God de Vader
‘Ene God alleen, ene zaligmaker en anders geen.’
Ik ben geboren in 1946 in een katholiek gezin. Mijn hele opvoeding en opleiding gebeurde in de katholieke zuil, en vanaf 1968 werkte ik tot aan mijn pensioen, in 2006, aan de katholieke Leuvense universiteit. En toch meen ik dat ik op geen enkel ogenblik gelovig ben geweest. Van in mijn prilste jeugd kon ik niet geloven in wat men me voorhield en voorleefde. En dat is altijd zo gebleven. Toen ik op pensioen ging, besloot ik mijn atheïsme en mijn anti-godsdienstigheid openlijk te kennen te geven. Twintig jaar later resulteerde dat in mijn boek De waarheid zal u bevrijden.
Maar ook na twintig jaar bewust atheïsme, antiklerikalisme en antigodsdienstigheid ben ik nog steeds dezelfde persoon, drager van en diep getekend door mijn verleden, en dat verleden was sterk christelijk-gelovig gekleurd. Het christelijke is er van kindsbeen af aan op alle mogelijke manieren ingehamerd, en maakt nog steeds integraal deel uit van de persoon die ik ben, ik kan het onmogelijk van mij afschudden, ik kan niet doen alsof het er niet geweest is, alsof het er niet meer is, ik kan immers mezelf niet vergeten, ik ben nog altijd dezelfde persoon, het is mijn verleden, dat me bijblijft, en waaraan ik niets meer kan veranderen. Terwijl ik me nochtans met hand en tand verzet, rationeel en emotioneel, tegen al wat men me heeft opgedrongen.
Vandaag wil ik even verwijlen bij iets dat me altijd geïntrigeerd heeft in het christendom, en dat is, verwonderlijk genoeg, de figuur van God de Vader. Als ik me afvraag wat ik daarover weet, moet ik bekennen dat dat zo goed als niets is. Het is een schimmige figuur in het christendom, laten we eerlijk zijn. Alle aandacht gaat naar de eponieme zoon van God, Jezus van Nazareth, de Gezalfde, de Christus, naar wie de christelijke godsdienst inderdaad vernoemd is. Men zegt wel dat er maar één God is, en drie goddelijke personen, maar laten we wel wezen: de Vader en de Heilige Geest zijn tweederangsfiguren, Christus is de God van het christendom.
Dat heeft het judaïsme van meet af aan goed ingezien, en zich daartegen ten gronde verzet. Ook binnen de Kerk zijn er van bij het ontstaan van het nieuwe geloof altijd afwijkende opvattingen geweest over de Christusfiguur, vooral met betrekking tot zijn goddelijkheid, maar de strekking die de Zoon naar voren schoof als God heeft het uiteindelijk gehaald, na fanatieke onderdrukking, met alle middelen, van alle ‘ketterijen’. De islam beschouwt Jezus als een profeet, en blijft vasthouden aan de ene Allah. De leer van de Heilige Drievuldigheid, of de Triniteit, is altijd een steen des aanstoots geweest voor wie er niet in geloofde, en een mysterie wie dat wel deed, maar de katholieke Kerk is die om onbegrijpelijke redenen altijd blijven verdedigen, terwijl ze er niets mee te winnen had, en daardoor heel veel verloren heeft.
Het idee van de voorbeeldige mens Jezus van Nazareth die God geworden is, sluit nauw aan bij de vele andere mythische menselijke personen die vergoddelijkt zijn in alle mogelijke godsdiensten en culturen. Maar deze persoon is niet enkel na zijn stichtend leven en zijn marteldood tot God verheven: hij is altijd God en Zoon van God geweest, en is slechts voor een korte tijd ter aarde nedergedaald, waar hij geleden heeft, gestorven is en begraven, zoals het heet, en verrezen is uit de doden, en opgestegen ten hemel, waar hij zit aan de rechterhand van de Vader. Toch mag men niet zeggen, als men vast in de leer wil blijven, dat er een essentieel onderscheid is tussen de Vader en de Zoon: er is slechts één God, dat staat vast. Evenmin mag men beweren dat Christus slechts de vorm is die God heeft aangenomen om hier tijdelijk op aarde te verschijnen; er zijn wel degelijk twee onderscheiden personen, die altijd bestaan hebben, Vader en Zoon, maar de zoon is voortgekomen uit de vader... De Kerk heeft zich danig in nesten gewerkt met die onbegrijpelijke leer, en ik herhaal het, om onbegrijpelijke redenen. Helaas is dat niet het enige onbegrijpelijke aspect van het katholieke geloof. Daarom is het ook een geloof, en geen filosofie.
