Anselmus van Canterbury
Anselmus van Canterbury, Het mysterie van God, vertaald door Vincent Hunink, ingeleid door Wim Verbaal, Eindhoven: Uitgeverij Damon, 2024, ISBN 9789463404297, 184 blz., € 24,90 hardback.
In deze publicatie worden twee teksten van Anselmus (1033-1109) samengebracht: het eerder verschenen Proslogion onder de titel Ondenkbaar dat U niet bestaat (Uitgeverij Kok, 2011) en het voor deze uitgave vertaalde Cur Deus homo?, onder de titel Waarom werd God mens?. Damon zorgde weer voor een uiterst verzorgde presentatie, al had voor deze senior het lettertype van de platte tekst wel iets groter gemogen.
Waarom werd God mens? Het antwoord daarop neemt het grootste gedeelte van dit boek in beslag, maar het is het minst verteerbare, althans voor moderne lezers, en al zeker voor wie niet vertrouwd is met de traditionele christelijke soteriologie. In de dialoog naar Plato’s model tussen Anselmus en Boso, een (reële of imaginaire) leerling wordt hier en daar het standpunt van ongelovigen verwoord, maar op een weinig geloofwaardige manier; het is voor beiden evident dat de basisgegevens van het christelijk geloof onbetwijfelbaar waar zijn: God is de almachtige schepper van hemel en aarde en van de eerste mensen, Adam en Eva; die hebben zich door de duivel, een gevallen engel, laten verleiden tot de zonde, en hebben daardoor op alle nakomelingen een erfschuld geladen tegenover God. Die schuld is zo groot dat ze niet door een gewone mens adequaat ingelost kan worden. Dat moet dan wel door een bijzondere mens: een Godmens, de mens-geworden Zoon van God, die door zijn vrijwillig lijden en dood de mensheid weer met God heeft verzoend. De uitleg die Anselmus daarover verschaft, is helder en logisch, maar het blijft een verklaring van wat ten gronde een mysterie is, of een opeenstapeling van onbekenden in de vergelijking: God de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, de schepping, de zondeval, de erfzonde, de menswording, de verrijzenis, het eeuwig leven. Vooral de uitvoerige redeneringen over het getal van de engelen zijn een afknapper: het is nauwelijks te geloven dat een ongetwijfeld verstandige auteur als Anselmus dat in alle ernst heeft kunnen neerpennen. Dat zijn de aberraties van een godsdienst en een theologie die uitgaan van veronderstellingen die ten gronde afwijken van de werkelijkheid.
Het tweede werk bevat een aantal gedachten die ons vandaag wel degelijk kunnen aanspreken, ook al is de verwoording heel traditioneel. God wordt voorgesteld als ‘het hoogst denkbare’, in Huninks originele vertaling van het onvertaalbare id quo maius cogitari nequit. Letterlijk staat er dat er niets groters kan gedacht worden dan God. Dat is inderdaad een aantrekkelijk idee dat al sinds de oudheid aangevoeld is door filosofen en theologen, dat bij Spinoza meesterlijk uitgewerkt wordt, en dat ook Einstein graag onderschreef. Deus sive natura, God of de Natuur, het Al, het Universum. Het is inderdaad ondenkbaar dat dat niet zou bestaan, want dan zouden ook wij niet bestaan, zou er niets bestaan. Het is even ondenkbaar dat er iets groters zou bestaan, want dan zou dat God of het universum zijn. Daarom is het universum noodzakelijkerwijs uniek. Die fundamentele gedachte moet Anselmus ook sterk aangegrepen hebben. Ze heeft hem, en alle christelijke theologen en mystici en vele filosofen voor en na hem echter verleid tot het waanbeeld van een persoonlijke God, wat natuurlijk een contradictio in terminis is: het universum mag dan al evident ordelijk zijn, maar dat is iets helemaal anders dan de veronderstelling dat er een bovennatuurlijk en almachtig intelligent wezen is dat het universum doelbewust voor de mens geschapen heeft en leidt. Nog veel minder dat er een erfzonde is, en een zoon van God die mens moet worden en sterven om daarvoor genoegdoening te geven aan de Vader. Anselmus gaat verder dan het heerlijke id quo maius cogitari nequit, hij zegt letterlijk: ‘U bent niet alleen het hoogst denkbare, nee, U bent iets hogers dan denkbaar!’ (blz. 161). Dat is dan het verschil tussen filosofisch inzicht en mystieke wartaal.
Ondanks de voorbeeldig vlotte vertaling vergen deze teksten een niet geringe volgehouden inspanning van de lezer, vooral als die niet vertrouwd is met de bizarre christelijke dogma’s. In het beste geval zal men toch nog genieten van de helaas zeldzame bladzijden waar nog een grond van Spinoza’s Deus sive natura doorschemert in de typische middeleeuwse apologetische en mystieke taal uit de late elfde eeuw.

