als in een duistere spiegel
Anima naturaliter christiana
Tertullianus (ong. 155-220), Apologeticus 17.6; Patrologia Latina 1:377.
Een van nature christelijke ziel… Elk woord is geladen, en eeuwenlang beladen en belast met betekenissen en connotaties. Het is een uitdaging voor de rechtzinnige humanist – en dus atheïst – om zowel de oorspronkelijke betekenis na te gaan als te onderzoeken wat het ons vandaag nog kan bijbrengen over onze eigen beginselen en onze levenshouding.
Tertullianus vertolkte daarmee een bekend inzicht uit de Oudheid: de mens is zich bewust van het bestaan van God, enerzijds uit diens werken, anderzijds uit het innerlijke getuigenis van de ziel. Als christelijk apologeet had hij het over de God van het christendom, en dus was de ziel die van God getuigt van nature christelijk. Dat is de oorspronkelijke betekenis van het geciteerde gevleugeld woord. Maar dat houdt een aantal vooronderstellingen in die buiten de christelijke context niet evident zijn. Enerzijds is er sprake van een God, en anderzijds van een ziel. Wat met elk van beide bedoeld wordt, valt nog te bezien. Wat meer is: wat christelijk is, was ten tijde van Tertullianus allesbehalve eenduidig – dat is overigens altijd al zo geweest en is het nog altijd –; zijn eigen opvattingen werden door anderen als ketters beschouwd, zodat hij nooit officieel als kerkvader of -leraar erkend is.
Al in de Oudheid probeerde men het bestaan van een God, wat die verder ook was, te bewijzen op grond van een drievoudige consensus: die van alle volkeren, die van de dichters, en die van de filosofen. Alle volkeren kennen een of andere vorm van God en godsdienst; er zijn overal talloze godenverhalen; alle filosofen gaan uit van het bestaan van (een) God. Die universele eensgezindheid is echter niet meer dan een louter arbitraire veronderstelling, veeleer dan een vaststaand feit, en haar eventuele geldigheid is zeer afhankelijk van wat men bedoelt met (een) God en godsdienst.
Het is absoluut niet zo dat alle volkeren dezelfde God en godsdienst hadden of hebben, en wat voor het ene volk, of de ene sekte, of voor één persoon God is, is dat niet noodzakelijk voor een andere, wel integendeel. Godsdiensten verkondigen als eerste principe altijd dat hun God de enige is, en dat wie die niet aanbidt goddeloos is, of een godslasterlijke afgodendienaar. Ook de verhalen over de goden die inderdaad welig tieren, zijn geenszins eenstemmig, maar uiterst verscheiden en zelden met elkaar in overeenstemming. En van de filosofen kan men slechts één zekerheid bevestigen, namelijk dat ze het over niets eens zijn, zelfs niet met zichzelf, en geen enkele zekerheid bieden.
Die drievoudige consensus vindt men vanzelfsprekend enkel in de uiteraard vooringenomen apologetische argumenten van aanhangers van godsdiensten, en manifest niet bij humanisten en atheïsten, die elk van de onderdelen van die consensus altijd betwist hebben. Zij wijzen terecht op het bestaan van een reële, zij het onderdrukte en grotendeels verborgen atheïstische traditie, die het bestaan van een God ten minste in vraag stelt, dat vervolgens onbewijsbaar acht, en ten slotte ontkent. Zij ontkrachten de mythen, sagen en fabels over de goden als poëtische, historische, romantische of politieke verzinsels. En zij wijzen erop dat er wel degelijke altijd een oprecht atheïstische filosofie geweest is, en dat bijna alle filosofen in feite fundamenteel atheïstisch denken, zo al niet schrijven.
Dat de ziel van nature God kent, herkent of erkent, is dus een loze bewering als het over een specifieke godsdienst en zijn God gaat. Maar ook als algemene uitspraak, namelijk dat elke ziel van nature het goddelijke ervaart, gaat ze niet op. Vooreerst is er met de ziel hetzelfde fundamentele probleem als met God: wat wordt ermee bedoeld? Ook daarover is er absoluut geen eensgezindheid, en men kan gerust stellen dat geen mens weet of ooit geweten heeft wat ‘de ziel’ is. Het is een al te vaag woord, dat niet naar een concrete inhoud verwijst waarover men het eens kan worden. Vandaag is de term precies daarom in onbruik geraakt, en er is niets voor in de plaats gekomen, wat wel een heel overtuigende aanwijzing is van zijn fundamentele nutteloosheid. Vervolgens is het een onbewezen stelling dat alle mensen (al dan niet in hun ziel) van nature het goddelijke ervaren. Het is zelfs meer dan waarschijnlijk dat het meest primitieve aanvoelen over de grond van alles niet religieus is, maar de overleving betreft, het in stand houden van zichzelf en zijn (genetisch) naasten. Er zijn ook altijd al mensen geweest die getuigenissen nagelaten hebben dat zij dat goddelijke niet ervaren. Er zijn nu wereldwijd meer en meer beschaafde mensen die niet gelovig opgevoed zijn, en die (bijgevolg!) geen neigingen vertonen om een godsbegrip te ontwikkelen. Overigens kan men onmogelijk alle vaak buitenissige getuigenissen van zogenaamde godservaringen ernstig nemen, noch ze over een kam scheren, daarvoor zijn ze veel te verscheiden, van het sublieme tot in het absurde en het ronduit belachelijke toe.
De uitdrukking anima naturaliter christiana is tekenend voor het christendom, dat sinds zijn ontstaan altijd alles gerecupereerd en geaccapareerd heeft wat ook maar enigszins in zijn kraam paste. Het ook in de Oudheid al vage en meerduidige begrip anima werd voor het christendom een uiterst specifieke en essentiële term voor de onsterfelijke substantie die de mens naast het lichaam zou ‘hebben’: de ziel. En als die ziel ons op een of andere manier de innerlijke zekerheid geeft dat God bestaat, is de cirkel(redenering) rond: wij hebben een ziel omdat God ons die gegeven heeft; die ziel geeft ons de zekerheid dat God bestaat; de ene ware God is de God van het christendom; dus bewijst de ziel het bestaan van de christelijke God; dus is de ziel van nature christelijk, Q.E.D.
En zo wordt in het christendom alles christelijk gemaakt, zelfs van nature. Het godsbegrip, dat historisch, geografisch en filosofisch een zeer diverse betekenis heeft, wordt herleid tot de ene christelijke God. De kunst in al haar vormen wordt ingeschakeld in het christendom, in de literatuur, de beeldende kunsten, de architectuur, de muziek, het theater, de dans… Ook de wetenschap wordt ingeschakeld, en de filosofie wordt de dienstmaagd van de theologie. Men spreekt van een christelijke beschaving, alsof het christendom die beschaving in al haar aspecten tot stand gebracht heeft, terwijl het omgekeerde het geval is: er is de beschaving, die essentieel niet-christelijk is, en het christendom heeft alle bruikbare elementen daarvan op een of andere manier ingepalmd, maar dan enkel ten dienste van het wereldse eigenbelang van de christelijke organisatie en in de eerste plaats van haar leiding.
Dat is wat de uitdrukking uiteindelijk verraadt. Voor het christendom is alles wat bruikbaar is voor zijn bestaan en voortbestaan zonder meer ‘van nature christelijk’. Dat is op zich al een onaanvaardbare aanmatiging, maar er is meer: wanneer iets niet in dat schema past, is het onchristelijk, en dat is zowat de ergste veroordeling die men kan oplopen. Wat onchristelijk is, is onwaar, meer nog, het is nefast, en het moet met alle kracht bestreden worden. Het christendom is zoals alle andere traditionele godsdiensten een theocratie, wat slechts een eufemisme is voor de dictatuur van de priesterkaste. De godsdienst neemt de plaats in van de hele beschaving, van de hele samenleving; het individu wordt herleid tot de onderdanige gelovige, of veroordeeld, vervolgd en bestraft, zelfs terechtgesteld, als ongelovige, ketter, apostaat, vijand, misdadiger, onmens.
Het humanisme stelt als atheïsme orde op zaken. Er is geen God, er is alleen de mens samen met alle andere levende wezens van de samenleving op deze aarde en de ruimte die binnen ons bereik ligt. De mensheid is geëvolueerd en verandert nog voortdurend zonder God, en heeft haar lot in eigen handen. Darwin heeft aangetoond dat de evolutie van het leven op aarde selectief is, wat aanleiding geeft tot de verscheidenheid van het leven, met wezens die zich kunnen voortplanten, gecombineerde erfelijke eigenschappen kunnen overdragen in nieuwe wezens, waarvan sommige meer geschikt zijn om te overleven en te floreren in hun specifieke omgeving, wat leidt tot nieuwe en ongekende mogelijkheden, waarvan de mens wel het meest spectaculaire voorbeeld is.
Ten slotte nog dit: men gebruikt de uitdrukking anima naturaliter christiana weleens om een persoon te beschrijven die niet echt christelijk kon of kan zijn, bijvoorbeeld omdat die leefde voor het christendom ontstond, of (nog) niet in contact gekomen is of was met het christendom, maar toch christelijke kenmerken vertoonde: de hoogste lof die men voor een heiden kan hebben! Dat doet men traditioneel voor Vergilius (70-21). Het is nog maar eens een bewijs van de krasse aanmatiging van het christendom: als iets goed is, dan is het uiteraard christelijk van nature, ook al kan het niet de facto christelijk zijn. Maar precies daardoor wordt het christelijk bedrog duidelijk: ze erkennen daarmee immers dat het wel degelijk mogelijk om zonder God en zonder het christendom goed te zijn. De wereld is zoals hij is, wat het christendom er ook over zegt. De mens ziet de wereld zoals hij is. Het christendom ziet de wereld ‘als in een duistere spiegel’ (1 Kor. 13:12).

