopen dat ze een domper zijn op de ondernemingslust, zullen daardoor de staatsinkomsten veeleer dalen dan toenemen, en wordt het begrotingstekort groter aan de inkomstenzijde.

De wereld is verdeeld. Er zijn enorme verschillen in rijkdom en voorzieningen tussen landen en regio’s, en tussen mensen in die landen en regio’s. De oorzaken daarvan zijn complex, en het is weinig waarschijnlijk dat het ooit anders zal zijn. Wat we wel vaststellen, is dat de acht miljard mensen het nu globaal beter hebben dan ooit tevoren, ondanks de enorme verschillen. Misschien ligt daarin een aanwijzing voor de toekomst. Het verleden leert ons dat alle pogingen om door een opgelegd systeem iedereen zoveel mogelijk gelijk te maken, faliekant aflopen. Laten we dus de vrijheid in verscheidenheid aanvaarden en zelfs bevorderen, veeleer dan die in te perken en af te keuren.

Ongetwijfeld zijn er mensen die de voorkeur geven aan een beschermd leven, waarin heel veel voor hen geregeld wordt. Dat betekent echter onvermijdelijk dat er ook mensen moeten zijn die hen beschermen en alles voor hen regelen, en toezien op het naleven van de regels, die aldus beslissen over goed en kwaad. Als dat ideale, volmaakte mensen zouden zijn, zou dat inderdaad een heel aantrekkelijke en voor velen zelfs een wenselijke situatie zijn. Maar dergelijke mensen zijn uiteraard zeldzaam, als ze er al zijn. Vaak zijn het juist heel andere lieden de zich als leiders van groepen en gemeenschappen opwerpen, gedreven door machtswellust, roemzucht, inhaligheid, hoogmoed en gemakzucht. Daarom is het altijd beter dat mensen zelf onderling op basis van gelijkheid afspraken maken, voortdurend aangepast aan de wijzigende omstandigheden. Omdat een socialistische ideologie principieel uitgaat van regelgeving om een ideaal van gelijkheid te realiseren, is die van aard om totalitaire systemen voort te brengen, terwijl in een liberale ideologie de nadruk veeleer ligt op de vrijheid van het individu en de vrijheid van vereniging, om door de natuurlijke drang naar persoonlijk zelfbehoud, welzijn en geluk de algemene welvaart te bevorderen, ook voor mensen die van die vrijheid geen gebruik kunnen of willen maken.

Ook in dergelijke samenlevingen zullen er dus leiders en volgers zijn, maar het grote verschil is dat in dit geval de leiders niet bepalen hoe anderen moeten denken en handelen, en iedereen de onvervreemdbare vrijheid behoudt om te denken wat men wil, en te zeggen wat men denkt (Spinoza). In een waarlijk democratische samenleving zal er nog altijd ongelijkheid zijn, omdat de individuele vrijheid die haar essentie is, ervoor zorgt dat mensen hun natuurlijke mogelijkheden en begaafdheden op verschillende wijze aanwenden, ten bate van het algemeen welzijn. Hetzelfde vrijheidsideaal zal er tevens voor zorgen dat de fundamentele gelijkheid van alle mensen niet in het gedrang komt. Wat wij wensen voor onszelf, wensen wij immers vanzelfsprekend ook de anderen toe (eveneens Spinoza). Die anderen zijn de mensen met wie wij samenleven, in de eerste plaats onze naasten, maar bij uitbreiding is dat de hele gemeenschap van alle mensen.

Stuur door

Israël: zij en wij

Wij en zij

Als we de persoonlijke voornaamwoorden bekijken, valt het op dat we daarmee altijd een onderscheid maken. Ik staat tegenover jij, de andere. En beiden, ik en jij, staan tegenover de nog andere derde. Evenzo in het meervoud. Wij staat tegenover jullie, en beiden tegenover de nog andere derden, zij. Het meervoudige wij is nog altijd slechts een beperkte groep, naargelang de omstandigheden onderscheiden van de anderen: zij. We hebben geen voornaamwoord om het algemeen gemeenschappelijke uit te drukken, het alomvattende van de mensheid, waarin we allen gelijk zijn. Binnen die algehele gemeenschap van nu al acht miljard mensen voelen we de nood om voortdurend de verschillen aan te duiden, vooral de verschillen met onszelf. Wij zijn anders dan zij, zij zijn anders dan wij.

