Si dolce e'l tormento
Velen onder ons zullen ongetwijfeld ooit ontroerd geweest zijn door een van de talrijke uitvoeringen, bijvoorbeeld van de onvergetelijke Montserrat Figueras, van Marco Beasley of Philippe Jaroussky, van de uitzonderlijk aangrijpende aria Si dolce è il tormento.
Ze werd voor het eerst gepubliceerd in een verzameling van Carlo Milanuzzi (c. 1590- c. 1647) Quarto scherzo delle ariose vaghezze… con un cantata, & altre arie del Signor Monteverde, e del Sig. Franceso suo figlio (Venetië: Alessandro Vincenti, 1624). Volgens sommigen is ze van de hand van Francesco, de oudste zoon van Claudio Monteverdi (1567-1643), maar de meeste bronnen wijzen ze toe aan Monteverdi père zelf, van wiens meesterlijke hand de eenvoudige maar zo overtuigende melodie overigens alle tekenen vertoont.
De term scherzo in de titel van Milanuzzi’s publicatie betekent letterlijk een grap, iets luchtigs, en dat betekent het ook in de muziek, waar het scherzo een vaste plaats verworven heeft. Hier bedoelt men echter waarschijnlijk zoiets als ‘een prettige verzameling’; de verzamelingen van Milanuzzi krijgen vanaf de zesde de meer algemene titel libro delle ariose vaghezze, en dat laatste woord betekent ‘aangenaam’.
De aria komt al eerder voor in Francesco Petratti, Il primo libro d’arie a una et due voci con un dialogo in fine (Venetië: Alessandro Vincenti, 1620), dat gedrukt werd voor en opgedragen aan Paolo Giordano Orsini, de hertog van Bracciano, in wiens dienst Petratti was, en waarbij Monteverdi optrad namens de hertog, zoals blijkt uit Monteverdi’s brieven aan de hertog. Petratti’s werk bestaat ongetwijfeld uit composities, dus met tekst én muziek. Waarschijnlijk heeft Monteverdi een van de teksten zo aantrekkelijk gevonden dat hij daarop ook zelf muziek heeft op gecomponeerd, die dan later een plaats gevonden heeft in de verzameling van Milanuzzi en zo bewaard is gebleven. Het is me niet duidelijk geworden van wie de teksten zijn van de arie van Petratti, en over deze componist en muzikant uit Cremona is verder niet veel te vinden.
Si dolce è'l tormento
Ch'in seno mi sta,
Ch'io vivo contento
Per cruda beltà.
Nel ciel di bellezza
S'accreschi fierezza
Et manchi pietà:
Che sempre qual scoglio
All'onda d'orgoglio
Mia fede sarà.
La speme fallace
Rivolgam' il piè.
Diletto ne pace
Non scendano a me.
E l'empia ch'adoro
Mi nieghi ristoro
Di buona mercè:
Tra doglia infinita,
Tra speme tradita
Vivrà la mia fè.
Per foco e per gelo
riposo non ho
nel porto del Cielo
riposo haverò...
se colpo mortale
con rigido strale
il cor m'impiagò
cangiando mia sorte
col dardo di morte
il cor sanerò...
Se fiamma d'amore
Già mai non sentì
Quel rigido core
Ch'il cor mi rapì,
Se nega pietate
La cruda beltate
Che l'alma invaghì:
Ben fia che dolente,
Pentita e languente
Sospirimi un dì.
‘Zo zoet is de kwelling in mijn gemoed, dat ik tevreden leef met wrede schoonheid. In de hemel van de schoonheid neemt de trots toe en ontbreekt het medelijden: moge mijn trouw altijd als een rots in de golf van de hoogmoed zijn. De valse hoop wend ik af. Genot noch vrede daalt in me neer. En de meedogenloze die ik aanbid, gunt me de vertroosting niet van haar goede genade: in eindeloze pijn, in bedrogen hoop zal mijn hoop leven. Ik word niet gespaard van vuur en ijs, aan de hemelpoort zal ik rust vinden. Als de doodsteek van de starre pijl mijn hart verwondt en mijn lot doet keren, zal met de pijl van de dood het hart genezen. Als dat starre hart dat mijn hart stal de vlam van de liefde nog niet voelt, weigert de wrede schoonheid die het hart betoverde me medelijden: moge ze op een dag gepijnigd, met spijt en kwijnend naar mij verzuchten.‘



