Naar de inhoud

Kroniek

mijn blik op de wereld vanaf 60
akke.beakke.be
Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
Vrij vaak zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geïnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1400! De lijst van de categorieën bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Categorie: muziek

De onbekende Bach

De onbekende Bach.

Ik ben een melomaan, en wel sinds mijn prilste kinderjaren. Muziek is een onmisbaar element in mijn leven. Al vroeg heb ik Bach leren kennen, eerst zijn Mattheuspassion, later al het andere werk. Ik preciseer dat het om Johan Sebastian gaat, 1685-1750; de reden daarvoor is dat ik onlangs nader kennis heb gemaakt met een van diens zonen, Carl Philipp Emanuel (1714-1788), en dat ging zo.

Ik luister nu naar muziek in de woonkamer op een ‘oude’ maar hoogwaardige stereo-set die ik in leen kreeg van mijn jongste zoon. Die koppelden we aan een nieuwe digitale streamer, de verbazende WiiM Ultra, en het resultaat is verbluffend. Als test liet ik Roon, het softwareplatform dat mijn muziekaanbod van Qobuz aanstuurt, de cd’s die ik ondergebracht heb in een afspeellijst in willekeurige volgorde afspelen. Een van de eerste cd’s was muziek van die CPE Bach, zoals die meestal genoemd wordt, en meteen werd mijn aandacht getrokken door de uitzonderlijke muzikale kwaliteit van die muziek, een pianosonate. Na die eerste cd bleef Roon muziek van CPE Bach spelen, de hele dag, en nu al enkele dagen lang, zonder een ogenblik te vervelen, of om afwisseling te vragen. Ik las er Wikipedia op na, en leerde de componist beter kennen. En dat was wel nodig! Ik had vroeger wel al eens werken van hem gehoord, maar er nooit veel aandacht aan geschonken. Mijn idee was dat het om een epigoon ging van de ultieme grootmeester, vader Johan Sebastian, die volgens Beethoven niet Bach (beek) zou moeten heten, maar Meer (zee). Na zijn dood werd CPE vergeten, zeker door het grote publiek, hoewel hij tijdens zijn leven de belangrijkste musicus van zijn tijd was, overigens net zoals zijn vader JS. Andere componisten wisten wel beter, en gingen bij hem, zijn geschriften en zijn muziek in de leer, en bouwden voort op wat hij had verwezenlijkt.

Zijn muziek is Bach zoals we die kennen van zijn vader, maar net iets anders. Ik weet niet welke adjectieven moet gebruiken om dat verschil aan te geven, maar je hoort meteen dat het Bach is, en ook dat het niet JS is. Het is fascinerend helemaal anders en toch weer niet. Het is klassiek, maar het klinkt uiterst modern, en uiterst idiomatisch, helemaal eigen en zichzelf. Het is geen Haydn, geen Mozart, geen Beethoven, geen Schubert en geen Brahms, maar je begrijpt plotseling wel beter waar die componisten de mosterd gehaald hebben. Het is een heel bijzondere ervaring.

Er komt blijkbaar geen einde aan het aanbod. Het was dus niet één cd, ook niet een dubbel-cd. Bij nader toezien gaat het om het complete verzamelde werk van CPE Bach, op 54 cd’s. Dat is het voordeel van streaming: je koopt geen cd’s, maar neemt een abonnement van amper € 14 per maand, en daarmee krijg je toegang tot ongeveer tien miljoen ‘albums’, dat wil zeggen cd’s of reeksen van cd’s, zoals deze 54 van CPE Bach. Daarbinnen kan je dan je eigen ‘bibliotheek’ opbouwen, of het programma zelf laten kiezen, willekeurig of volgens jouw smaak en eerdere keuzes.

Het was dus louter toevallig dat ik bij CPE Bach terechtkwam, maar ik beschouw het als een van mijn meest ingrijpende muzikale ervaringen van de laatste tien jaar. Ongetwijfeld zal ik me nog meer in zijn werk verdiepen en naar zijn muziek blijven luisteren, ook in andere uitvoeringen, bijvoorbeeld op clavichord, het instrument dat hij zelf verkoos, een intiem klinkende voorloper van de moderne piano. Het aanbod is ruim, er zijn ten minste 500 cd’s beschikbaar. Een absolute aanrader!

Stuur door

Muziek beluisteren anno 2026

Music for a while…

Zo lang als ik me kan herinneren heb ik altijd naar muziek geluisterd, zo veel mogelijk, en zo goed mogelijk. Maar nooit had ik zelfs in mijn wildste sfan-dromen (ik was een sciencefiction fan van het eerste uur) kunnen vermoeden wat me vandaag in de schoot geworpen wordt. Alle muziek die ooit opgenomen is, is nu op elk ogenblik te mijner beschikking, waar ik ook ben, en de kwaliteit van de weergave is spectaculair. Onze hoogtechnologische beschaving maakt dat mogelijk. Vooreerst is er de noodzakelijke digitalisering van oude en nieuwe muziekuitvoeringen, die toelaat die te reproduceren op steeds betere hifi afspeelapparatuur, die overigens zeer betaalbaar geworden is. Al wat je nodig hebt is een digitale muziekwinkel en audiostreamingdienst, die toegankelijk is via je PC, tablet of smartphone. Je kan luisteren via die apparaten, of het geluidssignaal doorsturen naar een hifi geluidsinstallatie naar keuze, of naar een hoofdtelefoon, of oortjes, of hoorapparaten.

Tot niet zo lang geleden was je als melomaan aangewezen op radio- en tv-uitzendingen, en op dure vinyl fonoplaten en cd’s, die bovendien veel plaats innamen bij verzamelaars. Nu krijg je voor minder dan € 15 per maand onbegrensde toegang honderd miljoen ‘tracks’ in alle mogelijke domeinen van de muziek. Streaming heeft nu al een marktaandeel van ongeveer 70 % tegenover cd’s en vinyl,  die een nichemarkt geworden zijn voor mensen die toch graag een fysiek voorwerp in handen hebben; om louter emotionele redenen, trouwens, want de muziekkwaliteit van streaming is, althans in de betaalde vorm, zelfs beter dan de beste andere muziekdragers. Streamingdiensten bieden bovendien allerlei extra diensten, zoals het opbouwen van een eigen digitale collectie, playlists, artikels over muziek en muziekapparatuur, encyclopedische gegevens over componisten, composities, artiesten, muziekgenres en -instrumenten, enzovoorts. Elke week verschijnt er een overzicht van een honderdtal nieuwe cd’s die meteen digitaal ter beschikking zijn met een simpele muisklik. Je hoeft overigens niet telkens een nieuwe keuze te maken voor de muziek die je wil horen: het programma kiest zelf muziek die lijkt op je laatste keuze, al dan niet binnen je eigen ‘bibliotheek’. Je kan ook willekeurig laten kiezen binnen een bepaald genre of een onderdeel daarvan. De mogelijkheden zijn waarlijk eindeloos, en moeiteloos, en bijna gratis. Een hemelsbreed verschil tegenover vroeger, toen muziek beluisteren, zeker voor klassieke muziek, weggelegd was voor een kapitaalkrachtige elite.

Voor melomanen zoals ik is dit werkelijk de hemel op aarde, het nec plus ultra: ik kan me niet voorstellen dat het nog beter kan. Maar dat was ook mijn aanvoelen toen de cd’s verschenen, en digitale radio… En onlangs vroeg ik me af of er ook een videostreamingdienst bestaat voor klassieke muziek, jazz en wereldmuziek en kijk: medici.tv !

Al die nieuwe technologische mogelijkheden veranderen ook het commerciële landschap. Onvermijdelijk zullen er contracten afgesloten worden tussen de artiesten, de opnamestudio’s en de streamingdiensten, dus zonder de producenten van cd’s, zowel voor live als voor opgenomen uitvoeringen. Waar vroeger de platenindustrie de markt aanstuurde,  kan heel die sector zonder meer verdwijnen door de digitalisering en automatisering. Dat maken we overigens ook mee op zowat alle gebieden, denk maar aan de banken en verzekeringsinstellingen, en de telefoonmaatschappijen, waar alles sneller, eenvoudiger en minder duur wordt, om nog te zwijgen van de wereld van de onlineverkoop. En straks verdwijnen ook de kabels uit onze straten, en krijgen we draadloos internet vanuit de ruimte.

Er zijn altijd al spectaculaire technologische vernieuwingen geweest, maar nooit zijn ze zo ingrijpend, zo universeel, en vooral zo snel na elkaar geweest. Dat we dat nog mogen meemaken nu we tachtig geworden zijn!

Stuur door

Arnold Schönberg & Marie Pappenheim, Erwartung (1909)

Erwartung - Verwachting

Monodrama in één akte, op. 17

Muziek Arnold Schönberg (1909)

Libretto Marie Pappenheim (1909)

Inleiding

"Waarom schrijft u mij geen operatekst, juffrouw!" – augustus 1909: Schönberg, bracht samen met zijn familie, Alexander von Zemlinsky, Alban Berg, Anton Webern en Max Oppenheimer zijn vakantie door in Steinakirchen nabij Amstetten. In de cirkel rond Schönberg introduceerden Karl Kraus en Zemlinsky de aspirant-Weense arts Marie Pappenheim, die toen ze geneeskunde studeerde aan de Universiteit van Wenen gedichten schreef onder het pseudoniem Maria Heim en in het Neder-Oostenrijkse zomerresort door Schönberg gevraagd werd een libretto te schrijven. Pappenheim, wier gedichten in 1906 door Kraus werden gepubliceerd in de »Fackel«, was in juni 1909 gepromoveerd en had daarna een praktijk als dermatoloog, omdat ze ‘niet als dichteres door het leven wou wandelen’ Twee dagen na Schönbergs suggestie reisde ze door naar vrienden in Traunkirchen en vervaardigde binnen drie weken de tekst van het monodrama "Erwartung": "Ik schreef terwijl ik in het gras lag met potlood op een groot vel papier, had geen kopie, las wat er geschreven stond nauwelijks door."