Dat is echter een vertekenend beeld. Het is alsof anderen de afwijking zijn van de norm, de uitzondering op de regel, de vreemde eend in de bijt, en vaak ook de zondebok. Zelfs als we de minderheid zijn, en dat zijn we altijd, want er is geen identieke groep groot genoeg om op zich een meerderheid te zijn, redeneren we alsof we toch zo niet de grootste, dan toch de belangrijkste groep zijn: non sunt numerandi sed ponderandi. Het is niet het gewicht dat van belang is, maar het soortelijk gewicht. Zoals vroeger, vóór het algemeen stemrecht, toen sommigen meer stemmen kregen dan anderen, en velen helemaal geen stem.

De anderen krijgen dan een naam, de naam van de groep waartoe ze behoren, de andere groep, waartoe wij niet behoren. Die naam bepaalt wie ze zijn, en hoe we over hen denken, hoe we met hen omgaan. Meestal zijn het geen vleiende namen die we aan anderen geven. Hoe kan het ook anders, ze zijn immers niet zoals wij, en dat belooft niets goeds. Van een loutere vaststelling van het feit dat ze anders zijn, gaat het vaak algauw naar een meer uitgesproken waardeoordeel, meestal negatief, denigrerend. En zelfs als dat niet zo is, als we hen als onze meerderen of beteren (moeten) erkennen, gebeurt dat niet van harte, maar met rancune, afgunst, verwijten en beschuldigingen.

Zo vergeten we dat we allemaal mensen zijn, niet zomaar een beetje gelijkend, maar gelijken, behorend tot dezelfde soort, homo sapiens sapiens. En we vergeten dat mensen die tot een andere groep behoren dan de onze nog altijd individuele mensen van onze eigen soort zijn, niet te herleiden tot de groep waartoe ze feitelijk of volgens ons behoren.

Naast identificeerbare groepen, zoals mensen die van elkaar verschillen door hun biologisch geslacht, of door hun huidskleur, of hun taal, of hun cultuur, of hun politieke of godsdienstige overtuiging, zijn er ook instellingen, organisaties, verenigingen van mensen met een specifieke doelstelling, en dat is eveneens een manier om hen van ons en van onze vereniging te onderscheiden, en te vergeten dat het om individuele gelijke mensen gaat. Zo kunnen we zeggen dat de bank ons bedrogen heeft, en niet een perfide bankdirecteur of een corrupt bestuur, dat de politie te hard optreedt (tegen ons) of juist niet hard genoeg (tegen de anderen), en niet die ene politieagent; dat de staat tekortschiet of zich juist te veel bemoeit, en niet de mensen die het voor het zeggen hebben; dat de Kerk zich schuldig maakt aan seksueel en ander misbruik, en niet de vele individuele daders; dat de islam fanatiek is en terrorisme aanmoedigt, en niet de mensen die het daar voor het zeggen hebben; dat de drugdealers misdadigers zijn en de druggebruikers slachtoffers of mededaders, en niet die ene persoon die dealt of snuift; dat steuntrekkers profiteurs zijn en rijken witteboordencriminelen, en niet die ene werkloze in onze straat, niet die bevriende bankier enzovoorts, ad infinitum.

Telkens gaat het over hen, de anderen, zij, niet over individuen, concrete mensen.  Wij spreken over hen het oordeel uit; zoals Adam aan alle dieren, geven wij aan alle anderen naar eigen goeddunken hun naam, de naam van hun soort. Maar ongewild, kwansuis vergeten we gemakshalve maar volledig ten onrechte, dat het altijd om één of meer individuen gaat, een of meer concrete mensen zoals wij. Ik betrap mezelf erop dat ik fulmineer tegen de Kerk, de islam, de godsdienst, terwijl dat geen abstracte begrippen zijn, maar verzamelingen van mensen zoals ik, dode en levende, die individueel niet te herleiden zijn tot de groep waartoe ze behoren, die allen uniek zijn, zelfs als ze één of zelfs talrijke kenmerken gemeen hebben, zelfs als ze hun anders-zijn prominent belichamen, zelfs als ze het epitoom ervan zijn, het typische voorbeeld, zelfs als ze de leidende figuur ervan zijn.

Mijn ouders hebben de beide wereldoorlogen meegemaakt, en hadden geen grote voorliefde voor de Duitsers, en dat hebben zij, samen met de hele naoorlogse cultuur, doorgegeven aan mij (°1946) van in mijn prilste jeugd. Toen ik op een keer voor zaken toch in Duitsland beland was en mijn onwennigheid daarover uitte aan mijn Duitse gastheer, en als reden de rol van Duitsland in de oorlogen opgaf, antwoordde hij, die veel jonger was dan ik, dat hij dezelfde gevoelens had tegenover die Duitsers. Ik had hem onbewust tot lid van een andere, kwalijke groep gemaakt, terwijl hij daartoe niet behoorde en niet wenste te behoren. Voor hem waren dat ook anderen, zij, niet wij.