Hoe langer we erbij blijven stilstaan, hoe meer we moeten vaststellen dat God de Vader een bijna verwaarloosbare rol speelt in het christendom. Men kan God in feite net zo goed wegdenken uit het christendom, en alleen Christus behouden, en er zal weinig of niets veranderen aan de leer, of de kerkelijke praktijk. Omgekeerd is het onmogelijk om Jezus Christus weg te denken uit het christendom, met hem staat en valt de hele leer, zoals Paulus al stelde.
Atheïsten ontkennen het bestaan van bovennatuurlijke wezens, inzonderheid van de unieke goden van het judaïsme, het christendom en de islam. Van die drie heeft in feite heeft enkel het jodendom een ‘zuivere’ godsopvatting, al is ook hun Jahweh wel heel persoonlijk geworden. Het christendom heeft van de mens Jezus Christus zijn God gemaakt. Het mohammedaanse geloof deed dat met Mohammed, hoewel zij het formele onderscheid maken: er is geen God dan Allah, en Mohammed is zijn profeet. In feite is ook bij hen Mohammed uitgegroeid tot God en met hem vereenzelvigd.
Als atheïst kan ik begrip opbrengen voor het feit dat in primitieve culturen spontaan een godsidee ontstaat als een metafoor voor het universum en de natuurkrachten en -wetten en het toeval, het lot. Dat is ook zo voor het deïsme. Het volstaat dan erop te wijzen dat het om een metafoor gaat, en niet om een bovennatuurlijk wezen, laat staan een persoon. Wanneer men echter gaat vooropstellen dat het niet zomaar een manier van spreken is, maar dat die God niet alleen werkelijk bestaat, maar bovendien over alle bovennatuurlijke (goede) eigenschappen beschikt die men zich maar kan indenken, en men de mens volledig afhankelijk maakt van dat Opperwezen, dan hebben we te maken met iets anders dan het spontane mythische denken van de primitieve mensheid. Dan wordt er een vilein systeem uitgewerkt waarbij sommige mensen macht en rijkdom verwerven ten nadele van anderen, door zich voor te stellen als de noodzakelijke bemiddelaars tussen de God die ze bedacht hebben en de mensen die ze aan zich willen onderwerpen en op wie ze parasiteren. Dat heeft bijvoorbeeld Lucianus/ Loukianos van Samosata (fl. 170) al meesterlijk satirisch beschreven in zijn Alexander of de valse profeet. Maar net zoals de even meesterlijke satire van Hitler door Charlie Chaplin niet geleid heeft tot de val van Hitler, zijn alle godsdienstcritici, satirisch of filosofisch, er niet in geslaagd om het verschijnsel godsdienst voorgoed uit te roeien, of daarmee zelfs maar een begin te maken. Dat is niet omdat, zoals godsdienstapologeten beweren, God wel degelijk bestaat, of het godsidee onuitroeibaar is, maar omdat het altijd mogelijk is dat mensen misleid worden door kwaadwillige lieden, over God en godsdienst net zoals over talloze andere zaken. Het is blijkbaar gemakkelijker mensen te overtuigen van de meest onzinnige verzinsels dan van eenvoudige, evidente waarheden.
Vanuit mijn fundamentele atheïstische redenering ontken ik het bestaan van God, omdat ik voor mijn wereldverklaring geen behoefte heb aan een dergelijke hypothese, om de gevleugelde, maar mogelijk apocriefe woorden van Laplace te gebruiken. Integendeel, een wetenschappelijke uitleg, zonder God, is evident veel eenvoudiger. Dat is trouwens de houding die alle wetenschappers aannemen, ook gelovige. Geen enkele weldenkende persoon heeft ooit het idee van de christelijke God ernstig genomen. De christelijke godsdienst is evenwel een heel andere kwestie. Dat is een ideologie met wereldlijke ambities, daarvan getuigt zijn hele geschiedenis. Omdat het een niet-democratische ideologie is, die schadelijk, ja nefast is gebleken voor de hele mensheid, verzet ik me ertegen, en dat is mijn sociaal-politiek antiklerikalisme, naast mijn filosofisch atheïsme. Het is nuttig af en toe dat onderscheid te benadrukken, zonder uit het oog te verliezen dat het christendom, en de islam niet minder, op beide punten schuldig zijn.
Toen ik beweerde dat men God net zo goed kan weglaten uit het christendom, omdat alles om Christus draait, bedoelde ik vooral de retoriek, of in theologische termen de dogmatiek. Als we het christendom echter bekijken als een wereldse ideologie, dan blijkt dat we zelfs Christus daaruit eveneens gerust kunnen weglaten. In de praktijk is sinds het ontstaan van die godsdienst van de ‘blijde boodschap’ van die overigens mythische figuur omzeggens niets overgebleven in de Kerk.
En zo komen we tot de conclusie dat godsdienst niets te maken heeft met God of met de mythische stichters van die godsdiensten, maar alles met de ambitie, zeg maar de hebzucht en machtswellust van perfide mensen voor wie werkelijk niets heilig is.