Al tijdens de bewerking van het tekstmanuscript, dat Pappenheim hem in zijn vakantiehuis overhandigde, voegde Schönberg af en toe muzikale ideeën toe op verschillende plaatsen; de eerste minuten van de partituurschets ontstond in de korte periode tussen 27 augustus en 12 september 1909. (Later werd de hypothese geopperd dat de door voor getallenmystiek geïnteresseerde componist het opus nummer 17 hebben gekozen hebben bij de druk door Universal Edition met het oog op de zeventien-daagse ontstaansperiode.) De faire kopie van de partituur is gedateerd 4 oktober 1909. In een interview dat Marie Pappenheim in 1949 gaf, relativeerde zij de in onderzoek lang gekoesterde opvatting dat het conceptuele idee van "Verwachting" van Schönberg zou zijn gekomen: "Ik kreeg geen aanwijzing noch een opgave van wat ik moet schrijven (zou ik ook niet geaccepteerd hebben)."

De vestiging van de eenakter als een autonome genrevorm vond zijn beginpunt in het werk van August Strindberg, en werd door de Weense School overgenomen. Monodramatische aanwijzingen zijn het afzien van interacties tussen mensen en het verminderen van actiesequenties: kenmerken die in Pappenheims expressionistische drama met de hoogst mogelijke consequentie tot het uiterste doorgedacht zijn. Het ego-centreren neemt de meest radicale vorm aan in deze als het ware "lege" folie: In ‘verwachting’ van de minnaar gaat de vrouw op zoek en betreedt ze dwaalwegen op de haltes van onzekerheid – herinnering – hoop – "illusoire miskenning" (Erwin Ringel) – rationalisatie – jaloezie – verdriet – en uiteindelijk sublimatie van de man, die slechts als een dode rekwisiet fungeert. De diepgang van het bosscenario wordt de projectieruimte van angst-traumatische toestanden – duisternis, gevaar, dreiging, angst, eenzaamheid, gruwel, duisternis – en interpreteert de subjectieve ervaring van lijden, die de vrouw in vier scènes moet doormaken. Marie Pappenheims taalvoering bestaat uit paratactische, ongeorganiseerde reeksen fragmentarische zinnen, waaruit zich associaties in de vorm van een lyrische monoloog uit de psyche van de vrouw laten kristalliseren: "Ik heb altijd verheven geschreven, zonder richting, reflectie, censuur, pagina's lang, andere gedachten tussen de verzen."

De opheffing van de syntaxis in geconcentreerde monoloogtaal komt overeen met een bevrijding van de functionele structuren van de tonaliteit. Kleine motief-cellen zijn onderhevig aan een permanente mutatie en worden aangedreven door de innerlijke impuls van de tekst (recitatieve beweging zonder herhaling en rustpunten). Tempi wisselen volgens psychologische impulsen van angst, volgens een "seismografische registratie van traumatische schokken" (Theodor W. Adorno). Decentralisatie van consonantie, afschaffing van centrale tonaliteit en cadens – kenmerken van vrije atonaliteit –getuigen van expressieve vrijheid van uitdrukking in het libretto. Aan het einde van de vierde scène wordt door Pappenheim een inhoudelijke parallel met John Henry Mackay's gedicht "Am Wegrand" aangegeven, dat Schönberg in zijn (nog steeds tonale) lied op. 6 nr. 6, getoonzet heeft, en nu in de coda van "Erwartung" geciteerd in een gevarieerd herontwerp van de liedregel "Sehnsucht erfullt die Bezirke des Lebens ".

Bij het componeren van het monodrama had Schönberg in gedachten de stem van Maria Gutheil-Schoder, die de wereldpremière van zijn Tweede Strijkkwartet op. 10 de sopraanstem zong: "U zal zich herinneren dat ik herhaaldelijk met u heb gesproken over een toneelstuk waarin er een partij is voor jou. Een monodrama, slechts één, één enkele echte rol, die ik zag als een Gutheil-partij." (Brief van 22 augustus 1913) Al in 1910 begon Schönberg met dirigent Arthur Bodanzky van het Mannheim Nationaltheater over een uitvoering van »Erwartung« te onderhandelen. De planning werd uitgesteld tot 1913 en mislukte door de onderbezetting van het Mannheimer Orkest. Ook gesprekken met de WeenseVolksoper (1910) en de Weense Academische Vereniging (1913) bleven zonder succes. De première vond plaats op 6 juni 1924 in het Deutsche Landestheater in Praag als onderdeel van het Muziekfestival van het Internationale Gesellschaft für Neue Musik, onder leiding van Alexander von Zemlinsky, en werd in de vakpers erkend als een "protest tegen de operakitsch" ("Signale für die musikalische Welt") en "ongehoord dichte concentratie op een zielstoestand" ("Die Musik").

Therese Muxeneder © Arnold Schönberg Center


 Scène I

Aan de rand van een bos. Maanverlichte wegen en velden; het bos hoog en donker. Alleen de eerste stammen en het begin van het brede pad zijn nog helder. (Een vrouw arriveert; delicaat gekleed in het wit. Gedeeltelijk ontbladerde rode rozen op het kleed. Sieraden.)

(Aarzelend:) Hier binnengaan? … Je kunt de weg niet zien ... Hoe de stammen zilverig glinsteren ... zoals berken (kijkt verdiept naar de grond). Oh! Onze tuin ... De bloemen voor hem zijn zeker wel verwelkt ... De nacht is zo warm. (Plotseling angstig:) Ik ben bevreesd... (Luistert naar het bos, gespannen:) Wat voor zware lucht waait eruit ... Als een storm die op handen is… (Handenwringend, kijkt achterom:) Zo vreselijk stil en leeg ... Maar hier is het tenminste klaar ... (Kijkt omhoog:) De maan was vroeger zo helder... (Hurkt neer, luistert, kijkt voor zich uit:) Oh! Nog steeds de krekel met zijn liefdeslied ... Niet praten ... Het is zo aangenaam bij jou... De maan is in de schemering ... (Staat op. Wendt zich tot het bos, aarzelt weer, dan heftig :) Laf, ben je ... Wil je hem niet zoeken? Sterf dan hier (Zachtjes:) Hoe dreigend is de stilte ... (Kijkt verlegen om zich heen:) De maan is vol ontzetting ... Kijkt die naar binnen? (Angstig:) Ik alleen ... In de grauwe schaduw (Vat moed, gaat snel het bos in:) Ik zal zingen, dan hoort hij me ...

Scène II

Diepste duisternis, breed pad, hoge, dichte bomen. Ze schrijdt tastend voorwaarts. (Nog steeds achter de schermen:)

Is dat de weg? … (Bukt zich, grijpt met haar handen:) Hier is het wel ... (schreeuwt:) Wat? … Laat los! (Probeert sidderend haar hand te ontwaren) Beklemd? … Nee, er is iets gekropen ... (Wild, graait zich in het gezicht :) En hier ook ... Wie raakt mij aan? … Weg ... (Slaat met haar handen om hem heen:) Weg, ga toch heen... om Godswil... (Gaat verder, met uitgestrekte armen :) Dus, de weg is breed ... (Stil, bedachtzaam:) Het was zo stil achter de muren van de tuin ... (heel stil:) Geen zeisen meer ... geen geroep en geloop ... En de stad in de heldere nevel ... Ik keek er zo verlangend naar uit ... En de lucht zo onmetelijk diep boven de weg die je altijd naar mij neemt... Nog doorzichtiger en verder ... de avondkleuren ... (Triest:) Maar jij bent niet gekomen. (Stopt:) Wie huilt er? (Roept, erg angstig:) Is er hier iemand? (Wacht. Luider :) Is er hier iemand? (Luistert weer:) Niets... Maar dat was ... (Hoort weer toe:) Nu ruist het daarboven ... Het slaat van tak naar tak ... (Vlucht ontzet zijwaarts:) Het komt op mij af … (Kreet van een nachtvogel.) (Woedend:) Niet hier! Laat me gerust ... Here God, help me... (Stilte. Gehaast:) Het was niets... Snel nu, snel nu… (Begint te rennen, valt neer. Nog achter de schermen :) Oh, oh, Wat is dat? … Een lichaam ... Nee, gewoon een stam...

Scène III

De weg nog altijd in het donker. Aan de zijkant van het pad een brede heldere streep. Het maanlicht valt op een open plek in de bomen. Daar zijn hoge grassen, varens, grote gele paddenstoelen. De vrouw komt uit het donker.

Daar komt een licht! (Ademt opgelucht in:) Ah! Het is slechts de maan ... Hoe goed ... (Weer half angstig :) Er danst iets zwarts daar... honderd handen ... (Onmiddellijk beheerst:) Doe niet zo dom ... Het is de schaduw... (Teder nadenkend:) Oh! hoe jouw schaduw valt op de witte wanden... Maar zoals het nu is, moet je meteen gaan. (Gerucht. Ze stopt, kijkt om zich heen en luistert even:) Roep je? … (weer dromend:) En tot de avond is het nog zo lang ... (Lichte windvlaag. Ze kijkt nog eens verder:) Maar de schaduw sluipt toch naderbij! Gele, wijde ogen ... (Geluid van de rilling) Zo opzwellend ... zoals op stengels ... Hoe het staart ... (Krakend geluid in het gras. Ontzet :) Geen dier, lieve God, geen dier ... Ik ben zo bang... Liefste, mijn liefste, help me... (Ze loopt verder.)