Het zijn dus altijd individuen die denken en handelen. Niet dat ze altijd individueel handelen, de sociologie en de psychologie beschrijven (en blijven het best bij het beschrijven alleen…) hoe mensen gezamenlijk optreden, welke groepsdynamieken spelen, hoe propaganda werkt. Er rijzen quasi onbeantwoordbare vragen over de individuele persoonlijke verantwoordelijkheid bij collectief gedrag, en over de verpletterende verantwoordelijkheid van degenen die dat individuele gedrag van velen aansturen.

Ik las onlangs een boek dat ik sinds jaren in mijn bezit heb, ik weet niet meer wanneer ik het me aangeschaft heb, maar onlangs viel mijn oog erop, en begon ik het te lezen. Het gaat om Genèse de l’antisémitisme van de befaamde Franse historicus Jules Isaac (1877-1963). Daarin bestudeert hij grondig de vermeende en reële uitingen van antisemitisme in de oudheid en de middeleeuwen, tot aan het jaar 1000. Het is een waar requisitoir tegen de rol ter zake van het christendom, maar desondanks uiterst genuanceerd. Aan de hand van oorspronkelijke teksten en ernstige historische studies wijst hij voortdurend aan wie zich binnen de christelijke Kerk te buiten is gegaan aan antisemitisme, en wat daarvan de gevolgen geweest zijn — zijn echtgenote en dochter kwamen om in Auschwitz, maar dat vermeldt hij niet in dit boek. Het viel me daarbij voortdurend op dat hij weigert zich schuldig te maken aan groepsdenken, aan het verdacht maken of beschuldigen en het veroordelen, of het vrijpleiten, van groepen. Het zijn inderdaad altijd individuele mensen die denken en handelen, zelfs als ze het denken en handelen van anderen herhalen of imiteren, zelfs als gedachten en handelingen gemeengoed worden in sommige groepen, op sommige plaatsen, op sommige tijdstippen of periodes, zoals het antisemitisme in het christendom. Ik heb het fascinerende, ontstellende boek in een ruk uitgelezen, en raad iedereen aan om het eveneens ter hand te nemen.

Het is uitstekende achtergrondliteratuur voor een meer serene en geïnformeerde benadering van de verschrikkelijke gebeurtenissen in Gaza sinds 7 oktober 2023. Isaac geeft in zijn werken herhaaldelijk aan dat er in de loop van de geschiedenis van Joodse kant allicht sprake is geweest van provocatie, en van aanleiding tot afgunst en wantrouwen, maar weigert te aanvaarden dat het Joodse volk zelf om een of andere reden verantwoordelijk zou zijn voor het vaak rabiate antisemitisme van het christendom. Volgens dezelfde redenering kan men ook stellen dat de politiek van vorige en zelfs van de huidige Israëlische regeringen geen voldoende reden mag zijn voor het fundamentele en rabiate antisemitisme van Hamas en zijn bondgenoten. Het huidige antisemitisme is hoofdzakelijk het resultaat van eeuwenlange negatieve beeldvorming, diaboliseren van de vijand, propaganda en indoctrinatie.

Het is niet waarschijnlijk dat een situatie die al meer dan vierduizend jaar tot bloedige twisten geleid heeft op korte termijn een vreedzame oplossing zal krijgen. Toch kan het niet anders dan dat een oplossing enkel in overleg tot stand zal komen, en niet met geweld. Het is pas wanneer we onze fundamentele gelijkheid als basis nemen voor ons samenleven en afstand nemen van wat ons onderscheidt, pas wanneer wij altijd de voorrang krijgt op jij, hij, jullie en zij, dat we kunnen beginnen te bouwen aan een wereldwijde gemeenschap van gelijkgezinden, en dat geweld zinloos wordt. Wanneer we denken geweld te gebruiken tegen anderen, gebruiken we immers geweld tegen onze gelijken, dus niet tegen zij, maar tegen wij.

Stuur door

De Verlichting en haar belagers

Maarten Boudry, Het verraad aan de verlichting. Pleidooi voor een nieuwe vooruitgangsbeweging, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2025, ISBN 9789044654356, 348 blz., € 27,50 pb.

Maarten Boudry komt genoeg in de media en zijn uitgesproken ideeën en stevig geformuleerde en geargumenteerde opvattingen zijn voldoende bekend. Veel daarvan vinden we terug in zijn jongste boek, zodat ik me niet onledig hoef te houden met die hier uitvoerig te herhalen of te proberen ze samen te vatten. Ik beperk tot enkele gedachten die bij mij opkwamen tijdens het lezen.

Eerst een detail. Het dragende woord in het boek is ‘verlichting’ en de auteur schrijft dat zonder hoofdletter. Dat kan, maar op zich is dat althans mijns inziens onnauwkeurig. Zonder hoofdletter betekent het letterlijk ‘wat dient om te verlichten’, bijvoorbeeld straatverlichting, indirecte verlichting en zo meer. Er zijn ook andere, figuurlijke betekenissen. Als bedoeld wordt ‘het tijdperk der verlichting’ schrijf je naar mijn aanvoelen beter ‘de Verlichting’, zoals je ook het onderscheid maakt tussen de Kerk en een kerk. Maar ik begrijp dat de auteur ervoor kiest om dat in een heel boek over de Verlichting niet te doen, omdat er op een mogelijke uitzondering na het woord enkel in die specifieke zin gebruikt wordt, zodat verwarring of misverstanden uitgesloten zijn. Daarnaast zou een opeenhoping van overbodige hoofdletters de lay-out wellicht nodeloos belasten. Maar toch wil ik het hier even vermelden.

Maarten Boudry noemt zich terecht wetenschapsfilosoof, zijn CV en zijn bibliografie staan daarvoor genoegzaam garant. Dit boek is voorzeker gebaseerd op zijn al indrukwekkende wetenschappelijke palmares, maar het is veeleer de wetenschapsjournalist die hier aan het woord is, de politieke analist, de maatschappijkritische denker en activist. Dat blijkt niet alleen uit de onderwerpen en de vele voorbeelden en anekdoten die veelal uit de actualiteit komen, maar ook uit de gevatte, met modewoorden en vlotte uitdrukkingen gekruide taal en de geëngageerde journalistieke stijl. Dat maakt het boek boeiend en heel leesbaar.

Er zijn echter voortdurend verhelderende passages die veel dieper graven en onvermoede historische en filosofische achtergronden blootleggen van hedendaagse tendensen en fenomenen, en daarin is Boudry op zijn best. Hij is niet te beroerd om heilige huisjes neer te halen, of tegen de pilaar van een zelfingenomen styliet te plassen. Het is geen geheim dat hij geen grote bewondering heeft voor postmodern gedoe, en zijn afrekening met enkele coryfeeën daarvan is om van te genieten. Tenzij je graag postmodern bent, of doet, natuurlijk.

Een teer punt in onze hedendaagse samenleving is het slachtofferschap. Boudry heeft het uitdagend, of zelfs tergend voor wie zich als dusdanig kwalificeert, over de tirannie van het slachtofferschap. Je mag van iemand niet zeggen dat die dik is, of overgewicht heeft: dat is body shaming. Slachtoffers, ook of vooral vermeende slachtoffers genieten een geprivilegieerd statuut, of eisen dat op. Er mogen geen vragen gesteld worden over de oorzaak of de reden waarom men een slachtoffer is, of wie dan wel de schuldige daders zijn.

Hoewel de auteur het groene thema al uitgebreid behandelde in eerdere publicaties, komt het ook hier uitvoerig aan bod. Hij ergert zich blauw aan het groen-linkse doemdenken en aan hun impliciet verzet tegen elke vooruitgang, waardoor de oorspronkelijke progressieven stilaan conservatief en zelfs regressief geworden zijn, en ze welvaart veeleer als een bedreiging zijn gaan zien dan als een doel.

Het vooruitgangsoptimisme van Maarten Boudry is aanstekelijk, en zijn oproep en aanbevelingen voor een nieuwe progressieve beweging zijn overtuigend en terecht. Hij verwerpt fundamenteel het ‘klassieke’ linkse recept van het creëren van meer welvaart voor iedereen door een herverdeling van de bestaande rijkdom, het nul-somrecept, of ‘de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen’. Hij gelooft rotsvast in het verhogen van de algemene welvaart door de toename van de algemene rijkdom; dus niet de taart meer gelijk verdelen, maar een grotere taart. Niet consuminderen, maar het BNP verhogen. Niet besparen, maar investeren. De productie van energie niet terugschroeven, maar de veilige en propere productie ervan zoveel mogelijk bevorderen. Geen door de staat opgelegd altruïstisme, geen staat als barmhartige Samaritaan of Sint-Maarten-mantelzorg (pace, Maarten), ook geen procrustesbed.