Scène IV

Maanverlichte, brede weg, die rechts uit het bos komt. Weiden en velden (afwisselend gele en groene strepen). Iets naar links gaat de weg weer verloren in de duisternis van groepen hoge bomen. Alleen volledig links zie je de weg open liggen. Daar komt ook een pad uit dat vanaf een huis komt. Daarin zijn alles ramen met donkere luiken afgesloten. Een balkon van witte steen. (De vrouw komt langzaam, uitgeput. Het gewaad is verscheurd, het haar in de war. Bloederige schrammen op het aangezicht en de handen. Even rondkijkend :) Hij is er ook niet... Niets levends op de hele lange straat ... en geen geluid ... (Rilling; luistert:) De uitgestrekte bleke velden zijn zonder adem als uitgestorven ... geen halm beweegt ... (Kijkt de straat af:) Nog steeds de stad ... En deze vale maan ... Geen wolken, niet de vleugelschaduw van een nachtvogel in de lucht ... Die grenzeloze doodsbleekheid ... (Ze blijft wankelend staan:) Ik kan nauwelijks verder ... En ze laten me ginds niet binnen ... De vreemde vrouw zal me wegjagen! … Als hij ziek is ... (Ze heeft zich tot dicht bij de boomgroepen gesleept, waaronder het volledig donker is :) Een bank ... Ik moet uitrusten... (Moe, besluiteloos, vol heimwee:) Maar ik heb hem al zo lang niet gezien … (Ze komt onder de bomen door, stoot met haar voeten tegen iets aan:) Nee, dit is niet de schaduw van de bank (tastend met zijn voet, geschrokken:) Dat is iemand ... (Bukt zich, luistert:) Hij ademt niet... (Ze tast onderaan:) Vocht ... Er vloeit hier iets ... (Ze stapt uit de schaduw in het maanlicht:) Het glanst rood ... Oh, mijn handen zijn met schrammen verwond... Nee, het is nog nat, het komt daarvandaan... (Probeert met enorme moeite het voorwerp tevoorschijn te halen:) Ik kan het niet. (Buigt zich voorover. Met een vreselijke schreeuw :) Het is hij: (Ze zakt neer.) (Na een paar momenten staat ze half op, zodat dat haar gezicht naar de bomen is gericht. Verward :) Het maanlicht ... Nee, daar ... Daar is het verschrikkelijke hoofd... het spook... (Kijkt strak voor zich uit :) Als het nu eindelijk zou verdwijnen ... zoals dat in het bos ... Een boomschaduw, een belachelijke twijg ... De maan is verraderlijk... omdat ze bloedloos is, schildert ze rood bloed ... (Wijzend met uitgestrekte vingers, fluisterend:) Maar het staat op het punt te verdwijnen ... Kijk niet ... Er niet op letten ... Het zal zeker weggaan ... zoals dat in het bos ... (Ze draait zich om met geforceerde kalmte, richting de weg :) Ik wil weg ... Ik moet hem zoeken ... Het moet al laat zijn ... (Stilte. Onbeweeglijk. Zij draait zich abrupt om, maar niet helemaal. Bijna jubelend :) Het is niet meer daar... Ik wist het... (Ze is verder omgedraaid, ziet plotseling weer het voorwerp:) Het is er nog steeds... Heer God in de hemel ... (Haar bovenlichaam valt voorover, ze lijkt ineen te stuiken. Maar ze kruipt voort, met neergezonken hoofd:) Het leeft (raakt aan:) Het heeft huid ... ogen ... haar … (Ze leunt helemaal opzij, alsof ze hem recht in het gezicht wil kijken:) zijn ogen ... het heeft zijn mond ... Jij ... jij ... ben jij het... Ik heb je al zo lang gezocht ... In het bos en ... (trekt aan hem:) Hoor je dat? Spreek toch ... Kijk me aan ... (Verschrikt, bukt zich volledig. Ademloos :) Goede God, wat is ... (schreeuwt, rent een eind weg:) Help... (Van ver naar het huis toe:) In godsnaam! … Snel! … Hoort niemand mij dan? … Hij ligt daar... (kijkt vertwijfeld om zich heen.) (Haast zich terug onder de bomen:) Wakker worden … Wakker worden... (smekend:) Niet dood zijn ... Mijn liefste... Toch niet dood zijn... Ik hou zo veel van je. (Teder, aandringend:) Onze kamer is gedempt helder ... alles wacht... de bloemen ruiken zo hevig... (De handen vouwend, wanhopig :) Wat moet ik doen ... Wat moet ik doen opdat hij wakker wordt? … (Ze reikt in de duisternis en pakt zijn hand:) Jouw lieve hand ... (ineenkrimpend, vragend:) Zo koud? … (Ze trekt de hand naar zich toe, kust ze. Verlegen vleiend :) Wordt ze niet warm op mijn borst? (Ze opent haar gewaad:) Mijn hart is zo heet van het wachten... (Smekend, zachtjes:) De nacht is zo voorbij ... Je wilde toch bij mij zijn deze nacht. (Uitbarstend:) Oh! Het is klaar heldere dag... Blijf je overdag bij mij? … De zon schijnt op ons ... Je handen liggen op mij... Jouw kussen ... Je bent van mij ... jij ... Kijk me toch aan, liefste, ik lig naast jou ... Dus kijk me toch aan ... (Ze staat op, kijkt naar hem, ontwakend:) Ah! hoe star ... Hoe verschrikkelijk zijn je ogen... (Schreeuwt het luid uit:) Je bent al drie dagen niet bij me geweest ... Maar vandaag ... zo zeker ... De avond was zo vol vrede... Ik keek uit en wachtte... (volledig in zichzelf verzonken:) Over de tuinmuur jou tegemoet ... Zo laag is die... En dan zwaaien we beiden ... (Schreeuwt het uit:) Nee, nee... het is niet waar... Hoe kun je dood zijn? … Overal leefde je nog ... Zo-even nog in het bos ... je stem zo dicht bij mijn oor ... Altijd, altijd was je bij me ... Jouw adem op mijn wang ... Je hand in mijn haar... (Angstig:) Niet waar … Het is niet waar? Je mond boog net nog onder mijn kussen... (wachtend:) Je bloed druppelt nog steeds met een zachte slag... Je bloed is nog steeds levend ... (Ze buigt zich diep over hem heen:) Oh! de brede rode streep ... Ze hebben het hart geraakt ... (Bijna onhoorbaar:) Ik wil het kussen... met de laatste adem ... je nooit meer loslaten... (richt zich half rechtop:) In jouw ogen kijken ... Alle licht kwam uit jouw ogen... Ik werd duizelig als ik naar jou keek ... (Glimlachend, mysterieus, teder in herinnering:) Nu kus ik mezelf dood op jou. (Diepe stilte. Ze kijkt hem star aan. Na een pauze plotseling:) Maar zo vreemd is je oog … (verrast:) Waarnaar kijk je? (Heviger:) Waarnaar ben je naar op zoek? (Kijkt om zich heen; naar het balkon :) Staat daar iemand? (Weer terug, hand op het voorhoofd:) Hoe was dat nog de vorige keer? … (steeds meer verdiept:) Was dat toen ook niet in je blik? (Zoekt hard in haar herinnering:) Nee, gewoon zo verstrooid... of ... en plotseling werd je weer jezelf ... (Altijd helderder wordend:) En je was drie dagen niet bij me ... geen tijd... Zo vaak heb je de afgelopen maanden geen tijd gehad ... (Jammerend, als het ware afwerend:) Nee, dat is toch niet mogelijk ... Dat is ... (in een flits van herinnering:) Ah, nu herinner ik me... De zucht half in slaap ... als een naam ... Je kuste de vraag van mijn lippen … (Somber:) Maar waarom beloofde hij vandaag naar mij toe te komen? … (In woedende angst :) Ik wil dat niet ... Nee, ik wil het niet... (Springt op, draait zich om:) Waarom heeft men je vermoord? … Hier voor het huis ... Heeft iemand je ontdekt? … (Schreeuwt het uit, alsof ze zich vastklampt:) Nee, nee... mijn enige geliefde... dat niet ... (Bevend:) Oh, de maan wankelt ... Ik kan niets zien... Kijk me toch aan... (plotseling haastig:) Kijk je weer daarheen? … (Naar het balkon:) Waar is ze dan ... de heks, de deerne... de vrouw met de witte armen ... (honend:) Oh, jij houdt wel van de witte armen ... hoe je haar rood kust ... (Met gebalde vuisten:) Oh, jij... jij ... jij ellendeling, jij leugenaar... jij ... Zoals je ogen me ontwijken! … Kronkel je van schaamte? … (Duwt met haar voet tegen hem aan :) Je hebt haar omhelsd ... Ja? … (geschokt van walging:) zo teder en hebzuchtig ... en ik wachtte... Waar is ze naartoe gelopen toen jij onder het bloed zat? … Ik wil haar aan de witte armen meesleuren ... zoals dit (gebaart; ineenstortend :) Er is daar geen plek voor mij ... (snikt:) Oh! Niet eens de genade met jou te mogen sterven ... (Zinkt neer, wenend:) Hoeveel, hoeveel ik van je hield ... Ik leefde ver weg van alles ... aan alles vreemd ... (zinkt weg in mijmering:) Ik kende niets behalve jou... dit het hele jaar door ... sinds je mijn hand voor het eerst vastnam... oh, zo warm ... Nooit eerder heb ik van iemand zo gehouden zo... Je glimlach en je praten... Ik hield zo veel van je... (Stilte en snikken. En dan zachtjes, zich oprichtend :) Mijn liefste... mijn enige lieveling... heb je haar vaak gekust? … terwijl ik stierf van verlangen ... (Fluisterend:) Heb je heel veel van haar gehouden? (Smekend:) Zeg niet: ja ... Je glimlacht smartelijk... Misschien heb je ook geleden, misschien riep je hart je toe ... (Stiller, warm:) Wat kan je eraan doen? … Oh, ik vervloekte je... Maar jouw medelijden maakte me gelukkig ... Ik dacht dat ik gelukkig was ... (Stilte. Deemstering aan de linkerkant in het oosten. Laag in de lucht, wolken verlicht door een zwakke gloed, geelachtig flikkerend als kaarslicht. Ze staat op:) Liefste, liefste de morgen komt ... Wat moet ik hier alleen doen? … In dit eindeloze leven … in deze droom zonder grenzen noch kleuren ... Want mijn grens was de plek waar je was ... En alle kleuren van de wereld braken uit jouw ogen … Het licht zal voor iedereen komen... maar ik alleen in mijn nacht? … De ochtend scheidt ons ... altijd de ochtend ... Zo hard kus je me ten afscheid ... weer een eeuwige dag van wachten ... Oh, je ontwaakt niet meer …  Duizend mensen lopen voorbij... ik herken je niet... Allemaal leven ze, hun ogen branden ... Waar ben je? … (Stiller:) Het is donker ... jouw kus als een vlammenteken in mijn nacht... Mijn lippen branden en gloeien ... naar jou toe ... (schreeuwt het uit van vreugde:) Oh, ben je daar ... (tegen iets in de tegenovergestelde richting:) ik was op zoek ...

(werkvertaling Karel D’huyvetters © 2026)

 

 

Stuur door

Spectaculair

Spectaculair

Sinds mijn allerprilste kindertijd heb ik naar muziek geluisterd op apparaten. Mijn eerste ontdekking was een afgedankte koffergrammofoon en enkele heel breekbare schellakplaten met vrolijke deuntjes, op onze speelzolder. Het probleem was dat de veer die voor de aandrijving moest zorgen het natuurlijk begeven had onder de ‘opwinding’ van ons, de kinderen. Daarna was het een nieuwe radio die mijn Vader had gekocht en trots aan zijn kinderen toonde. Die hebben we gehad tot ik de puberteit al voorbij was. Een bandopnemer kwam er toen ik tien was, denk ik, en ik was toen al met klassieke muziek bezig, leende platen bij vrienden en kennissen en nam die dan op. Samen met mijn broer Raf luisterden we in bed naar Radio Luxembourg, The Station of the Stars op een mini-radiootje dat we van buren gekregen hadden in ruil voor onze hulp bij hun verhuizing. De vrijer van mijn zus was muzikant, en hij had een platenspeler die ik soms mocht gebruiken. Mijn tante Mie, de jongste zus van mijn Vader was ook muziekliefhebber, ze had een enorme radio met ingebouwde platenspeler en een aanzienlijke collectie klassieke langspeelplaten. Mijn jeugdvriend André hield van jazz en had een platenspeler met luidsprekers. Ik erfde zelf een oude platenspeler, die mijn peter Aimé, de broer van mijn Vader, inbouwde in een fraai houten kistje, hij was schrijnwerker. Toen ik naar Leuven ging, kocht ik met wat ik verdiend had als jobstudent een mooie Grundig draagbare radio. Toen ik pas getrouwd was, kochten we een Lenco platendraaier, en enkele jaren later kwam mijn eerste stereo-set er, een Leak versterker en tuner. Toen mijn laatste tante stierf, Alma, erfden we een leuke som, en toen kocht ik een betere stereo-installatie, een krachtige Phase Linear voorversterker, eindversterker en tuner, en twee B&W 802 luidsprekers die ik nog steeds heb en gebruik. Op aanraden van mijn jongste zoon Luk ben ik enkele jaren geleden overgeschakeld naar streaming, op Zen Mini Mk3, en dan kwam er ook een nieuwe versterker, een mooie Gato Dia 250.

Mijn gehoor was ongemerkt slechter geworden, en toen dat uiteindelijk toch pijnlijk duidelijk werd, ben ik op zoek gegaan naar middelen om daaraan te verhelpen. Na wat gesukkel met equalizers ben ik overgeschakeld naar hoorapparaten, en dat was een grote verbetering: ik kon weer hoge tonen horen!

Ik breng het grootste gedeelte van de dag door aan de PC, en ik heb altijd wel kleine monitors op mijn werktafel gehad. Enkele jaren geleden kocht ik een beter stel, Edifier R1700BTs, en daaraan beleef ik alle dagen veel plezier. Toen ik ze kocht, kon ik kiezen voor een model waarop je een sub-woofer kan aansluiten (s), en dat deed ik dan maar, zonder meteen aan die aanvulling te denken. Gisteren heb ik daar nu een sub-woofer van hetzelfde merk op aangesloten, de T5, en mensenlief, wat een verschil! Ik hoor nu lage klanken die ik voorheen helemaal niet hoorde. Allicht moet ik nog verder afstellen, om een natuurlijk geluid te krijgen, zonder dat de bassen de andere klanken overstemmen. Maar het resultaat is nu al spectaculair. Ik zocht eigenlijk een ander woord, want spectaculair slaat etymologisch op iets dat je kan zien, maar ik vind geen geschikte term uit de wereld van het horen om hetzelfde uit te drukken. De muziek klinkt anders, veel rijker, veel ruimtelijker, veel meer aanwezig.

Nu besef ik dat ik al die jaren toch wel aspecten (weer zo’n slecht gekozen term) van de muziek heb gemist. Hoe dan ook heb je zelfs met heel goede apparatuur niet hetzelfde geluid als live, maar daar heb ik me altijd al bij neergelegd: ik luister uitsluitend op die manier naar muziek, omzeggens nooit live. Maar een relatief kleine toevoeging zoals die sub-woofer van amper € 129, gratis thuis geleverd, zorgt voor een verbluffend effect.

Dat is ook een groot verschil met vroeger: muziekinstallaties zijn niet goedkoop, sommige zijn peperduur, onbetaalbaar voor gewone stervelingen. Ik ben daarin nooit heel ver gegaan, relatief gesproken. Maar de set die ik nu heb aan mijn werktafel is werkelijk spotgoedkoop: € 135 voor de twee luidsprekers, € 129 voor de sub-woofer, en het zijn actieve luidsprekers, ze hebben ingebouwde versterking, je hebt niets anders nodig. Ik stuur ze via bluetooth draadloos aan met mijn streamingdienst op de PC, en geniet de hele dag met volle teugen, de muziek heeft in mijn studeer- en werkkamer nog nooit zo goed geklonken. En dat voor een belachelijke prijs, minder dan 1/20 van die van mijn ‘grote’ set in de woonkamer.

Zo zie je maar. Men kan perfect gelukkig zijn zonder sub-woofer, maar als je voor € 129 je muzikaal genot zo ‘spectaculair’ kan opvoeren, dan is er althans in mijn ogen, of liever: oren, geen enkele reden dat niet te doen.

Edifier is een Chinees bedrijf. Vandaag is dat niet verwonderlijk, alles komt uit China. Hoe ze zo’n materiaal kunnen maken en het verkopen voor die prijs, dat gaat mijn begrip te boven. Maar dat zijn bedenkingen die niet van aard zijn om mijn muzikaal genot te bederven.

Stuur door

Sjostakovitsj

Pieter Bergé, De leugens en de schaterlach. Sjostakovitsj’ geheime Stalin-satire, met een integrale vertaling van Sjostakovitsj’ Antiformalistische Rajok door Xavier Verbeke, Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2021, € 17,90 pb.

Ik leerde de muziek van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) kennen in de vroege jaren 1970, en ik was er meteen weg van. Eerst waren dat de vroege symfonieën, dan de strijkkwartetten, en sindsdien ongeveer zijn hele oeuvre. In mijn omgeving was ik toen (niet alleen op dat vlak) nog een uitzondering, hoewel Sjostakovitsj’ muziek al veel langer doorgedrongen was tot het Westen, vanaf 1954 vooral door zijn ‘oorlogssymfonieën’. Na de veroordeling door Stalin van de ‘formalistische’ nieuwe muziek vanaf 1948 bleef de componist meer op de achtergrond. Na de dood van Stalin in 1953 kon zijn werk weer uitgevoerd worden. Waarom zijn muziek me letterlijk vanaf de eerste noot zo indringend aansprak, weet ik niet goed. Het is een gevoel als van thuiskomen: je weet zonder aarzeling en zonder erover na te denken onmiddellijk dat het goed is, dat het is zoals het hoort. Datzelfde heerlijke gevoel had ik bij de eerste lectuur van Tolkiens The Lord of the Rings, en bij mijn kennismaking met The New Yorker, en met Vladimir Nabokov, William Trevor en John le Carré, allemaal ongeveer in diezelfde tijd, trouwens.

Sjostakovitsj is een natuurtalent. Hij begon als muzikaal wonderkind, en hij heeft zijn talenten niet begraven, maar ze een heel leven lang intens aangewend om een indrukwekkend ongemeen sterk persoonlijk oeuvre te creëren. Hij was niet alleen een geniaal componist, maar als pianist ook een uitzonderlijke muzikant, een vakman met een verbluffende praktische en theoretische technische kennis van de muziek, en een scherpzinnige musicoloog en muziekhistoricus. Dat alles in het woeligste tijdperk van onze beschaving, niet het minst in Rusland en in de Sovjetunie.

Dat laatste heeft hem op vele manieren diep getekend. Door zijn genialiteit was hij ook een publieke figuur, en dat kon niet anders dan tot problemen leiden. Zowel het publiek als zijn leiders hebben het altijd uiterst moeilijk met uitzonderlijk begaafde figuren, die het zelf even moeilijk hebben met zowel het loven als het laken door beiden, of hun ontstellende onverschilligheid. In dit essay gaat musicoloog Pieter Bergé in op dat aspect van Sjostakovitsj’ leven. Enerzijds verdiept hij zich in controverses in en rond de biografieën die na zijn dood verschenen zijn, en anderzijds op zijn korte satirische compositie, de Antiformalistische Rajok. De vraag is telkens of Sjostakovitsj in zijn muziek en/of zijn denken en doen en laten een slaafse en dus schuldige partijganger was van de afschuwelijke dictatuur, dan wel een bewonderenswaardige (crypto)dissident. Bergé doet dat met veel competente kennis van zaken en vanuit een grote belezenheid, en hoedt zich terecht en gelukkig voor elke al te eenzijdige benadering van een kwestie waarover zelfs de eerste getuigen van mening verschillen en elkaar niet zelden in de meest grove bewoordingen in de haren vliegen. Het betoog van Bergé is altijd heel informatief en bevattelijk voor de niet-gespecialiseerde lezer, en blijft ook boeiend als het over meer gespecialiseerde musicologische aspecten gaat.

Het blijft voor iedereen moeilijk om over de grond van de zaak, Sjostakovitsj‘ rol onder het Sovjetregime, een definitief oordeel te vellen. De werkelijkheid is zoals gewoonlijk te complex om ze onder één hoedje te vangen. Ik heb genoten van dit uitstekende essay, maar ik heb me nooit grote vragen gesteld over dat aspect van de componist Sjostakovitsj, ik heb me wijselijk beperkt tot de essentie, namelijk zijn muziek. Ik heb nog nooit een van zijn biografieën tot het einde kunnen uitlezen, precies omdat ik daarin informatie aangereikt kreeg die ofwel moeilijk te verzoenen was met het beeld dat ik van hem kreeg in zijn muziek, ofwel compleet irrelevant was voor de interpretatie en het genot ervan. Het leven van een componist, of van gelijk welke artiest bestuderen kan best interessant zijn, maar dat boeit mij althans allerminst, althans niet in detail. Ik ben Sjostakovitsj dankbaar voor al de muziek die hij schreef, die zelfs voor enkele van de mooiste momenten van mijn bestaan gezorgd heeft, en hopelijk nog lang blijft zorgen.

De uitgave door Sterck & De Vreese is verzorgd, met enkele goedgekozen z/w illustraties. Het moet me evenwel van het hart dat de platte tekst uit een onnodig kleine letter gezet is, en de citaten, de eindnoten, de bibliografie, het namenregister en de vertaling van de tekst van de Rajok bijna sadistisch uit een nog kleinere. Maakten die paar extra bladzijden die een iets grotere letter hadden veroorzaakt nu echt het verschil? Boeken als deze uitgeven is een lovenswaardige zaak, maar dan liefst niet ten koste van de ogen van hun (zij het relatief zeldzame) lezers.

Stuur door

Richard Wagner

Freddy Mortier, Richard Wagner. De man die opera voor het volk maakte. Pelckmans, 2020 
 
Ongetwijfeld zal ik niet de enige zijn die vreemd opkeek van de ondertitel van dit boek. Wagners opera’s zijn bij het grote publiek compleet onbekend, en bij wie ze kent grotendeels onbemind. Vanwaar dan die titel?  
 
De auteur heeft zich gedurende vele jaren verdiept in de figuur van Wagner en in zijn muziek. De zeer uitvoerige en gedegen kennis die hij daarbij heeft opgedaan, en de vele scherpzinnige inzichten die hij heeft verworven, hebben hun indrukwekkende neerslag gekregen in dit fraaie en boeiende werk, a labour of love, mag men wel zeggen. Opera- of muziekliefhebbers die meer wensen te weten over Wagner, of goede achtergrondinformatie zoeken over zijn muziek, zullen hier zeker volop hun gading vinden.
 
Wagner is een omstreden figuur. Hij was dat al tijdens zijn leven, en niet zonder reden, en niet het minst door zijn eigen toedoen. Daarin is nooit verandering gekomen, vooral niet toen het naziregime Wagner omarmde als zijn muzikale held, en Hitler kind aan huis was bij de nazaten van Richard. Door zijn expliciet en rabiaat antisemitisme, lang voor de holocaust, en de voorliefde van enkele nazi-topfiguren voor zijn werk, werd zijn naam onvermijdelijk en onherroepelijk verbonden met de onvoorstelbaar grootschalige en wrede racistische misdaden van dat regime, ook al had hij daarmee vanzelfsprekend helemaal niets te maken. Toch meent ook de auteur, in zijn opmerkelijk delicate bespreking van deze problematiek, dat men moeilijk kan ontkennen dat Wagner, vooral door de aanzienlijke invloed die hij vooral door zijn muziek heeft gehad en nog steeds heeft, maar ook door zijn op zijn minst bedenkelijke geschriften, wel degelijk heeft bijgedragen tot het bevestigen, zoal niet creëren van een klimaat waarin het ideologische racisme en antisemitisme kon ontaarden in de fysieke uitroeiing van miljoenen burgers.
 
Het oeuvre van Wagner werd meteen en wordt nog steeds door velen beschouwd als behorend tot de absolute wereldtop van de opera en van de klassieke muziek, zelfs wanneer men toegeeft dat men geen liefhebber ervan is. Wat bij lezing van dit zo uitvoerige en gedetailleerde boek opvalt, is dat er met geen woord over die muziek gerept wordt, behalve in de korte ‘luisterepiloog’ helemaal aan het einde van het boek, en dan nog in zekere zin en in beperkte mate.
 
Wat krijgen we dan wel? Heel veel informatie over zijn leven, over zijn tijd en zijn tijdgenoten, over de filosofische stromingen waarmee hij kennismaakte en de filosofen die met hem te maken kregen, over de historische gebeurtenissen en de politieke controverses en ontwikkelingen, over de inspiratiebronnen en de ontstaansgeschiedenis van zijn opera’s, over zijn eigen opvattingen betreffende zowel zijn muziek als kunst in het algemeen, als over vele politieke en maatschappelijke onderwerpen, en dat laatste vooral aan de hand van zeer gedetailleerde analyses van de talrijke geschriften van Wagner. Ook de receptie van zijn opera’s, vanaf de eerste opvoeringen tot op de dag van vandaag, komt ruim aan bod.
 
Vooral in de grondige analyse en bespreking van Wagners geschriften, maar occasioneel ook van andere auteurs, maakt professor Mortier gebruik van wat men, bij gebrek aan een betere term, het oneigenlijk citaat zou kunnen noemen. Een citaat moet, zowel wettelijk als volgens de criteria die gelden in de wetenschappen, voldoen aan bepaalde vormelijke, typografische eisen, naast de evidente inhoudelijke. Een oneigenlijk citaat is dan het weergeven van een tekst van een auteur zonder te voldoen aan die vormelijke vereisten, zoals de aanhalingstekens en het beletselteken tussen ronde haakjes, en zonder echt letterlijk die tekst over te nemen. Dat is dan veeleer een parafrase, maar dan als het ware in de ‘directe’ rede: men laat grammaticaal de auteur zelf aan het woord; in de ‘indirecte’ rede zegt men er steeds bij: ‘zegt hij, zegt de auteur, volgens …’ of iets dergelijks. Wanneer men een tekst analyseert, is de verleiding groot om zo oneigenlijk te gaan citeren, of parafraseren, dus met weglating van de verwijzing naar de auteur, omdat dit te omslachtig is, en de lezer zich voldoende bewust is van wie er in feite aan het woord is. Dat laatste is echter niet altijd het geval, ook niet in dit werk van professor Mortier. Herhaaldelijk zijn er passages en hele paragrafen die wanneer men ze uit hun context zou lichten, eruitzien alsof ze van zijn hand zijn, terwijl ze in de strikte context van Wagner zelf blijken te zijn, al zijn het niet (altijd?) zijn eigen woorden. Dat kan erg verwarrend zijn, zeker wanneer dergelijke parafrasen zonder enige kennisgeving afgewisseld worden met de toelichting, duiding of eigen opinie van professor Mortier: wat is er dan (nog) van Wagner, en wat is er (al) van Mortier? Het gevaar is verre van denkbeeldig dat door een dergelijke verregaande vorm van vereenzelviging met de besproken figuur, men de indruk krijgt dat de bespreker zich inderdaad identificeert met degene die hij bespreekt. Met een controversiële figuur als Wagner is dat een risico dat men het best zo veel mogelijk vermijdt.
Er zijn indringende uiteenzettingen over de belangrijkste opera’s: de vier delen van Der Ring des Nibelungen, vanzelfsprekend, en daarnaast Die Meistersinger von Nürnberg en ten slotte Parsifal. Maar ook in die vele uiterst competente, diepzinnige maar steeds zeer leesbare bladzijden blijft de muziek zelf volkomen afwezig. Het is Ideengeschichte, geen musicologie. De auteur is dan ook filosoof aan de Universiteit Gent.
 
Het beeld dat we krijgen van Wagner is compleet. Dat wil zeggen dat de auteur geen enkel heikel punt uit de weg gaat – en dat zijn er best veel – maar tevens dat hij zich niet laat verleiden tot de vele al te eenzijdige opvattingen die er over Wagner hebben bestaan en die nog steeds even fel verdedigd als bestreden worden. Alle aspecten komen aan bod en worden evenwichtig en met veel zin voor relativering voorgesteld. Het is evenwel vanaf de eerste bladzijde tot de allerlaatste duidelijk dat de auteur een groot bewonderaar en uitstekend kenner is van het oeuvre van Richard Wagner.
 
De aandachtige lezer zal ongetwijfeld veel opsteken van de overvloedige informatie en de verhelderende inzichten in dit werk. Toch blijft het zeer de vraag of dat meteen zal bijdragen tot een grotere voorliefde of zelfs maar appreciatie van deze componist en zijn oeuvre. De auteur heeft zeker een punt wanneer hij aanraadt de opera’s niet onvoorbereid tegemoet te treden. Maar zelfs de beste voorbereiding, bijvoorbeeld dit boek, zal meer dan waarschijnlijk niet volstaan om zelfs na verscheidene pogingen ook maar enig begrip op te brengen voor de op zijn zachtst uitgedrukt complexe, en als we eerlijk zijn warrige, ongeloofwaardige en ronduit onbegrijpelijke verhaallijnen, plots, figuren en menselijke verhoudingen, en de geforceerde taal waarin die door Wagner zelf geschreven zijn.
 
Zo komen we terug bij ons vertrekpunt, namelijk onze verwondering over de ondertitel van het boek. Freddy Mortier legt overvloedig en overtuigend de bedoelingen van Wagner uit om het volk en de opera dichter bij elkaar te brengen. Het is evenwel zeer de vraag of hij daarin ook geslaagd is, zowel tijdens zijn leven als daarna. En wanneer dan blijkt dat dit geenszins het geval is, kan men terecht de vraag stellen of die bedoeling wel realistisch was, en zelfs of ze authentiek was, en niet veeleer behoort tot het kenmerkende hineininterpretieren, wishful thinking en mystificeren van Wagners geschriften. Zijn opera’s zijn altijd al het voorwerp geweest van verering door een al bij al klein aantal aficionado’s (en -a’s) die zichzelf veeleer beschouwen en/of gedragen als ingewijden. Dat blijkt overduidelijk bij elke opvoering, maar evident nog het meest opvallend in Bayreuth.
 
De ‘complexiteit’ van Wagners opera’s maakt ze moeilijk toegankelijk voor het grote publiek, ook al zijn ze volop beschikbaar, ook buiten de opvoeringen, in digitale vorm. Moet men, om ze goed of volledig te begrijpen en te smaken, alle ‘extrinsieke’ aspecten ervan, die in dit werk zo grondig belicht worden, integraal en exhaustief doorgronden? Of is het misschien zo dat Wagner zelf die slechts gebruikt heeft als noodzakelijke, maar niet noodzakelijk te begrijpen of zelfs begrijpelijke vehikels voor zijn muziek? Is muziek niet intrinsiek onuitsprekelijk, de uitdrukking van het onzegbare? Is ook het bij hem prima la musica, dopo le parole?
 
Misschien is het voor de gewone muziekliefhebber uiteindelijk beter dat je slechts een zeer vage indruk hebt van wat er zich afspeelt, en dat je geniet van de onmiskenbaar geniale muziek die Wagner ons geschonken heeft, zoals het voor de melomaan allicht ook beter is om niet al te lang stil te staan bij de figuur van Wagner zelf, of bij zijn uiterst bedenkelijke geschriften. Grote kunstenaars hebben niet zelden grote ego’s, en dat was bij Wagner zeker in zeer hoge mate het geval, maar het zijn niet noodzakelijkerwijs, zo leert ons de geschiedenis en de actualiteit, ook uitzonderlijk moreel of intellectueel hoogstaande personen, en dat was Wagner inderdaad al bij al niet meteen. Zijn genialiteit blijft, ondanks de beste uitleg over de andere aspecten van zijn oeuvre, grotendeels beperkt tot zijn muziek, ook al is die dan gezongen. Daarmee blijft hij overigens behoren tot die typische operawereld – die hij overigens haatte – waarin heel wat mensen volledige aria’s enthousiast kunnen meezingen, en er telkens weer tot tranen toe bewogen naar luisteren, zonder ook maar één woord ervan te verstaan.
Stuur door

Klassieke meesters: componisten van Haendel tot Sibelius (recensie)

Yves Knockaert, Klassieke meesters, Uitgeverij Pelckmans, Kalmthout, 2022, 670 blz., € 45.

Voor alle duidelijkheid: ‘klassieke meesters’ gaat om componisten, waarvan er op de omslag 27 chronologisch vermeld staan, van Händel tot Sibelius.

Het duurt wel even voor je aan de laatste bladzijde toe bent. Het is geen boek om even snel snel uit te lezen. Beter op een verloren rustig moment nog eens een (deel van een) hoofdstuk lezen, en dan weer wegleggen. Anders gaat het gauw vervelen. Dat ligt niet aan de inhoud, toch niet voor een melomaan. Maar de auteur heeft een heel eigen methode ontwikkeld. Er is in dit boek heel weinig te vinden dat helemaal van zijn hand is. Er zijn eindeloos veel en heel lange citaten. En alle historische informatie is vanzelfsprekend eveneens geput uit andere werken, die hier opvallend onvermeld blijven. We krijgen zelden of nooit te horen wat de auteur zelf over een componist, een werk, een uitvoering of een uitvoerder denkt. Steeds zijn het critici, recensenten, collega-componisten, uitvoerders, managers, intendanten en andere randfiguren die uitvoerig aan bod komen. De aandacht gaat veel meer naar de receptie van de composities dan naar hun inhoud, veel meer naar de successen of fiasco’s van de componisten en hun status in de maatschappij dan naar hun betekenis voor de muziek(geschiedenis), veel meer naar theoretische opvattingen, verwoord door componisten over hun eigen werk en dat van anderen, dan naar analyses of zelfs maar beschrijvingen van hun werk. Zo vernemen we vaak wie wie ontmoet heeft, maar hebben we het raden naar wat er gezegd werd, of blijkt dat veel minder interessant dan wat het had kunnen zijn.

De chronologie van het werk is complex. De behandelde periode is die van de 18de en de 19de eeuw, met (enkele) uitlopers tot het midden van de 20ste. Maar er worden voortdurend sprongen gemaakt, voorwaarts en achterwaarts, zodat pas helemaal aan het einde (bijna) alles gezegd is over elk van de componisten vermeld in de titel, en een hele reeks andere. Het enige systematische in dit werk is de broodnodige index, 25 bladzijden lang, kleine druk, twee kolommen, maar die is vanzelfsprekend alfabetisch, niet chronologisch. Na elk hoofdstuk volgt een gedetailleerde opsomming van de juist vermelde werken, al dan niet van de componist vermeld in de titel van het hoofdstuk. Nuttig ongetwijfeld, maar verwarrend niettemin op zich.

Met deze indrukwekkende verzameling van gegevens heeft de auteur een eigenzinnig werk tot stand gebracht dat niet gemakkelijk te situeren is, en daardoor ook niet gemakkelijk om te evalueren. De ongebruikelijke methode werkt, maar niet altijd even goed. Vaak zijn de rechtstreekse en de verholen citaten en de verhalen louter anekdotisch, of nauwelijks relevant, en hadden ze plaats kunnen maken voor meer diepgaand inhoudelijk commentaar, of gewoon weggelaten kunnen worden, wat de lengte van het werk en vooral de leesbaarheid zeker ten goede had gekomen. Dat is het gevaar waarvoor elke auteur zich moet hoeden bij het opzoeken van de bronnen: niet al het materiaal is even waardevol, en het feit van het gevonden te hebben is niet altijd een voldoende reden om het ook op te nemen of te gebruiken. Voor een boek van 1,5 kg dat geen woordenboek is, moet er al een heel gewichtige reden zijn. Minder is inderdaad soms, vaak, veel meer.

Stuur door

Gastrubriek: Leesportefeuille, Hugo D'hertefelt, 8

Grândola, vila morena
Hymne van de Portugese Anjerrevolutie van 25 april 1974

Hugo D’hertefelt, februari 2021

Intro

Al 35 jaar ben ik tenor in het Hasselts Omroerkoor. Tijdens een koorweekend in Dommelhof te Neerpelt in maart 2015 leerden we het lied Grândola in voorbereiding van een Hart boven Hardmanifestatie te Brussel. De muziek is eenvoudig, ze begint eenstemmig maar bij de herhaling van de eerste vier regels wordt ze tweestemmig. Er gaat iets krachtigs en strijdvaardigs van uit. Het is nochtans geen politiek lied. Maar het is wel in een politieke context gebruikt, namelijk die van de Anjerrevolutie in Portugal, die op 25 april 1974 zonder bloedvergieten een einde maakt aan het dictatoriale regime van Salazar.

Subversief lied

Op 29 maart 1974 zingt Zeca Afonso Grândola in het Coliseu dos Recreios, een grote amusementshal in Lissabon. Het is de eerste grote culturele manifestatie na de mislukte opstand van 19 maart in dat jaar. De Pide, de Portugese veiligheidspolitie, is gealarmeerd en controleert de teksten van de liedjes die zullen gezongen worden. Eigenaardig genoeg krijgt Zeca toestemming om Grândola te zingen. Het is het slotlied en alle zangers en ook een groot deel van het publiek zingen gearmd het koorgedeelte mee. Het voelt aan als een moment van grote verbondenheid en militante actie. Er zitten ook soldaten in de zaal die de maand daarop zullen deelnemen aan de Anjerrevolutie. Ze kiezen dit lied als symbool voor de revolutie.
Al heel de maand maart van 1974 bereiden revolutionaire krachten in het leger in het grootste geheim de omverwerping van het dictatoriale regime van Salazar voor. Ze zoeken een betrouwbaar en herkenbaar signaal voor de aanzet van de revolutie. De militaire communicatiemiddelen zijn niet voldoende om het hele land te bereiken. Daarom kiezen ze om via Rádio Renascença twee ordewoorden te verspreiden die de revolutie in gang moeten zetten. Het eerste is het lied E depois do Adeus van Paulo de Carvalho, dat op 24 april om 22u55 zal worden uitgezonden, voorafgegaan door de woorden van de speaker ‘het is 23 uur min vijf minuten’. Het tweede ordewoord is Grândola, vila morena dat zal worden uitgezonden in het programma ‘Limite’ op 25 april om 0 uur 20. De speaker leest de eerste strofe van het lied en laat daarna de plaat horen, die verboden is.
Grândola is van nu af aan een subversief lied.
 

De schrijver en de zanger van het lied

Zijn volledige naam is José Manuel Cerqueira Afonso dos Santos. Maar men noemt hem Zeca Afonso. Hij is geboren in 1929 in de Portugese kustplaats Aveiro. Zijn vader werkt in de koloniën en hij verblijft soms bij zijn ouders in Angola en Mozambique. Na WOII studeert hij geschiedenis en filosofie aan de universiteit van Coimbra. Hier heeft hij al zijn eerste optredens. Na zijn studies wordt hij leraar.
In 1958 steunt hij de kandidatuur van Humberto Delgado voor het presidentschap. Die wil een einde maken aan de macht van Salazar en zijn dictatoriale regime. Delgado verliest de verkiezingen, maar er is duidelijk gesjoemeld. Delgado gaat in ballingschap, maar wordt in 1965 vermoord door een commando van de Portugese geheime politie.
Zeca Afonso keert zich meer en meer tegen de dictatuur. Als hij in 1964 in Mozambique verblijft, merkt hij dat de onderdrukking in de kolonie nog erger is dan in het thuisland. Als hij in 1967 terugkeert naar Portugal krijgt hij een jaar later een verbod om nog les te geven.
Ondertussen heeft hij zich steeds meer toegelegd op het zingen, schrijven en componeren. Hij evolueert van klassieke fado-zanger naar een nieuwe stijl, het Canto Livre.
In 1973 trekt hij door het land maar het regime verhindert vaak zijn optredens. Hij belandt zelfs geregeld in de gevangenis. Tijdens het optreden van 29 maart 1974 zingt hij samen met andere artiesten als afsluiter het lied Grândola, vila morena.
Ook na de Anjerrevolutie blijft hij politiek actief. Tot aan zijn dood levert hij felle kritiek op de opeenvolgende democratische regeringen, zowel van links als van rechts.
Hij sterft in Setúbal op 23 februari 1987. Dertigduizend mensen wonen zijn begrafenis bij, gedurende twee uur vormen ze een stoet van dertienhonderd meter lang. Op zijn kist ligt, geheel volgens zijn wens, een rode vlag, zonder symbolen.

Het ontstaan van Grândola, vila morena

Op 17 mei 1964 treedt Zeca Afonso op in Grândola, een stadje in de arme provincie Alentejo. Een plaatselijke muziekvereniging bestaat 52 jaar en Zeca Afonso is uitgenodigd om te komen zingen. Ze kennen hem als een groot tegenstander van het regime.

In De Groene Amsterdammer van 24 april 2004 schrijft René Zwaap een artikel over deze gebeurtenis met als titel ‘In de schaduw van een lied’. Zwaap laat de toenmalige voorzitter van de muziekvereniging aan het woord:

‘Zeca, dat was de bijnaam van de zanger, kwam graag naar Grândola. Hier trof hij gelijkgestemde mensen aan. Veel van zijn muziek was verboden door de censuur, maar hier zong hij die verboden liederen wél, terwijl de politieke politie, de Pide, voor de deur stond, maar niet naar binnen durfde komen. Als dank voor de gastvrijheid schreef hij in het café op de achterkant van een papiertje de tekst van Grândola, vila morena. Het was een gelegenheidsgedicht. Ik heb de originele tekst thuis liggen. Die bewaar ik als een heiligdom.’

Pas in 1971 wordt de tekst als lied gezongen en opgenomen in Frankrijk. De producent, José Mário Branco, stelt voor om het lied een typisch Alentejo-karakter te geven door de zinnen van elke strofe in omgekeerde volgorde te herhalen. De opname verandert de aard van het gedicht. Het krijgt een veel politiekere uitstraling, zeker in de dictatoriale tijd van toen. Dat komt ook doordat Zeca Afonso een zin in de laatste strofe verandert waardoor er een veel persoonlijkere boodschap en een mobiliserend appel van uit gaat: ‘Jurei ter por companheira’ (Heb ik gezworen dat jij mijn gezel blijft).
Qua muziek is het lied helemaal geënt op de traditionele manier van zingen in de streek van Alentejo: a capella, zonder instrumentale begeleiding, eerst een solo mannenstem, dan een koor. Zo krijgt de muziek een zeker ritueel karakter waar een groot gemeenschapsgevoel van uitgaat. Het geluid van marcherende stappen versterkt het ritme en roept de sfeer op van landarbeiders die in groep naar het veld trekken.

Populair strijdlied

Ook na de Anjerrevolutie blijft Grândola populair als strijdlied, zeker in de tien eerste jaren van de prille democratie. Het gehele lied, maar vooral de zin ‘O povo é quem mais ordena’ (Het volk beveelt)is verbonden met de idee van democratie en vrijheid en verschijnt op stadsmuren, op spandoeken en in kranten. Dan deemstert het even weg, zoals Zeca Afonso ook verdwijnt van het muzikale, poëtische en politieke toneel van de Portugese democratie. Tijdens de ‘vette’ jaren die het land kent wanneer het Europese manna bijdraagt tot een snelle economische ontwikkeling, wordt het lied nog enkel gezongen op concerten van linkse artiesten, op 1-meimanifestaties en herdenkingen van 25 april. Maar bij elke protestactie tegen het beleid van de regering en de overheid is het van de partij.
Het is weer hélemaal terug in februari 2013. Regeringsleider Pedro Passos Coelho zal in het parlement zijn economische maatregelen voorstellen. Pacifistische manifestanten maken het hem onmogelijk door Grândola te zingen. Er zijn gepensioneerden bij, die met zachte hand buiten worden geleid. Door het zingen van Grândola iemand het spreken beletten, wordt sindsdien grandoladas genoemd.
Het lied is momenteel niet alleen het lijflied van de traditionele linkse militanten, maar een strijdlied van het ganse Portugese volk. Zo is op 2 maart 2013 om precies 16u een ordewoord gelanceerd om Grândola te zingen op alle openbare plaatsen waar massabijeenkomsten plaatsvonden.
Het was een lied dat hielp om de Salazar-dictatuur omver te werpen. Het is nu een lied dat helpt om te protesteren tegen de door Europa opgelegde - en als dictatuur ervaren - maatregelen ten gevolge van de economische en financiële crisis.

De tekst

Grândola, vila morena

Terra da fraternidade

O povo é quem mais ordena

Dentro de ti, ó cidade.

Dentro de ti, ó cidade

O povo é quem mais ordena

Terra da fraternidade

Grândola, vila morena

 

Em cada esquina um amigo

Em cada rosto igualdade

Grândola, vila morena

Terra da fraternidade.

Terra da fraternidade

Grândola, vila morena

Em cada rosto igualdade

O povo é quem mais ordena.

 

A sombra duma azinheira

Que já não sabia a idade

Jurei ter por companheira

Grândola a tua vontade.

Grândola a tua vontade

Jurei ter por companheira

A sombra duma azinheira

Que já não sabia a idade.

Grândola, geblakerde stad

Land van de verbroedering

Het volk beveelt

Binnen jouw muren, o stad.

 

 

 

 

 

Op elke straathoek een vriend

Op elk gelaat, gelijkheid

Grândola, geblakerde stad

Land van de verbroedering.

 

 

 

 

 

In de schaduw van een kurkeik

Die niet meer weet hoe oud hij is

Heb ik gezworen dat jij mijn gezel blijft

Grândola, als jij het wil.

 

 

 

Aanrader

Beluister het lied op YouTube.

Bronnen

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jos%C3%A9_Afonso

https://nl.wikipedia.org/wiki/Gr%C3%A2ndola,_Vila_Morena

https://www.groene.nl/artikel/in-de-schaduw-van-een-lied

https://journals.openedition.org/lengas/307

 

Stuur door

Si dolce e'l tormento

Velen onder ons zullen ongetwijfeld ooit ontroerd geweest zijn door een van de talrijke uitvoeringen, bijvoorbeeld van de onvergetelijke Montserrat Figueras, van Marco Beasley of Philippe Jaroussky, van de uitzonderlijk aangrijpende aria Si dolce è il tormento.

Ze werd voor het eerst gepubliceerd in een verzameling van Carlo Milanuzzi (c. 1590- c. 1647) Quarto scherzo delle ariose vaghezze… con un cantata, & altre arie del Signor Monteverde, e del Sig. Franceso suo figlio (Venetië: Alessandro Vincenti, 1624). Volgens sommigen is ze van de hand van Francesco, de oudste zoon van Claudio Monteverdi (1567-1643), maar de meeste bronnen wijzen ze toe aan Monteverdi père zelf, van wiens meesterlijke hand de eenvoudige maar zo overtuigende melodie overigens alle tekenen vertoont.

De term scherzo in de titel van Milanuzzi’s publicatie betekent letterlijk een grap, iets luchtigs, en dat betekent het ook in de muziek, waar het scherzo een vaste plaats verworven heeft. Hier bedoelt men echter waarschijnlijk zoiets als ‘een prettige verzameling’; de verzamelingen van Milanuzzi krijgen vanaf de zesde de meer algemene titel libro delle ariose vaghezze, en dat laatste woord betekent ‘aangenaam’.

De aria komt al eerder voor in Francesco Petratti, Il primo libro d’arie a una et due voci con un dialogo in fine (Venetië: Alessandro Vincenti, 1620), dat gedrukt werd voor en opgedragen aan Paolo Giordano Orsini, de hertog van Bracciano, in wiens dienst Petratti was,  en waarbij Monteverdi optrad namens de hertog, zoals blijkt uit Monteverdi’s brieven aan de hertog. Petratti’s werk bestaat ongetwijfeld uit composities, dus met tekst én muziek. Waarschijnlijk heeft Monteverdi een van de teksten zo aantrekkelijk gevonden dat hij daarop ook zelf muziek heeft op gecomponeerd, die dan later een plaats gevonden heeft in de verzameling van Milanuzzi en zo bewaard is gebleven. Het is me niet duidelijk geworden van wie de teksten zijn van de arie van Petratti, en over deze componist en muzikant uit Cremona is verder niet veel te vinden.

Si dolce è'l tormento

Ch'in seno mi sta,

Ch'io vivo contento

Per cruda beltà.

Nel ciel di bellezza

S'accreschi fierezza

Et manchi pietà:

Che sempre qual scoglio

All'onda d'orgoglio

Mia fede sarà.

 

La speme fallace

Rivolgam' il piè.

Diletto ne pace

Non scendano a me.

E l'empia ch'adoro

Mi nieghi ristoro

Di buona mercè:

Tra doglia infinita,

Tra speme tradita

Vivrà la mia fè.

 

Per foco e per gelo

riposo non ho

nel porto del Cielo

riposo haverò...

se colpo mortale

con rigido strale

il cor m'impiagò

cangiando mia sorte

col dardo di morte

il cor sanerò...

 

Se fiamma d'amore

Già mai non sentì

Quel rigido core

Ch'il cor mi rapì,

Se nega pietate

La cruda beltate

Che l'alma invaghì:

Ben fia che dolente,

Pentita e languente

Sospirimi un dì.

 

‘Zo zoet is de kwelling in mijn gemoed, dat ik tevreden leef met wrede schoonheid. In de hemel van de schoonheid neemt de trots toe en ontbreekt het medelijden: moge mijn trouw altijd als een rots in de golf van de hoogmoed zijn. De valse hoop wend ik af. Genot noch vrede daalt in me neer. En de meedogenloze die ik aanbid, gunt me de vertroosting niet van haar goede genade: in eindeloze pijn, in bedrogen hoop zal mijn hoop leven. Ik word niet gespaard van vuur en ijs, aan de hemelpoort zal ik rust vinden. Als de doodsteek van de starre pijl mijn hart verwondt en mijn lot doet keren, zal met de pijl van de dood het hart genezen. Als dat starre hart dat mijn hart stal de vlam van de liefde nog niet voelt, weigert de wrede schoonheid die het hart betoverde me medelijden: moge ze op een dag gepijnigd, met spijt en kwijnend naar mij verzuchten.‘

Stuur door

Melomaan, nogmaals

Melomaan, nogmaals

Enkele maanden geleden berichtte ik hier over mijn nieuwe muziekinstallatie, en mijn abonnement op Qobuz en Roon. Qobuz biedt muziek online aan (‘streaming’): je kan tienduizenden cd’s gewoon aanklikken en meteen beluisteren, of ze aanvinken voor latere beluistering. De kwaliteit is uitzonderlijk goed, de keuze verbazingwekkend ruim. Roon organiseert het aanbod en de afspeelapparatuur. Het is een compleet nieuwe ervaring.

Ik heb sinds de opkomst van de cd wellicht een duizendtal cd’s aangekocht. Sommige zijn zo oud dat ze zelfs al versleten zijn, niet door het veelvuldig gebruik, maar door verouderingsprocessen. Muziek beluisteren via cd is echter bewerkelijk: je moet voortdurend opstaan voor de volgende. En dus ben je geneigd om een luiere bron te zoeken. Dat was dan een klassieke-muziekzender, de laatste jaren Klara Continuo, de enige (ter wereld!) die bij mijn weten 24/7 klassieke muziek uitzendt zonder reclameboodschappen of andere onderbrekingen. Na een tijd merk je dat heel wat muziekstukken voortdurend terugkomen, zelfs in dezelfde volgorde. Er is dus variatie, maar beperkt. De selectie is ‘braaf’: meestal populaire stukken uit de klassieke periode en de romantiek, niet veel vroeger, niet veel later. En bijna nooit volledige muziekstukken: een beweging uit een symfonie of een stuk kamermuziek, dan weer een ander. Een ‘licht’ programma dus, bedoeld als achtergrondmuziek. En geen wereldmuziek, jazz of avant-garde. Als melomaan blijf je onbevredigd, en stilaan meer en meer gefrustreerd. Komt daar nog bij dat de technische kwaliteit van de uitzendingen erg bescheiden is: 128 Kbps. Ter vergelijking: MP3 is 320 Kbps, cd is 1411 Kbps. Je krijgt dus echt geen cd-kwaliteit binnen via Klara Continuo of Klara.

Dat is nu allemaal verleden tijd. Ik luister nu uitsluitend naar cd’s via Qobuz. Topkwaliteit en complete composities. Je kan zelf je muziek kiezen of dat door Qobuz of Roon laten doen. De bediening is via PC, laptop, tablet of smartphone, inclusief professionele equalizing. Als ik de huisgenote niet wil storen, schakel ik via een klein zendertje dat bij mijn hoorapparaten hoort de muziek draadloos naar die hoorapparaten, wat een heel gedetailleerde, ruimtelijke en intieme luisterervaring geeft.

Dagenlang het aanbod van Qobuz verkennen levert telkens weer nieuwe ontdekkingen op, zowel van vertrouwde muziek en muzikanten als van compleet nieuwe componisten en composities. Waar ik vroeger af en toe een cd kocht, en de laatste jaren zelfs helemaal niets meer, kan ik nu zonder meer elke cd die me interessant lijkt gewoon aanvinken, en me die zo virtueel maar zeer reëel toe-eigenen. Ik moet dus niet meer window-shoppen, of verlanglijstjes aanleggen, of schouderophalend de gelegenheid laten voorbijgaan; ik hoef niet meer te aarzelen of het wel de moeite is, of het zijn geld waard is: alles is gratis eenmaal het abonnement betaald is, en voor ongeveer € 20 per maand, de prijs van één cd, kan je niet sukkelen, toch?

Ik verken nu het muziekaanbod als nooit tevoren. Zo leg ik een – uiteraard virtuele – verzameling aan van alle composities voor strijkkwartet, sinds jaren mijn geliefkoosd ensemble. Ik neem weer de indrukwekkende publicaties ter hand van Bernard Fournier over Le quatuor à cordes, en grasduin in de cd’s van bekende en minder bekende strijkkwartet-ensembles. Als ik me wil laten ontroeren door Callas, Sutherland, Gruberova, Pavarotti of Fritz Wunderlich, vind ik alle opnamen die ze ooit gemaakt hebben: la mer à boire. De hele klassieke muziek, in de ruimste zin van het woord, is aanwezig, van de vroegste werken tot de meest recente. Of ik zoek oude bekenden op, zoals Roy Orbison, The Everly Brothers, The Platters, Connie Francis, José Feliciano, Frank Sinatra, Nat ‘King’ Cole, Brel, Piaf, Barbara, Greco, Michel Petrucciani, Billy Holliday, Ella Fitzgerald, Lester Young… Ik kan uren gefascineerd luisteren naar de klassieke muziek uit India, of de wonderlijke klanken van de Mongoolse keelzang uit Ulaanbaatar, sufi-muziek uit Iran… Wat je ook zoekt, het is er allemaal, en in meer versies en uitvoeringen dan je voor mogelijk houdt. Ik vermeld hier de genres niet die me niet zo boeien, zoals popmuziek, maar die is er ook, with a vengeance!

Ik hoef zelfs mijn eigen cd’s niet meer af te spelen: al wat ik heb, vind ik ook bij Qobuz. Als ik er ooit toch een vind, kan ik die moeiteloos rippen en dan komt die meteen in de verzameling die Roon beheert: aanklikken en beluisteren, betere kwaliteit dan op mijn cd-speler.

Kortom, in plaats van ingeblikte repetitieve achtergrondmuziek weerklinkt er nu de hele dag een brede waaier van volledige werken, in de best mogelijke kwaliteit, een onuitputtelijke bron van muzikaal genot, met voortdurend nieuwe ontdekkingen en het blij weerzien van geliefde muziekstukken of vertolkers. De muziek krijgt nu de aandacht en de kwaliteit die ze verdient. Zoals Horatius dichtte: hoc erat in votis, dit is wat ik altijd al gewenst heb. Ik hoop er nog lang te kunnen van genieten.

P.S. Wat ik nog niet gevonden heb is de cd Homage to Ria Bollen; In Flanders’ Fields vol. 91. Als ik die van iemand zou kunnen lenen of kopen, graag een seintje: karel.d.huyvetters@telenet.be

Stuur door

Meer van Kroniek

↑ Terug naar de berichten