De grond van de zaak is nog altijd de gelijkwaardigheid van alle mensen, die men helaas meestal verwart met een letterlijke gelijkheid, ook in welvaart. Mensen zijn niet gelijk, en gelukkig maar. Ze verschillen intrinsiek, met alle goede en kwalijke gevolgen voor hun mogelijkheden tot zelfrealisatie. De creatie van de welvaart is in hun handen, niet in die van een rigoureus herverdelende staat, die altijd naar tirannie zal neigen, en geen enkele garantie biedt inzake efficiëntie of effectiviteit. Enkel vrijheid in gelijkwaardigheid en door samenwerking kan algemene welvaart verzekeren. De rol van de staat moet daarom nauwkeurig vastgelegd en nauwgezet gecontroleerd worden, opdat die vrijheid om meer welvaart te creëren altijd gegarandeerd blijft. Waar men daaraan tornt, komt het fundamentele principe van de vooruitgang in het gedrang, dat immers gebaseerd is op het natuurlijke streven naar zelfbehoud en persoonlijk welzijn van ongelijke mensen, een streven dat onvervreemdbaar is en niet overdraagbaar naar een hogere instantie.

Die inzichten, die de Verlichting in West-Europa en Noord-Amerika tot de ideale basis van de samenleving heeft verheven al vanaf het midden van de 17de eeuw, worden steeds belaagd door vele vijanden, en gefrustreerd door veel intern verraad. Ook vandaag worden ze te allen kante bestreden en in vraag gesteld, zelfs openlijk verafschuwd. Daarom is een pleidooi voor een terugkeer naar die inzichten en die waarden zo belangrijk, zodat de voor- en nadelen van de verschillende opvattingen over algemene en individuele welvaart in alle duidelijkheid naar voren komen.

Het is echter maar de vraag of dat voldoende of zelfs maar van aard is om een zo noodzakelijke ommekeer op gang te brengen en in de praktijk te brengen. Dat ziet Maarten Boudry ook zelf wel in: ook in het verleden hebben dergelijke radicale voorstellen niet het succes gekend dat ze verdienen. De magistrale studie over de ontstaansgeschiedenis van de Verlichting van Jonathan I. Israel zegt het in de drie titels van zijn boeken: Radical Enlightenment —Enlightenment Contested — The Enlightenment That Failed. Had men de ideeën van een Spinoza, een d’Holbach, een Diderot, een Condorcet ernstig genomen en ten uitvoer gebracht, dan stonden we nu al oneindig veel verder. Als onze democratische Verlichting overal ter wereld voet aan de grond zou krijgen, zouden we in een totaal andere wereld leven. Maar radicale progressieve ideeën lijken wel gedoemd om betwist te worden, en zo al niet te falen, dan toch slechts uiterst moeizaam ingang te vinden, denk maar aan Copernicus, Galilei en Darwin in andere contexten. Gelijk hebben is één zaak, gelijk krijgen een andere. Politiek is de kunst van het mogelijke, zegt men dan, van het haalbare compromis. Compromissen zijn intellectueel en materieel het praalgraf waarin idealen begraven worden. Opgelegde gelijkheid is de doodsteek voor elke individuele ambitie en uitmuntendheid. Noch de staat, noch de minderbedeelden hebben het recht om de natuurlijke ongelijkheid en ambitie van alle mensen te fnuiken, integendeel: ze graven daardoor hun eigen graf.

Maarten Boudry mikt hoog, wellicht in het besef dat de pijl zakt onder het vliegen. We moeten dankbaar zijn dat er nog jonge denkers zijn die door de ware progressieve geest bevlogen zijn en ons het ware einddoel voor ogen houden: de vrijheid en het welzijn van allen. Wie iets anders voorstaat, plaatst zich daardoor in een kwalijk daglicht en, zoals ongetwijfeld uiteindelijk zal blijken, aan de verkeerde kant van de geschiedenis.

De auteur geeft in een epiloog grif toe dat niet iedereen het eens zal zijn met alles wat hij hier aanbrengt en voorstelt. Zelfs wie het op omzeggens alles in de grond eens is, zal af en toe een ja, maar opperen. De niet aflatende gedrevenheid van de auteur kan zelfs voor een bewonderaar vermoeiend worden; wat moet dat dan doen met lauwe bondgenoten, om nog te zwijgen van fervente tegenstanders? Er zijn enkele zeldzame en onbelangrijke suslapjes. De praktische aanbevelingen in fine zijn allicht voor uitbreiding en herziening vatbaar. Toch moeten we voorbeeldig moedige stellingnames als dit boek van Maarten Boudry, een even onderlegd als vurig pleidooi voor de ware Verlichting, koesteren; ze zijn helaas maar al te zeldzaam, en toch zo broodnodig.

Verplichte lectuur dus voor elke zichzelf respecterende progressief, en een beetje tegen beter weten in heel warm aanbevolen aan alle anderen. Honni soit qui mal y pense.

 

 

 

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten